Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2019, 3198Overig

Beoordelingskader accreditatiestelsel hoger onderwijs Nederland, Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Inhoud

Inleiding

1

Instellingstoets kwaliteitszorg

 

1.1

Inleiding

 

1.2

Standaarden

 

1.3

Oordelen en beslisregels panel instellingstoets kwaliteitszorg

 

1.4

Beoordelingsproces

 

1.5

Besluitvorming NVAO

 

1.6

Beoordeling voorwaarden

 

1.7

Evaluatie

2

Accreditatie

 

2.1

Inleiding

 

2.2

Situaties voor opleidingen

 

2.3

Beoordelingen

 

2.4

Besluitvorming NVAO

 

2.5

Evaluatie

3

Toets nieuwe opleiding

 

3.1

Inleiding

 

3.2

Beperkt kader

 

3.3

Uitgebreid kader

 

3.4

Beoordelingsproces toets nieuwe opleiding

 

3.5

Verzwaarde toets nieuwe opleiding

4

Beoordeling bestaande opleiding

 

4.1

Inleiding

 

4.2

Beperkt kader

 

4.3

Uitgebreid kader

 

4.4

Beoordelingsproces bestaande opleiding

5

Overige beoordelingen

6

Bezwaar en beroep

7

Inwerkingtreding en publicatie

Bijlage: lijst met afkortingen

Inleiding

Met het Beoordelingskader accreditatiestelsel hoger onderwijs Nederland van september 2016 is een belangrijke stap gezet in de richting van het beoordelen van de kwaliteit van hogeronderwijsopleidingen en -instellingen in Nederland op basis van vertrouwen in de bestaande, hoge kwaliteit van het Nederlandse hoger onderwijs. Met de Wet accreditatie op maat is dit uitgangspunt expliciet verankerd in wetgeving. Om het accreditatiekader in lijn te brengen met de nieuwe wet is een beperkt aantal aanpassingen gedaan aan het kader van september 2016. De standaarden waaraan opleidingen en instellingen moeten voldoen zijn vrijwel geheel gelijk gebleven.

Nog meer dan het voorgaande, beoogt dit nieuwe kader het eigenaarschap van docenten en studenten over de opleidingen te bevestigen en de administratieve lasten rond accreditatie bij de opleidingen en instellingen te verminderen. Tegelijkertijd dient het stelsel voldoende robuust te zijn om de kwaliteit van opleidingen en instellingen te waarborgen, verbetering te kunnen afdwingen en de geboden kwaliteit zichtbaar te maken voor studenten, werkgevers en de samenleving.

De eerste ronde van ITK’s heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de totstandkoming van een kwaliteitszorgsysteem op instellingsniveau en een kwaliteitscultuur op het gebied van onderwijs. In de tweede ronde wordt beoordeeld in hoeverre het genoemde kwaliteitszorgsysteem en de daarbij horende werkwijzen robuust zijn en of binnen de instellingen een duurzame kwaliteitscultuur tot stand is gekomen. Een positief oordeel over alle standaarden bevestigt dan het vertrouwen in de instelling.

Daarmee vormt de tweede ronde ITK’s een belangrijke bouwsteen voor een stelsel dat is gebaseerd op vertrouwen. Het kader voor de ITK is in dit licht herzien waardoor het ruimte biedt voor verdere ontwikkeling van een stelsel met vertrouwen als uitgangspunt.

De open opzet en uitwerking maken het kwaliteitszorgstelsel flexibeler en leiden tot minder administratieve lasten. Het kader gaat uit van vertrouwen én van zelfvertrouwen. Bestaande documenten kunnen volstaan om de kwaliteit, kennis en kunde aan te tonen van hen die het onderwijs vormgeven. Van instellingen en opleidingen wordt dan ook niet meer gevraagd dan in dit kader is beschreven.

Verdere vereenvoudiging is bereikt door uit te gaan van een binair, ongedifferentieerd oordeel. Het panel beoordeelt een opleiding als positief (eventueel onder voorwaarden) of negatief. De NVAO besluit hierop of een opleiding wel of niet geaccrediteerd is. In het visitatierapport zijn sterke en verbeterpunten van de opleiding beschreven maar de NVAO neemt die niet mee in het accreditatiebesluit.

In dezelfde lijn ligt de invoering van accreditatie voor onbepaalde tijd voor bestaande opleidingen. Op basis van een visitatierapport bepaalt de NVAO elke zes jaar of een opleiding accreditatie behoudt. In het geval van tekortkomingen die binnen twee jaar zijn te herstellen, verleent de NVAO een accreditatie onder voorwaarden.

In aansluiting op de maatschappelijke discussie over de toegevoegde waarde van het verzorgen van onderwijs in het Engels in het hoger onderwijs is een specifieke bepaling opgenomen in het kader voor de opleidingsbeoordelingen, ter borging van de kwaliteit van opleidingen die in een andere taal dan het Nederlands worden verzorgd. Daarin is opgenomen dat de opleiding de keuze voor de taal motiveert en dat de docenten in staat zijn in die taal les te geven. Dit geldt ook indien de opleiding een anderstalige naam hanteert.

De indeling van het kader is zo gekozen dat instellingen beter kunnen zien wat er van hen verwacht wordt. Daartoe is in hoofdstuk 2 een overzicht opgenomen van de nu geldende procedures en accreditatiebesluiten en worden de opzet en uitvoering van beoordelingen toegelicht. In hoofdstuk 3 en 4 zijn de kaders voor de beoordeling van nieuwe opleidingen en bestaande opleidingen en de bijbehorende beslisregels afzonderlijk beschreven. Ieder van deze hoofdstukken bevat alle relevante informatie voor deze beoordelingen en kan als zelfstandig deel gelezen worden.

Het beoordelingskader sluit aan bij de criteria die zijn opgenomen in de WHW en de Standards and Guidelines for Quality Assurance in the European Higher Education Area (European Standards and Guidelines – ESG) en schetst de criteria op basis waarvan de kwaliteitsborging in het Nederlandse hoger onderwijs is vormgegeven.

Het kader blijft onverminderd uitgaan van ‘peer review’ als de beste methode om de kwaliteit vast te stellen. De beoordelingen worden uitgevoerd vanuit een werkwijze en houding die past bij collegiale toetsing. Het panel van onafhankelijke en gezaghebbende experts gaat een open dialoog aan over de kwaliteit met de instelling. Aan de hand van het zelfevaluatierapport wordt het panel deelgenoot van de reflectieve cyclus die de instelling doorloopt om kwaliteit te waarborgen en telkens te verbeteren: van visie en doelstelling naar uitvoering, van evaluatie en resultaten naar verbetering en ontwikkeling. Het kader vraagt nadrukkelijk aandacht voor kwaliteitscultuur en de verankering daarvan, altijd in samenhang met instrumenten om kwaliteit te verzekeren.

Het kader is gebaseerd op respect voor de autonomie van de instellingen die primair verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit. De visie en doelstellingen van de instelling of de opleiding zijn het startpunt van de beoordeling en worden niet inhoudelijk beoordeeld. Uitgangspunt is dat studenten en docenten het onderwijs en de opleiding vormgeven, en daarvoor gezamenlijk als ‘eigenaren’ een belangrijke verantwoordelijkheid dragen. Maar ook de samenleving als geheel is eigenaar van en belanghebbende bij het onderwijs; goed en toegankelijk hoger onderwijs is van groot belang is voor een duurzame en evenwichtige ontwikkeling van de hedendaagse samenleving, zowel in economische als sociaal-maatschappelijke zin.

Het kader is tot stand gekomen na overleg met de koepelorganisaties voor bekostigde en particuliere universiteiten en hogescholen, evaluatiebureaus, studentenorganisaties en werkgeversorganisaties, en met inbreng van vele betrokkenen uit het veld.

1. Instellingstoets kwaliteitszorg

1.1 Inleiding

De instellingstoets kwaliteitszorg (ITK) is een periodieke, externe en onafhankelijke beoordeling van de interne kwaliteitszorg van een instelling. Interne kwaliteitszorg omvat zowel de kwaliteitscultuur als het interne systeem van kwaliteitszorg van een instelling. Bij deze toets wordt vastgesteld dat het interne kwaliteitszorgsysteem in samenhang met de kwaliteitscultuur verzekert dat de eigen visie op goed onderwijs wordt gerealiseerd.

In dit kader verwijst de term ‘instellingstoets kwaliteitszorg’ naar de beoordeling die leidt tot een erkenning ITK, conform de Wet accreditatie op maat. Waar dit kader verwijst naar besluiten ITK genomen op grond van een eerder kader en eerdere wetgeving is, omwille van de duidelijkheid, ook de benaming ‘erkenning ITK’ gebruikt.

Een kwaliteitszorgsysteem bestaat uit eenvoudige, eenduidige en controleerbare doelstellingen, procedures voor de borging van de kwaliteit, verankering van de Plan Do Check Act (PDCA) cyclus in de organisatie, ‘hard controls’, periodieke evaluaties en systematische opvolging van verbeteringen. Kwaliteitscultuur verwijst naar een duidelijke en doorleefde visie, een gezamenlijke gerichtheid op verbeteringen, leiderschap, aanspreekbaarheid en ‘soft controls’, samenwerken en zelfsturing, (academische) professionaliteit, studentbetrokkenheid en een externe oriëntatie. Beide dimensies van sturen op en streven naar goede kwaliteit van het onderwijs worden in de instellingstoets kwaliteitszorg betrokken. De instelling toont de effectiviteit van de eigen synergie tussen beide dimensies aan en heeft dus ruimte om daartussen een eigen balans te kiezen. Het woord “kwaliteitszorg” verwijst in dit kader dan ook nadrukkelijk naar beide dimensies: het systeem van kwaliteitszorg en de kwaliteitscultuur.

De centrale vraag is: verzekert de kwaliteitszorg de realisatie van de visie op goed onderwijs en werkt de instelling duurzaam aan ontwikkeling en verbetering?

Deze centrale vraag wordt beantwoord aan de hand van vier samenhangende vragen die het uitgangspunt vormen voor de instellingstoets kwaliteitszorg:

  • 1. is er voldoende draagvlak voor de visie en het beleid van de instelling ten aanzien van de kwaliteit van haar onderwijs in de brede zin en vindt hierover voldoende externe en interne afstemming plaats?

  • 2. hoe realiseert de instelling deze visie op kwaliteit?

  • 3. hoe monitort de instelling dat zij de visie op kwaliteit realiseert?

  • 4. hoe werkt de instelling aan verbetering?

Bovengenoemde vragen zijn in het kader vertaald naar vier standaarden:

  • 1. visie en beleid

  • 2. uitvoering

  • 3. evaluatie en monitoring

  • 4. ontwikkelingsgerichtheid

De vier standaarden vormen een ‘reflectieve cyclus’ aan de hand waarvan de instelling aantoont dat in al haar geledingen een sterke ontwikkelingsgerichte kwaliteitscultuur bestaat en resultaten van beleid worden opgevolgd. De kwaliteitscultuur wordt ondersteund door een efficiënt systeem van interne kwaliteitszorg, waardoor de kwaliteit van het onderwijs duurzaam wordt geborgd.

Met de instellingstoets kwaliteitszorg legt de instelling rekenschap af aan de samenleving over de degelijkheid van haar zorg voor de kwaliteit van het onderwijs en laat ze zien duurzame kwaliteitsontwikkeling te hebben verzekerd.

Uitgangspunt voor de ITK vormt de duidelijke, gedeelde en doorleefde visie van de instelling op goed onderwijs. De visie wordt niet inhoudelijk beoordeeld tijdens de ITK. De instelling is autonoom en ontwikkelt een eigen visie op goed onderwijs die goed moet zijn afgestemd op verwachtingen en eisen van het werkveld, de vakgenoten, studenten en de samenleving. De instelling en haar docenten en studenten dragen en ontwikkelen die visie vanuit een externe gerichtheid en in samenspraak met het maatschappelijk veld.

Het open karakter van het kader onderstreept de autonomie van de instelling en de eigen verantwoordelijkheid voor de kwaliteit. Het open karakter draagt bij aan het eigenaarschap van docenten en studenten. Aan de hand van de open standaarden reflecteert het panel in de gesprekken op de eigen visie op goed onderwijs, de wijze waarop daar uitvoering aan wordt gegeven en de evaluatie en resultaten. Door gebruik van open standaarden bestaat eveneens ruimte voor variatie in de uitvoering en de inrichting van het onderwijsbeleid, eventueel ook tussen de verschillende onderdelen van de instelling.

Bij een aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van de erkenning ITK wordt duurzame en systematische verankering van de interne kwaliteitszorg in de achterliggende jaren in de beoordeling betrokken.

Een extern panel van onafhankelijke deskundigen voert de instellingstoets kwaliteitszorg uit (peer review). De NVAO benoemt de leden van het panel. Het panel beoordeelt of de instelling beschikt over passende kwaliteitszorg om de kwaliteit van de opleidingen te borgen en een kwaliteitscultuur die bevordert dat alle betrokkenen streven naar (verdere) kwaliteitsontwikkeling.

1.2 Standaarden

Visie en beleid

Standaard 1: De instelling beschikt over een breed gedragen onderwijsvisie en een daarbij aansluitend beleid gericht op de interne kwaliteitszorg van haar onderwijs.

De instelling kent een duidelijke en in alle geledingen gedeelde visie op goed onderwijs. Docenten en studenten dragen de visie en ontwikkelen deze in onderlinge samenspraak en met externe stakeholders. De onderwijsvisie is actueel door periodieke afstemming op de relevante (veranderende) omgeving. De onderwijsvisie is vertaald naar expliciete uitgangspunten voor kwaliteitszorg. De onderwijsvisie is, in overeenstemming met de ESG, studentgericht (student centred learning).

Uitvoering

Standaard 2: De instelling verwezenlijkt de onderwijsvisie op doeltreffende wijze, blijkend uit passende beleidsacties en -processen met name op het gebied van personeel, toetsing, voorzieningen, en studenten met een functiebeperking.

De onderwijsvisie is adequaat vertaald naar concrete beleidsacties en -processen. De instelling kent processen voor ontwerp, erkenning en borging van de kwaliteit van opleidingen in overeenstemming met de ESG en toont de werking en toepassing van deze processen aan op basis van een track record. Studenten en medewerkers zijn mede-eigenaar van het beleid en dragen vanuit de gezamenlijke visie bij aan de realisatie ervan. Uit die betrokkenheid blijkt de realisatie van de beoogde kwaliteitscultuur van de instelling.

De uitvoering is in overeenstemming met de visie: personeel, toetsing en voorzieningen bevorderen de toegankelijkheid en studeerbaarheid van het onderwijs.

Evaluatie en monitoring

Standaard 3: De instelling evalueert stelselmatig of zij de beoogde beleidsdoelstellingen met betrekking tot onderwijskwaliteit realiseert. Daarbij betrekt zij relevante stakeholders.

De instelling organiseert effectieve feedback die de realisatie van het beleid ondersteunt. Hierbij zet zij passende evaluatie- en meetactiviteiten in, die bestendig verankerd zijn in de instelling. Die instrumenten leveren inzichtelijke informatie die bruikbaar is bij het formuleren van gewenste kwaliteitsontwikkeling. Onderdeel is een transparante werkwijze om risico’s te signaleren, te rapporteren en waar nodig te handelen, gericht op verbeteren. De reflectie op de uitkomsten is onderdeel van het organisatiemodel en geeft in alle lagen van de organisatie en de medezeggenschap voldoende inzicht in de effectiviteit van de beleidsuitvoering.

Het is niet noodzakelijk dat de meet- en evaluatieactiviteiten instellingsbreed uniform zijn. Het gaat immers om de effectiviteit. Studenten, medewerkers, alumni en deskundigen uit het maatschappelijke veld spelen een actieve rol bij de evaluaties. De instelling publiceert accurate, actuele en toegankelijke informatie over de evaluatieresultaten.

Ontwikkeling

Standaard 4: De instelling is gericht op ontwikkeling en werkt systematisch aan de verbetering van haar onderwijs.

Op grond van feedback en reflectie op de resultaten zijn doelgerichte maatregelen genomen om het beleid of de uitvoering te versterken, te verbeteren of bij te stellen. Het opvolgen van verbetermaatregelen is verankerd in de organisatiestructuur. Het ontwikkelbeleid van de instelling stimuleert alle betrokkenen om bij te dragen aan innovatie en kwaliteitsverbetering.

Interne en externe stakeholders zijn geïnformeerd over de ontwikkelingen die in gang worden gezet op grond van de evaluatieresultaten. De instelling verbetert zich doorlopend en sluit aan op de (veranderende) omstandigheden en verwachtingen van studenten en werkgevers.

Eindoordeel (gewogen en gemotiveerd)

1.3 Oordelen en beslisregels panel instellingstoets kwaliteitszorg

Oordeel per standaard

Het panel voorziet elke standaard van een oordeel:

 

Voldoet:

de instelling voldoet aan de standaard.

 

Voldoet ten dele:

de instelling voldoet in belangrijke mate aan de standaard maar er zijn verbeteringen nodig om volledig aan de standaard te voldoen (zie aanvullende beslisregels voorwaarden).

 

Voldoet niet:

De instelling voldoet niet aan de standaard.

Eindoordeel

Het panel adviseert tevens een gewogen en gemotiveerd eindoordeel over de instelling. Daarbij neemt het de volgende beslisregels in acht:

 

Positief:

op alle standaarden ‘voldoet’.

 

Positief onder voorwaarden:

maximaal op twee standaarden een ‘voldoet ten dele’ waarbij het panel het opleggen van voorwaarden adviseert (zie aanvullende beslisregels voorwaarden).

 

Negatief:

‘voldoet niet’ op een of meer standaarden en eveneens bij drie of meer ‘voldoet ten dele’.

Aanvullende beslisregels voorwaarden

 

Bij een ‘voldoet ten dele’ voldoet de instelling in belangrijke mate aan de basiskwaliteit, maar er zijn verbeteringen nodig om volledig aan de standaard te voldoen. Hiertoe worden voorwaarden opgelegd.

Voor een eindoordeel ‘Positief onder voorwaarden’ vraagt het panel zich af of het haalbaar is dat de instelling binnen twee jaar verbeteringen heeft gerealiseerd. Alleen wanneer het panel vaststelt dat dit realistisch is, adviseert het panel tot het stellen van voorwaarden. Het panel formuleert dan concreet welke voorwaarden moeten worden opgelegd. Acht het panel realisatie van de noodzakelijke verbeteringen in twee jaar niet haalbaar, dan wordt het eindoordeel ‘Negatief’.

De NVAO besluit over het opleggen van voorwaarden. Wanneer daarbij wordt vastgesteld dat het niet realistisch is dat binnen twee jaar aan de voorwaarden kan worden voldaan, ziet zij af van het stellen van voorwaarden en wordt het eindoordeel ‘Negatief’.

Aanbevelingen

 

Het panel kan bij iedere standaard suggesties voor verbetering doen die in de rapportage worden onderscheiden van de onderbouwing van de oordelen.

1.4 Beoordelingsproces

1.4.1 Aanvraag indienen

De instelling dient een aanvraag in bij de NVAO via brief of e-mail. Wanneer de instelling de geldigheidsduur van een bestaande erkenning ITK wil verlengen (heraanvraag), moet de aanvraag ten minste één jaar voor het vervallen van de erkenning ITK plaatsvinden.

1.4.2 Bestuurlijk overleg

Na ontvangst van de aanvraag neemt de NVAO het initiatief tot een bestuurlijk overleg.

Het bestuurlijk overleg is een kennismaking met en een toelichting op de ITK. In dat verband komen bijvoorbeeld de volgende onderwerpen aan bod: de organisatiestructuur en profilering van de instelling, de (internationale) samenstelling van het panel en de taal waarin de toets zal worden uitgevoerd, het tijdpad, de vorm en omvang van de zelfevaluatie, aandachtspunten voor de beoordeling, wensen met betrekking tot de inrichting van de locatiebezoeken en het in de instelling beschikbare materiaal ten behoeve van de toets.

Voorafgaand aan het bestuurlijk overleg ontvangt de instelling het accreditatieportret. Dit accreditatieportret geeft een overzicht van de uitkomsten van de accreditaties en toetsen nieuwe opleiding over de afgelopen jaren. De instelling krijgt de gelegenheid correcties door te geven. De NVAO houdt rekening met de verscheidenheid in organisatievormen en met het specifieke karakter van de instelling. Bij het bestuurlijk overleg worden vertegenwoordigers van studenten en docenten uit voor de instelling toepasselijke medezeggenschaps- of (studenten)inspraakorganen betrokken.

1.4.3 Panelsamenstelling

Na het bestuurlijk overleg benoemt de NVAO het panel dat de instellingstoets kwaliteitszorg uitvoert. De instelling kan binnen twee weken beargumenteerd bedenkingen tegen de samenstelling van het panel doorgeven aan de NVAO.

De experts voor instellingsbeoordelingen zijn onafhankelijk van de instelling. Dit houdt in dat zij:

  • ten minste vijf jaar geen directe of indirecte banden hebben gehad met de te beoordelen instelling die leiden tot een conflict of interest of de schijn daarvan.

  • ten minste vijf jaar geen advieswerk hebben verricht ten behoeve van de instelling, waarvan het resultaat onderwerp van de beoordeling kan zijn.

Zij zijn gezaghebbend op bestuurlijk niveau of binnen de ontwikkeling van het hoger onderwijs, auditdeskundig of vertegenwoordigen het maatschappelijk veld. De panelleden tekenen voorafgaand aan de beoordeling een onafhankelijkheidsverklaring.

Het panel beschikt gezamenlijk over onderstaande expertises:

  • bestuurlijke deskundigheid;

  • hoger onderwijsdeskundigheid, bij voorkeur ook wat betreft ontwikkelingen buiten Nederland;

  • deskundigheid op het gebied van de inrichting en effectiviteit van kwaliteitszorgsystemen;

  • recente ervaring in het (internationale) maatschappelijk veld of het werkveld waar de instelling in opereert;

  • recente ervaring als student in het hoger onderwijs.

Het panel bestaat uit maximaal vijf leden, inclusief ten minste één student-lid. Over de samenstelling vindt overleg plaats met de instelling. Het panel wordt ondersteund door een secretaris die beschikt over de in paragraaf 2.3 (Beoordelingen) van dit kader vermelde deskundigheden, en een procescoördinator van de NVAO. De laatste bewaakt de correcte procesgang en oordeelsvorming conform het kader en is aanspreekpunt voor de instelling. De secretaris voldoet aan de eis van onafhankelijkheid zoals die hierboven voor panelleden is beschreven. Voorafgaand aan de beoordeling tekent de secretaris een onafhankelijkheidsverklaring.

De NVAO geeft alle panelleden en de secretaris een specifiek op de instellingstoets kwaliteitszorg gerichte training met het oog op de vereiste deskundigheid.

Het panel voert een peer review uit, in die zin dat collegiale consultatie centraal staat. De attitude en werkwijze van het panel passen bij dit uitgangspunt. Dit betekent onder meer dat het panel vertrekt vanuit vertrouwen en de uitgangspunten van de instelling respecteert, een open dialoog met de instelling voert, recht doet aan de verschillende perspectieven op kwaliteit en bijdraagt aan verbetering.

1.4.4 Zelfevaluatie en overig materiaal

De instelling stelt een zelfevaluatie op waarin de sterke en de zwakke punten van de instelling staan beschreven. De zelfevaluatie wordt ter advisering voorgelegd aan het, c.q. de voor de instelling toepasselijke medezeggenschaps- of inspraakorga(a)n(en). De zelfevaluatie is een op zichzelf leesbaar document met een omvang van maximaal 50 pagina’s (exclusief bijlagen). Het advies van de medezeggenschapsraad maakt deel uit van de zelfevaluatie. Het is mogelijk om met de NVAO afspraken te maken over een andere vorm of omvang van de zelfevaluatie (zie Bestuurlijk overleg hierboven).

De instelling kiest het overige materiaal dat voor het locatiebezoek ter inzage voor het panel beschikbaar is. Er worden vooraf geen nadere eisen gesteld aan de inhoud en de vorm daarvan. Het panel kan aanvullend informatie opvragen, maar betracht daarbij terughoudendheid. Uitgangspunt is dat de instelling de documenten en informatie verstrekt die het panel voor de uitvoering van zijn taak nodig heeft. Er wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van bestaand materiaal. In principe laat de NVAO het aan de instelling en het panel over om in onderling overleg vast te stellen welke informatie nodig is voor een goede oordeelsvorming. Indien nodig kan de NVAO bindende uitspraken doen.

De instelling bezorgt haar de zelfevaluatie met bijlagen uiterlijk zes weken voor het eerste locatiebezoek van het panel aan de NVAO.

1.4.5 Locatiebezoeken

In beginsel voert het panel twee locatiebezoeken uit: een verkennend en een verdiepend bezoek. Tussen het eerste en het tweede bezoek liggen ten minste vier weken. In het eerste bezoek vormt het panel zich een algemeen beeld van de instelling. In het tweede bezoek vindt verdieping plaats door het uitvoeren van ten minste twee trails.

Eén trail betreft een verdiepend onderzoek naar de effectiviteit van de kwaliteitszorg en het risicomanagement voor opleidingen. Het panel kiest enkele opleidingen aan de hand waarvan de inrichting van de kwaliteitszorg, risicosignalering en de opvolging van de resultaten door alle organisatielagen heen worden onderzocht. Daarnaast definieert het panel de thematiek voor de verdiepende trail(s) aan het eind van het verkennend bezoek. Bij een heraanvraag zijn de bevindingen uit het vorige bezoek hierbij betrokken.

Op verzoek van de instelling kan de NVAO bij een heraanvraag van de ITK besluiten de twee bezoeken aansluitend te laten plaatsvinden, bijvoorbeeld bij inzet van een internationaal panel.

Wanneer de bezoeken aansluitend plaatsvinden, informeert de NVAO de instelling vier weken voorafgaand aan het bezoek over de onderwerpen van de trails. In dit geval is in het programma tijd gereserveerd voor het bespreken van thema’s of kwesties waarvan gedurende het bezoek blijkt dat verdieping noodzakelijk is.

Instellingen kunnen tijdens het bestuurlijk overleg eventuele wensen ten aanzien van het locatiebezoek aangeven.

Voorbereiding van het panel

Het panel heeft de zelfevaluatie van de instelling en het accreditatieportret voorafgaand aan het verkennend bezoek bestudeerd.

Tijdens een voorbereidend intern paneloverleg plaats bespreekt het panel de zelfevaluatie en de onderliggende documenten. Tevens formuleert het panel de vragen die het tijdens het eerste bezoek aan de gespreksdeelnemers wil voorleggen en bepaalt het zijn werkwijze.

Eerste bezoek: verkennend

Tijdens het verkennend bezoek maakt het panel kennis met de instelling. Het panel spreekt tijdens dit bezoek onder meer met de raad van toezicht, het instellingsbestuur, het voor het onderwijs bevoegde management, functionarissen belast met kwaliteitszorg en andere relevante staffunctionarissen, docenten uit vertegenwoordigende organen, studenten uit vertegenwoordigende organen en vertegenwoordigers uit het maatschappelijk veld.

Tevens stelt het panel het open spreekuur vast. Dit spreekuur biedt medewerkers, studenten en andere belanghebbenden de gelegenheid om de eigen visie op de kwaliteitszorg van de instelling in vertrouwen naar voren te brengen. De instelling geeft voorafgaand aan het bezoek ruime bekendheid aan het open spreekuur. Degene die hiervan gebruik wenst te maken, kan zich per e-mail bij de secretaris van het panel melden.

De procescoördinator bespreekt met de instelling de inrichting van het locatiebezoek en de aankondiging van het spreekuur. Aan het eind van het eerste bezoek geeft de voorzitter van het panel een beknopte terugkoppeling aan de instelling met een weergave van de eerste indrukken en welke audittrails worden uitgevoerd.

Tweede bezoek: verdiepend

Tijdens het verdiepende bezoek vinden de trails plaats. Een trail stelt het panel in staat om na te gaan of zijn eerste indrukken juist zijn. Onder het kopje ‘locatiebezoeken’ worden de onderwerpen van de trails beschreven. Trails kunnen de organisatie horizontaal of verticaal benaderen. ‘Horizontale’ trails kijken naar uitvoering of opvolging van een specifieke doelstelling of aspect in een bepaalde laag van de organisatie, bijvoorbeeld alle faculteiten. ‘Verticale’ trails volgen de uitvoering in ‘de lijn’ door alle lagen van de organisatie heen. De trail die kijkt naar opvolging van kwaliteitszorg van opleidingen heeft een ‘verticaal’ karakter.

In het panel vindt collegiale oordeelsvorming plaats. Er wordt gelijkwaardig recht gedaan aan de verschillende perspectieven op kwaliteit die in het panel zijn vertegenwoordigd, waaronder het studentenperspectief. Het panel streeft daarbij naar consensus.

Aan het einde van het verdiepende bezoek geeft de voorzitter een beknopte terugkoppeling van de voorlopige bevindingen van het panel. De definitieve bevindingen worden opgenomen in het adviesrapport.

1.4.6 Adviesrapport

De secretaris van het panel stelt een adviesrapport op van maximaal 30 pagina’s.

Dit rapport bevat een samenvatting van de bevindingen en overwegingen van het panel die ten grondslag liggen aan de oordelen. De kern van het rapport bevat per standaard de feitelijk onderbouwde bevindingen van het panel, de overwegingen, het oordeel, aanbevelingen en eventuele voorwaarden. Het panel baseert de onderbouwing op de zelfevaluatie, de gesprekken met de vertegenwoordigers van de instelling en bevindingen naar aanleiding van het bestudeerde materiaal.

Het rapport opent met een korte en bondige samenvatting, gericht op een breder lezerspubliek. Het rapport sluit af met een scoretabel met de oordelen per standaard en een beredeneerd eindoordeel.

De bijlage bevat de samenstelling van het panel en korte cv-beschrijvingen van de panelleden, de werkwijze van het panel, de data en het programma van de locatiebezoeken (met aanduiding van de gespreksdeelnemers, met uitzondering van de deelnemers aan het open spreekuur) en een overzicht van het bestudeerde materiaal.

De voorzitter stelt het conceptrapport vast nadat alle panelleden akkoord zijn gegaan met de inhoud van het rapport. De instelling ontvangt het conceptrapport voor het corrigeren van eventuele feitelijke onjuistheden. De instelling heeft hiervoor twee weken de tijd. Het panel verwerkt de reactie van de instelling en daarna stelt de voorzitter het definitieve rapport vast, na instemming van de panelleden. Daarna biedt de voorzitter van het panel het rapport aan aan de NVAO. Met deze indiening start het proces van de bestuurlijke behandeling van het adviesrapport door de NVAO.

1.5 Besluitvorming NVAO

De NVAO vormt zich een oordeel over het adviesrapport waarbij wordt gekeken naar consistentie, werkwijze van het panel, procedurele eisen, onderbouwing en weging om vast te stellen dat het paneladvies degelijk, deugdelijk en navolgbaar is onderbouwd en de oordeelsvorming consistent heeft plaatsgevonden. De NVAO kan de voorzitter van het panel (en eventueel andere panelleden) uitnodigen voor een toelichting. De NVAO informeert de instelling over dit overleg en kan de instelling ook uitnodigen voor een gesprek. Instellingen kunnen aangeven dat zij behoefte hebben aan een toelichting.

De NVAO komt op basis van het adviesrapport van het panel en eventuele toelichting gemotiveerd tot een eigenstandig oordeel. Het besluit tot verlening van de erkenning ITK luidt dan: positief; positief onder voorwaarden of negatief. De instelling krijgt de gelegenheid te reageren op feitelijke onjuistheden in het voornemen tot besluit.

Bij het besluit betreffende de erkenning ITK onder voorwaarden stelt de NVAO een of meer voorwaarden. De NVAO geeft de termijn aan waarbinnen de gegevens moeten worden geleverd ten behoeve van een beoordeling of aan de voorwaarden is voldaan, zodat de herbeoordeling na maximaal twee jaar kan plaatsvinden.

Bij een negatief besluit wordt de erkenning ITK geweigerd.

Instellingen met een (voorwaardelijk) positieve erkenning ITK, kunnen tijdens de geldigheidsduur de beperkte opleidingsbeoordeling toepassen (bestaande en nieuwe opleidingen).

Bekendmaking

De NVAO neemt binnen zes maanden na de aanvraag een besluit over de erkenning ITK. Ze publiceert het besluit betreffende de erkenning ITK en het adviesrapport op haar website.

Intrekken van de aanvraag

De instelling kan gedurende het gehele beoordelingstraject de aanvraag intrekken, tot aan het moment waarop de NVAO een definitief besluit – op de in de Algemene wet bestuursrecht voorgeschreven wijze – heeft genomen en het besluit is gepubliceerd.

Op grond van de European Standards and Guidelines is de NVAO gehouden alle rapporten van beoordelingen, ook als deze een negatieve uitkomst hebben, publiek te maken. Met de aanbieding van het adviesrapport door de panelvoorzitter aan de NVAO start de bestuurlijke behandeling. Dit leidt in alle gevallen tot publicatie van het adviesrapport. Als de instelling de aanvraag intrekt voor aanbieding van het adviesrapport door de panelvoorzitter aan de NVAO, zal de NVAO het adviesrapport niet publiceren.

1.6 Beoordeling voorwaarden

In het besluit betreffende de erkenning ITK onder voorwaarden legt de NVAO vast aan welke voorwaarden moet worden voldaan en binnen welke termijn. Dit leidt tot de volgende stappen:

  • Voor het eind van deze termijn levert de instelling documentatie aan de NVAO waarin de instelling aantoont dat deze aan de voorwaarden voldoet.

  • De NVAO vraagt in beginsel hetzelfde panel dat de eerdere beoordeling uitvoerde, te beoordelen of aan de voorwaarden is voldaan. De NVAO kan de samenstelling van het panel aanpassen. Het panel bepaalt de werkwijze bij het beoordelen van de voorwaarden.

  • Over de inrichting van de beoordeling vindt afstemming plaats tussen panel, instelling en NVAO.

  • Het panel brengt een adviesrapport uit aan de NVAO.

  • Indien binnen de gestelde termijn niet aan de voorwaarden is voldaan, dan leidt dit tot intrekking van de erkenning ITK onder voorwaarden.

De NVAO neemt binnen een redelijke termijn een besluit.

1.7 Evaluatie

De NVAO benadert na afronding van de instellingstoets kwaliteitszorg de instelling en de panelleden om de procedure te evalueren.

2. Accreditatie

2.1 Inleiding

De accreditatie van opleidingen betreft associate degree-, bachelor-, en (postinitiële) masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs (hbo) en het wetenschappelijke onderwijs (wo) in Nederland. Dit hoofdstuk beschrijft de accreditatie van opleidingen zoals die in de Wet accreditatie op maat is beschreven, en de daarbij horende beoordelingen – de toets nieuwe opleiding en de visitatie. Het gaat ook in op de verschillende procedurele stappen die instellingen en opleidingen dienen te doorlopen om accreditatie te verkrijgen en behouden.

2.2 Situaties voor opleidingen

Het accreditatiestelsel onderscheidt voor opleidingen in het hoger onderwijs twee vormen van accreditatie: de ‘accreditatie nieuwe opleiding’ met een beperkte geldigheidsduur van maximaal zes jaar en de ‘accreditatie bestaande opleiding’ die voor onbepaalde tijd geldig is. De NVAO kan bij beide vormen van accreditatie voorwaarden stellen.

Uitgangspunt is dat alle opleidingen elke zes jaar door een door de NVAO goedgekeurd panel van onafhankelijke deskundigen worden beoordeeld. Deze beoordeling vindt plaats in vergelijkend perspectief met verwante opleidingen. Daartoe zijn alle opleidingen in het accreditatiestelsel ingedeeld in visitatiegroepen. Voor deze groepen stelt de NVAO de uiterste datum vast waarop zij ter verkrijging of ter behoud van accreditatie een compleet en formeel correct visitatierapport in moeten leveren bij de NVAO. De periode tussen twee inleverdata is in principe zes jaar, maar hierop zijn uitzonderingen mogelijk als de indeling in visitatiegroepen dat vereist. De inleverdatum wordt strikt gehanteerd. Overschrijding van de inleverdatum leidt tot intrekking van de accreditatie door de NVAO.

Informatieplicht

Instellingen hebben de plicht om in de aanvraag voor een toets nieuwe opleiding of accreditatie (alsmede in het rapport dat de instelling aanbiedt ter behoud van accreditatie) melding te maken van alle afstudeerrichtingen, specialisaties, varianten, locaties en wettelijke vereisten die aan de betreffende opleiding zijn verbonden. Opleidingstrajecten die niet zijn gemeld vallen niet onder de accreditatie.

Hieronder zijn in het kort de situaties geschetst die relevant zijn voor nieuwe en bestaande opleidingen en de daarbij horende procedures.

Accreditatie nieuwe opleiding

Een instelling die een nieuwe opleiding wil starten vraagt bij de NVAO de ‘toets nieuwe opleiding’ aan. Deze beoordeling betreft een in redelijke mate van detail uitgewerkt plan voor de opleiding door een panel van onafhankelijke deskundigen. Dit plan moet voldoende informatie bevatten om een panel van peers in staat te stellen te beoordelen of de opleiding op zijn minst aan de basiskwaliteit voldoet. Op grond van haar rol als ‘poortwachter’ van het stelsel van geaccrediteerd hoger onderwijs, stelt de NVAO zelf de panels voor de toets nieuwe opleiding samen en benoemt deze. De NVAO coördineert ook de beoordeling.

Bij positieve uitkomst van de toets nieuwe opleiding verkrijgt de opleiding een ‘accreditatie nieuwe opleiding’. Deze heeft een beperkte geldigheidsduur van maximaal zes jaar. De NVAO deelt de opleiding op voorstel van de instelling in in een visitatiegroep en stelt de datum vast waarvoor een rapport van de eerstvolgende beoordeling moet worden ingeleverd: de ‘inleverdatum’. Deze is in het accreditatiebesluit vermeld. Met dit besluit meldt de instelling de opleiding aan bij DUO ter registratie in CROHO. Bij een negatieve uitkomst van de toets nieuwe opleiding weigert de NVAO de accreditatie nieuwe opleiding.

De NVAO kan voorwaarden stellen aan de accreditatie nieuwe opleiding als in de toets nieuwe opleiding blijkt dat de opleiding nog beperkte tekortkomingen heeft die binnen korte tijd kunnen worden weggenomen. Dit leidt tot de volgende stappen:

  • De NVAO stelt een termijn vast waarbinnen de opleiding aan de voorwaarden moet voldoen van maximaal twee jaar (de ‘datum voorwaarden’).

  • Voor het eind van die termijn laat de instelling in principe het panel dat de toets nieuwe opleiding heeft uitgevoerd, beoordelen of de opleiding aan de voorwaarden voldoet en biedt een rapport hiervan aan aan de NVAO. Het panel dient ten tijde van de herbeoordeling nog steeds aan de onafhankelijkheidseis te voldoen.

  • Alleen in geval van wijzigingen in het panel is goedkeuring door de NVAO vereist om vast te stellen of het gewenste panel als geheel nog over de vereiste deskundigheid beschikt.

  • De NVAO neemt binnen redelijke termijn een besluit op basis van dat rapport.

Bij positieve uitkomst behoudt de opleiding de accreditatie nieuwe opleiding. Bij een negatieve uitkomst trekt de NVAO de accreditatie nieuwe opleiding in.

Nieuwe opleidingen van instellingen die geen erkenning ITK hebben en waarvan in de toets nieuwe opleiding nog geen gerealiseerd niveau is beoordeeld, laten binnen drie jaar na het verkrijgen van de accreditatie nieuwe opleiding de toetsing en het intussen gerealiseerd niveau beoordelen. Het panel dat de toets nieuwe opleiding heeft uitgevoerd, voert ook deze toets uit.

Verkrijgen van accreditatie bestaande opleiding

Een opleiding die een accreditatie nieuwe opleiding heeft verkregen, laat de kwaliteit beoordelen door een panel van onafhankelijke deskundigen in het verband van de visitatiegroep. Uiterlijk op de inleverdatum vraagt de instelling bij de NVAO een accreditatie bestaande opleiding aan. Als de beoordeling in de visitatie positief is, verkrijgt de opleiding de accreditatie bestaande opleiding. Met dit besluit meldt de instelling bij DUO dat accreditatie bestaande opleiding verkregen is, ter registratie in CROHO. Bij een negatieve uitslag van de beoordeling weigert de NVAO de accreditatie.

Behoud van accreditatie bestaande opleiding

De accreditatie bestaande opleiding geldt voor onbepaalde tijd en kent geen vervaldatum. Voor het behoud van deze accreditatie laat de opleiding een beoordeling uitvoeren in het verband van de visitatiegroep en levert uiterlijk op de inleverdatum het visitatierapport aan bij de NVAO. Zij hoeft geen aanvraag te doen om behoud van accreditatie. Bij positieve beoordeling in de visitatie besluit de NVAO tot behoud van accreditatie, stelt DUO op de hoogte hiervan ter registratie in CROHO, en stelt voor de opleiding een nieuwe inleverdatum vast. De instelling hoeft hier zelf geen verdere actie voor te ondernemen. Bij een negatieve beoordeling waarbij binnen afzienbare termijn geen verbetering mogelijk wordt geacht, trekt de NVAO de accreditatie bestaande opleiding in.

Zowel bij het verkrijgen van een accreditatie bestaande opleiding als bij het behoud hiervan kan de NVAO voorwaarden opleggen. De systematiek is gelijk aan die hierboven is geschetst voor de accreditatie nieuwe opleiding.

  • De opleiding stuurt met het visitatierapport een verbeterplan mee met een advies van de opleidingscommissie of, wanneer deze niet wettelijk is voorgeschreven, van het panel.

  • De opleiding verkrijgt de accreditatie bestaande opleiding onder voorwaarden en de NVAO stelt een ‘datum voorwaarden’ vast.

  • De opleiding laat in principe hetzelfde panel dat de eerdere beoordeling uitvoerde de realisatie van de voorwaarden beoordelen. Het panel dient ten tijde van de herbeoordeling nog steeds aan de onafhankelijkheidseis te voldoen.

  • Alleen in geval van wijzigingen in het panel is goedkeuring door de NVAO vereist om vast te stellen of het gewenste panel als geheel nog over de vereiste deskundigheid beschikt.

  • De opleiding stuurt voor het eind van de termijn van de voorwaarden (datum voorwaarden) het rapport van de beoordeling aan de NVAO.

De opleiding behoudt de accreditatie bestaande opleiding als is vastgesteld dat de opleiding binnen de gestelde termijn aan de voorwaarden voldoet. De NVAO trekt de accreditatie in als blijkt dat hieraan niet is voldaan.

2.3 Beoordelingen

Het accreditatiekader beschrijft aan welke kwaliteitscriteria geaccrediteerde opleidingen moeten voldoen. Het maakt daarbij onderscheid tussen de planbeoordeling voor nieuwe opleidingen in de toets nieuwe opleiding en beoordelingen van gerealiseerd resultaat in de visitaties die elke zes jaar plaats vinden. Daarnaast onderscheidt het kader een beperkte en een uitgebreide beoordeling. Bij alle beoordelingen is het oogmerk zowel verbetering als verantwoording.

Opleidingen die worden aangeboden door instellingen die de erkenning ITK hebben behaald, kunnen volgens het beperkte kader worden beoordeeld. Bij toepassing van het beperkte kader wordt het panel gevraagd om overlap met de instellingstoets kwaliteitszorg te voorkomen. In het beperkte kader ligt het accent op de inhoudelijke kwaliteit van de opleiding, inclusief de daarvoor benodigde leeromgeving en het docententeam. Buiten beschouwing blijven: instellingsbrede aspecten van kwaliteitszorg en kwaliteitscultuur, het instellingsbeleid ten aanzien van toetsing, personeelsbeleid en voorzieningen en aansluiting bij de onderwijsvisie van de instelling. Deze zijn immers tijdens de instellingstoets kwaliteitszorg beoordeeld. Het uitgebreide kader stelt juist wel de inpassing van de opleiding in het instellingsbeleid, voorzieningen, kwaliteitszorg en kwaliteitscultuur aan de orde.

Panels

Alle beoordelingen die in het kader zijn beschreven, worden verricht door een panel van onafhankelijke en deskundige peers waar ten minste één student in zit en dat is goedgekeurd door de NVAO. In het kader zijn de eisen beschreven waaraan een panel moet voldoen ten aanzien van kennis, competenties, ervaring, en onafhankelijkheid. Tevens beschrijft het kader de deskundigheden en de vereisten voor de onafhankelijkheid van de secretaris. Ten minste drie maanden voor het locatiebezoek van een visitatie dienen de bij de visitatiegroep betrokken instellingen bij de NVAO gezamenlijk een gedocumenteerde aanvraag in voor goedkeuring van het panel en de secretaris. De NVAO stelt een richtlijn op voor de wijze waarop instellingen de deskundigheden en onafhankelijkheid van panelleden en de secretaris kunnen onderbouwen in de aanvraag om goedkeuring van een panelsamenstelling.

Het panel beoordeelt opleidingen op grond van de standaarden van het beperkte of uitgebreide kader en hanteert daarbij de beslisregels die in het kader zijn opgenomen. In het panel hebben alle leden een gelijkwaardige stem en inbreng. Het is de taak van de voorzitter de gesprekken tijdens het locatiebezoek en het overleg van het panel te leiden. Daarnaast ziet de voorzitter toe op een evenwichtige oordeelsvorming.

In de instellingstoets kwaliteitszorg en de toets nieuwe opleiding ondersteunt een procescoördinator van de NVAO het panel, bewaakt de correcte procesgang en oordeelsvorming conform het kader, en verzorgt de contacten tussen de instelling, de NVAO en het panel. Een secretaris die beschikt over de hieronder in deze paragraaf (2.3 Beoordelingen) vermelde deskundigheden, verzorgt daarbij de rapportage. Bij visitaties kan de secretaris, die dient te beschikken over genoemde deskundigheden, tevens als coördinator optreden en de correcte procesgang en oordeelsvorming conform het kader bewaken. De procescoördinator en de secretaris maken geen deel uit van het panel. De NVAO stelt een nadere uitwerking op van de uitvoering van de beoordeling door peers op een wijze die een consistente en betrouwbare oordeelsvorming waarborgt.

Ten aanzien van de onafhankelijkheid van panelleden geldt het volgende:

  • zij hebben ten minste vijf jaar geen directe of indirecte banden gehad met de instelling of opleiding die zij beoordelen die kunnen leiden tot een conflict of interest of de schijn daarvan;

  • zij zijn niet in dienst van of hebben zakelijke belangen in de organisatie die, al dan niet in opdracht van een instelling, de beoordeling organiseert;

  • zij hebben ten minste vijf jaar geen advieswerk verricht ten behoeve van de te beoordelen opleiding of in een ander verband binnen de instelling, waarvan het resultaat onderwerp van de beoordeling kan zijn.

Deze eisen gelden ook voor secretarissen, behalve dat zij wel in dienst mogen zijn van een organisatie die, al dan niet in opdracht van een instelling, een beoordeling organiseert.

De secretaris beschikt daarnaast over de volgende deskundigheden:

  • heeft grondige kennis van het accreditatiekader en van de regels en richtlijnen die gelden voor de beoordeling van opleidingen in het hoger onderwijs;

  • is in staat zijn het proces van beoordeling en oordeelsvorming conform het kader te bewaken en begeleiden, met inbegrip van:

    • het vooroverleg van het panel;

    • de kalibratie van het panel met betrekking tot de interpretatie van de standaarden, beslisregels en oordelen in het accreditatiekader;

    • de beoordeling van gerealiseerde leerresultaten conform de richtlijnen die het kader hiervoor geeft;

  • is in staat formeel correct en voor een breed publiek leesbaar te rapporteren over beoordelingen;

  • de secretaris zal periodiek moeten laten zien dat hij/zij bekwaam en vaardig is in het bewaken en begeleiden van visitatieprocessen, het accreditatiekader goed kent en kwalitatief goede rapporten opstelt.

De NVAO of de organisatie of adviseur die een beoordeling coördineert, draagt zorg voor training van de panelvoorzitter. De panelleden worden voorafgaand aan het locatiebezoek door de procescoördinator of secretaris uitgebreid voorgelicht over het kader en de procedure van de beoordeling en over de van panelleden verwachte attitude tijdens de gesprekken. Tevens zorgt de secretaris of procescoördinator voor een kalibratie van het panel door de interpretatie van de standaarden, de oordelen en de beslisregels door te nemen.

Instellingen zijn niet verplicht een evaluatiebureau in de hand te nemen voor de coördinatie van een visitatie. De Wet accreditatie op maat benadrukt het eigenaarschap van instellingen en opleiding voor de kwaliteitszorg van haar onderwijs. Het kader biedt instellingen nadrukkelijk de mogelijkheid zelf de periodieke beoordeling van opleidingen ter verkrijging of behoud van accreditatie bestaande opleiding ter hand te nemen. Zij kunnen hiertoe zelf een panel samenstellen en een secretaris die beschikt over de hierboven in deze paragraaf (2.3 Beoordelingen) vermelde deskundigheden, vragen de beoordeling te coördineren en de rapportage te verzorgen. De instelling ziet er op toe dat de secretaris voldoet aan de in het kader beschreven eisen van onafhankelijkheid. De instelling legt het panel en de secretaris voor ter goedkeuring aan de NVAO.

2.4 Besluitvorming NVAO

De NVAO komt in alle procedures waarin zij besluiten neemt, eigenstandig tot een oordeel, op basis van een advies- of visitatierapport van een panel en eventuele toelichting. De NVAO vormt zich een oordeel over dit rapport waarbij wordt gekeken naar consistentie, werkwijze van het panel, procedurele eisen, onderbouwing en weging om vast te stellen dat het paneladvies degelijk, deugdelijk en navolgbaar is onderbouwd en de oordeelsvorming consistent heeft plaatsgevonden. De NVAO kan in alle procedures, ook als de NVAO zelf een panel heeft samengesteld, de voorzitter van het panel (en eventueel andere panelleden) uitnodigen voor een toelichting. De NVAO informeert de instelling over dit overleg en kan de instelling ook uitnodigen voor een gesprek. Instellingen kunnen aangeven dat zij behoefte hebben aan een toelichting of verzoeken als waarnemer bij een gesprek met een panel aanwezig te zijn.

2.5 Evaluatie

De NVAO ziet het als haar taak de werking van het accreditatiestelsel doorgaand te evalueren en te verbeteren. Zij doet dat door na afloop van beoordelingen die zij zelf coördineert met de betrokken instelling of opleiding en de panelleden de procedure te evalueren. De NVAO evalueert ook de behandeling van aanvragen om accreditatie met de aanvragende instellingen. De NVAO biedt instellingen de mogelijkheid om na afronding van procedures waar de NVAO bij betrokken is, de NVAO uit te nodigen voor een evaluatief gesprek over de procedure. Dit gesprek is gericht op evaluatie en verbetering van de procedure en betreft niet de uitkomst ervan of daarin uitgesproken oordelen.

3. Toets nieuwe opleiding

3.1 Inleiding

De beoordeling van een nieuwe opleiding wordt in dit kader de ‘toets nieuwe opleiding’ (TNO) genoemd en is een planbeoordeling. Deze toets dient ertoe te waarborgen dat nieuwe opleidingen ten minste aan de basiskwaliteit voldoen als zij van start gaan. Uit de rol van de NVAO als ‘poortwachter’ vloeit voort dat zij zelf de panels benoemt voor de toets nieuwe opleiding en de beoordeling coördineert.

Omdat er op het moment van beoordeling meestal nog geen resultaten zijn te beoordelen, richt de toets nieuwe opleiding zich op plannen, randvoorwaarden en alleen op de gerealiseerde kwaliteit als daarvan voldoende evidentie is. De plannen zijn voldoende uitgewerkt om het panel een helder beeld te geven van de beoogde leerresultaten van de gehele opleiding, de inrichting van het curriculum, de leeromgeving, de toetsing en het docententeam dat de opleiding zal gaan verzorgen. Deze aspecten zijn in detail uitgewerkt met betrekking tot de eerste 60 EC van de opleiding. In paragraaf 3.4.1 wordt het informatiedossier voor de toets nieuwe opleiding nader omschreven.

Een locatiebezoek van in principe een dag maakt deel uit van de toets nieuwe opleiding. Daarbij spreekt het panel met het ontwikkelteam en/of de beoogde docenten over de invulling van het curriculum en de realisatie en toetsing van de beoogde leerresultaten.

Informatieplicht

Instellingen hebben de plicht om in de aanvraag voor een toets nieuwe opleiding melding te maken van alle afstudeerrichtingen, specialisaties, varianten, locaties en wettelijke vereisten die aan de betreffende opleiding zijn verbonden. Opleidingstrajecten die niet zijn gemeld vallen niet onder de accreditatie.

Beperkt en uitgebreid kader

Opleidingen die worden aangeboden door instellingen die de erkenning ITK hebben behaald, worden volgens het beperkte kader beoordeeld. Bij toepassing van het beperkte kader wordt het panel gevraagd om overlap met de instellingstoets kwaliteitszorg te voorkomen. In het beperkte kader ligt het accent op de inhoudelijke kwaliteit van de opleiding, inclusief de daarvoor benodigde leeromgeving en het docententeam. Buiten beschouwing blijven: instellingsbrede aspecten van kwaliteitszorg en kwaliteitscultuur, het instellingsbeleid ten aanzien van toetsing, personeelsbeleid en voorzieningen en aansluiting bij de onderwijsvisie van de instelling. Deze zijn immers tijdens de instellingstoets kwaliteitszorg beoordeeld. Het uitgebreide kader stelt juist wel de inpassing van de opleiding in het instellingsbeleid, voorzieningen, kwaliteitszorg en kwaliteitscultuur aan de orde.

3.2 Beperkt kader

Beoogde leerresultaten

Standaard 1: De beoogde leerresultaten passen bij het niveau en de oriëntatie van de opleiding en zijn afgestemd op de verwachtingen van het beroepenveld en het vakgebied en op internationale eisen.

De beoogde leerresultaten beschrijven aantoonbaar het niveau (associate degree, bachelor of master) zoals gedefinieerd in het Nederlands kwalificatieraamwerk en de oriëntatie (hbo of wo) van de opleiding. Ze sluiten bovendien aan bij de actuele eisen die vanuit het regionale, het nationale en het internationale perspectief door het beroepenveld en het vakgebied worden gesteld aan de inhoud van de opleiding. Voor zover van toepassing zijn de beoogde leerresultaten tevens in overeenstemming met relevante wet- en regelgeving.

Onderwijsleeromgeving

Standaard 2: Het programma, de onderwijsleeromgeving en de kwaliteit van het docententeam maken het voor de instromende studenten mogelijk de beoogde leerresultaten te realiseren.

De beoogde leerresultaten zijn adequaat vertaald in leerdoelen van (onderdelen van) het programma. Hierbij wordt rekening gehouden met de diversiteit van de toegelaten studenten. De docenten zijn zowel inhoudelijk als didactisch voldoende deskundig om de opleiding te verzorgen en geven begeleiding. De onderwijsleeromgeving bevordert dat studenten op actieve wijze deelnemen aan de vormgeving van het eigen leerproces (student-centred). Indien het onderwijs in een andere taal dan het Nederlands wordt verzorgd, motiveert de opleiding deze keuze. Dit geldt ook indien de opleiding een anderstalige opleidingsnaam hanteert. Docenten beschikken over voldoende beheersing van de taal waarin zij doceren. Voorzieningen worden niet beoordeeld, tenzij deze specifiek voor de betreffende opleiding zijn getroffen.

Toetsing

Standaard 3: De opleiding beschikt over een adequaat systeem van toetsing.

De beoordeling is valide, betrouwbaar en voldoende onafhankelijk. De eisen zijn helder voor de studenten. De kwaliteit van de tentaminering en examinering wordt voldoende gewaarborgd en voldoet aan de wettelijke deugdelijkheidsvereisten. De toetsen ondersteunen het eigen leerproces van de student.

Eindoordeel (gewogen en gemotiveerd)

Standaard 4 wordt in de regel niet beoordeeld in een toets nieuwe opleiding. Het panel beoordeelt deze standaard alleen als er naar de mening van de NVAO sprake is van bestaand onderwijs en er eindwerken zijn om dit te kunnen beoordelen.

 

Gerealiseerde leerresultaten

Standaard 4: De opleiding toont aan dat de beoogde leerresultaten zijn gerealiseerd.

 

Het realiseren van de beoogde leerresultaten blijkt uit de uitkomsten van toetsen, de eindwerken en de wijze waarop afgestudeerden in de praktijk of in een vervolgopleiding functioneren.

Toelichting op de beoordeling van gerealiseerde leerresultaten

In het geval dat de toets nieuwe opleiding ook het bestaand onderwijs betreft, beoordeelt het panel standaard 4. Daarvoor bestudeert het panel een ruime selectie eindwerken. Hieronder zijn een aantal richtlijnen opgenomen voor de selectie en de beoordeling om een evenwichtige selectie en gelijke behandeling te waarborgen.

In het informatiedossier beschrijft de opleiding hoe zij de realisatie van de gerealiseerde leerresultaten heeft getoetst. Dat kan aan de hand van diverse producten of proeven die hier worden samengenomen onder het begrip eindwerk. Een niet limitatieve opsomming van eindwerken is: de eindscriptie, een portfolio, een beroepsproduct, een (reeks van) tentamen(s), een artikel of een artistieke prestatie of een combinatie hiervan. Het panel richt zich op de producten of toetsen waarmee de studenten de opleiding afsluiten.

Selectie van eindwerken

Om de gerealiseerde leerresultaten te beoordelen, selecteert en bestudeert het panel recente eindwerken van ten minste 15 afgestudeerden van de opleiding. De opleiding verschaft het panel hiertoe een lijst met studentnummers met daarbij de informatie die nodig is om een adequate selectie te maken. In het geval de opleiding minder dan 15 afgestudeerden had in de te beoordelen periode, bestudeert het panel alle eindwerken.

De selectie kent een evenwichtige verdeling over voldoende, goede en zeer goede eindwerken. De selectie is zo gekozen dat het panel hiermee een onderbouwd oordeel kan vellen over de hantering van de cesuur tussen voldoende en onvoldoende door de opleiding, over het algemene niveau van de eindwerken, en over de becijfering van de eindwerken en de daarbij gehanteerde methodiek.

De selectie is voldoende dekkend ten aanzien van varianten, locaties, specialisaties, afstudeertrajecten en programma’s, zodat mogelijke kwaliteitsverschillen daartussen kunnen worden vastgesteld. Hiervoor kan het panel besluiten het aantal te beoordelen eindwerken op te hogen.

Uitvoering van de beoordeling

De beoordeling door het panel is erop gericht een oordeel te kunnen geven over de realisatie van de leerresultaten, de wijze waarop de beoordeling tot stand is gekomen en de manier waarop de opleiding een correcte beoordeling van eindwerken borgt.

De opleiding stelt het panel in de gelegenheid om zich voorafgaand aan het locatiebezoek een oordeel te vormen over deze eindwerken en de beoordeling daarvan door de opleiding. Het panel heeft de eindwerken voorafgaand aan het vooroverleg bestudeerd en de bevindingen onderling gedeeld. In het geval een panellid de beoordeling van een eindwerk in twijfel trekt, bestudeert ten minste één ander panellid ook dit eindwerk. Het panel heeft de mogelijkheid om meer eindwerken op te vragen om een beter beeld te krijgen of de kwaliteit van de eindwerken voldoende is. In bijzondere gevallen kan het panel de eindwerken ook tijdens het locatiebezoek bestuderen, bijvoorbeeld in het geval van uitvoerende kunsten.

Tijdens het locatiebezoek spreekt het panel met beoordelaars/examinatoren van de opleiding om een goed inzicht te krijgen in de wijze waarop de beoordeling tot stand is gekomen en de realisatie van het niveau wordt bewaakt.

3.2.1 Aanvullend bij de beperkte toets nieuwe opleiding
  • Het panel, en in het verlengde de NVAO, spreekt zich uit over opname van de opleiding in een CROHO-onderdeel; het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (CROHO) kent de onderwijsonderdelen: Onderwijs, Landbouw en natuurlijke omgeving, Natuur, Techniek, Gezondheidszorg, Economie, Recht, Gedrag en maatschappij, Taal en cultuur en Sectoroverstijgend.

  • In het geval van een hbo- opleiding adviseert het panel over een passende toevoeging aan de graad van de opleiding. De NVAO stelt op basis hiervan een oordeel vast over de toevoeging aan de graad en neemt dit op in haar besluit.

3.2.2 Oordelen en beslisregels panel beperkte opleidingsbeoordeling (nieuwe opleiding)

Oordeel per standaard

Het panel voorziet elke standaard van een oordeel:

 

Voldoet:

de opleiding voldoet op de standaard aan basiskwaliteit.

 

Voldoet ten dele:

de opleiding voldoet in belangrijke mate aan basiskwaliteit op de standaard maar er zijn verbeteringen nodig om volledig aan de standaard te voldoen (zie aanvullende beslisregels voorwaarden).

 

Voldoet niet:

de opleiding voldoet niet aan basiskwaliteit op de standaard.

Basiskwaliteit:

de kwaliteit die in internationaal perspectief redelijkerwijs mag worden verwacht van een associate degree-, bachelor- of masteropleiding binnen het hoger onderwijs.

Eindoordeel

Het panel adviseert tevens een gewogen en gemotiveerd eindoordeel over de opleiding. Daarbij neemt het de volgende beslisregels in acht:

 

Positief:

op alle standaarden ‘voldoet’.

 

Positief onder voorwaarden:

standaard 1 voldoet en maximaal op twee standaarden een ‘voldoet ten dele’ waarbij het panel het opleggen van voorwaarden adviseert (zie aanvullende beslisregels voorwaarden).

 

Negatief:

In de volgende situaties:

– ‘voldoet niet’ op een of meer standaarden;

– ‘voldoet ten dele’ op standaard 1;

– ‘voldoet ten dele’ op een of twee standaarden waarbij het panel niet adviseert om voorwaarden op te leggen;

– op drie of meer standaarden ‘voldoet ten dele’.

Aanvullende beslisregels voorwaarden

 

Bij een ‘voldoet ten dele’ voldoet de opleiding in belangrijke mate aan de basiskwaliteit, maar er zijn verbeteringen nodig om volledig aan de standaard te voldoen. Hiertoe worden voorwaarden opgelegd.

Voor een eindoordeel ‘Positief onder voorwaarden’ vraagt het panel zich af of het haalbaar is dat de opleiding binnen twee jaar aantoont dat deze verbeteringen heeft gerealiseerd. Alleen wanneer het panel vaststelt dat dit realistisch is, adviseert het panel tot het stellen van voorwaarden. Het panel formuleert dan concreet welke voorwaarden moeten worden opgelegd. Acht het panel realisatie van de noodzakelijke verbeteringen in twee jaar niet haalbaar dan wordt het eindoordeel ‘Negatief’.

De NVAO besluit over het opleggen van voorwaarden aan de opleiding. Wanneer daarbij wordt vastgesteld dat het niet realistisch is binnen twee jaar aan de voorwaarden te voldoen, ziet zij af van het stellen van voorwaarden en wordt het eindoordeel ‘Negatief’.

3.3. Uitgebreid kader

Beoogde leerresultaten

Standaard 1: De beoogde leerresultaten passen bij het niveau en de oriëntatie van de opleiding en zijn afgestemd op de verwachtingen van het beroepenveld, het vakgebied en op internationale eisen.

De beoogde leerresultaten beschrijven aantoonbaar het niveau (associate degree, bachelor of master) zoals gedefinieerd in het Nederlands kwalificatieraamwerk en de oriëntatie (hbo of wo) van de opleiding. Ze sluiten bovendien aan bij de actuele eisen die vanuit het regionale, het nationale en het internationale perspectief door het beroepenveld en het vakgebied worden gesteld aan de inhoud van de opleiding. Voor zover van toepassing zijn de beoogde leerresultaten tevens in overeenstemming met relevante wet- en regelgeving. De uitgangspunten voor de inrichting van de opleiding passen bij de onderwijsvisie en het profiel van de instelling. De beoogde leerresultaten worden periodiek geëvalueerd.

Programma; oriëntatie

Standaard 2: Het programma maakt het mogelijk om passende (professionele of academische) onderzoeks- en beroepsvaardigheden te realiseren.

Het programma sluit aan bij de actuele (internationale) ontwikkelingen, eisen en verwachtingen in het beroepenveld en in het vakgebied. Academische vaardigheden en/of onderzoeks- en/of beroepsgerichte competenties krijgen invulling op een wijze die past bij de oriëntatie en het niveau van de opleiding.

Programma; inhoud

Standaard 3: De inhoud van het programma biedt studenten de mogelijkheid om de beoogde leerresultaten te bereiken.

De leerresultaten zijn adequaat vertaald in leerdoelen van (onderdelen van) het programma.

Programma; leeromgeving

Standaard 4: De vormgeving van het programma zet aan tot studeren en biedt studenten de mogelijkheid om de beoogde leerresultaten te bereiken.

De vormgeving van het programma draagt bij aan de realisatie van de beoogde leerresultaten. De onderwijsleeromgeving bevordert dat studenten een actieve rol nemen in de vormgeving van het eigen leerproces (student-centred). De inrichting van de leeromgeving past bij de onderwijsvisie van de instelling. Indien het onderwijs in een andere taal dan het Nederlands wordt verzorgd, motiveert de opleiding deze keuze. Dit geldt ook indien de opleiding een anderstalige opleidingsnaam hanteert.

Instroom

Standaard 5: Het programma sluit aan bij de kwalificaties van de instromende studenten.

De gehanteerde toelatingseisen zijn realistisch met het oog op de beoogde leerresultaten.

Personeel

Standaard 6: Het docententeam is gekwalificeerd voor de inhoudelijke en onderwijskundige realisatie van het programma en de omvang ervan is toereikend.

De docenten zijn zowel inhoudelijk als didactisch voldoende deskundig om de opleiding te verzorgen. Docenten beschikken over voldoende beheersing van de taal waarin zij doceren. Het personeelsbeleid draagt daar aan bij. Er is voldoende personeel beschikbaar om de opleiding te verzorgen en de studenten te begeleiden.

Voorzieningen

Standaard 7: De huisvesting en de materiële voorzieningen zijn toereikend voor de realisatie van het programma.

De huisvesting van de opleiding en de voorzieningen passen bij de beoogde leerresultaten en de onderwijsleeromgeving.

Begeleiding

Standaard 8: De studiebegeleiding en de informatievoorziening aan studenten bevorderen de studievoortgang en sluiten aan bij de behoefte van studenten.

Studenten ontvangen een passende begeleiding (ook in het geval van een functiebeperking). De informatievoorziening van de opleiding is adequaat.

Kwaliteitszorg

Standaard 9: De opleiding kent een expliciete en breed gedragen kwaliteitszorg, bevordert de kwaliteitscultuur en is gericht op ontwikkeling.

De opleiding organiseert effectieve periodieke feedback die de realisatie van de beoogde leerresultaten ondersteunt. Bij bestaande opleidingen vinden geëigende verbeteringen plaats naar aanleiding van de uitkomsten van de vorige beoordeling. Hierbij worden passende evaluatie- en meetactiviteiten ingezet. De uitkomsten van deze evaluatie vormen aantoonbaar de basis voor ontwikkeling en verbetering. De opleiding legt intern verantwoording af over de bijdrage van de opleiding aan het realiseren van de strategische doelen van de instelling. Kwaliteitszorg verzekert realisatie van de beoogde leerresultaten. Bij de interne kwaliteitszorg zijn de opleidings- en examencommissies, medewerkers, studenten, alumni en het afnemende beroepenveld van de opleiding actief betrokken. De ontwerpprocessen en de erkenning en borging van de kwaliteit van de opleiding zijn in overeenstemming met de ESG. De opleiding publiceert accurate, betrouwbare en voor de doelgroepen goed toegankelijke informatie over de kwaliteit van de opleiding.

Toetsing

Standaard 10: De opleiding beschikt over een adequaat systeem van toetsing.

De beoordeling is valide, betrouwbaar en voldoende onafhankelijk. De kwaliteit van de tentaminering en examinering wordt voldoende gewaarborgd en voldoet aan de wettelijke deugdelijkheidsvereisten. De examencommissie oefent haar wettelijke bevoegdheid uit. De toetsen ondersteunen het eigen leerproces van de student.

Eindoordeel (gewogen en gemotiveerd)

Standaard 11 wordt in de regel niet beoordeeld in een toets nieuwe opleiding. Het panel beoordeelt deze standaard alleen als er naar de mening van de NVAO sprake is van bestaand onderwijs en er eindwerken zijn om dit te kunnen beoordelen.

 

Gerealiseerde leerresultaten

Standaard 11: De opleiding toont aan dat de beoogde leerresultaten worden gerealiseerd.

 

Het realiseren van de beoogde leerresultaten blijkt uit de uitkomsten van toetsen, de eindwerken en de wijze waarop afgestudeerden in de praktijk of in een vervolgopleiding functioneren.

Toelichting op de beoordeling van gerealiseerde leerresultaten

In het geval dat de toets nieuwe opleiding ook het bestaand onderwijs betreft, beoordeelt het panel standaard 11. Daarvoor bestudeert het panel een ruime selectie eindwerken. Hieronder zijn een aantal richtlijnen opgenomen voor de selectie en de beoordeling om een evenwichtige selectie en gelijke behandeling te waarborgen.

In het informatiedossier beschrijft de opleiding hoe zij de realisatie van de gerealiseerde leerresultaten heeft getoetst. Dat kan aan de hand van diverse producten of proeven die hier worden samengenomen onder het begrip eindwerk. Een niet limitatieve opsomming van eindwerken is: de eindscriptie, een portfolio, een beroepsproduct, een (reeks van) tentamen(s), een artikel of een artistieke prestatie of een combinatie hiervan. Het panel richt zich op de producten of toetsen waarmee de studenten de opleiding afsluiten.

Selectie van eindwerken

Om de gerealiseerde leerresultaten te beoordelen, selecteert en bestudeert het panel recente eindwerken van ten minste 15 afgestudeerden van de opleiding. De opleiding verschaft het panel hiertoe een lijst met studentnummers met daarbij de informatie die nodig is om een adequate selectie te maken. In het geval de opleiding minder dan 15 afgestudeerden had in de te beoordelen periode, bestudeert het panel alle eindwerken.

De selectie kent een evenwichtige verdeling over voldoende, goede en zeer goede eindwerken. De selectie is zo gekozen dat het panel hiermee een onderbouwd oordeel kan vellen over de hantering van de cesuur tussen voldoende en onvoldoende door de opleiding, over het algemene niveau van de eindwerken, en over de becijfering van de eindwerken en de daarbij gehanteerde methodiek.

De selectie is voldoende dekkend ten aanzien van varianten, locaties, specialisaties, afstudeertrajecten en programma’s, zodat mogelijke kwaliteitsverschillen daartussen kunnen worden vastgesteld. Hiervoor kan het panel besluiten het aantal te beoordelen eindwerken op te hogen.

Uitvoering van de beoordeling

De beoordeling door het panel is erop gericht een oordeel te kunnen geven over de realisatie van de leerresultaten, de wijze waarop de beoordeling tot stand is gekomen en de manier waarop de opleiding een correcte beoordeling van eindwerken borgt.

De opleiding stelt het panel in de gelegenheid om zich voorafgaand aan het locatiebezoek een oordeel te vormen over deze eindwerken en de beoordeling daarvan door de opleiding. Het panel heeft de eindwerken voorafgaand aan het vooroverleg bestudeerd en de bevindingen onderling gedeeld. In het geval een panellid de beoordeling van een eindwerk in twijfel trekt, bestudeert ten minste één ander panellid ook dit eindwerk. Het panel heeft de mogelijkheid om meer eindwerken op te vragen om een beter beeld te krijgen of de kwaliteit van de eindwerken voldoende is. In bijzondere gevallen kan het panel de eindwerken ook tijdens het locatiebezoek bestuderen, bijvoorbeeld in het geval van uitvoerende kunsten.

Tijdens het locatiebezoek spreekt het panel met beoordelaars/examinatoren van de opleiding om een goed inzicht te krijgen in de wijze waarop de beoordeling tot stand is gekomen en de realisatie van het niveau wordt bewaakt.

3.3.1 Aanvullend bij de uitgebreide toets nieuwe opleiding
  • Het panel en in het verlengde de NVAO, spreekt zich uit over toedeling van de opleiding in een CROHO-onderdeel. Het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (CROHO) kent de onderwijsonderdelen: Onderwijs, Landbouw en natuurlijke omgeving, Natuur, Techniek, Gezondheidszorg, Economie, Recht, Gedrag en maatschappij, Taal en cultuur en Sectoroverstijgend.

  • In het geval van een hbo-opleiding adviseert het panel over een passende toevoeging aan de graad van de opleiding. De NVAO stelt op basis hiervan een oordeel vast over de toevoeging aan de graad en neemt dit op in haar besluit.

3.3.2 Toets na drie jaar

Voor nieuwe opleidingen die een uitgebreide toets nieuwe opleiding hebben ondergaan, en waarin nog geen feitelijk onderwijs wordt verzorgd, bestaat de verplichting om drie jaar nadat de toets nieuwe opleiding is verleend, de volgende twee kwaliteitsaspecten te laten beoordelen:

  • het gerealiseerde niveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is;

  • de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.

Een onafhankelijk, door de NVAO goedgekeurd panel voert de beoordeling uit op basis van tussentoetsen of eindwerken waaruit het gerealiseerd niveau blijkt. De instelling verstrekt uiterlijk twee en een half jaar na het besluit tot verlenen van de accreditatie nieuwe opleiding het adviesrapport van deze beoordeling aan de NVAO. Deze verplichting geldt alleen indien de instelling die de opleiding aanbiedt, niet beschikt over een (voorwaardelijke) erkenning ITK en indien in de toets nieuwe opleiding het gerealiseerd resultaat nog niet is beoordeeld.

3.3.3 Oordelen en beslisregels uitgebreide opleidingsbeoordeling (nieuwe opleiding)

Oordeel per standaard

Het panel voorziet elke standaard van een oordeel:

 

Voldoet:

de opleiding voldoet op de standaard aan basiskwaliteit.

 

Voldoet ten dele:

de opleiding voldoet in belangrijke mate aan basiskwaliteit op de standaard maar er zijn verbeteringen nodig om volledig aan de standaard te voldoen (zie aanvullende beslisregels voorwaarden).

 

Voldoet niet:

de opleiding voldoet niet aan basiskwaliteit op de standaard.

Basiskwaliteit:

de kwaliteit die in internationaal perspectief redelijkerwijs mag worden verwacht van een associate degree-, bachelor- of masteropleiding binnen het hoger onderwijs.

Eindoordeel

Het panel adviseert tevens een gewogen en gemotiveerd eindoordeel over de opleiding. Daarbij neemt het de volgende beslisregels in acht:

 

Positief:

op alle standaarden ‘voldoet’.

 

Positief onder voorwaarden:

standaard 1 voldoet en maximaal op vijf standaarden ‘voldoet ten dele’ waarbij het panel het opleggen van voorwaarden adviseert (zie aanvullende beslisregels voorwaarden).

 

Negatief:

In de volgende situaties:

– ‘voldoet niet’ op een of meer standaarden;

– ‘voldoet ten dele’ op standaard 1;

– ‘voldoet ten dele’ op een tot vijf standaarden waarbij het panel niet adviseert om voorwaarden op te leggen;

– op zes of meer standaarden ‘voldoet ten dele’.

Aanvullende beslisregels voorwaarden

 

Bij een ‘voldoet ten dele’ voldoet de opleiding in belangrijke mate aan de basiskwaliteit, maar er zijn verbeteringen nodig om volledig aan de standaard te voldoen. Hiertoe worden voorwaarden opgelegd.

Voor een eindoordeel ‘Positief onder voorwaarden’ vraagt het panel zich af of het haalbaar is dat de opleiding binnen twee jaar aantoont dat deze verbeteringen heeft gerealiseerd. Alleen wanneer het panel vaststelt dat dit realistisch is, adviseert het panel tot het stellen van voorwaarden. Het panel formuleert dan concreet welke voorwaarden moeten worden opgelegd. Acht het panel realisatie van de noodzakelijke verbeteringen in twee jaar niet haalbaar dan wordt het eindoordeel ‘Negatief’.

De NVAO besluit over het opleggen van voorwaarden aan de opleiding. Wanneer daarbij wordt vastgesteld dat het niet realistisch is binnen twee jaar aan de voorwaarden te voldoen, ziet zij af van het stellen van voorwaarden en wordt het eindoordeel ‘Negatief’.

3.4 Beoordelingsproces toets nieuwe opleiding

3.4.1 Aanvraag en informatie dossier

De instelling dient een aanvraag voor een toets nieuwe opleiding in bij de NVAO. Het informatiedossier volgt de standaarden van het beoordelingskader en maakt deel uit van de aanvraag. Het informatiedossier is een op zichzelf leesbaar document met een omvang van maximaal 15 pagina’s voor het beperkte kader of maximaal 20 pagina’s voor het uitgebreide kader, beide exclusief bijlagen. Naast een informatiedossier kunnen ook bestaande documenten van de opleidingen worden gebruikt.

De toets nieuwe opleiding is een plantoets. Het informatiedossier en de bijlagen geven het panel een helder beeld van de beoogde leerresultaten voor de gehele opleiding, de inrichting van het curriculum, het concept-OER, de leeromgeving, de toetsing en de samenstelling van het docententeam dat de opleiding zal gaan verzorgen. Voor de eerste 60 EC van de opleiding is alle informatie over de inhoud van de opleiding en de toetsing in concept beschikbaar. Daarnaast zijn voor een aantal onderdelen toetsen uitgewerkt. De opleiding maakt inzichtelijk hoe zij aan het eind van het programma de beoogde leerresultaten zal toetsen.

Het panel vraagt aanvullende documenten en informatie op indien nodig voor het vormen van een oordeel. Uitgangspunt is dat de opleiding de documenten en informatie verstrekt die het panel voor de uitvoering van haar taak nodig heeft. Het panel betracht echter terughoudendheid.

De beoordeling in een toets nieuwe opleiding betreft de standaarden 1, 2 en 3 en het eindoordeel van het beperkte kader en standaarden 1 tot en met 10 en het eindoordeel van het uitgebreide kader. Het informatiedossier beschrijft in principe alleen deze standaarden. Slechts bij uitzondering, en als er sprake is van bestaand onderwijs, worden de gerealiseerde leerresultaten (standaard 4 van het beperkte kader en standaard 11 van het uitgebreide kader) mee beoordeeld. In dat geval bevat het dossier informatie hierover en de eindwerken die ter beoordeling aan het panel worden voorgelegd.

Informatieplicht

Instellingen hebben de plicht om in de aanvraag om accreditatie (alsmede in het rapport dat de instelling aanbiedt ter behoud van accreditatie) melding te maken van alle afstudeerrichtingen, specialisaties, varianten, locaties en wettelijke vereisten die aan de betreffende opleiding zijn verbonden. Opleidingstrajecten die niet zijn gemeld vallen niet onder de accreditatie.

Intrekken van de aanvraag

De instelling kan gedurende het gehele beoordelingstraject de aanvraag intrekken, tot aan het moment waarop de NVAO een definitief besluit – op de in de Algemene wet bestuursrecht voorgeschreven wijze – heeft genomen en het besluit is gepubliceerd.

Op grond van de European Standards and Guidelines is de NVAO gehouden alle rapporten van beoordelingen, ook als deze een negatieve uitkomst hebben, publiek te maken. Met de aanbieding van het adviesrapport door de panelvoorzitter aan de NVAO start de bestuurlijke behandeling. Dit leidt in alle gevallen tot publicatie van het adviesrapport. Als de instelling de aanvraag intrekt voor aanbieding van het adviesrapport door de panelvoorzitter aan de NVAO, zal de NVAO het adviesrapport niet publiceren.

3.4.2 Panelsamenstelling

De peers voor opleidingsbeoordelingen zijn onafhankelijk, gezaghebbend in hun vakgebied en beschikken gezamenlijk over onderstaande deskundigheden:

  • actuele kennis van het desbetreffende vakgebied;

  • uitgebreide en recente ervaring met het verzorgen van onderwijs en toetsing in hetzelfde type onderwijs (hbo/wo associate degree/bachelor/master);

  • is in staat om de opleiding te vergelijken in internationaal perspectief;

  • recente ervaring in het (internationale) werkveld van het vakgebied;

  • ervaring met peer review in het hoger onderwijs;

  • recente ervaring als student in het hoger onderwijs;

  • indien van toepassing: kennis van een specifiek didactisch concept;

  • indien van toepassing: deskundigheid op het vlak van het aangevraagde bijzonder kenmerk.

Het panel bestaat uit ten minste vier leden. Ten minste één student uit het hoger onderwijs maakt deel uit van het panel. Het panel wordt ondersteund door een procescoördinator van de NVAO die de correcte procesgang bewaakt en erop toeziet dat het oordeel van het panel conform het kader tot stand komt. Een secretaris die beschikt over de in paragraaf 2.3 (Beoordelingen) van dit kader vermelde deskundigheden, verzorgt daarbij de rapportage over de beoordeling. Procescoördinator en secretaris maken geen deel uit van het panel.

Ten aanzien van de onafhankelijkheid van panelleden geldt het volgende:

  • zij hebben ten minste vijf jaar geen directe of indirecte banden gehad met de instelling of opleiding die zij beoordelen die kunnen leiden tot een conflict of interest of de schijn daarvan;

  • zij zijn niet in dienst van of hebben zakelijke belangen in de organisatie die, al dan niet in opdracht van een instelling, de beoordeling organiseert;

  • zij hebben ten minste vijf jaar geen advieswerk verricht ten behoeve van de te beoordelen opleiding of in een ander verband binnen de instelling, waarvan het resultaat onderwerp van de beoordeling kan zijn.

Deze eisen gelden ook voor secretarissen, behalve dat zij wel in dienst mogen zijn van een organisatie die, al dan niet in opdracht van een instelling, een beoordeling organiseert. Op grond van haar rol als ‘poortwachter’ van het stelsel van geaccrediteerd hoger onderwijs, stelt de NVAO zelf de panels voor de toets nieuwe opleiding samen en benoemt deze. De NVAO coördineert ook de beoordeling.

Panelleden en de secretaris tekenen voorafgaand aan de beoordeling een onafhankelijkheidsverklaring. De NVAO dient bij de benoeming van de panelleden tevens in te stemmen met de benoeming van de secretaris, voorafgaand aan de beoordeling.

Voorbereiding van het panel

De voorzitter is overeenkomstig de eisen van de NVAO getraind. Het panel spreekt een werkwijze af. Voorafgaand aan het bezoek heeft het panel het informatiedossier van de opleiding bestudeerd. Vervolgens vindt een voorbereidend intern paneloverleg plaats waarin het panel het informatiedossier en de onderliggende documenten bespreekt. De procescoördinator licht het kader en de procedure van de beoordeling toe en de van panelleden verwachte attitude tijdens de gesprekken. Tevens zorgt de procescoördinator voor een kalibratie van het panel door de interpretatie van de standaarden, de oordelen en de beslisregels door te nemen. Daarnaast formuleert het panel de vragen die het tijdens het bezoek aan de gespreksdeelnemers zal voorleggen.

Het panel voert een peer review uit in die zin dat collegiale toetsing centraal staat. De attitude en werkwijze van het panel past bij dit uitgangspunt. Dit betekent onder meer dat het panel vertrekt vanuit vertrouwen en de uitgangspunten van de opleiding, een open dialoog met de opleiding voert, recht doet aan de verschillende perspectieven op kwaliteit en bijdraagt aan verbetering.

Oordeelsvorming

In het panel vindt collegiale oordeelsvorming plaats. Daarbij wordt gelijkwaardig recht gedaan aan de verschillende perspectieven op kwaliteit die in het panel zijn vertegenwoordigd, waaronder het studentenperspectief. Het panel streeft daarbij naar consensus.

3.4.3 Locatiebezoek

Een locatiebezoek voor de toets nieuwe opleiding duurt in principe een dag. De opleiding doet een programmavoorstel voor het locatiebezoek, inclusief gespreksvolgorde, gesprekstypen, personen en duur. Het panel honoreert dit voorstel zo veel mogelijk en kan ten behoeve van betrouwbare oordeelsvorming aanpassingen vragen.

3.4.4 Rapportage

In het adviesrapport maakt het panel inzichtelijk welke bevindingen en afwegingen hebben geleid tot de toegekende oordelen en vat deze samen in een bondig adviesrapport. De standaarden en beslisregels uit het toepasselijke kader zijn leidend in deze rapportage. Het adviesrapport opent met een korte en bondige samenvatting, gericht op een breder lezerspubliek. Het rapport sluit af met een scoretabel met de oordelen per standaard en een beredeneerd eindoordeel. Aanbevelingen tot verbetering kunnen zijn opgenomen in het adviesrapport. Het adviesrapport ligt ten grondslag aan het accreditatiebesluit van de NVAO. De NVAO publiceert het accreditatiebesluit en het adviesrapport.

Een bijlage van het rapport bevat de samenstelling van het panel met vermelding van de naam, de huidige functie(s) en waar relevant vorige functie(s) van de panelleden, de naam van de secretaris, de werkwijze van het panel, de datum en het programma van het locatiebezoek (met aanduiding van de gespreksdeelnemers) en een overzicht van het bestudeerde materiaal. Ten aanzien van de werkwijze beschrijft het panel hoe het in het voorbereidend overleg de beoordeling heeft voorbereid. Indien van toepassing, geeft het rapport aan op welke wijze het panel tot een oordeel is gekomen over de gerealiseerde leerresultaten. Het vermeldt hierbij het aantal bestudeerde eindwerken, inclusief eventuele ophoging van het aantal.

Het concept-adviesrapport wordt vastgesteld door de voorzitter na akkoord door de panelleden. De instelling ontvangt het concept-adviesrapport voor het corrigeren van eventuele feitelijke onjuistheden. De instelling heeft hiervoor twee weken de tijd. Het panel verwerkt de reactie van de instelling en daarna stelt de voorzitter het definitieve rapport vast, na instemming van de panelleden. De voorzitter van het panel biedt vervolgens het rapport aan de NVAO aan.

3.4.5 Toetsing voorwaarden

In geval de NVAO een accreditatie nieuwe opleiding onder voorwaarden heeft verleend en een termijn heeft vastgesteld voor het voldoen aan de voorwaarden, laat de instelling door een panel beoordelen of de opleiding aan de voorwaarden voldoet. De instelling levert voor afloop van de termijn een rapport van die beoordeling aan de NVAO. De maximale termijn voor het voldoen aan voorwaarden is twee jaar.

In principe beoordeelt het panel dat de toets nieuwe opleiding uitvoerde of de opleiding aan de voorwaarden voldoet, inclusief het student-lid, ook als dit inmiddels is afgestudeerd. Het panel hoeft daartoe niet door de NVAO te worden goedgekeurd, tenzij er wijzigingen in de samenstelling zijn. In dat geval dient de NVAO vast te stellen of het gewijzigde panel als geheel over de vereiste deskundigheid beschikt. Het panel dient ten tijde van de herbeoordeling nog steeds aan de onafhankelijkheidseis te voldoen. De NVAO kan besluiten tot aanpassingen in de samenstelling van het beoordelingspanel. Het panel besluit welke werkwijze wordt gevolgd bij de beoordeling. Het panel brengt advies uit aan de instelling. De instelling dient het rapport in bij het NVAO-bestuur.

Als de uitkomst van de beoordeling van de voorwaarden positief is – dat wil zeggen dat de opleiding voldoet aan de kwaliteitseisen – verleent de NVAO een accreditatie nieuwe opleiding. Blijkt uit de herbeoordeling dat de opleiding binnen de gestelde termijn niet aan de voorwaarden

voldoet, dan besluit de NVAO tot weigering van de accreditatie nieuwe opleiding.

3.5 Verzwaarde toets nieuwe opleiding

De ‘verzwaarde’ toets nieuwe opleiding betreft de eerste (bachelor- of master)opleiding die wordt verzorgd door een organisatie die als ‘rechtspersoon voor hoger onderwijs’ wil worden erkend door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en een geaccrediteerde opleiding wil verzorgen. De verzwaarde toets nieuwe opleiding kan niet op basis van een associate degree-opleiding worden afgenomen.

De procedure tot toelating tot het stelsel van geaccrediteerde opleidingen bestaat uit twee delen. De rechtspersoon dient naast de vereisten die gelden voor een uitgebreide beoordeling van bestaande opleidingen, aan te tonen dat de kwaliteit en de continuïteit van de desbetreffende opleiding waarvoor de verzwaarde toets nieuwe opleiding wordt gevraagd, zijn gewaarborgd. Deze laatste toets wordt door de Inspectie verricht.

Volkomen cycluseis

De verzwaarde toets nieuwe opleiding beoordeelt de gerealiseerde leeruitkomsten. De kwaliteit van het onderwijs moet aantoonbaar aan de maat zijn. Het gehele curriculum dient te zijn aangeboden en door studenten doorlopen. Wanneer er sprake is van varianten of afstudeerrichtingen, dient er een representatief aantal afstudeerwerken hieruit ter beoordeling voor te liggen.

Kader en beslisregels

Ondanks dat het hier een toets nieuwe opleiding betreft, beoordeelt de NVAO de kwaliteit van de opleiding aan de hand van het uitgebreide kader voor bestaande opleidingen. De verzwaring zit hem immers in het feit dat het geen plantoetsing betreft maar een beoordeling van bewezen kwaliteit. Om die reden stelt de NVAO voor deze toets andere beslisregels: alle standaarden moeten voldoende zijn. Het eindoordeel kan alleen positief of negatief zijn.

Oordeel per standaard

Het panel voorziet elke standaard van een oordeel:

 

Voldoet:

de opleiding voldoet op de standaard aan basiskwaliteit.

 

Voldoet niet:

de opleiding voldoet niet aan basiskwaliteit op de standaard.

Basiskwaliteit:

de kwaliteit die in internationaal perspectief redelijkerwijs mag worden verwacht van een bachelor- of masteropleiding binnen het hoger onderwijs.

Eindoordeel

Het panel adviseert tevens een gewogen en gemotiveerd eindoordeel over de opleiding. Daarbij neemt het de volgende beslisregel in acht:

 

Positief:

op alle standaarden ‘voldoet’.

 

Negatief:

‘voldoet niet’ op een of meer standaarden.

4. Beoordeling bestaande opleiding

4.1 Inleiding

De beoordeling van bestaande opleidingen vindt plaats in een ‘visitatie’ door een panel van onafhankelijke en deskundige peers dat door de NVAO is goedgekeurd. De opleiding toont aan dat de onderwijspraktijk aan de standaarden voldoet. De beoordeling richt zich op gerealiseerde kwaliteit en betreft de beoogde leerresultaten, de inrichting van het curriculum, de leeromgeving, de toetsing, het docententeam en de gerealiseerde kwaliteit.

Beperkt en uitgebreid kader

Opleidingen die worden aangeboden door instellingen die de erkenning ITK hebben behaald, kunnen volgens het beperkte kader worden beoordeeld. Bij toepassing van het beperkte kader wordt het panel gevraagd om overlap met de instellingstoets kwaliteitszorg te voorkomen. In het beperkte kader ligt het accent op de inhoudelijke kwaliteit van de opleiding, inclusief de daarvoor benodigde leeromgeving en het docententeam. Buiten beschouwing blijven: instellingsbrede aspecten van kwaliteitszorg en kwaliteitscultuur, het instellingsbeleid ten aanzien van toetsing, personeelsbeleid en voorzieningen en aansluiting bij de onderwijsvisie van de instelling. Deze zijn immers tijdens de instellingstoets kwaliteitszorg beoordeeld. Het uitgebreide kader stelt juist wel de inpassing van de opleiding in het instellingsbeleid, voorzieningen, kwaliteitszorg en kwaliteitscultuur aan de orde.

Object van beoordeling

De beoordeling van de kwaliteit van een bestaande opleiding betreft het programma en de leeromgeving zoals die is op het moment van de beoordeling. De opleiding brengt het panel op de hoogte van significante ontwikkelingen sinds de vorige beoordeling of van wijzigingen van het curriculum. Het panel beoordeelt niet met terugwerkende kracht de wijzigingen in de opleiding. Het panel neemt kennis van de aanbevelingen uit een vorige beoordeling als deze aanbevelingen nog relevant zijn voor het actuele curriculum of de leeromgeving en beoordeelt de aanpak hiervan door de opleiding.

Informatieplicht

Instellingen hebben de plicht om in de aanvraag voor een toets nieuwe opleiding of accreditatie (alsmede in het rapport dat de instelling aanbiedt ter behoud van accreditatie) melding te maken van alle routes, varianten, locaties en wettelijke vereisten die aan de betreffende opleiding zijn verbonden. Opleidingsroutes die niet zijn gemeld vallen niet onder de accreditatie.

4.2 Beperkt kader

Beoogde leerresultaten

Standaard 1: De beoogde leerresultaten passen bij het niveau en de oriëntatie van de opleiding en zijn afgestemd op de verwachtingen van het beroepenveld en het vakgebied en op internationale eisen.

De beoogde leerresultaten beschrijven aantoonbaar het niveau (associate degree, bachelor of master) zoals gedefinieerd in het Nederlands kwalificatieraamwerk en de oriëntatie (hbo of wo) van de opleiding. Ze sluiten bovendien aan bij de actuele eisen die vanuit het regionale, het nationale en het internationale perspectief door het beroepenveld en het vakgebied worden gesteld aan de inhoud van de opleiding. Voor zover van toepassing zijn de beoogde leerresultaten tevens in overeenstemming met relevante wet- en regelgeving.

Onderwijsleeromgeving

Standaard 2: Het programma, de onderwijsleeromgeving en de kwaliteit van het docententeam maken het voor de instromende studenten mogelijk de beoogde leerresultaten te realiseren.

De beoogde leerresultaten zijn adequaat vertaald in leerdoelen van (onderdelen van) het programma. Hierbij wordt rekening gehouden met de diversiteit van de toegelaten studenten. De docenten zijn zowel inhoudelijk als didactisch voldoende deskundig om de opleiding te verzorgen en geven begeleiding. De onderwijsleeromgeving bevordert dat studenten op actieve wijze deelnemen aan de vormgeving van het eigen leerproces (student-centred). Indien het onderwijs in een andere taal dan het Nederlands wordt verzorgd, motiveert de opleiding deze keuze. Dit geldt ook indien de opleiding een anderstalige opleidingsnaam hanteert. Docenten beschikken over voldoende beheersing van de taal waarin zij doceren. Voorzieningen worden niet beoordeeld, tenzij deze specifiek voor de betreffende opleiding zijn getroffen.

Toetsing

Standaard 3: De opleiding beschikt over een adequaat systeem van toetsing.

De beoordeling is valide, betrouwbaar en voldoende onafhankelijk. De eisen zijn helder voor de studenten. De kwaliteit van de tentaminering en examinering wordt voldoende gewaarborgd en voldoet aan de wettelijke deugdelijkheidsvereisten. De toetsen ondersteunen het eigen leerproces van de student.

Gerealiseerde leerresultaten

Standaard 4: De opleiding toont aan dat de beoogde leerresultaten zijn gerealiseerd.

Het realiseren van de beoogde leerresultaten blijkt uit de uitkomsten van toetsen, de eindwerken en de wijze waarop afgestudeerden in de praktijk of in een vervolgopleiding functioneren.

Eindoordeel (gewogen en gemotiveerd)

Toelichting op de beoordeling van gerealiseerde leerresultaten

Als onderdeel van de beoordeling van gerealiseerde leerresultaten bestudeert het panel een ruime selectie eindwerken. Hieronder zijn een aantal richtlijnen opgenomen voor de selectie en de beoordeling om een evenwichtige selectie en gelijke behandeling te waarborgen.

In de zelfevaluatie beschrijft de opleiding hoe zij de realisatie van de gerealiseerde leerresultaten heeft getoetst. Dat kan aan de hand van diverse producten of proeven die hier worden samengenomen onder het begrip eindwerk. Een niet limitatieve opsomming van eindwerken is: de eindscriptie, een portfolio, een beroepsproduct, een (reeks van) tentamen(s), een artikel of een artistieke prestatie of een combinatie hiervan. Het panel richt zich op de producten of toetsen waarmee de studenten de opleiding afsluiten.

Selectie van eindwerken

Om de gerealiseerde leerresultaten te beoordelen, selecteert en bestudeert het panel recente eindwerken van ten minste 15 afgestudeerden van de opleiding. De opleiding verschaft het panel hiertoe een lijst met studentnummers met daarbij de informatie die nodig is om een adequate selectie te maken. In het geval de opleiding minder dan 15 afgestudeerden had in de te beoordelen periode, bestudeert het panel alle eindwerken.

De selectie kent een evenwichtige verdeling over voldoende, goede en zeer goede eindwerken. De selectie is zo gekozen dat het panel hiermee een onderbouwd oordeel kan vellen over de hantering van de cesuur tussen voldoende en onvoldoende door de opleiding, over het algemene niveau van de eindwerken, en over de becijfering van de eindwerken en de daarbij gehanteerde methodiek.

De selectie is voldoende dekkend ten aanzien van varianten, locaties, specialisaties, afstudeertrajecten en programma’s, zodat mogelijke kwaliteitsverschillen daartussen kunnen worden vastgesteld. Hiervoor kan het panel besluiten het aantal te beoordelen eindwerken op te hogen.

Uitvoering van de beoordeling

De beoordeling door het panel is erop gericht een oordeel te kunnen geven over de realisatie van de leerresultaten, de wijze waarop de beoordeling tot stand is gekomen en de manier waarop de opleiding een correcte beoordeling van eindwerken borgt.

De opleiding stelt het panel in de gelegenheid om zich voorafgaand aan het locatiebezoek een oordeel te vormen over deze eindwerken en de beoordeling daarvan door de opleiding. Het panel heeft de eindwerken voorafgaand aan het vooroverleg bestudeerd en de bevindingen onderling gedeeld. In het geval een panellid de beoordeling van een eindwerk in twijfel trekt, bestudeert ten minste één ander panellid ook dit eindwerk. Het panel heeft de mogelijkheid om meer eindwerken op te vragen om een beter beeld te krijgen of de kwaliteit van de eindwerken voldoende is. In bijzondere gevallen kan het panel de eindwerken ook tijdens het locatiebezoek bestuderen, bijvoorbeeld in het geval van uitvoerende kunsten.

Tijdens het locatiebezoek spreekt het panel met beoordelaars/examinatoren van de opleiding om een goed inzicht te krijgen in de wijze waarop de beoordeling tot stand is gekomen en de realisatie van het niveau wordt bewaakt.

4.2.1 Oordelen en beslisregels panel beperkte opleidingsbeoordeling (bestaande opleiding)

Oordeel per standaard

Het panel voorziet elke standaard van een oordeel:

 

Voldoet:

de opleiding voldoet op de standaard aan basiskwaliteit.

 

Voldoet ten dele:

de opleiding voldoet in belangrijke mate aan basiskwaliteit op de standaard maar er zijn verbeteringen nodig om volledig aan de standaard te voldoen (zie aanvullende beslisregels voorwaarden).

 

Voldoet niet:

de opleiding voldoet niet aan basiskwaliteit op de standaard.

Basiskwaliteit:

de kwaliteit die in internationaal perspectief redelijkerwijs mag worden verwacht van een associate degree-, bachelor- of masteropleiding binnen het hoger onderwijs.

Eindoordeel

Het panel adviseert tevens een gewogen en gemotiveerd eindoordeel over de opleiding. Daarbij neemt het de volgende beslisregels in acht:

 

Positief:

op alle standaarden ‘voldoet’.

 

Positief onder voorwaarden:

standaard 1 voldoet en maximaal op twee standaarden een ‘voldoet ten dele’ waarbij het panel het opleggen van voorwaarden adviseert (zie aanvullende beslisregels voorwaarden).

 

Negatief:

In de volgende situaties:

– ‘voldoet niet’ op een of meer standaarden;

– ‘voldoet ten dele’ op standaard 1;

– ‘voldoet ten dele’ op een of twee standaarden waarbij het panel niet adviseert om voorwaarden op te leggen;

– op drie of meer standaarden ‘voldoet ten dele’.

Aanvullende beslisregels voorwaarden

 

Bij een ‘voldoet ten dele’ voldoet de opleiding in belangrijke mate aan de basiskwaliteit, maar er zijn verbeteringen nodig om volledig aan de standaard te voldoen. Hiertoe worden voorwaarden opgelegd.

Voor een eindoordeel ‘Positief onder voorwaarden’ vraagt het panel zich af of het haalbaar is dat de opleiding binnen twee jaar aantoont dat deze verbeteringen heeft gerealiseerd. Alleen wanneer het panel vaststelt dat dit realistisch is, adviseert het panel tot het stellen van voorwaarden. Het panel formuleert dan concreet welke voorwaarden moeten worden opgelegd. Acht het panel realisatie van de noodzakelijke verbeteringen in twee jaar niet haalbaar dan wordt het eindoordeel ‘Negatief’.

De NVAO besluit over het opleggen van voorwaarden aan de opleiding. Wanneer daarbij wordt vastgesteld dat het niet realistisch is binnen twee jaar aan de voorwaarden te voldoen, ziet zij af van het stellen van voorwaarden en wordt het eindoordeel ‘Negatief’.

4.3 Uitgebreid kader

Beoogde leerresultaten

Standaard 1: De beoogde leerresultaten passen bij het niveau en de oriëntatie van de opleiding en zijn afgestemd op de verwachtingen van het beroepenveld, het vakgebied en op internationale eisen.

De beoogde leerresultaten beschrijven aantoonbaar het niveau (associate degree, bachelor of master) zoals gedefinieerd in het Nederlands kwalificatieraamwerk en de oriëntatie (hbo of wo) van de opleiding. Ze sluiten bovendien aan bij de actuele eisen die vanuit het regionale, het nationale en het internationale perspectief door het beroepenveld en het vakgebied worden gesteld aan de inhoud van de opleiding. Voor zover van toepassing zijn de beoogde leerresultaten tevens in overeenstemming met relevante wet- en regelgeving. De uitgangspunten voor de inrichting van de opleiding passen bij de onderwijsvisie en het profiel van de instelling. De beoogde leerresultaten worden periodiek geëvalueerd.

Programma; oriëntatie

Standaard 2: Het programma maakt het mogelijk om passende (professionele of academische) onderzoeks- en beroepsvaardigheden te realiseren.

Het programma sluit aan bij de actuele (internationale) ontwikkelingen, eisen en verwachtingen in het beroepenveld en in het vakgebied. Academische vaardigheden en/of onderzoeks- en/of beroepsgerichte competenties krijgen invulling op een wijze die past bij de oriëntatie en het niveau van de opleiding.

Programma; inhoud

Standaard 3: De inhoud van het programma biedt studenten de mogelijkheid om de beoogde leerresultaten te bereiken.

De leerresultaten zijn adequaat vertaald in leerdoelen van (onderdelen van) het programma.

Programma; leeromgeving

Standaard 4: De vormgeving van het programma zet aan tot studeren en biedt studenten de mogelijkheid om de beoogde leerresultaten te bereiken.

De vormgeving van het programma draagt bij aan de realisatie van de beoogde leerresultaten. De onderwijsleeromgeving bevordert dat studenten een actieve rol nemen in de vormgeving van het eigen leerproces (student-centred). De inrichting van de leeromgeving past bij de onderwijsvisie van de instelling. Indien het onderwijs in een andere taal dan het Nederlands wordt verzorgd, motiveert de opleiding deze keuze. Dit geldt ook indien de opleiding een anderstalige opleidingsnaam hanteert.

Instroom

Standaard 5: Het programma sluit aan bij de kwalificaties van de instromende studenten.

De gehanteerde toelatingseisen zijn realistisch met het oog op de beoogde leerresultaten.

Personeel

Standaard 6: Het docententeam is gekwalificeerd voor de inhoudelijke en onderwijskundige realisatie van het programma en de omvang ervan is toereikend.

De docenten zijn zowel inhoudelijk als didactisch voldoende deskundig om de opleiding te verzorgen. Docenten beschikken over voldoende beheersing van de taal waarin zij doceren. Het personeelsbeleid draagt daar aan bij. Er is voldoende personeel beschikbaar om de opleiding te verzorgen en de studenten te begeleiden.

Voorzieningen

Standaard 7: De huisvesting en de materiële voorzieningen zijn toereikend voor de realisatie van het programma.

De huisvesting van de opleiding en de voorzieningen passen bij de beoogde leerresultaten en de onderwijsleeromgeving.

Begeleiding

Standaard 8: De studiebegeleiding en de informatievoorziening aan studenten bevorderen de studievoortgang en sluiten aan bij de behoefte van studenten.

Studenten ontvangen een passende begeleiding (ook in het geval van een functiebeperking). De informatievoorziening van de opleiding is adequaat.

Kwaliteitszorg

Standaard 9: De opleiding kent een expliciete en breed gedragen kwaliteitszorg, bevordert de kwaliteitscultuur en is gericht op ontwikkeling.

De opleiding organiseert effectieve periodieke feedback die de realisatie van de beoogde leerresultaten ondersteunt. Bij bestaande opleidingen vinden geëigende verbeteringen plaats naar aanleiding van de uitkomsten van de vorige beoordeling. Hierbij worden passende evaluatie- en meetactiviteiten ingezet. De uitkomsten van deze evaluatie vormen aantoonbaar de basis voor ontwikkeling en verbetering. De opleiding legt intern verantwoording af over de bijdrage van de opleiding aan het realiseren van de strategische doelen van de instelling. Kwaliteitszorg verzekert realisatie van de beoogde leerresultaten. Bij de interne kwaliteitszorg zijn de opleidings- en examencommissies, medewerkers, studenten, alumni en het afnemende beroepenveld van de opleiding actief betrokken. De ontwerpprocessen en de erkenning en borging van de kwaliteit van de opleiding zijn in overeenstemming met de ESG. De opleiding publiceert accurate, betrouwbare en voor de doelgroepen goed toegankelijke informatie over de kwaliteit van de opleiding.

Toetsing

Standaard 10: De opleiding beschikt over een adequaat systeem van toetsing.

De beoordeling is valide, betrouwbaar en voldoende onafhankelijk. De kwaliteit van de tentaminering en examinering wordt voldoende gewaarborgd en voldoet aan de wettelijke deugdelijkheidsvereisten. De examencommissie oefent haar wettelijke bevoegdheid uit. De toetsen ondersteunen het eigen leerproces van de student.

Gerealiseerde leerresultaten

Standaard 11: De opleiding toont aan dat de beoogde leerresultaten worden gerealiseerd.

Het realiseren van de beoogde leerresultaten blijkt uit de uitkomsten van toetsen, de eindwerken en de wijze waarop afgestudeerden in de praktijk of in een vervolgopleiding functioneren.

Eindoordeel (gewogen en gemotiveerd)

Toelichting op de beoordeling van gerealiseerde leerresultaten

Als onderdeel van de beoordeling van gerealiseerde leerresultaten bestudeert het panel een ruime selectie eindwerken. Hieronder zijn een aantal richtlijnen opgenomen voor de selectie en de beoordeling om een evenwichtige selectie en gelijke behandeling te waarborgen.

In de zelfevaluatie beschrijft de opleiding hoe zij de realisatie van de gerealiseerde leerresultaten heeft getoetst. Dat kan aan de hand van diverse producten of proeven die hier worden samengenomen onder het begrip eindwerk. Een niet limitatieve opsomming van eindwerken is: de eindscriptie, een portfolio, een beroepsproduct, een (reeks van) tentamen(s), een artikel of een artistieke prestatie of een combinatie hiervan. Het panel richt zich op de producten of toetsen waarmee de studenten de opleiding afsluiten.

Selectie van eindwerken

Om de gerealiseerde leerresultaten te beoordelen, selecteert en bestudeert het panel recente eindwerken van ten minste 15 afgestudeerden van de opleiding. De opleiding verschaft het panel hiertoe een lijst met studentnummers met daarbij de informatie die nodig is om een adequate selectie te maken. In het geval de opleiding minder dan 15 afgestudeerden had in de te beoordelen periode, bestudeert het panel alle eindwerken.

De selectie kent een evenwichtige verdeling over voldoende, goede en zeer goede eindwerken. De selectie is zo gekozen dat het panel hiermee een onderbouwd oordeel kan vellen over de hantering van de cesuur tussen voldoende en onvoldoende door de opleiding, over het algemene niveau van de eindwerken, en over de becijfering van de eindwerken en de daarbij gehanteerde methodiek.

De selectie is voldoende dekkend ten aanzien van varianten, locaties, specialisaties, afstudeertrajecten en programma’s, zodat mogelijke kwaliteitsverschillen daartussen kunnen worden vastgesteld. Hiervoor kan het panel besluiten het aantal te beoordelen eindwerken op te hogen.

Uitvoering van de beoordeling

De beoordeling door het panel is erop gericht een oordeel te kunnen geven over de realisatie van de leerresultaten, de wijze waarop de beoordeling tot stand is gekomen en de manier waarop de opleiding een correcte beoordeling van eindwerken borgt.

De opleiding stelt het panel in de gelegenheid om zich voorafgaand aan het locatiebezoek een oordeel te vormen over deze eindwerken en de beoordeling daarvan door de opleiding. Het panel heeft de eindwerken voorafgaand aan het vooroverleg bestudeerd en de bevindingen onderling gedeeld. In het geval een panellid de beoordeling van een eindwerk in twijfel trekt, bestudeert ten minste één ander panellid ook dit eindwerk. Het panel heeft de mogelijkheid om meer eindwerken op te vragen om een beter beeld te krijgen of de kwaliteit van de eindwerken voldoende is. In bijzondere gevallen kan het panel de eindwerken ook tijdens het locatiebezoek bestuderen, bijvoorbeeld in het geval van uitvoerende kunsten.

Tijdens het locatiebezoek spreekt het panel met beoordelaars/examinatoren van de opleiding om een goed inzicht te krijgen in de wijze waarop de beoordeling tot stand is gekomen en de realisatie van het niveau wordt bewaakt.

4.3.1 Oordelen en beslisregels uitgebreide opleidingsbeoordeling (bestaande opleiding)

Oordeel per standaard

Het panel voorziet elke standaard van een oordeel uit de volgende reeks:

 

Voldoet:

de opleiding voldoet op de standaard aan basiskwaliteit.

 

Voldoet ten dele:

de opleiding voldoet in belangrijke mate aan basiskwaliteit op de standaard maar er zijn verbeteringen nodig om volledig aan de standaard te voldoen (zie aanvullende beslisregels voorwaarden).

 

Voldoet niet:

de opleiding voldoet niet aan basiskwaliteit op de standaard.

Basiskwaliteit:

de kwaliteit die in internationaal perspectief redelijkerwijs mag worden verwacht van een associate degree-, bachelor- of masteropleiding binnen het hoger onderwijs.

Eindoordeel

Het panel adviseert tevens een gewogen en gemotiveerd eindoordeel over de opleiding. Daarbij neemt het de volgende beslisregels in acht:

 

Positief:

op alle standaarden ‘voldoet’.

 

Positief onder voorwaarden:

standaard 1 voldoet en maximaal op vijf standaarden ‘voldoet ten dele’ waarbij het panel het opleggen van voorwaarden adviseert (zie aanvullende beslisregels voorwaarden).

 

Negatief:

In de volgende situaties:

– ‘voldoet niet’ op een of meer standaarden;

– ‘voldoet ten dele’ op standaard 1;

– ‘voldoet ten dele’ op een tot vijf standaarden waarbij het panel niet adviseert om voorwaarden op te leggen;

– op zes of meer standaarden ‘voldoet ten dele’.

Aanvullende beslisregels voorwaarden

 

Bij een ‘voldoet ten dele’ voldoet de opleiding in belangrijke mate aan de basiskwaliteit, maar er zijn verbeteringen nodig om volledig aan de standaard te voldoen. Hiertoe worden voorwaarden opgelegd.

Voor een eindoordeel ‘Positief onder voorwaarden’ vraagt het panel zich af of het haalbaar is dat de opleiding binnen twee jaar aantoont dat deze verbeteringen heeft gerealiseerd. Alleen wanneer het panel vaststelt dat dit realistisch is, adviseert het panel tot het stellen van voorwaarden. Het panel formuleert dan concreet welke voorwaarden moeten worden opgelegd. Acht het panel realisatie van de noodzakelijke verbeteringen in twee jaar niet haalbaar dan wordt het eindoordeel ‘Negatief’.

De NVAO besluit over het opleggen van voorwaarden aan de opleiding. Wanneer daarbij wordt vastgesteld dat het niet realistisch is binnen twee jaar aan de voorwaarden te voldoen, ziet zij af van het stellen van voorwaarden en wordt het eindoordeel ‘Negatief’.

4.4 Beoordelingsproces bestaande opleiding

4.4.1 Aanvraag

Opleidingen die een accreditatie nieuwe opleiding hebben, dienen ter verkrijging van een accreditatie bestaande opleiding uiterlijk op de inleverdatum van de visitatiegroep een accreditatieaanvraag in bij de NVAO, voorzien van een visitatierapport. Voor opleidingen die al een accreditatie bestaande opleiding hebben verkregen, volstaat het dat zij uiterlijk op de inleverdatum een visitatierapport indienen bij de NVAO. De inleverdatum wordt strikt gehanteerd. Overschrijding van de inleverdatum leidt tot intrekking van de accreditatie.

4.4.2 Beoordeling in visitatie groepen

Bestaande opleidingen worden in visitatiegroepen beoordeeld. De NVAO deelt opleidingen op voordracht van de instelling in bij een visitatiegroep en stelt daarvan de inleverdatum vast. Regelingen voor aanvragen en wijzigingen zijn op de website van de NVAO gepubliceerd. De NVAO handelt aanvragen en wijzigingen eenmaal per jaar af in de ‘april-ronde’. Opleidingen binnen een visitatiegroep kunnen gezamenlijk, voorafgaand aan het accreditatieproces, met de NVAO overleggen over de inrichting van het accreditatieproces.

4.4.3 Zelfevaluatie en bijlagen

De instelling stelt een zelfevaluatie op waarin de sterke en de zwakke punten van de opleiding worden beschreven. De zelfevaluatie is een op zichzelf leesbaar document met een omvang van maximaal 15 pagina’s voor het beperkte kader of 20 pagina’s voor het uitgebreide kader, beide exclusief bijlagen. Het is mogelijk om met het panel afspraken te maken over een andere vorm of omvang van de zelfevaluatie. Naast een zelfevaluatie, kunnen ook bestaande evaluatieve documenten van de opleidingen worden gebruikt. De standaarden uit het beoordelingskader zijn herleidbaar, bijvoorbeeld door een toelichting. Onderdeel van de zelfevaluatie is een door de studenten van de opleiding opgestelde bijdrage (studentenhoofdstuk). De opleiding bevordert dat een onafhankelijke en representatieve bijdrage tot stand komt.

De opleiding voegt bij de zelfevaluatie een beperkt aantal bijlagen. Deze bijlagen geven inzicht in de opzet en/of inhoud van het programma, de samenstelling van het docententeam en de onderwijs- en examenregeling.

Het panel vraagt aanvullende documenten en informatie op indien nodig voor het vormen van een oordeel. Uitgangspunt is dat de opleiding de documenten en informatie verstrekt die het panel voor de uitvoering van haar taak nodig heeft. Het panel betracht echter terughoudendheid en vraagt geen andere informatie op dan reeds beschikbaar bij de opleiding.

4.4.4 Panelsamenstelling

De peers voor opleidingsbeoordelingen zijn onafhankelijk, gezaghebbend in hun vakgebied en beschikken gezamenlijk over onderstaande deskundigheden:

  • actuele kennis van het desbetreffende vakgebied;

  • uitgebreide en recente ervaring met het verzorgen van onderwijs en toetsing in hetzelfde type onderwijs (hbo/wo associate degree/bachelor/master);

  • is in staat om de opleiding te vergelijken in internationaal perspectief;

  • recente ervaring in het (internationale) werkveld van het vakgebied;

  • ervaring met peer review in het hoger onderwijs;

  • recente ervaring als student in het hoger onderwijs;

  • indien van toepassing: kennis van een specifiek didactisch concept;

  • indien van toepassing: deskundigheid op het vlak van het aangevraagde bijzondere kenmerk.

Het panel bestaat uit ten minste vier leden. Ten minste één student uit het hoger onderwijs maakt deel uit van het panel. Het panel wordt ondersteund door een secretaris die beschikt over de in paragraaf 2.3 (Beoordelingen) van dit kader vermelde deskundigheden. Deze bewaakt de correcte procesgang en ziet erop toe dat het oordeel van het panel conform het kader tot stand komt, en verzorgt de rapportage over de beoordeling. De secretaris maakt geen deel uit van het panel. De NVAO stelt een nadere uitwerking op van de uitvoering van de beoordeling door peers op een wijze die een consistente en betrouwbare oordeelsvorming waarborgt.

Ten aanzien van de onafhankelijkheid van panelleden geldt het volgende:

  • zij hebben ten minste vijf jaar geen directe of indirecte banden gehad met de instelling of opleiding die zij beoordelen die kunnen leiden tot een conflict of interest of de schijn daarvan;

  • zij zijn niet in dienst van of hebben zakelijke belangen in de organisatie die, al dan niet in opdracht van een instelling, de beoordeling organiseert;

  • zij hebben ten minste vijf jaar geen advieswerk verricht ten behoeve van de te beoordelen opleiding of in een ander verband binnen de instelling, waarvan het resultaat onderwerp van de beoordeling kan zijn.

Deze eisen gelden ook voor secretarissen, behalve dat zij wel in dienst mogen zijn van een organisatie die, al dan niet in opdracht van een instelling, een beoordeling organiseert.

Panelleden en de secretaris tekenen voorafgaand aan de beoordeling een onafhankelijkheidsverklaring. De NVAO dient bij de goedkeuring van de panelsamenstelling tevens in te stemmen met de voordracht voor de secretaris, voorafgaand aan de beoordeling. De NVAO stelt een richtlijn op voor de wijze waarop instellingen de deskundigheden en onafhankelijkheid van panelleden en de secretaris kunnen onderbouwen in de aanvraag om goedkeuring van een panelsamenstelling.

Visitatiegroepen

Beoordeling van bestaande opleidingen vindt plaats in een visitatiegroep. ‘Unieke’ opleidingen vormen op zichzelf een visitatiegroep. Een visitatiegroep wordt door één panel vergelijkend beoordeeld. Om reden van onafhankelijkheid, specifieke deskundigheid en beschikbaarheid van panelleden kan de samenstelling per opleiding wisselen. Er moet echter voldoende ‘overlap’ zijn tussen de samenstelling per opleiding om een consistente vergelijkende beoordeling mogelijk te maken.

De betrokken instellingsbesturen (of namens hen een penvoerder) leggen een afgestemd voorstel voor de samenstelling van het panel ter instemming voor aan de NVAO, inclusief vermelding van de secretaris. De secretaris is formeel géén lid van het panel. Deze ondersteunt het proces van de oordeelsvorming maar heeft daarin geen stem. Het voorstel beschrijft hoe (de samenhang in) het panel bijdraagt aan een consistente vergelijking tussen de opleidingen. De NVAO toetst de bekwaamheid, de onafhankelijkheid en de samenhang van het panel aan de hand van bovenstaande criteria.

Voorbereiding van het panel

De voorzitter is overeenkomstig de eisen van de NVAO getraind. Het panel spreekt een werkwijze af. Voorafgaand aan het bezoek heeft het panel het informatiedossier van de opleiding bestudeerd. Vervolgens vindt een voorbereidend intern paneloverleg plaats waarin het panel het informatiedossier en de onderliggende documenten bespreekt. De secretaris licht het kader en de procedure van de beoordeling toe en de van panelleden verwachte attitude tijdens de gesprekken. Tevens zorgt de secretaris voor een kalibratie van het panel door de interpretatie van de standaarden, de oordelen en de beslisregels door te nemen. Daarnaast formuleert het panel de vragen die het tijdens het bezoek aan de gespreksdeelnemers zal voorleggen.

Het panel voert een peer review uit in die zin dat collegiale toetsing centraal staat. De attitude en werkwijze van het panel past bij dit uitgangspunt. Dit betekent onder meer dat het panel vertrekt vanuit vertrouwen en de uitgangspunten van de opleiding, een open dialoog met de opleiding voert, recht doet aan de verschillende perspectieven op kwaliteit en bij draagt aan verbetering.

Oordeelsvorming

In het panel vindt collegiale oordeelsvorming plaats. Daarbij wordt gelijkwaardig recht gedaan aan de verschillende perspectieven op kwaliteit die in het panel zijn vertegenwoordigd, waaronder het studentenperspectief. Het panel streeft daarbij naar consensus.

4.4.5 Locatiebezoek

Het locatiebezoek duurt in principe een dag en bestaat uit twee delen:

  • 1. Beoordeling in het kader van accreditatie en verbetering: de opleiding doet een programmavoorstel voor het locatiebezoek, inclusief gespreksvolgorde, gesprekstypen, personen en duur. Hierin is in ieder geval voorzien in aparte sessies met studenten en docenten. Het panel honoreert dit voorstel zo veel mogelijk. Het panel kan ten behoeve van betrouwbare oordeelsvorming aanpassingen vragen.

  • 2. De opleiding voert daarnaast een ‘ontwikkelgesprek’ met het panel waarin mogelijke verbeteringen vanuit een ontwikkelperspectief aan de orde komen. Het beoordelingskader stelt geen nadere eisen aan de vormgeving van dit gesprek.

Het panel biedt studenten, docenten en andere betrokkenen bij de opleiding die niet zijn opgenomen in het programma van het locatiebezoek, de gelegenheid om in vertrouwen en buiten het opleidingsmanagement om zaken onder de aandacht van het panel te brengen die zij van belang achten voor de beoordeling. De instelling stelt de betrokkenen hiervan op de hoogte en informeert hen hoe zij contact op kunnen nemen met de secretaris van het panel. Het contact met het panel dient plaats te vinden voor of tijdens het locatiebezoek.

4.4.6 Rapportage

Het visitatierapport bestaat uit verschillende onderdelen:

  • 1. Visitatierapport: het panel maakt inzichtelijk welke bevindingen hebben geleid tot de toegekende oordelen en vat deze samen in een bondig visitatierapport. De standaarden en beslisregels uit het toepasselijke kader zijn leidend in deze rapportage. Voor elke standaard en voor de opleiding als geheel worden sterke en verbeterpunten van de opleiding beschreven. Het rapport opent met een korte en bondige samenvatting, gericht op een breder lezerspubliek. Het rapport sluit af met een scoretabel met de oordelen per standaard en een gewogen en gemotiveerd eindoordeel. Het adviesrapport ligt ten grondslag aan het accreditatiebesluit van de NVAO. De NVAO publiceert het accreditatiebesluit en het visitatierapport;

  • 2. Een bijlage bevat de samenstelling van het panel met vermelding van de naam, de huidige functie(s) en, waar relevant, vorige functie(s) van de panelleden, de werkwijze van het panel, de datum en het programma van het locatiebezoek (met aanduiding van de gespreksdeelnemers) en een overzicht van het bestudeerde materiaal.

    Ten aanzien van de werkwijze van het panel beschrijft het rapport hoe het panel in het voorbereidend overleg de beoordeling heeft voorbereid. Het panel geeft informatie over eventuele additionele handreikingen of operationalisaties die het heeft aangereikt gekregen ter interpretatie van het kader. Het panel geeft tevens aan op welke wijze het tot een oordeel is gekomen over de gerealiseerde leerresultaten. Het vermeldt hierbij het aantal bestudeerde eindwerken, inclusief eventuele ophoging van het aantal.

  • 3. Het panel legt de uitkomsten van het ontwikkelgesprek vast en stelt een afzonderlijk document op dat geen deel uit maakt van de accreditatieaanvraag. Aan de openbaarmaking hiervan zijn wettelijke eisen gesteld.

Het concept-visitatierapport wordt vastgesteld door de voorzitter na akkoord door de panelleden. De instelling ontvangt het concept-rapport voor het corrigeren van eventuele feitelijke onjuistheden. De instelling heeft hiervoor twee weken de tijd. Het panel verwerkt de reactie van de instelling en daarna stelt de voorzitter het definitieve rapport vast, na instemming van de panelleden.

4.4.7 Toetsing voorwaarden

In de visitatie van een bestaande opleiding kan het panel aangeven dat er tekortkomingen zijn die binnen afzienbare tijd kunnen worden weggenomen en het eindoordeel positief onder voorwaarden geven. In dat geval stelt de instelling een plan op voor het wegnemen van de tekortkomingen en vraagt hierover het advies van de opleidingscommissie wanneer de opleidingscommissie wettelijk is voorgeschreven of, wanneer deze niet wettelijk is voorgeschreven, van het panel.

De instelling voegt het verbeterplan en het advies van de opleidingscommissie of het panel bij het visitatierapport en dient deze stukken uiterlijk op de inleverdatum in bij de NVAO. Op basis van het rapport, het verbeterplan en het advies besluit de NVAO tot een accreditatie bestaande opleiding onder voorwaarden, stelt de voorwaarden vast en de termijn waarbinnen de opleiding hieraan moet voldoen. Deze termijn bedraagt maximaal twee jaar. De NVAO maakt hierbij een eigenstandige afweging op basis van het visitatierapport, het verbeterplan en het advies.

De instelling laat een herbeoordeling uitvoeren en stuurt voor het aflopen van de bovengenoemde termijn het rapport hiervan aan de NVAO. In principe beoordeelt het panel dat de visitatie uitvoerde of de opleiding aan de voorwaarden voldoet, inclusief het student-lid, ook als dit inmiddels is afgestudeerd. Het panel hoeft niet door de NVAO te worden goedgekeurd als er geen wijzigingen zijn. Indien dat wel zo is, dient de NVAO vast te stellen of het gewijzigde panel als geheel nog over de vereiste deskundigheid beschikt. Het panel dient ten tijde van de herbeoordeling nog steeds aan de onafhankelijkheidseis te voldoen.

Als de uitkomst van de beoordeling van de voorwaarden positief is – dat wil zeggen dat de opleiding volledig voldoet aan de kwaliteitseisen – behoudt de instelling de accreditatie bestaande opleiding. Blijkt uit de herbeoordeling dat de opleiding binnen de gestelde termijn niet aan de voorwaarden voldoet, dan besluit de NVAO tot intrekking van de accreditatie bestaande opleiding.

5. Overige beoordelingen

In combinatie met de opleidingsbeoordeling kunnen andere procedures van toepassing zijn. Dit is onder meer het geval bij een aanvraag voor het beoordelen van:

  • een verlenging van de cursusduur;

  • een gezamenlijke opleiding (joint programme/joint degree);

  • een bijzonder kenmerk;

  • een onderzoeksmaster;

  • transnationaal onderwijs (transnational education);

  • naamswijziging van een opleiding.

Het panel betrekt deze procedures voor zover van toepassing in zijn advisering.

Aanvullende documentatie naast het kader

De NVAO publiceert deze op haar website nadere uitwerkingen met betrekking tot de uitvoering van in het kader beschreven procedures. Daarnaast publiceert de NVAO protocollen voor op zichzelf staande procedures, en richtlijnen die dienen als voorschrijvende documentatie.

6. Bezwaar en beroep

Bij alle besluiten van de NVAO op de in dit kader beschreven procedures bestaat de mogelijkheid van bezwaar en beroep op basis van de Algemene wet bestuursrecht en de Regeling bezwaarschriftenprocedure Awb NVAO. De NVAO verstrekt hierover informatie op haar website (www.nvao.net).

7. Inwerkingtreding en publicatie

Het Beoordelingskader accreditatiestelsel hoger onderwijs Nederland treedt op hetzelfde tijdstip in werking als de Wet accreditatie op maat (Stb.2019, 209). Na publicatie in de Staatscourant wordt het beoordelingskader op de website van de NVAO geplaatst (www.nvao.net).

BIJLAGE: LIJST MET AFKORTINGEN

CROHO

Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs

DUO

Dienst Uitvoering Onderwijs

Ad

Associate degree-opleiding

ESG

Standards and Guidelines for Quality Assurance in the European Higher Education Area (European Standards and Guidelines)

Hbo

hoger beroepsonderwijs

ITK

instellingstoets kwaliteitszorg

NVAO

Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie

PDCA

Plan Do Check Act

TNO

toets nieuwe opleiding

WHW

Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek