Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en SportStaatscourant 2019, 40260Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 11 juli 2019, kenmerk 1553975-193080-PG, houdende regels voor het verstrekken van subsidie voor de begeleiding bij het gebruik van PrEP (Subsidieregeling PrEP)

De Minister voor Medische Zorg,

Gelet op artikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies;

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. minister:

Minister voor Medische Zorg;

b. PrEP:

Pre Expositie Profylaxe, een medicijn ter preventieve behandeling van hiv;

c. subsidiejaar:

jaar ten behoeve waarvan de subsidie wordt verstrekt;

d. verzorgingsgebied:

verzorgingsgebied als bedoeld in artikel 68, onder a, van de Subsidieregeling publieke gezondheid:

  • 1°. de provincies Noord-Holland en Flevoland,

  • 2°. de provincies Overijssel en Gelderland,

  • 3°. de provincies Friesland, Drenthe en Groningen,

  • 4°. het deel van de provincie Zuid-Holland, bestaande uit de gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam/Voorburg, Midden-Delftland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer,

  • 5°. het overige deel van de provincie Zuid-Holland, bestaande uit de gemeenten die geen deel uitmaken van de provincie Zuid-Holland genoemd onder 4°,

  • 6°. de provincies Zeeland en Noord-Brabant,

  • 7°. de provincie Limburg, of

  • 8°. de provincie Utrecht;

e. coördinerende GGD:

coördinerende GGD als bedoeld in artikel 68, onder b, van de Subsidieregeling publieke gezondheid, de instelling die in stand houdt of de instellingen die in stand houden:

  • 1°. de GGD van de gemeente Amsterdam,

  • 2°. de GGD Gelderland-Zuid,

  • 3°. de GGD Groningen,

  • 4°. de afdeling GGD van de Dienst OCW van de gemeente Den Haag,

  • 5°. de GGD Rotterdam-Rijnmond,

  • 6°. de GGD van het openbaar lichaam Hart voor Brabant,

  • 7°. de GGD Zuid-Limburg,

  • 8°. de GGD Regio Utrecht;

f. coördinatie:

het ten behoeve van het verzorgingsgebied van de desbetreffende coördinerende GGD:

  • 1°. coördineren van het aanbod van medische begeleiding bij het gebruik van PrEP,

  • 2°. waarborgen dat de medische begeleiding voldoet aan artikel 9.

Artikel 2

De Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS is niet van toepassing, met uitzondering van de artikelen 1.1, 1.7, 3.5, 5.1, 5.4 en 5.7.

Artikel 3

De minister kan ten behoeve van de subsidiejaren 2019 tot en met 2021 aan een coördinerende GGD een instellingssubsidie verstrekken voor de medische begeleiding bij het gebruik van PrEP en de coördinatie daarvan in het

verzorgingsgebied waarin de coördinerende GGD is gevestigd.

Artikel 4

  • 1. De medische begeleiding, bedoeld in artikel 3:

    • a. is gericht op personen die behoren tot de groep van mannen die seks hebben met mannen, met een verhoogd risico op hiv;

    • b. bestaat uit per persoon één intakeconsult en vervolgens maximaal vier vervolgconsulten per jaar en het naar aanleiding van een consult ter hand stellen van PrEP aan de desbetreffende persoon.

  • 2. Het aantal personen dat medisch wordt begeleid bedraagt ten hoogste:

    • a. 2.684 in de provincies Noord-Holland en Flevoland;

    • b. 931 in de provincies Overijssel en Gelderland;

    • c. 266 in de provincies Friesland, Drenthe en Groningen;

    • d. 490 in het deel van de provincie Zuid-Holland, bestaande uit de gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam/Voorburg, Midden-Delftland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer;

    • e. 837 in het overige deel van de provincie Zuid-Holland, bestaande uit de gemeenten die geen deel uitmaken van de provincie Zuid-Holland genoemd onder 4°;

    • f. 632 in de provincies Zeeland en Noord-Brabant;

    • g. 330 in de provincie Limburg;

    • h. 330 in de provincie Utrecht.

Artikel 5

  • 1. De subsidie wordt per kalenderjaar verstrekt.

  • 2. (Qi x Pi) + (Qv x Pv) – (Qp x Bp) + U

    De instellingssubsidie bestaat uit het bedrag dat wordt berekend overeenkomstig de volgende formule:

    waarbij wordt verstaan onder:

    • Qi. het aantal intakeconsulten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b, dat in het boekjaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt is uitgevoerd;

    • Pi. een bedrag van € 192,70;

    • Qv. het aantal vervolgconsulten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b, dat in het boekjaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt is uitgevoerd;

    • Pv. een bedrag van € 136,00;

    • Qp. het aantal ter hand stellingen van PrEP per dertig pillen;

    • Bp. een eigen bijdrage van de gebruiker van € 7,50 per dertig pillen;

    • U. het bedrag voor de coördinatie van de medische begeleiding, dat voor 2019 ten hoogste bedraagt:

      • 1°. € 50.000 voor de provincies Noord-Holland en Flevoland,

      • 2°. € 50.000 voor de provincies Overijssel en Gelderland,

      • 3°. € 0.000 voor de provincies Friesland, Drenthe en Groningen,

      • 4°. € 10.000 voor het deel van de provincie Zuid-Holland, bestaande uit de gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam/Voorburg, Midden-Delftland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer,

      • 5°. € 0.000 voor het overige deel van de provincie Zuid-Holland, bestaande uit de gemeenten die geen deel uitmaken van de provincie Zuid-Holland genoemd onder 4°,

      • 6°. € 40.000 voor de provincies Zeeland en Noord-Brabant,

      • 7°. € 20.000 voor de provincie Limburg,

      • 8°. € 10.000 voor de provincie Utrecht.

  • 3. Voor de berekening van de instellingssubsidie voor 2019 komen over de periode april tot en met juli 2019 uitsluitend de kosten van de medische begeleiding, bestaande uit het aantal uitgevoerde intake- en vervolgconsulten, voor subsidie in aanmerking, overeenkomstig de volgende formule:

    (Qi x Pi) + (Qv x Pv)

    waarbij wordt verstaan onder:

    • Qi. het aantal intakeconsulten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b, dat in de periode van april tot en met juli 2019 is uitgevoerd;

    • Pi. een bedrag van € 192,70;

    • Qv. het aantal vervolgconsulten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b, dat in de periode van april tot en met juli 2019 is uitgevoerd;

    • Pv. een bedrag van €&#x00a0136,00.

Artikel 6

  • 1. Een aanvraag tot verlening van een subsidie wordt uiterlijk dertien weken voor aanvang van het subsidiejaar ontvangen.

  • 2. Voor de aanvraag wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.

  • 3. De coördinerende GGD consulteert de GGD’en in zijn verzorgingsgebied over zijn aanvraag.

  • 4. De aanvraag van een GGD gaat vergezeld van:

    • a. een overzicht van het verwacht aantal personen, consulten en ter hand stellingen van PreP ten behoeve waarvan subsidie wordt aangevraagd;

    • b. een begroting;

    • c. een beschrijving van de coördinatie, bedoeld in artikel 1, onder f;

    • d. een document waarin de coördinerende GGD de uitkomsten van de consultatie beschrijft;

    • e. een document waaruit de juridische status van de coördinerende GGD blijkt.

  • 5. In afwijking van het eerste lid wordt de aanvraag ten behoeve van 2019 uiterlijk 1 september 2019 ontvangen.

Artikel 7

  • 1. De minister geeft binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking tot verlening van de subsidie.

  • 2. Het besluit tot subsidieverlening vermeldt het aantal personen, consulten en ter hand stellingen van PrEP, bedoeld in artikel 4, ten behoeve waarvan ten hoogste subsidie wordt verleend.

  • 3. De minister verleent bij het besluit tot verlening van de subsidie ambtshalve voorschotten. De voorschotten worden gelijkmatig betaald over het subsidiejaar.

Artikel 8

De coördinerende GGD draagt er ten behoeve van zijn verzorgingsgebied zorg voor dat in het jaar waarvoor de instellingssubsidie wordt verstrekt:

  • a. er op planmatige wijze toereikende medische begeleiding en gepaste coördinatie worden uitgevoerd;

  • b. de medische begeleiding van verantwoorde kwaliteit is;

  • c. er bij het ter hand stellen van PrEP aan de desbetreffende persoon per dertig pillen telkens een bedrag van € 7,50 in rekening wordt gebracht;

  • d. de medische begeleiding wordt uitgevoerd in samenwerking met andere gemeentelijke gezondheidsdiensten binnen het verzorgingsgebied;

  • e. uiterlijk 2 maanden na afloop van ieder kwartaal op door de minister te bepalen wijze gegevens worden verstrekt over het aantal begeleide personen en verrichte consulten;

  • f. de gegevens over het aantal begeleide personen en verrichte consulten op een door de minister vastgestelde wijze worden verstrekt aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu;

  • g. de gegevens ten behoeve van onderzoekingen als bedoeld in artikel 30, derde lid, van de Subsidieregeling publieke gezondheid, ten behoeve van de ontwikkeling van het beleid op het gebied van de preventie van hiv op een door de minister vastgestelde wijze worden verstrekt aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.

Artikel 9

De coördinerende GGD waaraan de instellingssubsidie is verleend, draagt er zorg voor dat aan de minister op door hem te bepalen wijze gegevens worden verstrekt over de uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt.

Artikel 10

De instellingssubsidie wordt als volgt vastgesteld:

  • a. de coördinerende GGD vraagt de vaststelling van de subsidie aan door verantwoordingsinformatie aan de minister te verstrekken op de wijze bedoeld in artikel 27 van het Besluit financiële verhouding 2001;

  • b. artikel 58a van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten is van overeenkomstige toepassing op de verantwoordingsinformatie;

  • c. binnen zes maanden na ontvangst van de verantwoordingsinformatie geeft de minister een beschikking tot vaststelling van de subsidie.

Artikel 11

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2019, met uitzondering van artikel 5, derde lid, dat in werking treedt met ingang van de dag na de uitgifte van de Staatscourant waarin de regeling wordt geplaatst en terugwerkt tot en met 1 april 2019.

  • 2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2022.

Artikel 12

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling PrEP.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Medische Zorg, B.J. Bruins

TOELICHTING

Algemeen

De Subsidieregeling PrEP (hierna: de Subsidieregeling) heeft betrekking op de subsidiëring van – kort gezegd- de coördinerende GGD-en voor de medische begeleiding bij het preventief gebruik van hiv-remmers, Pre Expositie Profylaxe (hierna: PrEP) door personen die behoren tot de groep mannen die seks hebben met mannen (MSM), met een verhoogd risico op hiv.

Aanleiding

In 2018 heb ik besloten om het gebruik van PrEP te vergoeden voor een hoogrisicogroep van mannen die seks hebben met mannen (MSM)1. Dit naar aanleiding van het advies van de Gezondheidsraad, die adviseert om PrEP aan te bieden aan groepen met een hoog risico op een hiv-infectie (hoogrisicogroepen), voornamelijk de hoogrisicogroep van MSM. De Gezondheidsraad benadrukte het belang van samenhangend overheidsbeleid bij het tegengaan van de verdere verspreiding van hiv. Dit betekent niet alleen het beschikbaar stellen van PrEP, maar ook het organiseren van essentiële driemaandelijkse medische begeleiding. Hierdoor kunnen zaken als therapietrouw, resistentievorming, en de aanpak van andere seksueel overdraagbare aandoeningen (soa’s) in de gaten worden gehouden. Verder adviseerde de Gezondheidsraad het langetermijneffect van het gebruik van PrEP zorgvuldig te monitoren en na vijf jaar te evalueren of het verstrekken van PrEP daadwerkelijk tot een daling van de hiv-incidentie heeft geleid.

In navolging van het advies van de Gezondheidsraad heeft het RIVM vervolgens in samenwerking met betrokken veldpartijen geadviseerd over de implementatie van PrEP.

Conform het advies van het RIVM wordt de uitvoering van de medische begeleiding bij het gebruik van PrEP belegd bij de acht coördinerende GGD-en, die ook activiteiten verrichten in het kader van de Regeling aanvullende seksuele gezondheidszorg (ASG)2. Zij zetten hiermee reeds in op preventie van soa’s en het bevorderen van de seksuele gezondheidszorg. Kwetsbare groepen en (hoog)risicogroepen, zoals de hoogrisicogroep MSM, kunnen in dat kader al terecht bij de GGD. De GGD-en leveren gegevens aan het RIVM voor het landelijke surveillance systeem voor het monitoren van hiv, soa’s en seksuele gezondheid. Ook de monitoring van de uitvoering van het gebruik van PrEP kan hierbij aansluiten.

Op basis van deze Subsidieregeling verstrek ik vanaf 2019 subsidie aan de acht coördinerende GGD’en voor de medische begeleiding bij het gebruik van PrEP en de coördinatie daarvan. Deze coördinerende GGD-en voeren reeds activiteiten uit in het kader van de Regeling aanvullende seksuele gezondheidszorg. Het uitvoeren van de medische begeleiding bij het gebruik van PrEP door de coördinerende GGD-en is daarmee een aanvullende activiteit op het gebied van de seksuele gezondheidszorg.

De medische begeleiding door de coördinerende GGD-en is gericht op personen die behoren tot de hoogrisicogroep MSM. De coördinerende GGD-en zullen samen jaarlijks maximaal 6.500 personen begeleiden. De medische begeleiding bestaat uit per persoon een intakeconsult en vervolgens maximaal vier vervolgconsulten per jaar. Alleen naar aanleiding van een consult kunnen PrEP-pillen worden verstrekt aan de gebruiker. Vanaf 1 augustus 2019 worden dergelijke verstrekkingen deels gesubsidieerd. De coördinerende GGD dient aan de gebruiker in kwestie een eigen bijdrage in rekening te brengen, die neerkomt op een bedrag van € 7,50 per dertig pillen.

In de aanloop naar de inwerkingtreding van deze Subsidieregeling zijn de coördinerende GGD-en in de periode van april tot en met juli 2019 op verzoek van het ministerie van VWS al gestart met de medische begeleiding van gebruikers van PrEP die op dat moment geen enkele vorm van medische begeleiding bij de GGD of huisarts ontvingen. In de periode van april tot en met juli 2019 komen uitsluitend de kosten voor de uitgevoerde intake- en vervolgconsulten van deze groep gebruikers voor subsidie in aanmerking. De kosten van de PrEP-medicatie komen in deze periode voor rekening van de gebruiker.

Voor de komende vijf jaar is in totaal € 22 miljoen beschikbaar voor het verstrekken van PrEP, de medische begeleiding en de coördinatie daarvan.

In 2019, 2020 en 2021 subsidieer ik deze activiteiten op grond van de Subsidieregeling. De Subsidieregeling vervalt per 1 januari 2022. Hierbij sluit ik aan bij de vervaldatum van de Subsidieregeling publieke gezondheid, op grond waarvan het ministerie van VWS diverse subsidies verstrekt op het gebied van publieke gezondheid, waaronder de aanvullende seksuele gezondheidzorg en coördinatie. Het ministerie van VWS zal tijdig en in samenhang bezien hoe de bekostiging van diverse activiteiten op het gebied van publieke gezondheid, waaronder de medische begeleiding bij het gebruik van PrEP, na 2021 voort te zetten en vorm te gegeven.

Conform het advies van de Gezondheidsraad zullen de bewuste activiteiten worden geëvalueerd. Na drie jaar volgt een tussentijdse evaluatie. In het vijfde jaar, voor de bekostiging vervalt, volgt een eindevaluatie die in ieder geval een beeld moet brengen wat het effect van het gebruik van PrEP is geweest op de hiv-incidentie en de soa-prevalentie. Dan zal bezien worden of er aanleiding is voor een heroverweging wat betreft de invulling van de overheidsrol bij de vergoeding van het gebruik van PrEP.

In deze Subsidieregeling zijn de regels voor het verstrekken van subsidie voor de bovengenoemde activiteiten nader uitgewerkt.

Subsidiesystematiek

De subsidie die op grond van de Subsidieregeling wordt verstrekt betreft een instellingssubsidie als bedoeld in artikel 1.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (hierna: de Kaderregeling). De Kaderregeling is, met uitzondering van een aantal artikelen, niet van toepassing, omdat voor de onderhavige regeling een aparte subsidiesystematiek is gewenst.

Bij deze Subsidieregeling is gekozen voor het meest gangbare proces waarbij voorafgaand aan een subsidiejaar wordt aangevraagd en verstrekt. De subsidie wordt aangevraagd en verleend met inachtneming van het per verzorgingsgebied bepaalde maximumaantal te begeleiden personen.

Het subsidiebedrag wordt berekend aan de hand van het aantal uitgevoerde intake- en vervolgconsulten en de bijbehorende normbedragen. Hierbij is van belang dat artikel 4, tweede lid, bepaalt hoeveel personen er per verzorgingsgebied maximaal worden begeleid. Een coördinerende GGD dient bij elke verstrekking van PrEP-pillen aan de gebruiker in kwestie een eigen bijdrage in rekening te brengen van € 7,50 per dertig pillen.

Bij de berekening van het subsidiebedrag voor 2019 komen over de periode april tot en met juli 2019 uitsluitend de kosten van het aantal uitgevoerde intake- en vervolgconsulten voor subsidie in aanmerking. Het subsidiebedrag voor 2019 bestaat ook uit een bedrag voor de coördinatie.

Uit artikel 2 van de Subsidieregeling volgt dat enkele algemene subsidieverplichtingen uit de Kaderregeling van toepassing zijn, waaronder de meldingsplicht van artikel 5.7 van de Kaderregeling. Daarnaast gelden de bijzondere subsidieverplichtingen, bedoeld in artikel 8.

De subsidie wordt vastgesteld op basis van het werkelijke aantal uitgevoerde (intake- en vervolg)consulten, tot ten hoogste de bij het besluit tot subsidieverlening bepaalde aantallen consulten. De in rekening gebrachte eigen bijdragen aan gebruikers van PrEP worden daarop in mindering gebracht. Het bedrag van de subsidievaststelling voor 2019 betreft ook een bedrag voor de coördinatie. De subsidievaststelling loopt via de SiSa-systematiek. Het RIVM baseert zich bij het aantal werkelijk uitgevoerde consulten en in rekening gebrachte eigen bijdragen op de door de coördinerende GGD-en verstrekte gegevens via het systeem SOAP.

Gevolgen voor de regeldruk

Het aanvragen van subsidie door de coördinerende GGD-en heeft gevolgen voor hun administratieve lasten. Deze bestaan in ieder geval uit het kennisnemen van de nieuwe Subsidieregeling, het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening, het verstrekken van gegevens over het aantal begeleide personen en verrichte consulten, de verstrekte medicatie en de verantwoording. Bij de eisen die worden gesteld wordt aangesloten bij de systematiek van §6.2 van de Subsidieregeling publieke gezondheid, dat ziet op de subsidiëring van de aanvullende seksuele gezondheidszorg en coördinatie.

Ook bij de onderhavige Subsidieregeling loopt de verantwoording via het Besluit financiële verhouding 2001 en het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (derhalve via de SiSa-systematiek) en leveren de coördinerende GGD-en informatie aan bij het RIVM via het systeem SOAP.

Artikelsgewijs

Artikel 1

In artikel 1 is onder meer ‘PrEP’ gedefinieerd. Bij de definities van ‘verzorgingsgebied’ en ‘coördinerende GGD’ is aangesloten bij artikel 68, onder a en b, van de Subsidieregeling publieke gezondheid. § 6.2 van de Subsidieregeling publieke gezondheid ziet op de subsidiëring van aanvullende seksuele gezondheidszorg en coördinatie. Daarbij geldt dezelfde indeling in verzorgingsgebieden en wordt subsidie verstrekt aan dezelfde coördinerende GGD’en voor aanvullende seksuele gezondheidszorg, coördinatie en soa-onderzoek.

Artikel 2

Binnen de regeling wordt deels gebruik gemaakt van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS. Voor zover deze bepalingen van toepassing zijn staat dit in artikel 2 vermeld. De van toepassing zijnde artikelen bevatten bepalingen over onder meer de subsidieverplichtingen.

Artikel 3

In het eerste lid zijn de activiteiten van de coördinerende GGD’en omschreven die in de subsidiejaren 2019 tot en met 2021 voor subsidiëring in aanmerking komen. Kort samengevat gaat het om a) de medische begeleiding, bestaande uit intake- en vervolgconsulten en het ter hand stellen van PrEP en b) de coördinatie van de uitvoering van de Subsidieregeling in het verzorgingsgebied.

Artikel 4

Artikel 4, eerste lid, gaat in op de medische begeleiding. Deze is gericht op personen die behoren tot de groep van mannen die seks hebben met mannen (MSM), met een verhoogd risico op hiv. De begeleiding houdt per persoon in: één intakeconsult en vervolgens maximaal vier vervolgconsulten per jaar. Alleen naar aanleiding van een consult kunnen PrEP-pillen worden verstrekt aan de desbetreffende persoon.

Artikel 4, tweede lid, bepaalt hoeveel personen per verzorgingsgebied maximaal kunnen worden begeleid.

Artikel 5

Artikel 5 betreft de wijze waarop het subsidiebedrag wordt berekend. De subsidie wordt per kalenderjaar verstrekt. Het tweede lid bepaalt dat het subsidiebedrag wordt berekend aan de hand van het aantal intake- en vervolgconsulten dat in het desbetreffende jaar is uitgevoerd en de normbedragen. Dit met inachtneming van het maximumaantal personen dat op grond van artikel 4, tweede lid, in het desbetreffende verzorgingsgebied mag worden begeleid. Op dit subsidiebedrag worden de eigen bijdragen van gebruikers voor PrEP-pillen in mindering gebracht.

Ingevolge het derde lid geldt bij de berekening van het subsidiebedrag voor 2019 dat in de periode april tot en met juli 2019 uitsluitend de kosten van het aantal uitgevoerde intake- en vervolgconsulten voor subsidie in aanmerking komen. Over die periode komt het ter hand stellen van PrEP aan gebruikers derhalve nog niet voor subsidie in aanmerking. De subsidie voor 2019 bestaat ook uit een bedrag voor de coördinatie.

Artikel 6

Artikel 6 gaat in op de aanvraag tot subsidieverlening, meer specifiek op de aanvraagtermijn, de consultatie in het verzorgingsgebied en de stukken die een coördinerende GGD bij de aanvraag dient te voegen. Voor 2019 geldt een afwijkende aanvraagtermijn (uiterlijk 1 september 2019).

Artikel 7

In artikel 7 staat de beslistermijn (binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag). In het besluit tot subsidieverlening wordt vermeld ten behoeve van welk maximumaantal personen, consulten en verstrekkingen van PrEP subsidie wordt verleend. Aan de hand van de verschillende normbedragen wordt het totale subsidiebedrag bepaald. De subsidie wordt door middel van voorschotten gelijkmatig uitbetaald over het subsidiejaar.

Artikel 8 en 9

In artikel 8 staan enkele bijzondere aan de subsidie verbonden verplichtingen, in aanvulling op artikel 5.1, 5.4 en 5.7 van de Kaderregeling. Medische begeleiding dient conform de geldende professionele richtlijn te gebeuren. Deze bestaat tenminste uit periodiek testen op de soa’s chlamydia, gonorroe, syfilis, hiv en hepatitis C, als ook het periodiek uitvoeren van een nierfunctietest. De verplichting in artikel 8, onder c, houdt in dat bij iedere verstrekking van PrEP-pillen aan de desbetreffende gebruiker een bedrag van € 7,50 per dertig pillen in rekening moet worden gebracht en moet worden geïnd. De verplichtingen onder e tot en met g betreffen de wijzen waarop de coördinerende GGD-en informatie dienen te verschaffen over het aantal begeleide personen en verrichte consulten.

Artikel 9 ziet op het aanleveren van informatie door de coördinerende GGD-en aan het RIVM via het systeem SOAP.

Artikel 10

Artikel 10 betreft de subsidievaststelling, die via het Besluit financiële verhouding 2001 en het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten loopt, derhalve via de SiSa-systematiek.

Artikel 11

In afwijking van de vaste verandermomenten bij regelgeving (VVM) treedt de Subsidieregeling in werking met ingang van 1 augustus 2019. Dit met uitzondering van artikel 5, derde lid, dat al in werking treedt met ingang van de dag na de uitgifte van de Staatscourant waarin de regeling wordt geplaatst en terugwerkt tot en met 1 april 2019.

Voor deze gedeeltelijk terugwerkende kracht is gekozen omdat de coördinerende GGD’en op verzoek van het ministerie van VWS al sinds april 2019 intake- en vervolgconsulten hebben uitgevoerd en ook deze activiteiten voor subsidie in aanmerking dienen te komen.

De Subsidieregeling vervalt met ingang van 1 januari 2022, met dien verstande dat deze regeling van toepassing blijft op een subsidie die krachtens deze regeling is verstrekt.

De Minister voor Medische Zorg, B.J. Bruins


X Noot
1

Kamerstukken II 2017–18, 29 447, 511.

X Noot
2

Brief van de Minister voor Medische Zorg en Sport van 6 februari 2019, kenmerk

1483083-187116-PG.