Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)Staatscourant 2019, 41281Besluiten van algemene strekking

Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 16 juli 2019, nummer WBV 2019/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

Gelet op de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000;

Besluit:

ARTIKEL I

De Vreemdelingencirculaire 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf C7/2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2. Het asielbeleid ten aanzien van Afghanistan

2.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

2.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

De IND neemt in de regel ten aanzien van de volgende categorieën vreemdelingen ‘personal and knowing participation’ in de zin van paragraaf C2/7.10.1 Vc aan:

  • onderofficieren en officieren van de KhaD en de WAD;

  • de volgende leden van de Hezb-i-Wahdat:

    • a. alle leden van het Centrale Leiderschapsorgaan, Shura-i-Markazi;

    • b. de leden van het Militair Comité van Shura-i-Markazi;

    • c. de leden van het Politiek Comité van Shura-i-Markazi;

    • d. de hoofden van de Provinciale Vertegenwoordigingen;

    • e. alle commandanten van een ferq’a; en

    • f. hoge officieren van de strijdkrachten van Hezb-i-Wahdat.; en

  • hoofd- en opperofficieren van de volgende afdelingen van de Afghaanse politie in de periode 1978–1996:

    • a. de Kumandani-ye Umumi-ye Defa-yelnqelab;

    • b. de Riasat-e-Makhsous; en

    • c. de Operatifi-ye Mahabas.

2.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
2.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

Geen bijzonderheden.

2.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND merkt voor Afghanistan uitsluitend de volgende categorieën vreemdelingen aan als risicogroep:

  • a) vrouwen die werkzaam zijn in de publieke arena (met name non-gouvernementele organisaties, journalistiek, bij ministeries, in het onderwijs, de gezondheidszorg en de rechterlijke macht).

  • b) personen die actief zijn in de politiek, journalistiek of op het gebied van de mensenrechten, die werkzaam zijn voor non-gouvernementele organisaties of het justitieel apparaat.

  • c) burgers die geassocieerd worden met – of die beschouwd worden als ondersteunend aan – de Afghaanse regering, pro-regering gewapende groepen, het Afghaanse maatschappelijk middenveld en de internationale gemeenschap in Afghanistan, waaronder internationale strijdkrachten, en dientengevolge extra risico lopen op gericht geweld van met name de Taliban en ISKP.

  • d) vreemdelingen die afkomstig zijn uit een leefgebied waar zij tot een (gemarginaliseerde) etnische minderheid behoren, die aldaar ernstige problemen ondervindt.

  • e) vreemdelingen die afkomstig zijn uit een leefgebied waar zij tot een (gemarginaliseerde) religieuze minderheid behoren, die aldaar ernstige problemen ondervindt.

  • f) niet-Moslims, vooral bekeerlingen (tot het Christendom bekeerden), afvalligen, Christenen, Bahai en Sikhs/Hindoes.

  • g) LHBT’s.

2.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
2.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

2.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

2.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND merkt uitsluitend de volgende categorieën aan als kwetsbare minderheidsgroep:

  • a) vreemdelingen die afkomstig zijn uit een leefgebied waar zij tot een (gemarginaliseerde) etnische minderheid behoren, die aldaar ernstige problemen ondervindt.

  • b) vreemdelingen die afkomstig zijn uit een leefgebied waar zij tot een (gemarginaliseerde) religieuze minderheid behoren, die aldaar ernstige problemen ondervindt.

  • c) niet-Moslims, vooral bekeerlingen (tot het Christendom bekeerden), afvalligen, Christenen, Bahai en Sikhs/Hindoes.

2.4.4. Individuele kenmerken

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan de Afghaanse vreemdeling, die aannemelijk heeft gemaakt te vrezen voor eerwraak of bloedwraak, als uit de verklaringen van de vreemdeling is gebleken dat een niet-gewelddadige oplossing onmogelijk is.

2.4.5. Alleenstaande vrouwen

Aan een alleenstaande vrouw uit Afghanistan verleent de IND in de regel een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw.

Bij de beoordeling of een vrouw in Afghanistan als alleenstaand wordt gezien en op die grond bescherming behoeft, wordt in ieder geval meegewogen dat:

  • 1. zij geen echtgenoot heeft – of geen persoon met wie zij een duurzame relatie heeft – in Afghanistan met wie zij kan gaan samenleven;

  • 2. de gezinsband met haar ouderlijk gezin is verbroken en zij aannemelijk heeft gemaakt dat deze niet kan worden hersteld;

  • 3. er geen familielid of sociaal netwerk is waar de vrouw, gelet op haar individuele omstandigheden, voor opvang en bescherming op terug kan vallen.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan een alleenstaande vrouw als op grond van haar individuele asielrelaas aannemelijk is dat zij geen bescherming op grond van haar alleenstaande status nodig heeft. Hierbij wordt onder andere meegewogen of en hoe zij zich in het verleden zelfstandig heeft kunnen handhaven in het dagelijks leven in het land van herkomst.

2.5. Bescherming
2.5.1. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc

De IND neemt ten aanzien van Afghanistan een vlucht- of vestigingsalternatief aan in Kaboel. De IND beoordeelt individueel of dit vlucht- of vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen.

De IND neemt in ieder geval aan dat geen vlucht- of vestigingsalternatief in Kaboel aanwezig is voor de volgende categorieën:

  • a) de hierboven in paragrafen 2.3.2, 2.4.3 en 2.4.5 genoemde categorieën;

  • b) gezinnen met minderjarige kinderen;

  • c) alleenstaande minderjarigen; en

  • d) vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor:

    • geweldpleging op grond van huiselijk geweld, of

    • geweld in de directe sociale omgeving, of

    • specifiek op hen als vrouw gericht eer-gerelateerd geweld.

2.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Afghanistan geldt in ieder geval dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

2.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

2.8. Bijzonderheden

Verwesterde vrouwen

De hoofdregel is dat een enkele in Nederland ontwikkelde westerse levensstijl niet tot vluchtelingschap of subsidiaire bescherming kan leiden. Aanpassing aan de gebruiken van Afghanistan mag worden verlangd. Hierop zijn twee uitzonderingen mogelijk:

  • Indien een vrouw aannemelijk maakt dat de westerse gedragingen een uitingsvorm zijn van een godsdienstige of politieke overtuiging;

  • Indien een vrouw aannemelijk maakt dat zij persoonlijke kenmerken heeft, die uiterst moeilijk of nagenoeg onmogelijk zijn te veranderen en zij vanwege deze kenmerken in Afghanistan voor vervolging te vrezen heeft of een risico loopt op een onmenselijke behandeling.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 16 juli 2019

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, namens deze, A. van Dijk directeur-generaal Migratie

TOELICHTING

ALGEMEEN

Op 1 juli 2019 is een brief uitgegaan aan de Tweede Kamer, waarin is aangegeven dat op 6 maart 2019 een algemeen ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is uitgebracht en dat op grond daarvan besloten is om het beleid ten aanzien van Afghanistan op een aantal punten aan te passen.

ARTIKELSGEWIJS

Artikel 2.3.2

Het ambtsbericht geeft aanleiding om een extra risicogroep toe te voegen. Uit het ambtsbericht blijkt dat burgers die geassocieerd worden met – of die beschouwd worden als ondersteunend aan – de Afghaanse regering, pro-regering gewapende groepen, het Afghaanse maatschappelijk middenveld en de internationale gemeenschap in Afghanistan, waaronder internationale strijdkrachten, extra risico lopen op gericht geweld van met name de Taliban en ISKP.

Artikel 2.4.3

Op basis van dit ambtsbericht is in het landgebonden beleid voor Afghanistan een duidelijker onderscheid gemaakt in kwetsbare minderheidsgroepen en risicogroepen. De risicogroepen zijn niet tevens alle kwetsbare minderheidsgroepen, aangezien zij niet allemaal meer (verhoogd) risico lopen slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Dit risico geldt wel voor drie groepen, namelijk voor:

  • 1. vreemdelingen die afkomstig zijn uit een leefgebied waar zij tot een (gemarginaliseerde) etnische minderheid behoren, die aldaar ernstige problemen ondervindt;

  • 2. vreemdelingen die afkomstig zijn uit een leefgebied waar zij tot een (gemarginaliseerde) religieuze minderheid behoren, die aldaar ernstige problemen ondervindt; én

  • 3. niet-Moslims, vooral bekeerlingen (tot het Christendom bekeerden), afvalligen, Christenen, Bahai en Sikhs/Hindoes.

Artikel 2.8

In november 2018 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak gedaan, waarin als hoofdregel staat dat verwestering geen grond is voor asielverlening, maar dat daarop twee uitzonderingen mogelijk zijn. Ik heb besloten het landenbeleid op dit punt, in lijn met de uitspraak van de Afdeling, te actualiseren.

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, namens deze, A. van Dijk directeur-generaal Migratie