Beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, houdende ontheffing voor HeliAir B.V. van het verbod VFR-vluchten uit te voeren beneden de minimum VFR-vlieghoogte die plaatsvinden zowel binnen als buiten een plaatselijk luchtverkeersleidingsgebied of boven gebieden met aaneengesloten bebouwing, industrie- en havengebieden daaronder begrepen, dan wel boven mensenverzamelingen

Datum 11 juni 2019

Nummer ILT-2019/31853

DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie;

Gelezen het verzoek van 7 februari 2019, aangevuld met de e-mails van 13 en 17 mei 2019 van HeliAir B.V.;

Overwegende dat:

  • HeliAir B.V. vluchten uitvoert als gedeclareerd overeenkomstig ORO.DEC.100 van EU verordening 965/2012;

  • dat het doel van de vluchten is het maken van filmopnames op verschillende locaties in Nederland voor een nieuwe attractie van Madurodam;

  • paragraaf SERA.3105 van verordening (EU) nr. 923/2012 de mogelijkheid biedt aan (nationale) bevoegde autoriteiten om toestemming te verlenen lager te vliegen dan de minimum vlieghoogten, zoals die voor VFR- vluchten zijn opgenomen in paragraaf SERA.5005, onderdeel (f), van verordening (EU) nr. 923/2012;

Gezien de verklaring van geen bezwaar van de burgemeester van de gemeente Amsterdam van 6 mei 2019;

Gelet op paragraaf SERA.3105 en artikel 19, derde lid, van het Besluit luchtverkeer 2014;

BESLUIT:

Artikel 1

Deze beschikking is van toepassing op de tweemotorige helikopter, vermeld op de eigen verklaring ‘Specialised Operations’ door HeliAir B.V. ingediend bij de Inspectie Leefomgeving en Transport overeenkomstig ORO.DEC.100 van EU verordening 965/2012 en waarvan de ontvangst van de verklaring is bevestigd door de Inspectie Leefomgeving en Transport overeenkomstig ARO.GEN.345.

Beide documenten zijn gedurende de vlucht aan boord van de helikopter.

Artikel 2

Aan de gezagvoerder van het in artikel 1 bedoelde luchtvaartuig wordt van 18 juni 2019 tot en met 30 juni 2019 ontheffing verleend van het verbod, genoemd in paragraaf SERA.5005, onderdeel (f), van verordening (EU) nr. 923/2012, om een VFR-vlucht uit te voeren beneden de minimum VFR-vlieghoogte binnen plaatselijke luchtverkeersleidingsgebieden of boven gebieden met aaneengesloten bebouwing, industrie- en havengebieden daaronder begrepen, dan wel boven mensenverzamelingen, gedurende de daglichtperiode, zoals gepubliceerd in de in artikel 26, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van het Besluit luchtverkeer 2014, bedoelde luchtvaartgids met inachtneming van de volgende voorschriften en beperkingen:

  • a. de gezagvoerder is in het bezit van een geldig CPL of ATPL;

  • b. de minimum toegestane vlieghoogte boven gebieden met aaneengesloten bebouwing, industrie- en havengebieden daaronder begrepen, dan wel boven mensenverzamelingen, bedraagt voor:

    • de stad Amsterdam: 60 – 300 meter (195 – 985 ft) boven de grond of het water;

    • de stad Rotterdam: 20 – 100 meter (65 – 330 ft) boven de grond of het water;

    • de haven van Rotterdam: 25 meter (85 ft) boven de grond of het water;

    boven de hoogste hindernis gelegen binnen een afstand van 50 meter van het luchtvaartuig;

  • c. de minimum toegestane vlieghoogte buiten gebieden met aaneengesloten bebouwing, industrie- en havengebieden daaronder begrepen, dan wel boven mensenverzamelingen, bedraagt 10 meter (35 ft) boven de grond of het water, doch ten minste 30 meter (100 ft) boven de hoogste hindernis gelegen binnen een afstand van 100 meter van de helikopter;

  • d. de vliegroute, vlieghoogte en vliegsnelheid worden zodanig gekozen dat:

    • 1°. overlast aan derden zoveel mogelijk wordt vermeden;

    • 2°. er niet wordt gevlogen beneden de minimum VFR-vlieghoogte over vogelreservaten, zoals gepubliceerd in de luchtvaartgids;

    • 3°. vee niet wordt verstoord;

    • 4°. geluidsgevoelige objecten, zoals dierentuinen, ziekenhuizen, penitentiaire inrichting etc., worden gemeden, en

    • 5°. ingeval van een noodlanding het risico voor inzittenden en derden zoveel mogelijk wordt beperkt;

  • e. er wordt niet onder obstakels, zoals bruggen of (container)kranen, gevlogen;

  • f. met inachtneming van artikel 19 van de Regeling luchtverkeersdienstverlening1 worden de volgende adviessnelheden in luchtverkeersdienstverleningsgebieden met klasse G in acht genomen:

    Vliegzicht (m)

    Adviessnelheid (kts)

    800 – 1500

    < 50

    1500 – 2000

    < 100

    2000 – 5000

    < 120

  • g. de gezagvoerder stelt zich van tevoren op de hoogte van plaatsen die geschikt zijn voor het uitvoeren van een noodlanding;

  • h. de gezagvoerder is vóór de vlucht bekend met de aanwezige obstakels en daarmee verbonden beperkingen in geval van een afwijkend vluchtpad;

  • i. elke vlucht wordt uitgevoerd met een zodanige combinatie van hoogte en snelheid dat de vlieger in staat is om, in geval van een motorstoring, van bebouwing of mensen weg te vliegen;

  • j. de vlucht wordt zodanig uitgevoerd dat niet wordt gevlogen in het gevaarlijke gebied van het hoogtesnelheidsdiagram, aangegeven in het vlieghandboek van de in artikel 1 bedoelde helikopter;

  • k. er wordt niet bij voortduring laaggevlogen, doch slechts gedurende de periode dat dit voor het uitvoeren van de vluchten noodzakelijk is en slechts op het traject zoals dat van tevoren aan de Landelijke eenheid, afdeling Luchtvaart, is doorgegeven;

  • l. voor het maken van filmopnames vanuit de helikopter is hoogstens een kwartier per locatie toegestaan;

  • m. voor en na de vlucht is de opdracht van de opdrachtgever ter inzage aanwezig zodat deze kan worden gecontroleerd door de Landelijke eenheid, afdeling Luchtvaart, of de Inspectie Leefomgeving en Transport;

  • n. vluchtuitvoering vindt plaats overeenkomstig het gestelde in deel SPO van EU verordening 965/2012;

  • o. er worden geen passagiers vervoerd tijdens de filmopnames, anders dan benodigd voor het uitvoeren van de vlucht;

  • p. er dient, na het ingediende vliegplan, eerst een klaring te zijn verkregen van de betrokken plaatselijke luchtverkeersleidingsdienst voor vluchten die plaatsvinden binnen een plaatselijk luchtverkeersleidingsgebied;

  • q. tijdens het uitvoeren van de vlucht in een plaatselijk luchtverkeersleidingsgebied is een tweezijdige radioverbinding tot stand gebracht met de betrokken luchtverkeersleidingsdienst en wordt voortdurend op de aangewezen radiofrequentie geluisterd;

  • r. tijdens alle vluchten die worden uitgevoerd binnen het kader van deze ontheffing in ongecontroleerd luchtruim, luistert de bemanning uit op de van toepassing zijnde frequentie van Amsterdam Information of MilATCC Schiphol;

  • s. minimaal 2 werkdagen voorafgaand aan de vlucht die plaatsvindt boven Amsterdam wordt gecoördineerd met de filmcommissioner van de Stad Amsterdam; voor de vlucht die plaatsvindt boven Rotterdam wordt gecoördineerd met de filmcommissioner van de Stad Rotterdam;

  • t. voorafgaand aan de vlucht die plaatsvindt in de haven van Rotterdam wordt gecoördineerd met het Haven Coördinatie Centrum van het Havenbedrijf Rotterdam (tel. 010-2521000) met betrekking tot de verwachte scheepvaart; bij de voorbereiding op de vlucht wordt rekening gehouden met deze (varende) obstakels; aan de voorwaarden door dat centrum gesteld wordt strikt de hand gehouden;

  • u. minimaal 5 werkdagen voorafgaand aan de vlucht die plaatsvindt boven Amsterdam en Rotterdam wordt de Inspectie Leefomgeving en Transport ingelicht (tel. 070-4563367 of e-mail aviation-approvals@ilent.nl) over de dag en het tijdstip waarop de vlucht boven beide steden wordt uitgevoerd;

  • v. het niet doorgaan van de vlucht boven beide steden wordt telefonisch doorgegeven aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (tel. 070- 4563367), het Haven Coördinatie Centrum van het Havenbedrijf Rotterdam (tel. 010-2521000), de filmcommissioner van de Stad Amsterdam en/of de filmcommissioner van de Stad Rotterdam.

Artikel 3

  • 1. In het kader van een commerciële en professionele bedrijfsvoering wordt relevante informatie (zgn. draaiboeken) betreffende de uit te voeren filmvluchten minimaal 5 werkdagenvooraf aan de Operationele Helpdesk van de LVNL doorgegeven.

  • 2. Alle vluchten binnen een plaatselijk luchtverkeersleidingsgebied worden tijdig bij de desbetreffende luchtverkeersleidingorganisatie aangemeld.

  • 3. Filmvluchten worden volgens de ‘procedure surveyflights’ aangeboden aan de LVNL; hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen korte surveyflights en surveyprojecten.

  • 4. Vóór aanvang van de vlucht die gaat plaatsvinden in een civiel plaatselijk luchtverkeersleidingsgebied, wordt gecoördineerd met de Operationele Helpdesk (tel. 020-4062201; fax: 020-4063672; e-mail: ops_helpdesk@lvnl.nl); aan de voorwaarden door hen gesteld wordt strikt de hand gehouden.

  • 5. Een uur voor de aanvang van de vlucht wordt de meldkamer van de Landelijke eenheid, afdeling Luchtvaart, ingelicht (tel. 020-5025693, fax: 020-5025699 en e-mail dlvplvt@klpd.politie.nl) en worden de volgende gegevens verstrekt per fax of e-mail:

    • a. naam gezagvoerder(s), registratie en model/type helikopter;

    • b. route en periode van de voorgenomen vlucht.

  • 6. Voorafgaand aan de vlucht besteedt de ontheffinghouder in samenwerking met de opdrachtgever in de plaatselijke media daaraan aandacht, waarbij ten minste het volgende wordt aangegeven:

    • a. het doel van de vlucht;

    • b. een zo exact mogelijke omschrijving van de locatie;

    • c. de dag;

    • d. het tijdstip van aanvang en de verwachte duur van de vlucht; en

    • e. dat klachten kunnen worden gemeld bij de ontheffinghouder en bij Inspectie Leefomgeving en Transport, telefoonnummer: 088 489 00 00 of aviation-approvals@ilent.nl;

    de ontheffinghouder doet deze bekendmaking in de plaatselijke media en stuurt een kopie onder vermelding van het kenmerk van deze ontheffing per e-mail (aviation-approvals@ilent.nl) aan de Inspectie Leefomgeving en Transport.

Artikel 4

  • 1. De aanvrager draagt er zorg voor dat de gezagvoerder en taakspecialisten als bedoeld in deel SPO van EU verordening 965/2012 bekend zijn met de inhoud van deze beschikking.

  • 2. Bij het niet of niet volledig nakomen van de voorschriften en beperkingen, genoemd in deze beschikking, kan deze ontheffing worden ingetrokken.

Artikel 5

De aanvrager voert bij de voorbereiding van elk project een veiligheidsanalyse uit. Daarbij wordt in kaart gebracht welke risico’s er zijn als gevolg van het uitvoeren van VFR-vluchten beneden de minimum VFR-vlieghoogte. Vervolgens worden risicobeperkende maatregelen in kaart gebracht en toegepast, zodanig dat de vlucht op een verantwoorde wijze kan worden uitgevoerd.

Artikel 6

Deze beschikking treedt in werking met ingang van 18 juni 2019 en vervalt met ingang van 1 juli 2019, tenzij deze voortijdig wordt ingetrokken.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, namens deze, Inspecteur ILT team Rail Bedrijven en Luchtvaart Infra

Bezwaarmogelijkheid

Indien u het niet eens bent met deze beslissing, kunt u hiertegen op grond van het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht binnen zes weken na de datum waarop deze beslissing is verzonden, schriftelijk bezwaar aantekenen.

Het bezwaarschrift moet worden ondertekend en moet ten minste bevatten:

  • de naam en het adres van de indiener;

  • de dagtekening;

  • een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht;

  • de gronden van het bezwaar.

Tevens ontvangen wij graag uw telefoonnummer dan wel e-mailadres.

Het bezwaarschrift kunt u richten aan:

Inspectie Leefomgeving en Transport

Afdeling Juridische zaken

Postbus 16191

2500 BD DEN HAAG


X Noot
1

Artikel 19. Afwijking minimum vereist vliegzicht

Onverminderd het bepaalde in paragraaf SERA.5001 van verordening (EU) nr. 923/2012 geldt in luchtverkeersdienstverleningsgebieden met klasse G op of beneden 915 m (3000 ft) AMSL een vliegzicht gelijk aan of groter dan:

a. 1500 m voor vluchten die worden uitgevoerd:

1°. met een luchtsnelheid van 260 km/uur (140 knopen Indicated Air Speed) of minder zodat tijdig uitwijken voor ander luchtverkeer en hindernissen mogelijk is; of

2°. tijdens omstandigheden waarin de mogelijkheid van ontmoetingen met ander luchtverkeer normaliter laag is;

b. 800 m, mits wordt gevlogen met zodanige snelheid dat tijdig uitwijken voor ander luchtverkeer en hindernissen mogelijk is, voor:

3°. helikopters die blijkens een vrijstelling of ontheffing ingevolge artikel 19, derde lid, van het Besluit luchtverkeer 2014, vluchten uitvoeren beneden de minimum VFR-vlieghoogte, voorzover in die vrijstelling of ontheffing geen hogere waarden zijn vastgesteld.

Naar boven