Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
NieuwegeinStaatscourant 2019, 31154Overig



Burgemeester en wethouders van gemeente Nieuwegein maken het volgende bekend: Coördinatieregeling Nieuwegein 2019

Logo Nieuwegein

 

 

 

De raad van de gemeente Nieuwegein;

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 16 april 2019;

 

gelet op artikel 3.30 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening;

 

besluit vast te stellen:

 

Coördinatieregeling Nieuwegein 2019

 

 

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

 

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

 

De coördinatieregeling verstaat onder:

a. aanvrager:

degene die een aanvraag om een omgevingsvergunning en/of een aanvraag om een herziening van

een bestemmingsplan of om een wijzigings- of uitwerkingsplan, indient;

 

b. besluit:

besluit als bedoeld in artikel 3.30 lid 1 van de Wro;

 

c. bestemmingsplan:

een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wro of een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van de Wro;

 

d. coördineren:

het gelijktijdig en in samenhang voorbereiden van besluiten in één gezamenlijke procedure volgens

de coördinatieregeling van Afdeling 3.6 van de Wro;

 

e. omgevingsvergunning:

een vergunning als bedoeld in artikel 2.1 en 2.2 van de Wabo;

 

f. uitwerkingsplan:

een uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6 van de Wro;

 

g. Wabo :

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

 

h. wijzigingsplan:

een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6 van de Wro;

 

i. Wro :

Wet ruimtelijke ordening.

 

Artikel 2 Reikwijdte van de regeling

  • 1.

    Deze regeling is van toepassing op het coördineren van de voorbereiding en bekendmaking van een besluit om een bestemmingsplan, een uitwerkingsplan, een wijzigingsplan of een omgevingsvergunning waarin met toepassing van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3° Wabo wordt afgeweken van het geldende bestemmingsplan, vast te stellen met het besluit over een of meer daarmee samenhangende omgevingsvergunningen, al dan niet met aan de omgevingsvergunning en/of aan het bestemmingsplan gerelateerde vergunningen, besluiten, afwijkingen en ontheffingen, ter verwezenlijking van een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk beleid.

  • 2.

    Besluiten die bij een samenloop met een omgevingsvergunning aanhaken en waarvoor een verklaring van geen bedenking nodig is van Gedeputeerde Staten en/of een Minister vallen buiten de reikwijdte van deze regeling.

 

Hoofdstuk 2. Coördinatie

 

Artikel 3 Gevallen waarin bevorderd wordt besluiten te coördineren

In de volgende gevallen en onder de volgende condities bevordert het college van burgemeester en wethouders een gecoördineerde voorbereiding van besluiten als bedoeld in artikel 2:

  • a.

    er is ten minste sprake van een besluit over een bestemmingsplan, een uitwerkingsplan, een

  • wijzigingsplan of een omgevingsvergunning waarin met toepassing van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3° Wabo wordt afgeweken van het geldende bestemmingsplan of beheersverordening en een besluit als bedoeld in artikel 4, en;

  • b.

    door of namens het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld dat zich geen belemmering voordoet, waarbij de gevallen genoemd in artikel 5 in ieder geval als een dergelijke belemmering gelden, en;

  • c.

    de aanvrager heeft zich schriftelijk akkoord verklaard met de gecoördineerde voorbereiding en met de gevolgen die dat voor de aanvrager heeft.

 

 

Artikel 4 Besluiten die naast de in artikel 3, sub a, genoemde besluiten deel uit kunnen maken van de coördinatie met het besluit om een bestemmingsplan vast te stellen

De voorbereiding van besluiten over onderstaande vergunningen of ontheffingen kan gecoördineerd worden met de in artikel 3, sub a genoemde besluiten die de basis vormen voor de toepassing van de coördinatieregeling:

  • a.

    een ontheffing als bedoeld in artikel 6 van de Woningwet;

  • b.

    een afwijking als bedoeld in artikel 3.6 lid 1 onder c van de Wro;

  • c.

    een omgevingsvergunning op basis van artikel 2.1 en/of 2.2 van de Wabo;

  • d.

    het besluit tot vaststelling van een hogere waarde (‘ontheffing’) als bedoeld in artikel 45, 47, 55, 61, 83, 85 of 100a van de Wet geluidhinder;

  • e.

    een verkeersbesluit als bedoeld in de artikelen 15 en 18, eerste lid van de Wegenverkeerswet en artikel 12 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer;

  • f.

    andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen besluiten.

 

Artikel 5 Gevallen waarin geen coördinatie op grond van deze regeling plaatsvindt

In de volgende gevallen is een gecoördineerde voorbereiding op grond van deze regeling niet

mogelijk:

  • a.

    er moet op grond van artikel 7 lid 2 van de Wet milieubeheer een milieueffectrapport worden

  • opgesteld en het betreft geen deelproject van een grotere ontwikkeling waarvoor al een milieueffectrapport is opgesteld;

  • b.

    er moet op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wro een exploitatieplan worden opgesteld en er kan geen toepassing worden gegeven aan artikel 6.12, tweede lid van de Wro;

  • c.

    een besluit als bedoeld in artikel 3, sub a kan schade veroorzaken als bedoeld in artikel 6.1 van de Wro en de aanvrager is niet bereid deze schade voor zijn rekening te nemen;

  • d.

    het project valt niet binnen de reikwijdte van de door de gemeenteraad aangewezen categorieën van gevallen waarin geen verklaring van geen bedenkingen is vereist in het kader van de Wabo.

 

Hoofdstuk 3. Procedurebepalingen

 

Artikel 6 Procedureregeling

  • 1.

    Aanvullend op de artikelen 3.30 tot en met 3.32 van de Wro en op deze regeling, is § 3.5.3 van Afdeling 3.5 Samenhangende besluiten van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met uitzondering van de artikelen 3:28 en 3:29 van die wet.

  • 2.

    Bij de toepassing van de coördinatieregeling is het college van burgemeester en wethouders het aangewezen coördinerend orgaan als bedoeld in artikel 3:22 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 3.

    De aanvragen en bijbehorende stukken die benodigd zijn om de gecoördineerd voor te bereiden besluiten te kunnen nemen, worden zoveel mogelijk gelijktijdig ingediend, met dien verstande dat de laatste aanvraag niet later wordt ingediend dan zes weken na ontvangst van de eerste aanvraag.

 

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

 

Artikel 7 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

 

Artikel 8 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als Coördinatieregeling Nieuwegein 2019.

 

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 22 mei 2019

 

Jolien Houtman

Frans Backhuijs

griffier

voorzitter

 

 

Toelichting Coördinatie regeling Nieuwegein 2019

 

Artikel 1

In artikel 1 worden de belangrijkste begrippen beschreven.

 

Artikel 2

Artikel 2 benadrukt dat de coördinatieregeling alleen toeziet op het coördineren van de procedure van die leidt tot het verlenen van een vergunning of ontheffing in combinatie met een besluit waarmee een in het geldende bestemmingsplan of de geldende beheersverordening gelegen belemmering voor het verlenen van toestemming wordt weggenomen. Dat is de basis. Daarbij kunnen vergunningen, besluiten, afwijkingen en ontheffingen die een relatie hebben met het betreffende project betrokken worden bij de coördinatie. Dat kunnen vergunningen zijn op basis van bijzondere wetten of op basis van gemeentelijke verordeningen. Deze moeten dan wel zijn gericht op de verwezenlijking van het beoogde ruimtelijk beleid. Besluiten over evenementen en subsidies behoren hier in ieder geval niet toe. Wat wel tot de mogelijkheden behoort, is bijvoorbeeld de combinatie van een bestemmingsplanherziening met een omgevingsvergunning bouwen, milieu, slopen, aanleggen en brandveilig gebruik.

 

Artikel 3

In artikel 3 wordt aangegeven in welke gevallen het wenselijk is om de coördinatieregeling toe te passen. Elk lid wordt afgesloten met het woordje ‘en’ om duidelijk te maken dat de coördinatieregeling alleen toegepast mag worden als aan alle voorwaarden is voldaan.

 

Uit artikel 3.31 Wro blijkt dat het college niet verplicht is om de coördinatieregeling toe te passen. De wet stelt dat het college coördinatie ‘bevordert’. Uitgangspunt is dus dat het college, waar dat op grond van deze regeling mogelijk is, een gecoördineerde besluitvorming voorstaat.

 

Artikel 3, lid a

Lid a vormt de basis van de coördinatieregeling: coördinatie op grond van de coördinatieregeling is alleen mogelijk als tenminste het besluit over een bestemmingsplan (of over een uitwerkingsplan/wijzigingsplan/ afwijking van het bestemmingsplan of beheersverordening op grond van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3° Wabo en het besluit over een omgevingsvergunning tot de te coördineren besluiten behoren. De omgevingsvergunning moet daarmee een plan betreffen dat op het moment van indienen op grond van artikel 2.10, lid 1, sub c Wabo geweigerd zou moeten worden (wegens strijdigheid met bestemmingsplan/ beheersverordening) en waarvoor slechts op grond van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3° Wabo vergunning verleend zou kunnen worden. Het bestemmingsplan dat de coördinatieregeling volgt, moet die strijdigheid opheffen, zodat de vergunning verleend kan worden. Voor alle duidelijkheid: de coördinatieregeling mag op grond van deze regeling dus niet toegepast worden als de aanvraag past in het geldende bestemmingsplan. In dat geval zou coördinatie neerkomen op het omzeilen van de gewone vergunningprocedure.

 

Artikel 3, lid b

Lid b moet ruim geïnterpreteerd worden. Het gaat hier niet alleen om de vaststelling dat zich geen belemmering als bedoeld in artikel 4 voordoet, maar het college beoordeelt ook of aan de procedure-eisen voldaan is. Het college kan ook afzien van coördinatie, bijvoorbeeld wanneer het college constateert of inschat dat de gemeenteraad geen bestemmingswijziging wil. Een ander voorbeeld is het geval dat een MER-beoordeling is vereist en dat die niet (nog) is opgesteld. Onbekend is dan of het gewenste initiatief ook vanuit milieuoogpunt doorgang kan hebben, zodat het toepassen van de coördinatieregeling te vroeg komt. Is sprake van een echt MER-plichtig project, dan geldt overigens de uitzondering uit artikel 5, sub a en is het coördineren van de benodigde besluiten in het geheel niet aan de orde.

 

Artikel 3 lid c

Uit lid c blijkt dat de aanvrager en de gemeente samen de coördinatieregeling moeten willen toepassen. Een aanvrager kan niet gedwongen worden om mee te werken aan een gecoördineerde besluitvorming. Dat zou namelijk inhouden dat de aanvrager gedwongen zou kunnen worden om een vergunning aan te vragen. De aanvrager kan natuurlijk goede redenen hebben om af te zien van coördinatie. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de aanvrager eerst zeker wil weten dat de bestemmingsplanwijziging doorgevoerd is, voordat hij kosten wil maken voor het maken van een bouwtekening en leges voor de activiteit bouwen.

 

Artikel 4

In artikel 4 ligt vast welke besluiten in ieder geval gecoördineerd voorbereid kunnen worden. Daarnaast wordt het college van burgemeester en wethouders met het bepaalde in sub g. de mogelijkheid gegeven ook andere besluiten onderdeel van een gecoördineerde voorbereiding te laten zijn. Voor dat soort besluiten (denk bijvoorbeeld aan ontheffingen op basis van de Algemene plaatselijke verordening) is het wenselijk dat daar expliciet over wordt besloten ze wel of niet mee te nemen in de gecoördineerde voorbereiding. Dit heeft onder andere te maken met het feit dat vaak sprake is van een andere aanvrager of dat dit soort besluiten pas op een veel later moment in de procedure aan de orde komen. Maatwerk is hier dus vereist.

 

Artikel 5

In dit artikel staat in welke gevallen coördinatie in ieder geval niet mogelijk is. Wanneer sprake is van een MER-plichtige activiteit, is het ongewenst al te starten met gecoördineerde besluitvorming voordat de MER-procedure is afgerond. Aan de ene kant is de MER-procedure nu net bedoeld om een afgewogen oordeel te vellen over eventuele uitvoeringsplannen, aan de andere kant zou een gecoördineerde voorbereiding en afhandeling van een project de afweging rond de vanuit milieuoptiek beste optie illusoir maken. Vandaar dat deze categorie gevallen is uitgezonderd in het sub a van deze bepaling.

 

Voor uitzondering uit sub b geldt dat de noodzaak tot het opstellen van een exploitatieplan

de procedure ingewikkelder en tijdrovender maakt dan wanneer geen sprake zou zijn van de

noodzaak tot het opstellen van een exploitatieplan. Het feit dat een exploitatieplan nodig is, betekent immers dat er met partijen (nog) geen overeenstemming is over de financiering, zodat geen goede basis bestaat voor een versnelde en op directe uitvoering gerichte gecoördineerde voorbereiding. Er is tijd nodig om in een dergelijk geval te proberen om alsnog met partijen overeenkomsten te sluiten, wat niet past bij de voortvarendheid waarmee via de coördinatieregeling uitvoering kan worden voorbereid.

 

Bij mogelijke planschade (de uitzondering uit sub c.) moet de aanvrager zich bereid verklaren

de kosten voor zijn rekening te willen nemen. Wanneer de aanvrager dat niet wil, dan ligt het financiële risico van het vaststellen van het bestemmingsplan of daarmee gelijk te schakelen planologische besluit bij de gemeente. De gemeente is in beginsel niet bereid tot een dergelijk risico. Gecoördineerde besluitvorming is in een dergelijk geval dan ook niet wenselijk.

 

Onder sub d is tot slot een specifiek Nieuwegeinse uitzonderingsgrond opgenomen. Wanneer sprake is van een project dat niet past binnen de reikwijdte van de projecten waarvoor de raad heeft verklaard dat geen verklaring van geen bedenkingen nodig is, biedt deze regeling niet de mogelijkheid te komen tot gecoördineerde besluitvorming. Gelet op het feit dat het dan altijd gaat om omvangrijke projecten waar de raad niet eerder over is geïnformeerd, is het wenselijk de raad het betreffende project eerst voor te leggen waarbij tevens kan worden voorgesteld tot gecoördineerde besluitvorming te komen. Dat een project niet past binnen de kaders van deze regeling wil immers niet zeggen dat gecoördineerde besluitvorming niet mogelijk is, alleen is dan een expliciet besluit van de raad wenselijk.

 

Artikel 6

De Wet ruimtelijke ordening geeft geen aanwijzingen over de manier waarop de coördinatieregeling uitgevoerd moet worden. Het is wel wenselijk dat de gemeente duidelijkheid geeft over de uitvoering. Dit kan via de coördinatieprocedureregels van de Algemene wet bestuursrecht. Dit onderdeel van de Awb (met name: § 3.5.3) werkt pas als een gemeentelijke besluit de procedure van toepassing verklaart. Lid a regelt dat § 3.5.3 Awb van toepassing is op deze regeling, met uitzondering van de artikelen 3.28 en 3.29. Deze laatste artikelen hebben betrekking op onder meer bezwaar en beroep. Hiervoor kent de Wro een eigen regeling in de Wro (artikel 8.3). De Wro regelt dat besluiten die na toepassing van coördinatie tot stand zijn gekomen, gelden als een besluit. Verder beslist de bevoegde rechter – de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State – binnen 6 maanden (in plaats van regulier 12 maanden) na ontvangst van het verweerschrift.

 

Artikel 7 en 8

Deze artikelen spreken voor zich en behoeven daarom geen toelichting

 

Wilt u meer informatie?

De regeling ligt ter inzage bij de Receptiebalie op de 1e etage van het Stadshuis aan het Stadsplein 1 te Nieuwegein (3431 LZ). U kunt daar iedere werkdag van 08.30 uur tot 17.00 uur zonder afspraak terecht en vragen naar het gewenste stuk.

Uitvoering van het besluit

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

Bezwaar/beroep

Tegen dit besluit is op basis van artikel 8:3 van de Algemene wet bestuursrecht geen bezwaar/beroep mogelijk.