Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en WaterstaatStaatscourant 2019, 36142Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 27 juni 2019, nr. IENW/BSK-2019/129428 tot wijziging van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 in verband met bekendmaking van gegevens door de Minister voor de vaststelling van de concentratie zwevende deeltjes (PM10) in de buitenlucht

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,

Gelet op artikel 5.20 van de Wet milieubeheer;

BESLUIT:

ARTIKEL I

Artikel 66 van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. Het eerste lid (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel i, komt te luiden:

  • i. een overzicht van de emissiefactoren per dier per jaar van zwevende deeltjes (PM10) en van de emissiereductiepercentages van zwevende deeltjes (PM10) van additionele technieken bij veehouderijen;.

b. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel j door ‘, en’ wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

k. het rekenmodel Vee-combistof voor het bepalen van het emissiereductiepercentage van zwevende deeltjes (PM10) bij het combineren van additionele technieken.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Wanneer nieuwe technieken beschikbaar komen, kunnen de gegevens bedoeld in het eerste lid in de onderdelen i en k vaker dan eenmaal per jaar bekend worden gemaakt.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2019.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, S. van Veldhoven-van der Meer

TOELICHTING

Algemeen

De Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (hierna: de Rbl) bevat voorschriften over metingen en berekeningen om de concentratie en depositie van luchtverontreinigende stoffen vast te stellen.

In artikel 66 van de Rbl is vermeld dat de Minister vóór 15 maart van ieder kalenderjaar onder andere een overzicht van de emissiefactoren per dier per jaar van zwevende deeltjes (PM10) bekend maakt (hierna: de lijst emissiefactoren fijnstof). In artikel 67 is bepaald dat bestuursorganen bij het berekenen van concentraties van verontreinigende stoffen in de buitenlucht gebruik moeten maken van de gegevens bedoeld in artikel 66.

De wijziging van de Rbl houdt in dat de Minister naast de al in artikel 66 genoemde gegevens ook ieder jaar de emissiereductiepercentages van zwevende deeltjes van additionele technieken bij veehouderijen bekend maakt. Daarnaast ziet de wijziging erop dat de Minister ieder jaar het rekenmodel Vee-combistof (hierna: het rekenmodel) voor het bepalen van het emissiereductiepercentage bij een combinatie van additionele technieken bekend maakt. Verder wordt een lid toegevoegd op grond waarvan de Minister de lijst emissiefactoren fijnstof, de emissiereductiepercentages van additionele technieken en het rekenmodel vaker dan eenmaal per jaar bekend kan maken.

De toevoeging van de hiervoor genoemde gegevens aan artikel 66 leidt ertoe dat een bestaande praktijk van bekendmaking van deze gegevens door de Minister en het gebruik hiervan door bevoegde gezagen is verankerd in de Rbl. Daarnaast wordt door de mogelijkheid om vaker dan eenmaal per jaar de emissiefactoren en emissiereductiepercentages van (nieuwe) technieken bekend te maken, de innovatie van technieken die de emissie van zwevende deeltjes reduceren, bevorderd.

De wijziging van de Rbl brengt voor veehouderijen geen administratieve lasten noch bedrijfseffecten met zich mee. De gegevens die een veehouder moet aanleveren bij het indienen van een aanvraag om een omgevingsvergunning veranderen niet door de inwerkingtreding van deze regeling. Daarnaast blijven de oprichtings- en uitbreidingsmogelijkheden voor veehouderijen hetzelfde.

De gevolgen voor het milieu zijn daarnaast positief.

Ook nemen de lasten voor de overheid door de wijziging van de Rbl niet toe. Bevoegde gezagen maakten ook voor de wijziging van de Rbl al gebruik van de gegevens die met de wijziging zijn toegevoegd aan artikel 66. Het enige verschil is dat de wijziging ertoe leidt dat bevoegde gezagen verplicht zijn gebruik te maken van een rekenmodel voor het bepalen van het emissiereductiepercentage bij een combinatie van additionele technieken in plaats van dit percentage uit een tabel af te lezen. In de praktijk betekent dit dat in plaats van een getal op te zoeken in een tabel enkele gegevens in het rekenmodel moeten worden ingevoerd. Dit rekenmodel zal worden gepubliceerd op de website van Infomil. In het model kunnen via een keuzemenu de diercategorie en toegepaste technieken worden ingevuld. Daarna wordt automatisch het emissieredcutiepercentage van de combinatie van technieken berekend. Het gebruik van het rekenmodel zal in veel gevallen minder tijd kosten dan de toepassing van de tabel, omdat het vanwege de veelheid aan opgenomen technieken in de tabel lastig kan zijn om aan de hand van de tabel het reductiepercentage van een combinatie van deze technieken te bepalen.

Gelet op wat hiervoor is opgemerkt brengen de wijzigingen geen significante veranderingen in de rechten en plichten van burgers, bedrijven en instellingen met zich mee en hebben zij geen grote gevolgen voor de uitvoeringspraktijk. Op grond van het kabinetsstandpunt inzake internetconsultatie1 is daarom afgezien van internetconsultatie.

De wijziging van de Rbl is afgestemd met LTO, VNG en IPO. De omgevingsdiensten en een vertegenwoordiger van de pluimveesector zijn betrokken bij de ontwikkeling van het rekenmodel.

Artikelsgewijs

Artikel I

Bekendmaking emissiereductiepercentages van additionele technieken (artikel I, tweede lid, onderdeel a)

Op dit moment maakt de Minister al jaarlijks als onderdeel van de lijst emissiefactoren fijnstof de emissiereductiepercentages van zwevende deeltjes van additionele technieken bij veehouderijen bekend. Bevoegde gezagen maken van deze gegevens gebruik bij de berekening van de concentratie van zwevende deeltjes. Voor de eenduidigheid bij het berekenen van de concentratie van zwevende deeltjes is het van belang om dit ook te verankeren in de Rbl. Dat gebeurt door deze gegevens te noemen in artikel 66 van de Rbl. In artikel 67, eerste lid, is namelijk bepaald dat bestuursorganen bij het berekenen van de concentraties van verontreinigende stoffen in de buitenlucht gebruik maken van de gegevens van artikel 66.

Bekendmaking rekenmodel voor bepalen emissiereductiepercentages van meerdere additionele technieken (artikel I, tweede lid, onderdeel b)

De Minister maakt op dit moment gelijktijdig met de lijst emissiefactoren fijnstof ook jaarlijks een tabel bekend met emissiereductiepercentages van zwevende deeltjes bij toepassing van twee additionele technieken bij een veehouderij. Ook van deze gegevens maken bevoegde gezagen bij de berekening van de concentratie van zwevende deeltjes gebruik. De tabel is niet geschikt voor combinaties van meer dan twee technieken. In de praktijk komt dit wel voor en zal dit vaker voor gaan komen. Daarom is een eenvoudig rekenmodel ontwikkeld om het reductiepercentage bij het combineren van additionele technieken te kunnen berekenen. Onder de Omgevingswet wordt de toepassing van dit model bij de berekening van de concentratie van zwevende deeltjes verplicht. Nu dit model reeds beschikbaar is en zorgt voor eenduidigheid bij het berekenen van de concentratie van zwevende deeltjes, is in de Rbl verankerd dat dit model bij de berekening van de concentratie van zwevende deeltjes wordt toegepast. Dit gebeurt door het noemen van dit model in artikel 66 van de Rbl.

Vaker dan eenmaal per jaar bekendmaking emissiefactoren, emissiereductiepercentages en rekenmodel voor bepalen emissiereductiepercentage (artikel I, derde lid)

Uit artikel 66 van de Rbl volgt dat de minister eenmaal per jaar de lijst emissiefactoren fijnstof publiceert. Het nieuwe tweede lid van artikel 66 maakt het voor de Minister mogelijk deze lijst vaker dan eenmaal per jaar bekend te maken en dus ook vaker dan eenmaal per jaar te wijzigen. Ook maakt het nieuwe tweede lid het voor de Minister mogelijk om de emissiereductiepercentages van additionele technieken en het rekenmodel vaker dan eenmaal per jaar te wijzigen. Door reductiepercentages van de emissie van zwevende deeltjes van nieuwe technieken zo snel mogelijk te publiceren, kunnen deze nieuwe technieken ook sneller worden toegepast bij veehouderijen. Dit bevordert de innovatie van technieken die de emissie van zwevende deeltjes reduceren. Hiermee kan de emissie van zwevende deeltjes door veehouderijen worden verminderd. Dit draagt bij aan het verlagen van de achtergrondconcentratie van zwevende deeltjes en het beëindigen van overschrijdingen door veehouderijen van de hiervoor geldende grenswaarden.

Artikel II

Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2019 wordt in overeenstemming met artikel 4.17, tweede en vierde lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving, de regeling bekend gemaakt op een vast verandermoment en wordt de in dit geval geldende minimuminvoeringstermijn van drie maanden in acht genomen.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, S. van Veldhoven-van der Meer


X Noot
1

Kamerstukken II 2009/10, 29 279, nr. 114 en Kamerstukken II 2012/13, 29 362, nr. 224.