Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2019, 29502Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 23 april 2019, nr. PO/7502274, houdende regels met betrekking tot subsidieverstrekking aan de Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland voor de jaren 2019 tot en met 2023 (Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2019–2023)

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

Gelet op de artikelen 4, 5 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies en de artikelen 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

afstandsonderwijs:

onderwijs dat op afstand wordt verzorgd via schriftelijke, telefonische of elektronische media;

Europese school:

school gesticht en in stand gehouden op grond van het Verdrag houdende het statuut van de Europese scholen;

mandaatbesluit:

Mandaatbesluit Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland;

minister:

Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media;

onderwijsvoorziening:

school of voorziening die onderwijs verzorgt in de Nederlandse taal en cultuur voor Nederlandse en Belgische leerlingen in de leeftijd van 2,5 tot en met 18 jaar en zich bevindt buiten het Nederlands en Belgisch grondgebied al dan niet in de vorm van afstandsonderwijs, met dien verstande dat in dat geval de locatie waar het onderwijs wordt gevolgd, als de locatie van de onderwijsvoorziening wordt aangemerkt;

stichting:

Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland (Stichting NOB), statutair gevestigd te Leidschendam-Voorburg;

toezichthouder:

toezichthouder als bedoeld in artikel 6, eerste lid.

Artikel 2. Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

  • 1. Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.

  • 2. Artikel 8.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS is niet van toepassing.

Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten

  • 1. De minister verstrekt aan de stichting voor de kalenderjaren 2019 tot en met 2023 instellingssubsidie voor:

    • a. het ondersteunen van onderwijsvoorzieningen waaronder begrepen het onderhouden van een infrastructuur ten behoeve van kwaliteitsbewaking en lerarenbegeleiding;

    • b. het namens de minister nemen van besluiten inzake leerlinggebonden subsidie aan tot de ondersteuning toegelaten onderwijsvoorzieningen;

    • c. het op verzoek van de minister uitvoeren van werkzaamheden ter ondersteuning van de minister of diens vertegenwoordiger bij de vervulling van zijn taak in de Raad van Bestuur voor de Europese scholen in het kader van het bij het mandaatbesluit aan de stichting gemandateerde werkgeverschap van de Europese scholen; en

    • d. het namens de minister uitvoeren van de in het mandaatbesluit opgenomen activiteiten betreffende de Europese scholen.

  • 2. Onder de in het eerste lid, onder a, bedoelde activiteiten wordt ten minste verstaan:

    • a. informatieverstrekking over het onderwijs aan ouders, scholen en overige belanghebbenden;

    • b. kwaliteitsbewaking en -bevordering door het adviseren en begeleiden van scholen op onderwijsinhoudelijk en bestuurlijk terrein; en

    • c. het bevorderen van professionalisering van leerkrachten en schoolleiding.

  • 3. De in het eerste lid, onder a, en onder b, bedoelde activiteiten zijn bedoeld voor Nederlandse en Belgische staatsburgers die wonen buiten het Nederlands of Belgisch grondgebied, en zijn gericht op hun terugkeer in en aansluiting bij het Nederlandstalig onderwijs in Nederland en België.

Artikel 4. Leerlinggebonden subsidie

  • 1. De minister verstrekt leerlinggebonden subsidie aan de rechtspersoon die een tot de ondersteuning toegelaten onderwijsvoorziening in stand houdt.

  • 2. Aan de directeur van de stichting wordt mandaat verleend tot het nemen van besluiten namens de minister inzake leerlinggebonden subsidie ten behoeve van Nederlandse en Belgische leerlingen die op 1 oktober van enig jaar staan ingeschreven bij een tot de ondersteuning toegelaten onderwijsvoorziening.

  • 3. De directeur kan ondermandaat verlenen aan één of meer onder hem ressorterende medewerkers.

  • 4. De leerlinggebonden subsidie per leerling is het bedrag dat de minister aan de stichting voor subsidieverstrekking verstrekt, gedeeld door het aantal leerlingen dat in aanmerking komt voor de leerlinggebonden subsidie.

Artikel 5. Beoordeling toelating onderwijsvoorziening

  • 1. De stichting kan een onderwijsvoorziening slechts toelaten indien deze toegankelijk is voor leerlingen uit de Europese Unie, mits zij Nederlandstalig zijn.

  • 2. De stichting kan een onderwijsvoorziening slechts toelaten indien deze bereid is zich onder het toezicht door de toezichthouder te plaatsen en om deze toegang te verlenen tot de onderwijsvoorziening.

  • 3. De stichting beoordeelt aan de hand van door haar vast te stellen criteria welke onderwijsvoorzieningen tot de ondersteuning bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, worden toegelaten.

  • 4. De criteria hebben in ieder geval betrekking op:

    • a. de vorm en inrichting van het bestuur van de onderwijsvoorziening;

    • b. de kwaliteit van de inrichting van het onderwijs, zoals geoperationaliseerd in de geldende onderzoekskaders;

    • c. de minimum schoolgrootte;

    • d. de bevoegdheden en bekwaamheden van leraren; en

    • e. de aanwezigheid van een schoolplan en schoolgids die voldoen aan de door de stichting vastgestelde modellen voor de schoolgids en het schoolplan.

  • 5. De criteria worden eerst na overleg met de minister en na advies van de toezichthouder vastgesteld.

  • 6. De stichting publiceert de criteria op haar website.

Artikel 6. Toezichthouder

  • 1. Als toezichthouder als bedoeld in artikel 10 van de Wet overige OCW-subsidies en belast met het toezicht op de naleving van deze regeling wordt aangewezen: de inspecteur-generaal van het onderwijs en de ambtenaren van de Inspectie van het onderwijs die zijn belast met de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht.

  • 2. De stichting draagt er zorg voor dat de toezichthouder zijn werkzaamheden zodanig kan uitvoeren dat hij in voldoende mate toezicht kan uitoefenen op de tot de ondersteuning toegelaten onderwijsvoorzieningen.

  • 3. De minister stelt na overleg met de stichting en in overeenstemming met de toezichthouder vast wat in ieder geval behoort tot de werkzaamheden van de toezichthouder als bedoeld in het eerste lid. De toezichthouder hanteert bij haar toezichtactiviteiten de door de minister vastgestelde onderzoekskaders Nederlands onderwijs in het buitenland.

Artikel 7. Subsidieplafond

  • 1. De subsidie ten behoeve van de in artikel 3, eerste lid, onder a, bedoelde activiteiten bedraagt ten hoogste € 2.293.674,– per kalenderjaar.

  • 2. De subsidie ten behoeve van de in artikel 3, eerste lid, onder b, bedoelde activiteiten bedraagt ten hoogste € 3.425.485,–.

  • 3. De subsidie ten behoeve van de in artikel 3, eerste lid, onder c, bedoelde activiteiten bedraagt ten hoogste € 102.236,– per kalenderjaar.

  • 4. De subsidie ten behoeve van de in artikel 3, eerste lid, onder d, bedoelde activiteiten bedraagt ten hoogste € 278.518,– per kalenderjaar.

  • 5. Met ingang van het kalenderjaar 2020 worden de genoemde bedragen telkens bijgesteld met het percentage dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van de Minister van Financiën in het voorgaande kalenderjaar voor loonbijstelling heeft ontvangen.

Artikel 8. Egalisatiereserve

  • 1. De stichting vormt een egalisatiereserve als bedoeld in de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.

  • 2. De egalisatiereserve bedraagt ten hoogste 10% van het bedrag dat door de minister bij de beschikking tot verlening is bepaald.

Artikel 9. Subsidieaanvraag en betaling

  • 1. In afwijking van artikel 8.2 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS dient de stichting uiterlijk 6 weken voor de aanvang van het kalenderjaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd een aanvraag in tot subsidieverlening voor het daaropvolgende kalenderjaar aan de hand van een sluitende begroting en een activiteitenplan.

  • 2. In de begroting neemt de stichting in ieder geval een overzicht op van het aantal leerlingen per onderwijsvoorziening dat in aanmerking komt voor de leerlinggebonden subsidie bedoeld onder artikel 3, eerste lid, onder b, op 1 oktober van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarover de subsidie wordt verstrekt.

  • 3. Voor zover van toepassing in afwijking van artikel 8.4 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS wordt de subsidie betaald in maandelijkse gelijke termijnen met uitzondering van de subsidie bedoeld onder artikel 3, eerste lid, onder b, deze zal uiterlijk op 1 februari in zijn geheel worden betaald.

Artikel 10. Subsidievaststelling

  • 1. Onverminderd artikel 7.8 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS neemt de stichting in het activiteitenverslag in ieder geval een overzicht op van het definitieve aantal leerlingen per onderwijsvoorziening dat in aanmerking komt voor de leerlinggebonden subsidie bedoeld onder artikel 3, eerste lid, onder b, op 1 oktober van het kalenderjaar waarop het activiteitenplan betrekking heeft.

  • 2. Een afschrift van het activiteitenverslag wordt gezonden aan de toezichthouder.

Artikel 11. ABP-status

  • 1. Het personeel dat wordt aangesteld in dienst van de stichting is deelnemer in de Stichting Pensioenfonds ABP in de zin van de statuten van de Stichting Pensioenfonds ABP op grond van het bepaalde in de Wet Privatisering ABP.

  • 2. Jaarlijks overlegt de stichting een verklaring dat alle over het voorafgaande kalenderjaar aan de Stichting Pensioenfonds ABP verschuldigde pensioenbijdragen voor het personeel in dienst van de stichting zijn voldaan.

Artikel 12. Overgangsbepaling

  • 1. Belgische onderwijsvoorzieningen die op grond van de Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2014–2018 waren aangemerkt als onderwijsvoorziening, kunnen tot de ondersteuning toegelaten blijven zolang zij voldoen aan de criteria als bedoeld in artikel 5. Zij komen echter niet in aanmerking voor de leerlinggebonden subsidie bedoeld in artikel 3, eerste lid onder b, of voor andere financiële middelen.

  • 2. Voor het kalenderjaar 2019 verstrekt de minister subsidie aan de stichting, zoveel mogelijk met inachtneming van deze regeling.

  • 3. Na inwerkingtreding van deze regeling berusten de Onderzoekskaders 2019, vastgesteld bij Besluit van de Minister van Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 12 februari 2019, nr. 5252180, op artikel 6, derde lid, van deze regeling.

Artikel 13. Inwerkingtreding en vervaldatum

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 december 2018.

  • 2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 december 2023.

Artikel 14. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2019–2023.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob

TOELICHTING

Algemene toelichting

Deze regeling vervangt de Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2014–2018. De subsidie die de minister op grond van deze regeling aan de Stichting NOB (stichting) verstrekt heeft een tweeledig doel. Ten eerste gaat het om het ondersteunen van Nederlandse onderwijsvoorzieningen in het buitenland met het oog op de terugkeer van Nederlandse en Belgische leerlingen en hun aansluiting bij het Nederlandstalig onderwijs in Nederland en België. Ten tweede gaat het om de activiteiten die de stichting uitvoert voor de Europese scholen in het licht van het mandaat dat de stichting heeft voor de Europese scholen.

De regeling is in zijn geheel herzien, omdat de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS op 1 april 2016 in werking is getreden en dit gevolgen heeft voor subsidieregelingen.

Daarnaast zijn de volgende wijzigingen doorgevoerd:

  • omdat er weer een leerlinggebonden subsidie wordt verstrekt aan onderwijsvoorzieningen bevat deze regeling voorschriften voor het verstrekken van leerlinggebonden subsidie;

  • de regeling geldt niet langer voor onderwijsvoorzieningen op Belgisch grondgebied; en

  • enkele aanpassingen van technische aard.

Leerlinggebonden subsidie

In deze regeling wordt uitvoering gegeven aan de afspraak in het Regeerakkoord Rutte III om de Nederlandse scholen in het buitenland structureel extra te ondersteunen met 3 miljoen euro per jaar. Om die reden is de leerlinggebonden subsidie is in deze regeling weer opgenomen. De leerlinggebonden subsidie is niet kostendekkend; ouders en bedrijfsleven dragen het grootste deel van de kosten.

De stichting verstrekt de leerlinggebonden subsidie namens de minister in mandaat. De tot de ondersteuning toegelaten onderwijsvoorzieningen doen ieder jaar opgaaf aan de stichting van de leerlingen die op 1 oktober staan ingeschreven en in aanmerking komen voor de leerlinggebonden subsidie. Die opgave wordt door de stichting gecontroleerd.

Overgangsregeling voor Nederlandse scholen in België

Als gevolg van de afspraken tussen de Vlaamse en Nederlandse ministers van onderwijs zijn de ondersteuningsactiviteiten van de stichting en de leerlinggebonden subsidie bedoeld voor zowel Nederlandse als Belgische leerlingen in het buitenland. In de vervallen regeling was wel bepaald dat de regeling alleen betrekking had op onderwijsvoorzieningen buiten het Nederlands grondgebied, maar voor België gold niet een vergelijkbare bepaling. Aangezien de regeling geen onderscheid maakt tussen faciliteiten voor Nederlandse of Belgische leerlingen is het logisch wanneer op het niveau van onderwijsvoorzieningen eveneens dezelfde regels gelden.

Met de inwerkingtreding van deze regeling komen onderwijsvoorzieningen op Belgisch grondgebied niet langer in aanmerking voor ondersteuning net zoals dat al gold voor de onderwijsvoorzieningen op Nederlands grondgebied. In het geval van afstandsonderwijs geldt dat de locatie waar het onderwijs wordt gevolgd als de locatie van de onderwijsvoorziening.

Voor de drie Belgische instellingen die tot op het moment van inwerkingtreding wel golden als onderwijsvoorziening geldt een overgangsregeling. Deze scholen kunnen gedurende de looptijd van de Regeling Nederlands onderwijs in het buitenland 2019–2023 gebruik blijven maken van de ondersteuningsactiviteiten van de stichting, maar zij komen niet langer in aanmerking voor de financiële faciliteiten of voor de leerlinggebonden subsidie. Het gaat om de volgende drie scholen:

  • Burgermeester Marnixschool in Schoten;

  • Basisschool Prinses Juliana in Brussel;

  • International School of Brussels in Brussel.

Administratieve lasten

De wijziging ten opzichte van de vorige regeling leidt tot hogere administratieve lasten voor de stichting, vanwege de herinvoering van de leerlinggebonden subsidie. De uitvoeringskosten voor de leerlinggebonden subsidie bedragen circa € 40.000,– per jaar. Deze worden betaald uit het bedrag dat voor de leerlinggebonden subsidie ter beschikking is gesteld.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1. Begripsbepalingen

Er is gekozen voor de term onderwijsvoorziening, omdat het onderwijs in de Nederlandse taal en cultuur op verschillende manieren vorm kan krijgen en er niet altijd sprake is van een school. Het kan gaan om volledig Nederlandstalig dagonderwijs, Nederlands als onderdeel van het curriculum van een (internationale) dagschool, aanvullend onderwijs Nederlandse taal en cultuur en om onderwijs op afstand.

Onder Nederlands grondgebied wordt ook Caribisch Nederland (de zogenaamde BES-eilanden) verstaan.

Artikel 2. Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

De Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS is van toepassing op deze regeling. Deze regeling is een aanvulling daarop en wijkt daar op enkele punten van af.

Artikel 8.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS heeft betrekking op de eerste aanvraag voor een instellingssubsidie. Omdat het hier gaat om de hernieuwing van een bestaande instellingssubsidie aan de stichting is dit artikel niet van toepassing.

Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten

De activiteiten die in aanmerking komen voor subsidie vallen uiteen in de volgende categorieën en subcategorieën.

Nederlands onderwijs in het buitenland

In standhouden van een ondersteunende infrastructuur

– Artikel 3, eerste lid, onder a

– Activiteiten artikel 3, tweede lid, onder a t/m c

Verstrekken leerlinggebonden subsidie

– Artikel 3, eerste lid, onder b

Europese scholen

Ondersteuning minister bij Raad van Bestuur

– Artikel 3, eerste lid, onder c

Uitvoering mandaatbesluit

– Artikel 3, eerste lid, onder d

De subsidie die aan de stichting verstrekt wordt in het kader van de Europese scholen houdt verband met het mandaat dat de stichting heeft ten aanzien van de Europese scholen en dat is vastgelegd in het Mandaatbesluit Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland. Het mandaatbesluit wordt eveneens gewijzigd.

De stichting heeft mandaat voor het werkgeverschap van het aan de Europese scholen gedetacheerde personeel en het beheer van de middelen die jaarlijks op de Rijksbegroting zijn gereserveerd voor het groot onderhoud van de Europese school in Bergen. De uitvoeringskosten van het mandaat vallen onder deze subsidieregeling.

In het licht van het mandaat zijn aan de stichting sinds 2014 aanvullende werkzaamheden opgedragen ter ondersteuning van de minister of zijn vertegenwoordiger bij de vervulling van zijn taak in de Raad van Bestuur voor de Europese scholen. Deze taken waren voordien bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties belegd.

In het vierde lid wordt met Nederlands grondgebied ook Caribisch Nederland bedoeld.

Artikel 4. Leerlinggebonden subsidie

De stichting heeft op grond van deze regeling mandaat voor het verstrekken van de leerlinggebonden subsidie. Het Mandaatbesluit Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland heeft namelijk uitsluitend betrekking op de Europese scholen.

Artikel 5. Beoordeling toelating onderwijsvoorziening

In dit artikel is bepaald hoe de stichting beoordeelt of een onderwijsvoorziening wordt toegelaten tot de ondersteuning. De criteria voor toelating worden vastgesteld door de stichting na overleg met de minister en nadat advies van de toezichthouder is gekregen. De criteria voor toelating (Reglement van aansluiting) worden door de stichting gepubliceerd op haar website. De NOB heeft het recht de aansluiting van een onderwijsvoorziening te beëindigen als het bestuur niet meer voldoet aan de door haar gestelde criteria.

In het vierde lid, onder e, is sprake van door de stichting vast te stellen modellen voor de schoolgids en het schoolplan. De modellen zijn zoveel mogelijk afgestemd op de kerndoelen die gelden voor het primair- en voortgezet onderwijs om de aansluiting op het onderwijs in Nederland en België te bevorderen.

Artikel 6. Toezichthouder

Met dit artikel wordt het toezicht door de Inspectie van het Onderwijs geregeld aan de hand van de door de minister vast te stellen onderzoekskaders.

Artikel 7. Subsidieplafond

Voor 2019 gelden de volgende maximale subsidiebedragen.

Nederlands onderwijs in het buitenland

In standhouden van een ondersteunende infrastructuur

€ 2.293.674,–

Verstrekken leerlinggebonden subsidie

€ 3.425.485,–

Europese scholen

Ondersteuning minister bij Raad van Bestuur

€ 102.236,–

Uitvoering mandaatbesluit

€ 278.518,–

Onder het bedrag dat gemoeid is met de leerlinggebonden subsidie (artikel 6, eerste lid, onder b) zijn inbegrepen de middelen die voortvloeien uit de Intentieverklaring van de Nederlandse Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dr. Jet Bussemaker, en de Vlaamse Minister van Onderwijs en Vice-Minister-President van de Vlaamse Regering, Hilde Crevits, inzake onderwijssamenwerking tussen Nederland en Vlaanderen dd. 30 mei 2016.

Artikel 8. Egalisatiereserve

De stichting mag een egalisatiereserve vormen. Een egalisatiereserve is alleen aan de orde bij instellingssubsidie. Die betreft de voortdurende, structurele activiteiten van een instelling.

Artikel 9. Subsidieaanvraag en betaling

In afwijking van de Kaderregeling wordt in het eerste lid een termijn gehanteerd van 6 weken in plaats van 13 weken. Voor deze termijn is gekozen, omdat de stichting in staat moet worden gesteld om de leerlingaantallen op 1 oktober voor iedere onderwijsvoorziening in het activiteitenverslag op te nemen. In de vervallen regeling was ook sprake was van een afwijkende termijn van indiening, te weten 15 december, circa twee weken voor de aanvang van het kalenderjaar.

Een deel van de subsidie wordt betaald in maandelijks gelijke termijnen. Het deel van de subsidie dat betrekking heeft op de leerlinggebonden subsidie die de onderwijsvoorzieningen ontvangen wordt in een keer en uiterlijk op 1 februari uitgekeerd. Dat stelt de stichting in de gelegenheid om aan het begin van het jaar de leerlinggebonden subsidie aan de onderwijsvoorzieningen in één keer uit te keren en zij daarover tijdig kunnen beschikken.

Artikel 10. Subsidievaststelling

Om ervoor te zorgen dat OCW een goed zicht heeft op de besteding van de middelen voor de leerlinggebonden subsidie rapporteert de stichting jaarlijks hoeveel Nederlandse en Belgische leerlingen aan welke onderwijsvoorzieningen verbonden zijn. Daarnaast gelden de voorschriften voor verantwoording zoals die zijn vastgelegd in artikel 7.8 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS. Die bepaling sluit niet uit dat de huidige wijze van verantwoording door middel van de jaarverslaggeving wordt voortgezet.

Artikel 12. Overgangsbepaling

Door de wijziging van de begripsbepalingen in artikel 1 kan een onderwijsvoorziening die zich op Belgisch grondgebied bevindt, niet langer gelden als onderwijsvoorziening in de zin van deze regeling. Met het eerste lid uit dit artikel wordt geregeld dat de drie Belgische scholen die door deze wijziging niet langer in aanmerking komen voor ondersteuning, gebruik kunnen blijven maken van de ondersteunende infrastructuur. Voor de leerlinggebonden subsidie en voor andere financiële middelen komen zij echter niet langer in aanmerking.

Artikel 13. Inwerkingtreding en vervaldatum

De Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2019–2023 is vastgesteld voor de jaren 2019 tot en met 2023. De voorgaande regeling kwam te vervallen op 1 december 2018, Deze regeling treedt daarom met terugwerkende kracht in werking op 1 december 2018 en vervalt op 1 december 2023 met het oog op de maximale looptijd van vijf jaar (op grond van artikel 4.10 van de Comptabiliteitswet 2016 moeten subsidieregelingen een horizonbepaling van ten hoogste vijf jaar hebben).

Omdat deze regeling niet voor 1 december 2018 is gepubliceerd, is een overgangsbepaling opgenomen op grond waarvan de minister voor het kalenderjaar 2019 aan de stichting subsidie verstrekt zoveel mogelijk met inachtneming van deze regeling.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob