De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Gelet op artikel 2, eerste lid van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies;
Gehoord het Huis voor klokkenluiders;
besluit
ARTIKEL I
Artikel 2, tweede lid, van het Instellingsbesluit commissie incompatibiliteiten Huis
voor klokkenluiders komt te luiden:
ARTIKEL II
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de
Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
K.H. Ollongren
TOELICHTING
De Commissie van onderzoek inzake de procedure van werving, selectie en benoeming
van de voorzitter van het Huis voor klokkenluiders heeft op 9 mei 2019 een rapport
uitgebracht aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties waarin is
geadviseerd om het mandaat van de Commissie incompatibiliteiten Huis voor klokkenluiders
uit te breiden, zodat deze niet alleen de nevenactiviteiten van de zittende voorzitter
en leden, maar in het vervolg ook van de kandidaat-voorzitter en kandidaat-leden van
het Huis voor klokkenluiders beoordeelt. In de brief van 15 mei 20191, waarbij het rapport van voornoemde commissie werd aangeboden aan de Tweede Kamer
der Staten-Generaal, is toegezegd dat zal worden vastgelegd dat de Commissie incompatibiliteiten
ook tot taak krijgt de minister te adviseren over mogelijke incompatibiliteiten van
nevenfuncties van kandidaat-voorzitters en kandidaat-leden van het Huis voor klokkenluiders.
Dit wijzigingsbesluit van het Instellingsbesluit commissie incompatibiliteiten Huis
voor klokkenluiders geeft uitvoering aan deze toezegging door aan artikel 2, tweede
lid, een nieuw onderdeel a toe te voegen.
Door de taak van de Commissie incompatibiliteiten uit te breiden met de advisering
aan de minister over mogelijke incompatibiliteiten van nevenfuncties van de kandidaat-voorzitter
en kandidaat-leden van het Huis voor klokkenluiders, kan de minister dit advies betrekken
bij de voordracht tot benoeming van de betreffende kandida(a)t(en). Indien sprake
is van een niet verenigbare nevenfunctie kan de kandidaat-voorzitter of het kandidaat-lid
de nevenfunctie staken of, indien deze daarin niet bewilligt, kan de minister afzien
van de voordracht tot benoeming.
Artikel 2, tweede lid, onderdeel b (nieuw) wordt ten opzichte van het oorspronkelijke
tweede lid aangepast, in die zin dat het advies van de commissie niet aan het Huis
maar aan het desbetreffende lid wordt gedaan. Dit sluit aan bij artikel 13, tweede
lid van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, waarin is bepaald dat het lid zelf
melding doet van het voornemen tot het aanvaarden van een nevenfunctie. Tevens wordt
in onderdeel b (nieuw) bepaald dat de minister een afschrift ontvangt van een advies
aan het lid van het Huis over de onverenigbaarheid van nevenfuncties van zittende
leden. Indien noodzakelijk kan de minister op grond van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen,
passende maatregelen treffen.
Met kandidaat-voorzitter en kandidaat-leden worden bedoeld de personen waarvan het
voornemen bestaat die – na de selectieprocedure te hebben doorlopen en na afstemming
met het bestuur van het Huis – voor te dragen door de minister voor benoeming bij
KB.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
K.H. Ollongren