Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 5 juni 2019, nr. IENW/BSK-2019/122815, houdende vaststelling van regels voor experimenten in het kader van vergaand geautomatiseerd varen op de territoriale zee (Beleidsregel experimenten vergaand geautomatiseerd varen territoriale zee)

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

Gelet op artikel 12, eerste en tweede lid, van het Scheepvaartreglement territoriale zee en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

BESLUIT:

Artikel 1. Begripsbepalingen en reikwijdte

  • 1. In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

    experiment:

    tijdelijke mogelijkheid om met een schip een praktijktest met vergaand geautomatiseerd varen uit te voeren;

    experimenteerpartij:

    natuurlijk persoon of rechtspersoon die toestemming heeft gekregen om een experiment uit te voeren;

    experimenteerplan:

    plan als bedoeld in artikel 2, tweede lid;

    territoriale zee:

    territoriale zee, behoudens de aanloopgebieden als bedoeld in artikel 2, onderdeel e, van het Scheepvaartreglement territoriale zee;

    toestemming:

    besluit als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van het Scheepvaartreglement territoriale zee op grond waarvan een experiment mag worden uitgevoerd;

    vergaand geautomatiseerd varen:

    varen met een schip waarbij bepaalde menselijke taken worden overgenomen door één of meerdere geautomatiseerde toepassingen.

  • 2. Deze beleidsregel is van toepassing op een experiment waarbij met een schip vergaand geautomatiseerd wordt gevaren op de territoriale zee en door de te testen geautomatiseerde toepassing de veiligheid van de scheepvaart in gevaar kan worden gebracht.

  • 3. Er worden geen experimenten met watervliegtuigen toegestaan.

Artikel 2. Aanvraag

  • 1. Een natuurlijk persoon of rechtspersoon kan een aanvraag voor een toestemming indienen bij de Directeur Kustwacht.

  • 2. Ten behoeve van de aanvraag wordt een experimenteerplan opgesteld. In dit plan wordt ten minste een beschrijving opgenomen van:

    • a. het schip waarmee het experiment wordt uitgevoerd, met inbegrip van het ontwerp, een afbeelding en voor zover beschikbaar het identificatienummer van het schip;

    • b. de ambitie en achtergrond van het experiment;

    • c. het doel van en de werkmethode gedurende het experiment, met inbegrip van de wijze en het niveau van automatisering van het schip gedurende het experiment;

    • d. de directe omgeving van de locatie of het gebied waarop het wenselijk is het experiment te laten plaatsvinden, met inbegrip van de verwachte omstandigheden en aandachtspunten;

    • e. de functies, opleiding en kennis, mede ten aanzien van de te testen geautomatiseerde toepassing, van de bemanningsleden aan boord en eventuele andere personen die, al dan niet op een andere locatie, meewerken aan het experiment;

    • f. indien van toepassing, de lading dan wel het aantal passagiers dat gedurende het experiment aan boord zal zijn;

    • g. de verwachte risico’s gedurende het experiment en de getroffen maatregelen om die risico’s te minimaliseren;

    • h. de zichtbaarheid van het schip gedurende het experiment; en

    • i. eventuele eerder uitgevoerde testen of experimenten en uitkomsten daarvan.

Artikel 3. Aanvraagprocedure

  • 1. Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het door de Directeur Kustwacht ter beschikking gesteld aanvraagformulier.

  • 2. Bij de aanvraag worden ten minste de volgende gegevens aangeleverd:

    • a. de naam en bijbehorende contactgegevens van eigenaar of scheepsbeheerder van het schip;

    • b. de naam en bijbehorende contactgegevens van de verantwoordelijke of verantwoordelijken voor het schip gedurende het experiment;

    • c. de afmetingen en het gewicht onderscheidenlijk tonnage van het schip waarmee het experiment wordt uitgevoerd;

    • d. de duur en het tijdstip waarbinnen het experiment gewenst is;

    • e. de locatie of het gebied waarop het wenselijk is het experiment te laten plaatsvinden;

    • f. het land van registratie van het schip;

    • g. het aantal en samenstelling van de bemanningsleden dat gedurende het experiment op het schip aanwezig zal zijn;

    • h. informatie omtrent de verzekering van het schip gedurende het experiment;

    • i. het experimenteerplan; en

    • j. indien van toepassing, de certificaten behorende bij het schip.

Artikel 4. Beoordeling van de aanvraag

  • 1. In het kader van de aanvraag wordt beoordeeld of de maatregelen die worden genomen om de veiligheid te waarborgen en het vlotte verloop van de scheepvaart niet in gevaar te brengen voldoende zijn, waarbij in ieder geval in aanmerking wordt genomen:

    • a. de locatie of het gebied van het experiment;

    • b. de duur en het tijdstip van het experiment; en

    • c. de verwachte omstandigheden gedurende het experiment.

  • 2. Indien nodig kan het schip in het kader van de beoordeling van de aanvraag worden geïnspecteerd.

Artikel 5. Toestemming

  • 1. De Directeur Kustwacht verleent de toestemming indien uit de aanvraag blijkt dat:

    • a. in het geval van een defect of storing in de te testen geautomatiseerde toepassing het te allen tijde mogelijk is om de in het experiment voorziene handelingen op andere veilige wijze uit te voeren en indien nodig om het schip op veilige wijze te onttrekken aan het verkeer; en

    • b. de bemanningsleden aan boord en eventuele andere personen die, al dan niet op een andere locatie, meewerken aan het experiment beschikken over voldoende en juiste kennis ten aanzien van de te testen geautomatiseerde toepassing.

  • 2. In de toestemming van de Directeur Kustwacht wordt in ieder geval opgenomen:

    • a. informatie over het schip waarmee het experiment wordt uitgevoerd;

    • b. de contactgegevens van de verantwoordelijke of verantwoordelijken voor het schip;

    • c. de locatie of het gebied waar het experiment mag plaatsvinden;

    • d. de ingangsdatum en einddatum van het experiment;

    • e. dat de experimenteerpartij een verzoek tot verlenging van het experiment als bedoeld in artikel 8, kan indienen, en

    • f. de hoeveelheid, samenstelling en locatie van de personen die meewerken aan het experiment, met inbegrip van de bemanningsleden.

  • 3. Aan de toestemming worden in ieder geval de volgende voorschriften verbonden:

    • a. de toestemming wordt op verzoek gedurende het experiment te allen tijde getoond;

    • b. de verantwoordelijke voor het schip controleert voor de start van elk onderdeel of het schip, de te testen geautomatiseerde toepassing en de voorziene veiligheidsmaatregelen bedrijfsklaar zijn;

    • c. de verantwoordelijke voor het schip is te allen tijde in staat het commando over het schip te bezigen of te doen bezigen;

    • d. indien het gedurende het experiment nodig is om in te grijpen, onder andere ten gevolge van een defect of storing, wordt de desbetreffende geautomatiseerde toepassing gecontroleerd en indien nodig worden er aanpassingen gedaan; en

    • e. de verantwoordelijke voor het schip meldt ieder ingrijpen gedurende een experiment onverwijld aan de Directeur Kustwacht. Daarbij wordt tevens gemeld op welke wijze is ingegrepen en op welke wijze is vastgesteld dat het defect of de storing naar alle waarschijnlijkheid niet wederom kan plaatsvinden.

  • 4. Aan de toestemming kunnen aanvullende voorschriften als bedoeld in artikel 19 van het Scheepvaartreglement territoriale zee worden gesteld die nodig worden geacht voor de uitvoering van het experiment. Deze aanvullende voorschriften worden tevens opgenomen in de toestemming.

Artikel 6. Beëindiging van het experiment

  • 1. Het experiment eindigt op de einddatum opgenomen in de toestemming, tenzij door de Directeur Kustwacht overeenkomstig artikel 8 is ingestemd met een verlenging van het experiment.

  • 2. Indien de experimenteerpartij het experiment eerder beëindigt, wordt dit onverwijld gemeld aan de Directeur Kustwacht en vervalt daarmee de toestemming.

  • 3. De Directeur Kustwacht kan het experiment voortijdig beëindigen en doet daarvan onverwijld melding aan de experimenteerpartij.

Artikel 7. Evaluatie van het experiment

  • 1. Binnen drie maanden na beëindiging van het experiment verzoekt de Directeur Kustwacht om een evaluatierapport van het experiment.

  • 2. In het evaluatierapport, bedoeld in het eerste lid, wordt door de experimenteerpartij ten minste gevraagd om:

    • a. de resultaten ten aanzien van de ambitie, het doel en de werkmethode zoals opgenomen in het experimenteerplan;

    • b. eventuele andere relevante constateringen gedaan gedurende het experiment; en

    • c. indien de experimenteerpartij het experiment geen vervolg wil geven, de reden waarom het niet wenselijk is het experiment vervolg te geven; of

    • d. indien de experimenteerpartij het experiment vervolg wil geven, de reden waarom het wenselijk is het experiment vervolg te geven.

  • 3. Op basis van het door de experimenteerpartij aangeleverde rapport wordt het experiment geëvalueerd, mede met het oog op de veiligheid en vlotte verloop van de scheepvaart.

  • 4. De experimenteerpartij kan op verzoek van de Directeur Kustwacht voorts aanvullende informatie aanleveren ten aanzien van het experiment en de te nemen vervolgstappen.

Artikel 8. Verlenging van het experiment

  • 1. Het experiment kan op verzoek van de experimenteerpartij worden verlengd.

  • 2. De verlenging behoeft de schriftelijke instemming van de Directeur Kustwacht. Aan deze instemming kunnen aanvullende voorschriften worden gesteld.

  • 3. De instemming, bedoeld in het tweede lid, wordt op verzoek te allen tijde getoond.

Artikel 9. Communicatie rondom het experiment

  • 1. In het geval van communicatie gericht tot burgers over het experiment wordt vooraf de Directeur Kustwacht ingelicht.

  • 2. In het geval van voorlichting aan betrokkenen over het experiment wordt vooraf de Directeur Kustwacht ingelicht.

Artikel 10. Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 juli 2019.

Artikel 11. Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel experimenten vergaand geautomatiseerd varen territoriale zee.

Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga

TOELICHTING

1. Inleiding

Diverse ontwikkelingen op het gebied van vergaand geautomatiseerd varen worden samengevat onder de term Smart Shipping. De overheid wil innovatieve toepassingen op het gebied van Smart Shipping faciliteren en stimuleren, omdat deze naar verwachting bij kunnen dragen aan de concurrentiekracht, veiligheid en verduurzaming van de Nederlandse scheepvaartsector. Door experimenten toe te laten, kunnen praktijkervaringen bijdragen aan het vormen van nieuw beleid en vervolgens aan eventuele aanpassingen van (internationale) wet- en regelgeving.

Sinds 1 oktober 2018 is de Beleidsregel experimenten vergaand geautomatiseerd varen rijksvaarwegen van kracht, waarin de procedure rondom de aanvraag voor het uitvoeren van een experiment op rijksvaarwegen is vastgelegd. Uit contact met de sector blijkt behoefte aan een vergelijkbare beleidsregel voor de territoriale zee, om te verduidelijken hoe ontwikkelingen ook voor de zeevaart getest kunnen worden. Daarom is deze beleidsregel opgesteld, waarbij zoveel mogelijk is aangesloten bij de Beleidsregel experimenten vergaand geautomatiseerd varen rijksvaarwegen. Voor een uitgebreidere toelichting op die beleidsregel en artikelen wordt verwezen naar de toelichting bij die beleidsregel.1

2. Hoofdlijnen van het voorstel

Deze beleidsregel heeft tot doel experimenteerruimte te bieden aan de zeevaart voor experimenten met één of meerdere geautomatiseerde toepassingen. De beleidsregel is gebaseerd op artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en betreft de wijze van uitoefening van de bevoegdheid van artikel 12 van het Scheepvaartreglement territoriale zee (hierna: Stz) van de Directeur Kustwacht. Dit artikel 12 biedt de mogelijkheid om een toestemming te verlenen in het geval van een evenement of festiviteit, waaronder een oefening en training, indien die activiteit de veiligheid van de scheepvaart in gevaar kan brengen. Een experiment, zijnde een tijdelijke praktijktest wordt als zodanige oefening gezien, waardoor de beleidsregel op artikel 12 Stz is gebaseerd. Het bevat de procedure voor het aanvragen en afgeven van een toestemming voor een experiment met vergaand geautomatiseerd varen op de Nederlandse territoriale zee, behoudens aanloopgebieden.

De eerste stap is de aanvraag voor een toestemming als bedoeld in artikel 12 Stz, die wordt ingediend bij het Loket Smart Shipping. Vanuit dit loket wordt de aanvraag doorgestuurd naar een multidisciplinair team, waarin de Kustwacht en de verschillende onderdelen van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zijn vertegenwoordigd. De veiligheid van de scheepvaart en de omgeving vormt een belangrijk onderdeel van het advies van dit multidisciplinaire team aan de Directeur Kustwacht. Het team zorgt eveneens voor een totaaloverzicht van binnengekomen aanvragen en evaluaties, waardoor ook de gelijke behandeling van aanvragen wordt gewaarborgd.

Op basis van de aanvraag en het advies van het multidisciplinair team kan de Directeur Kustwacht een toestemming afgeven voor het experiment. Als een aanvrager twijfelt over de te leveren informatie, kan het Loket Smart Shipping de aanvrager begeleiden tijdens het voorbereiden en indienen van een aanvraag.

De wijze waarop een aanvraag voor toestemming wordt beoordeeld en toestemming voor een experiment wordt afgegeven sluit zoveel mogelijk aan op de procedure die volgt uit de Beleidsregel experimenten vergaand geautomatiseerd varen rijksvaarwegen. De procedure verschilt alleen op punten waar de context van de territoriale zee hiertoe dwingt. Zo is de Directeur Kustwacht de bevoegde autoriteit voor het geven van een toestemming als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van het Stz. Aan deze autoriteit worden ingevolge artikel 5, derde lid, onderdeel e, ook ingrepen en eventueel gedane aanpassingen na een near-miss, schade of andere gevaarlijke situatie gemeld, zoals bij letsel aan personen dan wel indien de gezondheidstoestand van personen in het geding is gekomen. Daarnaast wordt er ten aanzien van de territoriale zee gesproken over een locatie of gebied, in plaats van traject. Ten slotte wordt bij de beoordeling van de aanvraag ook gekeken of het gebruik van Noordzeeloodsen noodzakelijk is. Dit kan in dat geval door de aanvrager worden aangegeven in het experimenteerplan als bedoeld in artikel 2, tweede lid.

3. Bevoegdheden en samenwerking met andere bevoegde autoriteiten

De Directeur Kustwacht is niet de bevoegde autoriteit voor de gehele Nederlandse territoriale zee. Aanloopgebieden van de havens hebben een andere bevoegde autoriteit. Als een aanvraag betrekking heeft op zowel een aanloopgebied als de territoriale zee in beheer van de Directeur Kustwacht, worden de af te geven toestemmingen op elkaar afgestemd. Dit is ook opgenomen in artikel 12, derde en vierde lid, Stz. Als een verzoek bij het Loket Smart Shipping uitsluitend betrekking heeft op een experiment in één of meerdere aanloopgebied(en), zal de aanvraag worden doorgezonden aan de betreffende bevoegd(e) autoriteit(en), die de aanvraag in behandeling neemt.

Het is denkbaar dat voor de uitvoering van een experiment moet worden afgeweken van bepaalde wet- en regelgeving. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan regels omtrent de bemanningssamenstelling en de technische eisen die aan schepen worden gesteld. Het geven van dergelijke ontheffingen daarvoor is op basis van deze beleidsregel niet mogelijk. Als uit de aanvraag blijkt dat één of meerdere ontheffingen moeten worden verleend om het experiment in zijn geheel te kunnen laten uitvoeren, zullen deze onderdelen van de aanvraag door het Loket Smart Shipping worden doorgeleid naar de bevoegde autoriteit die die ontheffing(en) kan afgeven. Deze bevoegde autoriteit, bijvoorbeeld de Inspectie Leefomgeving en Transport, beslist zelfstandig over aanvragen waarover het zeggenschap heeft. Uiteraard worden toestemmingen en ontheffingen zoveel mogelijk op elkaar afgestemd.

Wanneer het experiment betrekking heeft op internationale vaart, kan het noodzakelijk zijn dat één of meerdere (buur)landen of internationale organisaties, zoals de Internationale Maritieme Organisatie zich daarover uitspreken. Het Rijk zal zich inspannen om ook deze experimenten, voor zover deze voldoen aan de voorschriften, zo veel mogelijk te realiseren. Wel kan dit betekenen dat de aanvraag niet binnen de in de Awb gestelde behandeltermijn wordt afgerond.

4. Uitvoering

De in het Stz opgenomen artikelen ten aanzien van toezichtsbevoegdheden blijven onverminderd van toepassing in geval van experimenten die onder deze beleidsregel vallen. Dit betekent ook dat de Kustwacht kan besluiten een experiment stil te leggen of zelfs in het uiterste geval een toestemming kan intrekken, bijvoorbeeld als er gedragingen worden geconstateerd die in strijd zijn met de voorschriften opgenomen in de toestemming. Op grond van artikel 20 Stz is overtreding van de bepalingen van het Stz een strafbaar feit.

Bij de totstandkoming van deze beleidsregel zijn de relevante onderdelen van de Kustwacht intensief betrokken.

5. Inwerkingtreding

De beleidsregel treedt in werking op 1 juli 2019. Hierbij wordt aangesloten bij de vaste verandermomenten zoals vastgesteld voor ministeriële regelingen.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga

Naar boven