Beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, houdende ontheffing voor het Vliegend Museum Seppe van het verbod VFR-vluchten uit te voeren beneden de minimum VFR-vlieghoogte ten behoeve van training voor verkrijgen en behoud van een vertoninglicentie, Inspectie Leefomgeving en Transport

Datum 28 mei 2019

Nummer ILT-2019/29865

DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie;

Gelezen het verzoek om ontheffing van 5 mei 2019 van het Vliegend Museum Seppe, contactpersoon: W.J.C.M. Thuring;

Overwegende dat:

  • het doel van de vlucht is het trainen voor het verkrijgen en behoud van een vertoninglicentie om deel te kunnen nemen aan luchtvaartvertoningen;

  • paragraaf SERA.3105 van verordening (EU) nr. 923/2012 de mogelijkheid biedt aan (nationale) bevoegde autoriteiten om toestemming te verlenen lager te vliegen dan de minimum vlieghoogten, zoals die voor VFR- vluchten zijn opgenomen in paragraaf SERA.5005, onderdeel (f), van verordening (EU) nr. 923/2012;

Gelet op paragraaf SERA.3105 en artikel 19, derde lid, van het Besluit luchtverkeer 2014;

BESLUIT:

Artikel 1

Deze beschikking is van toepassing op de luchtvaartuigen in gebruik bij het Vliegend Museum Seppe van het type Boeing N2S-3 Stearman, De Havilland Chipmunk, De Havilland Tiger Moth, L18 Piper Cub, Super Cub, Auster, Focke Wulf 149D of een vergelijkbaar vervangend luchtvaartuig in gebruik bij het Vliegend Museum Seppe, waarmee VFR-trainingsvluchten worden uitgevoerd beneden de minimum VFR-vlieghoogte in het circuitgebied van de luchthavens Breda International Airport en Midden-Zeeland ten behoeve van trainen voor het verkrijgen en behoud van een vertoninglicentie.

Artikel 2

Aan de gezagvoerders van de in artikel 1 genoemde luchtvaartuigen wordt van 1 juli 2019 tot en met 1 juli 2020 ontheffing verleend van het verbod, genoemd in paragraaf SERA.5005, onderdeel (f), van verordening (EU) nr. 923/2012 om VFR- vluchten uit te voeren beneden de toegestane minimum VFR-vlieghoogte in het circuitgebied van de luchthavens Breda International Airport en Midden-Zeeland, maar nietboven gebieden met aaneengesloten bebouwing, industrie- en havengebieden daaronder begrepen, dan wel boven mensenverzamelingen, gedurende de daglichtperiode, zoals gepubliceerd in de in artikel 26, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van het Besluit luchtverkeer 2014, bedoelde luchtvaartgids met inachtneming van de volgende voorschriften en beperkingen:

  • a. de minimum toegestane vlieghoogte bedraagt 60 meter (200 ft) boven de grond of het water, doch ten minste 30 meter (100 ft) boven de hoogste hindernis gelegen binnen een afstand van 100 meter van het luchtvaartuig;

  • b. er wordt uitsluitend gevlogen beneden de minimum VFR-vlieghoogte in het circuitgebied van de luchthavens Breda International Airport en Midden- Zeeland;

  • c. boven de start- en landingsbaan van de luchthavens Breda International Airport en Midden-Zeeland mag zoveel lager worden gevlogen als aangegeven door de exploitant van de betrokken luchthaven;

  • d. de aanvrager maakt voorafgaand aan de vlucht afspraken met de exploitant van de betrokken luchthaven over de wijze van uitvoeren van de vlucht; hierin wordt onder andere afgesproken in welke periode vluchten zijn toegestaan en op welke wijze overige gebruikers van de luchthaven worden geïnformeerd over deze afwijkende activiteit;

  • e. er worden geenvluchten beneden de minimale vlieghoogte zoals gesteld in paragraaf SERA.5005, onderdeel (f), van verordening (EU) nr. 923/2012 uitgevoerd boven aaneengesloten bebouwing, industrie- en havengebieden daaronder begrepen, dan wel boven mensenverzamelingen;

  • f. de vliegroute, vlieghoogte en vliegsnelheid worden zodanig gekozen dat:

    • 1°. overlast aan derden zoveel mogelijk wordt vermeden;

    • 2°. er niet wordt gevlogen beneden de minimum VFR-vlieghoogte over vogelreservaten, zoals gepubliceerd in de luchtvaartgids;

    • 3°. vee niet wordt verstoord;

    • 4°. geluidsgevoelige objecten, zoals dierentuinen, ziekenhuizen, penitentiaire inrichting etc., worden gemeden, en

    • 5°. ingeval van een noodlanding het risico voor inzittenden en derden zoveel mogelijk wordt beperkt;

  • g. er worden geen passagiers vervoerd tijdens de vlucht, anders dan benodigd voor de beoordeling voor het verkrijgen en behoud van een vertoninglicentie;

  • h. vóór de aanvang van de vlucht wordt ingelicht:

    de meldkamer van de Landelijke eenheid, afdeling Luchtvaart (tel. 088- 6623616 of e-mail dlvplvt@klpd.politie.nl), en worden de volgende gegevens verstrekt:

    • 1°. naam gezagvoerder, registratie en model / type luchtvaartuig; 2°. route en periode van de voorgenomen vlucht.

Artikel 3

  • 1. De aanvrager draagt er zorg voor dat de gezagvoerders bekend zijn met de inhoud van deze beschikking.

  • 2. Bij het niet of niet volledig nakomen van de voorschriften en beperkingen, genoemd in deze beschikking, kan deze ontheffing worden ingetrokken.

Artikel 4

Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 juli 2019 en vervalt met ingang van 1 juli 2020, tenzij deze voortijdig wordt ingetrokken.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, namens deze,Inspecteur ILT team Rail Bedrijven en Luchtvaart Infra.

Bezwaarmogelijkheid

Indien u het niet eens bent met deze beslissing, kunt u hiertegen op grond van het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht binnen zes weken na de datum waarop deze beslissing is verzonden, schriftelijk bezwaar aantekenen.

Het bezwaarschrift moet worden ondertekend en moet ten minste bevatten:

  • de naam en het adres van de indiener;

  • de dagtekening;

  • een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht;

  • de gronden van het bezwaar.

Tevens ontvangen wij graag uw telefoonnummer dan wel e-mailadres. Het bezwaarschrift kunt u richten aan:

Inspectie Leefomgeving en Transport

Afdeling Juridische zaken Postbus 16191

2500 BD DEN HAAG

Naar boven