Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
RijkswaterstaatStaatscourant 2019, 35688Onteigeningen

Besluit van 18 juni 2019, nr. 2019001169 tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Pekela krachtens artikel 72a van de onteigeningswet (onteigening voor de verbreding van de N366, wegvak Nieuwe Pekela-Alteveer, met bijkomende werken, in de gemeente Pekela).

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Ingevolge artikel 72a, eerste lid, van de onteigeningswet kan onteigening van onroerende zaken plaatsvinden onder meer voor de aanleg en verbetering van wegen, bruggen, spoorwegwerken en kanalen, alsmede daarop rustende zakelijke rechten. Daaronder wordt op grond van artikel 72a, tweede lid sub c, mede begrepen onteigening voor de aanleg en verbetering van de in het eerste lid bedoelde werken en rechtstreeks daaruit voortvloeiende bijkomende voorzieningen ter uitvoering van een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 van de Wet ruimtelijke ordening.

Ingevolge artikel 72a, eerste lid, van de onteigeningswet kan onteigening van onroerende zaken plaatsvinden onder meer voor de aanleg en verbetering van wegen, bruggen, spoorwegwerken en kanalen, alsmede daarop rustende zakelijke rechten. Daaronder wordt op grond van artikel 72a, tweede lid sub a, mede begrepen onteigening voor de aanleg en verbetering van de in het eerste lid bedoelde werken en rechtstreeks daaruit voortvloeiende bijkomende voorzieningen ter uitvoering van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

Het verzoek tot aanwijzing ter onteigening

Gedeputeerde staten van Groningen (hierna: verzoeker) hebben Ons bij brief van 12 september 2018, kenmerk K11812, verzocht, om ten name van de Provincie Groningen over te gaan tot het aanwijzen ter onteigening van de onroerende zaken in de gemeente Pekela. De onteigening wordt verzocht om de verbreding van de provinciale weg N366, wegvak Nieuwe Pekela-Alteveer, tussen km. 6.439 en 9.426, alsmede de reconstructie van de Onstwedderweg parallel met de N366, tussen km. 7.698 en 9.235, met bijkomende werken in de gemeente Pekela mogelijk te maken.

Planologische grondslag

De onroerende zaken waarop het verzoek betrekking heeft, liggen in de gemeente Pekela. De grondslag voor de planologische uitvoerbaarheid van het werk waarin de ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken zijn gelegen wordt gevormd door het Provinciaal Inpassingsplan (PIP) N366 Stadskanaal-Pekela-Veendam van de provincie Groningen. Dit inpassingsplan is bij uitspraak van 21 oktober 2016, kenmerk 201604924/1/R6, van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onherroepelijk geworden.

Een klein deel van onderhavig onteigeningsplan is gelegen binnen de begrenzing van Bestemmingsplan Buitengebied Pekela, dat is vastgesteld op 1 november 2016. Tegen dit besluit zijn beroepen ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij uitspraak van 25 april 2018, kenmerk 201700668/1/R3, van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deels onherroepelijk in werking getreden. De beroepen zijn niet van invloed op de uitvoerbaarheid van het werk.

Toepassing uniforme openbare voorbereidingsprocedure

Overeenkomstig artikel 63, tweede lid, van de onteigeningswet en artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hebben het ontwerp koninklijk besluit en de in artikel 63 van de onteigeningswet bedoelde stukken vanaf 15 november 2018 tot en met 26 december 2018 in de gemeente Pekela en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage gelegen.

Overeenkomstig artikel 3:12 van de Awb heeft Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat (Onze Minister) van het ontwerp koninklijk besluit en van de terinzagelegging van de onteigeningsstukken openbaar kennis gegeven in Het Streekblad en in de Staatscourant van 14 november 2018, nr. 63289.

Verder heeft Onze Minister het ontwerp koninklijk besluit overeenkomstig artikel 3:13 van de Awb, voorafgaand aan de terinzagelegging toegezonden aan belanghebbenden, waaronder de verzoeker. Daarbij zijn de belanghebbenden gewezen op de mogelijkheid om schriftelijk of mondeling zienswijzen over het ontwerpbesluit naar voren te brengen en op de mogelijkheid over de zienswijzen te worden gehoord.

Overwegingen

Noodzaak en urgentie

De N366 is een belangrijke verbinding die het zuidoosten van de provincie Groningen ontsluit en een verbinding legt met Drenthe en Duitsland. Op de weg gebeuren relatief veel ernstige ongelukken. De provincie Groningen is vanaf 2007 bezig met het veiliger maken van de N366 en is enkele jaren geleden begonnen met het project N366 Veilig. In het project N366 Veilig werkt de provincie Groningen samen met de gemeenten Veendam, Pekela, Stadskanaal en Vlagtwedde. Het doel van het project is onder meer om het aantal ongevallen met circa 50% terug te dringen.

Uit een studie naar het eindbeeld van de weg, blijkt dat de N366 opgewaardeerd moet worden naar een hoogwaardige stroomweg. De weg wordt verbreed naar 8,60 meter en de aansluitingen op het onderliggende wegennet worden ongelijkvloers uitgevoerd. De eerste fasen van het project zijn inmiddels gerealiseerd. Er zijn een aantal ongelijkvloerse kruisingen gerealiseerd en de weg is verbreed en is voorzien van een groene middenstreep.

Op 25 september 2013 hebben provinciale staten van Groningen ingestemd met de realisering van de projecten wegverdubbeling Veendam-Pekela en reconstructie wegvak Pekela-Ter Apel. Deze projecten passen in het eindbeeld van de route van de N366. Op basis hiervan is een integraal routeontwerp tot stand gekomen, waarbij de weg verkeerskundig en landschappelijk evenwichtig wordt ingepast. Het wegvak Nieuwe Pekela-Alteveer en de reconstructie van de Onstwedderweg, waarop deze onteigening betrekking heeft, zijn gelegen in het wegvak Pekela-Ter Apel.

De huidige N366 tussen Nieuwe Pekela en Alteveer voldoet niet aan de richtlijnen van een stroomweg. Daarom wordt rijbaan verbreed van 7,50 naar 8,60 meter. Daarnaast staan op zeer korte afstand van de weg bomen en bosschages, waardoor niet wordt voldaan aan de eis van obstakelvrije bermen. In het rapport Landschappelijk en Verkeerskundig ontwerp N366 wordt uitgegaan van de plaatsing van de bomen in de bermen op ruime afstand van de weg zelf. Voor de N366 (stroomweg met een maximum snelheid van 100 km/u) is gekozen voor de minimale obstakelvrije zone van 8,00 meter vanaf binnenkant kantmarkering. Als daar de redresseerstrook van 0,80 meter van wordt afgetrokken blijft er een obstakelvrije berm over van 7,00 meter. Daar waar zich wel obstakels bevinden binnen de minimale obstakelvrije zone, worden er langs de N366 afschermingsvoorzieningen geplaatst.

De huidige aansluiting bij Pekela-Zuid, waar de Ommelanderweg op de N366 aansluit, is vormgegeven als gelijkvloerse aansluiting. Er is hier veel kruisend verkeer, wat leidt tot verkeersonveilige situaties. Deze aansluiting wordt daarom verwijderd en er wordt een ongelijkvloerse kruising gerealiseerd. Alle in- en uitvoegstroken sluiten door middel van twee rotondes aan op de onderliggende weg, de Onstwedderweg. Bij de nieuwe aansluiting Pekela-Zuid worden de bestaande groenvoorzieningen/bosschages gehandhaafd, dan wel versterkt.

Door de inrichting van de N366 als hoogwaardige stroomweg en de reconstructie van de Onstwedderweg zullen de veiligheid en de doorstroming van het verkeer verbeteren.

Om de werken en werkzaamheden tijdig te kunnen realiseren wenst de Provincie Groningen de eigendom te verkrijgen, vrij van lasten en rechten, van de onroerende zaken die in het onteigeningsplan zijn begrepen.

De verzoeker heeft met de eigenaren overleg gevoerd om deze onroerende zaken minnelijk in eigendom te verkrijgen. Dit overleg heeft vooralsnog niet tot (volledige) overeenstemming geleid. Omdat het ten tijde van het verzoek naar het oordeel van de verzoeker niet aannemelijk was dat het overleg op afzienbare termijn tot vrijwillige eigendomsoverdracht zou leiden, hebben gedeputeerde staten van Groningen een verzoek ingediend tot aanwijzing ter onteigening van deze onroerende zaken, om de tijdige verwezenlijking van het plan van het werk zeker te stellen.

Uit de Ons bij het verzoek overgelegde zakelijke beschrijving blijkt dat de werkzaamheden in maart 2018 zijn gestart. De nieuwe sloten aan de oostzijde zijn gegraven. De kap van bomen en bosschages heeft al plaatsgevonden. De start van de overige werkzaamheden is voorzien in het voorjaar van 2019. De aanbestedingsprocedure daarvoor is naar verwachting in het najaar van 2018 afgerond. De uitvoering is gepland vanaf februari 2019 tot en met juli 2019. Daarmee is aannemelijk dat zal worden voldaan aan de door Ons voor de aanvang van de werken en werkzaamheden gehanteerde termijn van ten hoogste vijf jaar na de datum van dit aanwijzingsbesluit.

Zienswijzen

Binnen de termijn dat het ontwerp koninklijk besluit ter inzage heeft gelegen, zijn daarover zienswijzen naar voren gebracht door:

  • 1. D. Tiktak, eigenaar van de onroerende zaak met grondplannummer 1, verder te noemen: reclamant 1;

  • 2. G.J. Bom en J.J. Bom, ieder voor de helft eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 2 en 3, verder te noemen: reclamanten 2

Overeenkomstig artikel 63, vierde lid, van de onteigeningswet heeft Onze Minister reclamanten in de gelegenheid gesteld te worden gehoord in een op 14 januari 2019 te Oude Pekela gehouden hoorzitting. Reclamant 1 heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Overwegingen naar aanleiding van de zienswijzen

Wij hebben hetgeen reclamanten in hun zienswijzen naar voren brengen samengevat in de hierna volgende passages. Daarbij hebben wij tevens Onze overwegingen bij de zienswijzen weergegeven.

De zienswijze van reclamant 1

1.1

Reclamant betoogt dat er door verzoeker met twee maten is gemeten. Verzoeker heeft aan andere betrokken grondeigenaren een meewerkvergoeding van 20% van de schadeloosstelling geboden. Verzoeker is niet bereid reclamant dezelfde vergoeding te bieden. Vanwege deze schending van het grondrecht van gelijke behandeling kan niet gesteld worden dat verzoeker een redelijke poging heeft gedaan de gronden minnelijk te verwerven.

Ad 1.1

Wij merken hierover op dat de onteigening ingevolge artikel 40 van de onteigeningswet plaatsvindt op basis van een volledige schadeloosstelling voor alle schade die de onteigende partij rechtstreeks en noodzakelijk lijdt door het verlies van zijn onroerende zaak. Artikel 41 van de onteigeningswet ziet daarnaast op de te vergoeden waardevermindering van het overblijvende. De samenstelling en de hoogte van de schadeloosstelling staan Ons in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure niet ter beoordeling, maar komen bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming aan de orde in het kader van de gerechtelijke onteigeningsprocedure. In het kader van de administratieve onteigeningsprocedure wordt evenmin getreden in de vraag of alle schadecomponenten in de schadeloosstelling zijn opgenomen. De vraag of verzoeker ook aan reclamant een meewerkvergoeding moet toekennen staat Ons in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure dan ook niet ter beoordeling. Ook dit aspect komt bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming in de gerechtelijke onteigeningsprocedure aan de orde. Wel kan de geboden schadeloosstelling als onderdeel van de toetsing van de kwaliteit van het gevoerde minnelijk overleg bezien worden.

Met betrekking tot het gevoerde minnelijk overleg overwegen Wij in het algemeen dat artikel 17 van de onteigeningswet bepaalt dat de onteigenende partij dat wat onteigend moet worden eerst bij minnelijke overeenkomst in eigendom probeert te verkrijgen. Deze bepaling heeft betrekking op de gerechtelijke onteigeningsprocedure. Het minnelijk overleg in de daaraan voorafgaande administratieve onteigeningsprocedure is echter een van de vereisten waaraan door Ons wordt getoetst bij de beoordeling van de noodzaak tot onteigening. Omdat onteigening een uiterste middel is, zijn Wij van oordeel dat hiervan pas gebruik mag worden gemaakt als het minnelijk overleg voor het begin van de administratieve onteigeningsprocedure niet of niet in de gewenste vorm tot overeenstemming heeft geleid.

Aan deze eis is naar Ons oordeel in het kader van onteigeningen op de voet van de titels II en IIa van de onteigeningswet in beginsel voldaan als voor de datum van het verzoek om onteigening met de onderhandelingen over de minnelijke eigendomsverkrijging tijdig een begin is gemaakt en het op het moment van het verzoek aannemelijk is dat die onderhandelingen tot een redelijk punt zijn voortgezet, maar dat deze voorlopig niet tot vrijwillige eigendomsoverdracht zullen leiden. Daarbij moet het gaan om een concreet en serieus minnelijk overleg. Uitgangspunt daarbij is dat ten tijde van het verzoek al een formeel schriftelijk aanbod is gedaan.

Uit de Ons bij het verzoek overgelegde stukken blijkt dat verzoeker op 5 maart 2015 met reclamant in overleg is getreden. Gedurende het overleg heeft verzoeker meerdere aanbiedingsbrieven aan reclamant gestuurd. Op 26 mei 2016, 15 juli 2016, 26 oktober 2016 en 2 maart 2017 heeft verzoeker aanbiedingsbrieven gestuurd die waren gericht op een geringere oppervlakte dan de oppervlakte die in de onteigening is betrokken. Ten gevolge van een aanpassing aan het slootprofiel heeft verzoeker daarna de te verwerven oppervlakte aangepast tot de in de onteigening betrokken oppervlakte. Op 11 juli 2017, 3 oktober 2017, 1 maart 2018 en 26 juni 2018 heeft verzoeker biedingen uitgebracht, die zijn gericht op deze aangepaste oppervlakte. Gedurende het overleg heeft reclamant meerdere malen kenbaar gemaakt niet in te willen gaan op deze aanbiedingen.

Aangezien het ten tijde van het onteigeningsverzoek aannemelijk was dat het minnelijk overleg voorlopig niet tot vrijwillige formele juridische eigendomsoverdracht zou leiden, mocht worden overgegaan tot de start van de administratieve onteigeningsprocedure.

Na het indienen van het onteigeningsverzoek is de door reclamant in zijn zienswijze aangehaalde meewerkvergoeding onderwerp van gesprek geweest. Zoals reclamant betoogt is verzoeker niet bereid deze vergoeding aan reclamant te verstrekken. Uit de Ons overgelegde stukken en het de toelichting van verzoeker tijdens de hoorzitting blijkt dat de vergoeding als resultaat van het gevoerde minnelijk overleg aan een bepaalde groep eigenaren is toegekend. Op initiatief van enkele eigenaren heeft een aantal eigenaren zich gegroepeerd en in die hoedanigheid minnelijk overleg gevoerd met verzoeker. Ook reclamant is gevraagd om zich hierbij aan te sluiten. Reclamant heeft er echter voor gekozen dit niet te doen. De toegekende vergoeding aan de groep eigenaren vloeit voort uit de onderhandelingen van deze groep van eigenaren met verzoeker. Daarbij heeft verzoeker zich onder een aantal voorwaarden bereid verklaard de vergoeding toe te kennen. Deze voorwaarden bestonden onder andere uit het om niet ter beschikking stellen van werkstroken, afspraken over de aanleg van een dam en duikers en een snelle ondertekening van de koopovereenkomst.

Gelet op het bovenstaande zijn Wij van oordeel dat er door verzoeker niet met twee maten heeft gemeten en kunnen Wij reclamant niet volgen in zijn betoog dat er sprake is van een schending van het grondrecht van gelijke behandeling.

Na het indienen van het onteigeningsverzoek is het overleg met reclamant voortgezet. Het voortgezette overleg heeft nog niet tot overeenstemming geleid. Wij merken op dat dit overleg dan wel het overleg dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke onteigeningsprocedure vooraf moet gaan, alsnog tot een voor partijen aanvaardbare oplossing kan leiden.

1.2

Reclamant betoogt dat verzoeker geen inzage heeft willen verstrekken in de onderbouwing van de taxatiewaarde die aan de het voorstel tot schadeloosstelling ten grondslag ligt. Ook is reclamant niet gewezen op de mogelijkheid zelf een taxateur op kosten van verzoeker in de schakelen. Daarmee verkeerde reclamant in de veronderstelling dat hij niet de gelegenheid had de redelijkheid van de vergoeding te kunnen onderzoeken.

Ad 1.2

Wij merken op dat verzoeker in de hoorzitting kenbaar heeft gemaakt dat het in verband met zijn werkwijze gebruikelijk is dat het taxatierapport niet aan een eigenaar wordt toegezonden. Het taxatierapport is bestemd voor verzoeker en is het gereedschap voor degene die namens verzoeker de onderhandelingen voert. Wel heeft verzoeker door overlegging van een rekenblad inzicht gegeven in de in het taxatierapport genoemde bedragen. Wij zijn van oordeel dat verzoeker hiermee voldoende inzicht heeft verschaft in de aangeboden schadeloosstelling.

Over het betoog van reclamant dat verzoeker niet heeft gewezen op de mogelijkheid voor reclamant om zelf een taxateur in te schakelen, overwegen Wij het volgende. Uit de Ons overgelegde stukken blijkt dat reclamant in zijn brief van 31 oktober 2016 heeft aangeboden zelf een berekening van de schade te overleggen, mits verzoeker onvoorwaardelijk met de inhoud daarvan zou instemmen. In dezelfde brief wijst reclamant op de noodzaak voor het inschakelen van externe kennis en vraagt hij een akkoord van verzoeker om deze kosten door te mogen berekenen. Bij brief van 2 maart 2017 maakt verzoeker kenbaar niet onvoorwaardelijk in te stemmen met een eigen berekening van reclamant en dat de kosten van externe kennis bij een eventuele procedure door de rechter beoordeeld worden. In een overleg tussen reclamant en verzoeker op 19 september 2017 wijst reclamant er nadrukkelijk op dat hij zijn zoon, die ook bij het overleg aanwezig is, als deskundige heeft aangesteld. Verzoeker maakt in dit overleg opnieuw kenbaar dat tegenover geraadpleegde deskundige bijstand een vergoeding kan staan. Het was voor verzoeker op dat moment niet duidelijk dat reclamant, naast de reeds ingeschakelde deskundige bijstand, ook nog een taxateur wilde inschakelen. Ook was het gezien het bovenstaande bij verzoeker niet bekend dat het voor reclamant nog onduidelijk was in hoeverre deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Gezien het bovenstaande zijn Wij van oordeel dat het verzoeker niet tegengeworpen kan worden dat hij reclamant niet nog specifiek gewezen heeft op de mogelijkheid om zelf ook een taxateur in te schakelen.

1.3

Reclamant betoogt dat verzoeker bij het voorstel tot schadeloosstelling onredelijke voorwaarden heeft gesteld. Reclamant stelt zich op het standpunt dat dergelijke voorwaarden niet van hem kunnen worden verlangd bij een noodgedwongen verkoop.

Ad 1.3

Tijdens de hoorzitting heeft reclamant kenbaar gemaakt dat dit betoog met name ziet op de voorwaarde dat reclamant de slootbagger die bij het onderhoud van de te verplaatsen sloot vrijkomt, op zijn land moet ontvangen. Reclamant wijst daarbij op een afspraak die hij momenteel met de gemeente heeft. Op grond van die afspraak wordt de slootbagger in de huidige situatie over de grond aan de andere zijde van de sloot verspreid. Dit geldt niet voor het verspreiden van maaisel. Dat ontvangt reclamant wel op zijn grond. Uit de Ons overgelegde stukken blijkt dat de gemeente desgevraagd heeft laten weten dat er in de huidige situatie geen sprake is van het verspreiden van slootbagger, omdat de sloot nog nooit is uitgebaggerd. Verzoeker wijst erop dat de voorwaarde voortkomt uit de keur van het waterschap. Daaruit blijkt dat de aangrenzende grondeigenaren zorg dienen te dragen voor het onderhoud van hun deel van het oppervlaktewaterlichaam. Wat daar ook van zij, de voorwaarden die bij de aanbiedingen zijn gevoegd staan Ons niet ter beoordeling. Evenmin kunnen in de administratieve onteigeningsprocedure zelfstandige uitspraken worden gedaan over de inhoud van en de voorwaarden die verbonden zijn aan een overeenkomst.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamant 1 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

De zienswijze van reclamanten 2

2.1

Reclamanten betogen dat de noodzaak voor onteigening ontbreekt, omdat zij bereid zijn akkoord te gaan met een aanbod dat gelijk is aan de aanbiedingen die anderen zijn voorgelegd. Deze anderen hebben een meewerkvergoeding van 20% van de schadeloosstelling ontvangen. Verzoeker is niet bereid deze vergoeding aan reclamanten te bieden. Ook zijn de kosten voor de wijziging van de perceelgrens ten onrechte niet in de schadeloosstelling opgenomen.

Ad 2.1

Het hierboven gestelde is gelijk aan het zienswijzeonderdeel 1.1 van reclamant 1. Ook reclamanten 2 zijn benaderd om zich aan te sluiten bij de groep eigenaren, maar zij hebben er voor gekozen dit niet te doen. Ook hebben reclamanten 2 voor de indiening van het onteigeningsverzoek aanbiedingen ontvangen die zijn gericht op de in de onteigening betrokken gronden. Wij verwijzen naar wat Wij hierover onder ad 1.1 van de zienswijze van reclamant 1 hebben overwogen

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamanten 2 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Overige overwegingen

Uit de bij het verzoek overgelegde stukken blijkt, dat de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken bij de uitvoering van het overgelegde plan van het werk niet kunnen worden gemist.

Ons is niet gebleken van feiten en omstandigheden die overigens de toewijzing van het verzoek in de weg staan. Het moet in het belang van de verkeersveiligheid en de verbetering van de infrastructuur noodzakelijk worden geacht dat Provincie Groningen de vrije eigendom van de door Ons ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken verkrijgt.

Wij zullen, gelet op het hierboven gestelde, het verzoek van gedeputeerde staten van Groningen tot het nemen van een besluit krachtens artikel 72a van de onteigeningswet toewijzen.

BESLISSING

Gelet op de onteigeningswet,

op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 26 februari 2019, nr. RWS-2019/5849, Rijkswaterstaat Corporate Dienst;

gelezen het verzoek van gedeputeerde staten van Groningen bij brief van 13 september 2018, kenmerk K11812;

de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, advies van 15 mei 2019, no. W17.19.0058/IV;

gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat 12 juni 2019, nr. RWS-2019/19206, Rijkswaterstaat Corporate Dienst;

Hebben Wij goedgevonden en verstaan:

Voor verbreding van de provinciale weg N366, wegvak Nieuwe Pekela- Alteveer, tussen km. 6.439 en 9.426, alsmede de reconstructie van de Onstwedderweg parallel met de N366, tussen km. 7.698 en 9.235, met bijkomende werken in de gemeente Pekela, ten name van Provincie Groningen ter onteigening aan te wijzen de onroerende zaken in de gemeente Pekela aangeduid op de grondtekeningen die ingevolge artikel 63 van de onteigeningswet in de gemeente Pekela en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage hebben gelegen en die zijn vermeld op de bij dit besluit behorende lijst.

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Afdeling advisering van de Raad van State.

Den Haag, 18 juni 2019

Willem-Alexander

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga

LIJST VAN DE TE ONTEIGENEN ONROERENDE ZAKEN

ONTEIGENINGSPLAN: Verbreding van de N366, wegvak Nieuwe Pekela-Alteveer

VERZOEKENDE INSTANTIE: Provincie Groningen.

 

Kadastraal bekend als gemeente Nieuwe Pekela

 

Grondplan

nr.

Te onteigenen

grootte (m2)

Omschrijving

Kadastrale grootte (m2)

Sectie

en nr.

Ten name van

1

7.742

terrein (akkerbouw)

118.000

I 972

Derk Tiktak, Nieuwe Pekela.

           

2

8.379

terrein (akkerbouw)

106.748

I 1234

½ eigendom: Gijsbertus Jacobus Bom, Nieuwe Pekela.

½ eigendom: Jan Johannes Bom, Nieuwe Pekela.

           

3

1.042

terrein (akkerbouw)

212.555

I 1170

½ eigendom: Gijsbertus Jacobus Bom, Nieuwe Pekela.

½ eigendom: Jan Johannes Bom, Nieuwe Pekela.