Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Landbouw, Natuur en VoedselkwaliteitStaatscourant 2019, 39306Convenanten

Convenant financiering bestrijding besmettelijke dierziekten 2020–2024

I

De ondergetekenden:

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, handelend als bestuursorgaan en vertegenwoordiger van de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door M. Sonnema, Directeur-Generaal Agro;

En de sectorpartijen:

  • 1. De vereniging ZuivelNL, vertegenwoordigd door de heer J. Jorritsma, voorzitter;

  • 2. De stichting Brancheorganisatie Kalversector, vertegenwoordigd door het bestuurslid, de heer W. Thus, tevens handelend namens de Stichting DGF kalversector;

  • 3. De stichting AVINED, vertegenwoordigd door mevrouw H. de Haan, voorzitter en de heer E. Hubers, vicevoorzitter;

  • 4. De Producentenorganisatie Varkenshouderij, vertegenwoordigd door mevrouw L. Janssen-Verriet, voorzitter, en de heer E. Stiphout, vicevoorzitter;

  • 5. De vakgroep Schapenhouderij van LTO Nederland, vertegenwoordigd door mevrouw S. Duives-Cahuzak;

  • 6. De vakgroep Melkgeitenhouderij van LTO Nederland, vertegenwoordigd door de heer J. Tolboom;

  • 7. De vakgroep Vleesveehouderij van LTO Nederland, vertegenwoordigd door de heer W. Hartendorf;

  • 8. Het platform Kleinschalige Schapen- en Geitenhouders, vertegenwoordigd door de heer J.A.W.M. Niks, voorzitter;

verder te noemen: partijen;

II

In aanmerking nemende:

dat de minister ingevolge de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwwd) belast is met de bestrijding en preventie van besmettelijke dierziekten, zoönosen en ziekteverwekkers;

dat kosten van de bestrijding en preventie van dierziekten, zoönosen en ziekteverwekkers, van de Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit, van onderzoek, gericht op de aanpak van nieuwe dierziekten, zoönosen en ziekteverwekkers en de kosten die noodzakelijk zijn met het oog op de heffing en invordering van de heffingen worden gefinancierd uit het Diergezondheidsfonds, bedoeld in artikel 95a van de Gwwd (9.2 Wet dieren);

dat onder meer houders van voor deze dierziekten, zoönosen en ziekteverwekkers vatbare dieren dienen bij te dragen aan de financiering van de kosten van bestrijding en preventie van deze dierziekten, zoönosen en ziekteverwekkers;

dat de Gwwd in hoofdstuk VIII, afdeling 3 (hoofdstuk 9, paragraaf 4, Wet dieren), met het oog op financiering van deze kosten voorziet in een stelsel van heffingen die rechtstreeks bij de ondernemers worden geheven;

dat ter uitwerking van dat hoofdstuk nadere regels over de diergezondheidsheffing zijn gesteld in het Besluit diergezondheidsheffing;

dat de inkomsten van de heffingen op grond van artikel 95b, onderdeel a, van de Gwwd (9.3, eerste lid, onderdeel a, Wet dieren) in het Diergezondheidsfonds worden gestort;

dat partijen afspraken willen maken over de verdeling van de kosten die door elke sector gedurende de looptijd van dit convenant moeten worden gedragen in het kader van bestrijding en preventie van dierziekten, zoönosen en ziekteverwekkers, tot het plafondbedrag, bedoeld in artikel 91j van de Gwwd (9.22 Wet dieren);

dat sectorpartijen 1, 2 en 4 beschikken over crisisreserves beschikken en die beheren ten behoeve van de minister;

dat partijen zich inspannen om de begrote 5-jaarlijkse kosten waar mogelijk en verantwoord te verlagen, in het bijzonder voor de crisisfaciliteit van de High Containment Unit, met als doel dat het tarief voor de diergezondheidsheffing voor die onderdelen verlaagd kan worden;

dat partijen nadere afspraken maken over de verdeling van sectoroverstijgende kosten, in het “normenkader DGF”;

dat op 21 april 2021 verordening (EU) 2016/429 (Animal Health Law) in werking treedt, net als de Wet dieren voor het onderwerp “diergezondheid” en aangezien dit convenant na inwerkingtreding van kracht blijft achter verwijzingen naar artikelen van de Gwwd de corresponderende artikelen van de Animal Health Law en de Wet dieren zijn opgenomen;

komen het volgende overeen:

III

§ 1. Algemeen

Artikel 1

In dit convenant wordt verstaan onder:

  • 5-jaarlijkse kosten: kosten voor de preventie van besmettelijke dierziekten, zoönosen of ziekteverwekkers als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdelen s en t, de voorbereiding van de bestrijding als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdelen n en u, de Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit, onderzoek naar nieuwe dierziekten, zoönosen en ziekteverwekkers en kosten die noodzakelijk zijn met het oog op de heffing en invordering van de heffing;

  • basismonitoring: monitoringsprogramma gericht op het opsporen en vroegtijdig signaleren van dierziekten en het volgen van trends en ontwikkelingen met betrekking tot de diergezondheid;

  • besmettelijke dierziekte, zoönose of ziekteverwekker: dierziekte, zoönose of ziekteverwekker als bedoeld in de artikelen 2, 3 en 7 van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s en artikel 4 van het Besluit zoönosen (artikel 5, eerste lid, verordening (EU) 2016/429 en dierziekte, zoönose of ziekteverwekker aangewezen op grond van artikel 5.3, eerste lid, Wet dieren);

  • bestrijdingskosten: kosten die rechtstreeks samenhangen met of voortvloeien uit de bestrijding van besmettelijke dierziekten, zoönosen of ziekteverwekkers als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdelen a tot en met m en o tot en met r;

  • Diergezondheidsfonds: Diergezondheidsfonds als bedoeld in artikel 95a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (9.2 Wet dieren);

  • diergezondheidsheffing: heffing als bedoeld in artikel 91b van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (9.14 Wet dieren);

  • heffingplichtige: natuurlijke persoon, rechtspersoon of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen waarvan een diergezondheidsheffing wordt geheven;

  • plafondbedrag: bedrag dat is vastgesteld krachtens artikel 91j, eerste lid, van de Gwwd (9.22 Wet dieren);

  • verordening (EU) 2016/429: verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid („diergezondheidswetgeving”) (Pb EU 2016, L 84).

§ 2. Bijdragen aan het Diergezondheidsfonds

Artikel 2
  • 1. De minister, sectorpartijen 1, 2 en 4 en heffingplichtigen dragen bij aan de kosten:

    • a. voor bestrijding en preventie van besmettelijke dierziekten, zoönosen en ziekteverwekkers;

    • b. voor de Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit;

    • c. voor onderzoek naar nieuwe dierziekten, zoönosen en ziekteverwekkers;

    • d. die noodzakelijk zijn met het oog op de heffing en invordering van de heffingen.

  • 2. De kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, zijn kosten die samenhangen met:

    • a. screening van dieren of bedrijven;

    • b. onderzoek van dieren die worden verdacht van besmetting met een besmettelijke dierziekte, zoönose of ziekteverwekker;

    • c. te treffen maatregelen, zoals het maken en plaatsen van waarschuwingsborden, het merken van dieren, reiniging en ontsmetting;

    • d. noodvaccinaties;

    • e. tegemoetkoming in de schade voor geruimde dieren en onschadelijk gemaakte producten of voorwerpen als bedoeld in artikel 86, eerste lid, van de Gwwd (9.6 Wet dieren);

    • f. tegemoetkoming in de schade aan gebouwen, terreinen of voorwerpen als bedoeld in artikel 90 van de Gwwd (9.10 Wet dieren) of schade veroorzaakt door de toepassing van maatregelen als bedoeld in artikel 17 of 21 van de Gwwd (hoofdstuk 5, paragraaf 2, Wet dieren) die op grond van artikel 91 van de Gwwd (9.11 Wet dieren) uit het Diergezondheidsfonds wordt vergoed;

    • g. opslag, slacht, doden, destructie of vernietiging van dieren, producten of voorwerpen;

    • h. directe kosten van welzijnsmaatregelen;

    • i. directe kosten van een fokverbod;

    • j. opschaling van diensten van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit of diensten van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat die ook taken verrichten voor het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

    • k. inhuur van derden ter verrichting van diensten, zoals taxateurs, dierenartsen en beveiligingspersoneel;

    • l. materiële kosten voor personeel, zoals additionele en specifieke toerusting en reis- en verblijfskosten;

    • m. aanschaf, huur, leasing van materialen en logistieke voorzieningen, zoals dodingsapparatuur en vaccinvoorraden;

    • n. onderhoud of vervanging van materialen en logistieke voorzieningen, zoals dodingsapparatuur en vaccinvoorraden;

    • o. huur en inrichting van crisiscentra;

    • p. laboratoriumkosten;

    • q. logistieke kosten, zoals door de minister geïnitieerd transport en de opslag van dieren of producten, als onderdeel van de bestrijdingsoperatie;

    • r. andere kosten die rechtstreeks samenhangen met of voortvloeien uit de bestrijding van besmettelijke dierziekten, zoönosen of ziekteverwekkers, met uitzondering van de kosten die samenhangen met gevolgschade van ondernemers, zoals leegstand van bedrijven en inkomensschade;

    • s. maatregelen uit oogpunt van preventie en early warning, waaronder de basismonitoring en vectormonitoring, en bewaking van besmettelijke dierziekten;

    • t. aanvullende maatregelen uit oogpunt van preventie en early warning die genomen worden in verband met uitbraken van besmettelijke dierziekten in het buitenland; en

    • u. de voorbereiding van bestrijding, waaronder door bedrijven te leveren noodzakelijke voorzieningen als dodingsapparatuur, vaccins, voorraden en het onderhoud en de instandhouding daarvan, voorzieningen, waaronder de crisisfaciliteit van de High Containment Unit en het beschikbaar houden van extra destructiecapaciteit, en infrastructuur voor een regionaal crisiscentrum en het onderhoud en de instandhouding daarvan.

§ 3. Plafondbedragen

Artikel 3
  • 1. Een plafondbedrag wordt onderverdeeld in deelplafonds voor 5-jaarlijkse kosten en bestrijdingskosten. De uitgaven van het Diergezondheidsfonds voor 5-jaarlijkse kosten en bestrijdingskosten worden tot het voor de desbetreffende sector vastgestelde desbetreffende deelplafond gefinancierd uit de bedragen van heffingplichtigen.

  • 2. Een deelplafond als bedoeld in het eerste lid wordt voor de in het derde lid bedoelde onderwerpen nader onderverdeeld in een bedrag voor verschillende diersoorten, dierziekten of voorzieningen.

  • 3. De deelplafonds, bedoeld in het eerste lid, bedragen voor de periode 1 januari 2020 tot en met 31 december 2024:

    • a. voor de rundersector:

      • i. € 34.220.000 voor 5-jaarlijkse kosten;

      • ii. € 9.000.000 voor bestrijdingskosten;

    • b. voor de varkenssector:

      • i. € 16.947.300 voor 5-jaarlijkse kosten;

      • ii. € 41.000.000 voor bestrijdingskosten, waarvan € 22.000.000 voor Afrikaanse varkenspest;

    • c. voor de pluimveesector:

      • i. € 46.000.000 voor 5-jaarlijkse kosten;

      • ii. € 32.000.000 voor bestrijdingskosten, waarvan € 2.000.000 voor Newcastle Disease;

    • d. voor de schapen- en geitensector:

      • i. 5-jaarlijkse kosten: € 4.699.860 voor de schapensector en € 3.905.580 voor de geitensector;

      • ii. € 490.000 voor bestrijdingskosten.

Artikel 4
  • 1. Partijen treden in overleg over de opbouw van de toekomstige plafondbedragen, waarbij in elk geval de kans op insleep en verspreiding van een dierziekte, zoönose of ziekteverschijnsel, ruimingskosten, draagkracht, draagvlak en de verantwoordelijkheid van partijen een rol speelt.

  • 2. Partijen spannen zich in om de efficiëntie en effectiviteit van de preventieve maatregelen, de voorzieningen en de uitvoering van de heffingen te bevorderen en de begrote kosten van die maatregelen waar mogelijk en verantwoord te verlagen.

  • 3. De minister zorgt voor een nadere berekening van de kosten voor de crisisfaciliteit van de High Containment Unit en voor het beschikbaar houden van destructiecapaciteit. Indien de berekening daartoe aanleiding geeft, verlaagt de minister de voor die voorzieningen begrote kosten.

§ 4. Verdeling van de kosten

Artikel 5
  • 1. De kosten van bestrijding en preventie van besmettelijke dierziekten, zoönosen en ziekteverwekkers worden tot de in artikel 3, derde lid, bedoelde deelplafonds gefinancierd uit de bijdragen van de heffingplichtigen.

  • 2. In afwijking van het eerste lid worden de volgende kosten tot de in artikel 3, derde lid, bedoelde deelplafonds voor 50% gefinancierd uit de bijdragen van de heffingplichtigen:

    • a. de kosten, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdelen s, t en u, met uitzondering van de kosten voor preventie van Salmonella enteritidis, Salmonella typhimurium en endemische leukose en de monitoringskosten voor aviaire influenza en Newcastle Disease;

    • b. de kosten voor de basismonitoring;

    • c. de kosten voor het beschikbaar houden van extra destructiecapaciteit.

  • 3. In afwijking van het eerste lid worden de volgende kosten gefinancierd uit de bijdrage van de minister:

    • a. kosten die samenhangen met bestrijding van besmettelijke dierziekten, zoönosen en zoönoseverwekkers bij dieren in dierentuinen, dieren als exotische vogels die in huishoudens worden gehouden, in het wild levende dieren en dieren in natuurgebieden;

    • b. kosten die samenhangen met bestrijding van besmettelijke dierziekten, zoönosen en zoönoseverwekkers bij dieren die worden gehouden door houders waarbij vanwege het geringe aantal gehouden dieren geen diergezondheidsheffing wordt geheven;

    • c. de kosten voor toezicht op de naleving en opsporing door daartoe aangewezen ambtenaren, voor zover die kosten geen verband houden met de uitvoering van bestrijdingsmaatregelen;

    • d. de kosten voor handhaving van de openbare orde.

Artikel 6
  • 1. De kosten voor de Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit worden tot de in artikel 3, derde lid, bedoelde deelplafonds voor 40% gefinancierd uit de bijdragen van de heffingplichtigen.

  • 2. De kosten van tussen de minister en de betrokken sectororganisaties overeengekomen praktijkgericht onderzoek naar nieuwe dierziekten, zoönosen of ziekteverwekkers worden voor 50% gefinancierd uit de bijdragen van de heffingplichtigen.

  • 3. De kosten voor fundamenteel onderzoek, gericht op de aanpak van nieuwe dierziekten, zoönosen en ziekteverwekkers, worden gefinancierd uit de bijdrage van de minister.

  • 4. De kosten die noodzakelijk zijn met het oog op de heffing en invordering van de heffing worden tot de in artikel 3, derde lid, bedoelde deelplafonds gefinancierd uit de bijdragen van de heffingplichtigen, met uitzondering van de kosten voor bezwaar- en beroepsprocedures.

§ 5. Crisisreserve

Artikel 7
  • 1. De reserve, bedoeld in artikel 91k, eerste lid, onderdeel b, van de Gwwd (9.23, eerste lid, onderdeel b, Wet dieren) voor de rundersector wordt beheerd door sectorpartijen 1 en 2.

  • 2. De reserve, bedoeld in artikel 91k, eerste lid, onderdeel b, van de Gwwd (9.23, eerste lid, onderdeel b, Wet dieren) voor de varkenssector wordt, voor de kosten die betrekking hebben op de bestrijding van de ziekten van Aujeszky, beheerd door sectorpartij 4.

§ 6. Overige afspraken

Artikel 8
  • 1. De hoogte van de bestrijdings- en preventiekosten, de kosten van de Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit, de kosten voor onderzoek, gericht op de aanpak van nieuwe dierziekten, zoönosen en ziekteverwekkers en de kosten die noodzakelijk zijn met het oog op de heffing en de invordering van de heffing worden jaarlijks geraamd in de begroting van het Diergezondheidsfonds.

  • 2. Partijen voeren overleg voorafgaand aan de vaststelling van de begroting van het Diergezondheidsfonds.

  • 3. De kosten van een uitbraak worden toegerekend aan het jaar waarin die uitgaven zijn gedaan.

Artikel 9

Als gevolg van het veranderde risicoprofiel van vogelgriep is de Roadmap Strategische aanpak vogelgriep opgesteld. De minister en sectorpartij 3 committeren zich aan de uitvoering van de acties in de Roadmap, onder andere op het gebied van preventie van insleep van hoogpathogene vogelgriep vanuit wilde vogels, vaccinatie, het beperken van de gevolgen van een uitbraak van hoogpathogene vogelgriep en communicatie voor houders van commercieel gehouden pluimvee. Ter uitvoering van de acties in de Roadmap, die gericht zijn op zowel de korte als (middel)lange termijn, wordt een meerjarenplanning met prioritering vastgesteld en worden financieringsmogelijkheden van de acties onderzocht.

Artikel 10

In verband met de verspreiding van Afrikaanse varkenspest in de Europese Unie wordt een taskforce ingesteld. Deelnemers aan deze taskforce zijn vertegenwoordigers van sectorpartij 4, de provincies Noord-Brabant, Limburg, Gelderland en Overijssel, het Ministerie van LNV en natuurorganisatie(s). Deze taskforce zal een Roadmap Strategische aanpak Afrikaanse varkenspest opstellen. Het doel van de Roadmap is acties uit te werken gericht op het zoveel mogelijk reduceren van de risico’s van introductie van Afrikaanse Varkenspest in gehouden varkens en wilde zwijnen. De inzet met betrekking tot wilde zwijnen zal met name gericht zijn op een substantiële reductie van het aantal wilde zwijnen buiten de leefgebieden. De minister, sectorpartij 4 en de vier provincies committeren zich aan de uitvoering van de acties in de Roadmap op het gebied van preventie van introductie van Afrikaanse varkenspest.

Artikel 11

De minister verkent in overleg met de sectorpartijen de mogelijkheid in het nieuwe gemeenschappelijk landbouwbeleid dat die partijen een fonds oprichten, waaruit gevolgschade van uitbraken van besmettelijke dierziekten wordt gefinancierd, bij de bestrijding van mond-en-klauwzeer en klassieke varkenspest. Het gaat om een fonds waaraan wordt bijgedragen door veehouders en, voor zover beschikbaar, vanuit Europese middelen. De mogelijkheden zijn afhankelijk van de nieuwe regelgeving voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het moment waarop die regels in werking treden.

Artikel 12

Indien gedurende de looptijd van dit convenant een dierziekte, zoönose of ziekteverschijnsel uitbreekt en de minister besluit tot het treffen van bestrijdingsmaatregelen enkel ten aanzien van schapen of van geiten, dan treden de minister en sectorpartijen 5, 6 en 8 in overleg over de toerekening van de kosten van die maatregelen aan de schapensector respectievelijk de geitensector.

Artikel 13

Sectorpartijen zullen, waar mogelijk, betrokken worden ten behoeve van een efficiënte uitvoering van de Diergezondheidsheffing.

Artikel 14
  • 1. De Minister spant zich in redelijkheid in om uitbraken van een besmettelijke dierziekte, zoönose of ziekteverwekker zo adequaat mogelijk te bestrijden en om zo veel mogelijk bestrijdingskosten bij de Europese Commissie gedeclareerd te krijgen, voor zover dat laatste mogelijk is gelet op het EU-kader en in het bijzonder gelet op de beperkingen van het dwingende declaratiekader van Verordening (EU) Nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad, tot vaststelling van bepalingen betreffende het beheer en van de uitgaven in verband met de voedselketen, diergezondheid en dierenwelzijn (PbEU 2014, L 189).

  • 2. Indien het ontvangen cofinancieringsbedrag van de Europese Commissie afwijkt van het daarvoor begrote bedrag, wordt het verschil volgens de systematiek van artikel 5 gedragen door de heffingplichtigen en de minister.

Artikel 15
  • 1. Partijen voeren overleg over de bestrijdingsmaatregelen. Dit overleg is informerend en consulterend van aard waarbij partijen er naar streven om overeenstemming te bereiken over de in te zetten bestrijdingsmaatregelen. Dit Iaat de bevoegdheid van de minister onverlet om op het door de minister passend geachte moment de nodige bestrijdingsmaatregelen te treffen.

  • 2. In het in het eerste lid bedoelde overleg kunnen de sectorpartijen onder meer voorstellen doen betreffende een efficiënte werkwijze van uitbesteding van werkzaamheden.

Artikel 16

De minister spant zich in om de sectorpartijen gevraagd of ongevraagd adequate informatie te verschaffen over de gemaakte bestrijdings- en preventiekosten en de besteding van de bijdragen van de sectoren aan het Diergezondheidsfonds. Daartoe worden de vanwege het Rijk te besteden bedragen en de in dat verband relevante handelingen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland materieel beheerst door het in Verordening (EG) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PbEU L 347) bedoelde financieel-administratieve beheerskader dat geldt voor betaalorganen.

§ 6. Toepasselijkheid convenant

Artikel 17
  • 1. Bij strijdigheid van een of meer onderdelen van dit convenant met internationaal, Europees of nationaal recht blijft het desbetreffende onderdeel van het convenant buiten toepassing.

  • 2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, treden partijen zo spoedig mogelijk in overleg om het convenant in overeenstemming te brengen met de regelgeving.

Artikel 18
  • 1. Indien de Europese Commissie of een van de Kamers der Staten-Generaal bezwaren heeft tegen een of meer bepalingen van dit convenant, dan wel tegen de uitvoering daarvan, kan de minister eenzijdig de desbetreffende bepalingen buiten toepassing verklaren.

  • 2. Indien de minister gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, treden partijen zo spoedig mogelijk in overleg over de desbetreffende bepalingen.

Artikel 19
  • 1. Dit convenant kan tijdens de geldigheidsduur ervan door partijen worden opgezegd indien een zodanige verandering van omstandigheden is opgetreden dat dit convenant billijkheidshalve op korte termijn behoort te eindigen. Opzegging geschiedt schriftelijk en onder vermelding van de verandering van omstandigheden en overige redenen van opzegging. Er geldt een opzegtermijn van drie maanden, tenzij de partijen een andere datum van opzegging overeenkomen.

  • 2. Indien het partijen niet lukt om in het overleg, bedoeld in artikel 17, tweede lid, overeenstemming te bereiken over de aanpassingen in het convenant, is er sprake van een situatie als bedoeld in het eerste lid en kan het convenant worden opgezegd.

  • 3. Indien een of meer van de sectorpartijen het convenant opzegt, blijft het convenant gelden ten aanzien van de resterende partijen.

Artikel 20

Het convenant financiering bestrijding besmettelijke dierziekten 2015–2019 (Stc. 2015, 13794) wordt ingetrokken.

Artikel 21
  • 1. Dit convenant treedt in werking met ingang van de dag na ondertekening daarvan.

  • 2. Dit convenant is van toepassing van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2024. Dit convenant wordt vanaf 1 januari 2025 voor de duur van vijf jaren voortgezet, tenzij een partij het convenant voor 1 januari 2024 schriftelijk heeft opgezegd. De partij die opzegt deelt daarbij aan de andere partij schriftelijk de reden voor opzegging mee.

Artikel 22
  • 1. De rechten en verplichtingen van partijen die dit convenant in het leven zijn geroepen zijn in rechte afdwingbaar.

  • 2. Alle geschillen die direct of indirect uit dit convenant voortkomen worden beslecht door de bevoegde burgerlijke rechter te Den Haag.

Artikel 23

Dit convenant en eventuele wijzigingen daarvan worden gepubliceerd in de Staatscourant.