TOELICHTING
Algemene toelichting
Het Kabinet heeft bij zijn aanstelling besloten om structureel € 5 miljoen extra beschikbaar
te stellen om de aanpak van laaggeletterdheid op korte termijn te versterken. Voorts
heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het besluit genomen om het
programma Tel mee met Taal, dat tot 2018 liep, in 2019 voort te zetten en als transitiejaar
te benutten om met gemeenten te bespreken hoe de aanpak van laaggeletterdheid de komende
jaren een verdere impuls kan krijgen. Van het budget dat in 2019 beschikbaar is voor
het Tel mee met Taal, wordt € 6.750.000,– benut voor het opnieuw openstellen van een
aanvraagtijdvak voor de veelgebruikte Subsidieregeling Tel mee met Taal (hierna: de
subsidieregeling), voor taal- digitaal- en/of rekenscholingstrajecten voor laaggeletterden.
Met deze impuls worden meer laagtaalvaardige werknemers en laagtaalvaardige ouders
bereikt, zodat zij bijvoorbeeld beter kunnen communiceren met collega’s op de werkvloer
of hun kinderen beter kunnen ondersteunen tijdens hun schoolcarrière.
Aanpassing van de regeling
Deze wijzigingsregeling betreft de volgende onderwerpen:
-
1. In de aanvraagprocedure in het kader van deze subsidieregeling wordt de eis rond niveaubepaling
van laaggeletterden aangescherpt tot ‘lager dan referentieniveau 2F’ (i.p.v. het huidige
‘referentieniveau 2F of lager’). Binnen het Tel mee met Taalprogramma, waar deze regeling
onderdeel van uitmaakt, wordt, uitgezonderd deze regeling, reeds het niveauprincipe
‘lager dan referentieniveau 2F ‘ gehanteerd. Deze aanscherping zorgt ervoor dat de
subsidieregeling op dit punt gelijkgesteld wordt met de rest van het programma.
-
2. In de aanvraagprocedure voor werkgevers, samenwerkingsverbanden en scholingstrajecten
voor laagtaalvaardige ouders wordt een wijziging aangebracht ten aanzien van de trajecten
waarvoor subsidie kan worden aangebracht. Naast taaltrajecten komen ook trajecten
digitale vaardigheden en rekentrajecten in aanmerking voor subsidie. Taal, rekenen
en digitale vaardigheden zijn immers onmisbaar om zelfstandig mee te doen in onze
maatschappij, online én offline. Evenals voor de taaltrajecten geldt dat aanvragen
voor trajecten digitale vaardigheden en rekentrajecten alleen subsidiabel zijn voor
laagtaalvaardige deelnemers wiens Nederlands onder het referentieniveau 2F ligt. Vooral
laaggeletterden die Nederlands als moedertaal hebben (de zogeheten NT1 volwassenen
(Nederlands als eerste taal; NT1) komen niet snel naar een taalles omdat laaggeletterdheid
een taboeonderwerp is. Zij hebben vaak een achterstand in lezen en schrijven, maar
zijn wel bekwaam in spreken en luisteren waardoor ze wel in beperkte mate deel kunnen
nemen aan het sociale en maatschappelijke verkeer. Met name opleidingen of trajecten
digitale vaardigheden kunnen voor deze doelgroep een oplossing bieden. Laaggeletterde
NT1 volwassenen zullen naar verwachting sneller naar deze opleidingen/trajecten komen.
Omdat het contact dan is gelegd, is het ook makkelijker laaggeletterdheid bij deze
inwoners te herkennen en hen door te verwijzen naar een taalcursus.
-
3. Verder wordt in de aanvraagprocedure voor samenwerkingsverbanden een wijziging aangebracht
ten aanzien van de doelgroep waarvoor subsidie kan worden aanvraagd. Projecten die
in het kader van samenwerkingsverbanden worden aangevraagd komen alleen voor subsidie
in aanmerking wanneer deze zijn gericht op (het bereik van) laagtaalvaardigen die
het Nederlands als moedertaal hebben (NT1 volwassenen). Uit gesprekken met gemeenten
en educatieaanbieders is gebleken dat dit deel van de doelgroep nog onvoldoende bereikt
wordt, terwijl het aandeel NT1 volwassenen het grootst is binnen het totaal aantal
laaggeletterden dat ons land kent. Door deze focus in doelgroep aan te brengen in
de regeling worden de samenwerkingsverbanden gestimuleerd om zich extra in te spannen
om deze doelgroep alsnog te bereiken.
-
4. Ten slotte wordt de begripsbepaling van dienstbetrekking uitgebreid. Zo wordt het
voor werkgevers mogelijk om ook scholingstrajecten aan te vragen voor deelnemers waarmee
sprake is van een arbeidsrelatie die minder duurzaam is. De praktijk op de arbeidsmarkt
laat zien dat een toenemend aantal werkgevers regelmatig werkt met een zelfstandige
(o.a. zzp’ers), waarbij er sprake is van een opdrachtgever – opdrachtnemer relatie.
Ook is op basis van signalen gebleken dat werkgevers – vooral MKB – vaak huiverig
zijn om te investeren in medewerkers wanneer de arbeidsrelatie niet zeker/duurzaam
is. De verwachting is dat als gevolg van de investering dit juist wel kan leiden tot
een verduurzaming van de arbeidsrelatie (denk aan tijdelijke plaatsen, proefplaatsen,
beschut werk, WSW e.d.).
Met deze aanpassingen wordt beoogd om meer impact te sorteren, meer potentie te bereiken
en meer eenvormigheid aan te brengen tussen de subsidieregeling en de rest van het
Tel mee met Taalprogramma.
Administratieve lasten
Administratieve lasten worden gedefinieerd als de kosten om te voldoen aan informatieverplichtingen
aan de overheid, voortvloeiend uit wet- en regelgeving. De lasten zoals hieronder
omschreven hebben betrekking op de nieuwe aanvraagperiode die ingaat op 1 juni 2019
en eindigt per 30 september 2019.
Voor alle werkgevers (waaraan op grond van artikel 3 van de subsidieregeling subsidie
kan worden verstrekt) samen worden de administratieve lasten geschat op basis van
het aantal aanvragen en de omvang van een gemiddelde aanvraag in eerdere aanvraagronden.
De uitgangspunten voor de berekening van de administratieve lasten zijn:
-
– 121 aanvragen ad gemiddeld € 10.725,– per aanvraag en 16 deelnemers per aanvraag
-
– Administratieve tijdsbesteding van 6 uur per aanvraag + 30 minuten per deelnemer
-
– Administratieve tijdsbesteding van 2 uur voor herstellen van een aanvraag, hetgeen
naar verwachting voor 20% van de aanvragers geldt.
-
– Administratieve tijdsbesteding van 4 uur per verantwoording + 15 minuten per deelnemer,
wat voor 33% van de aanvragers geldt (steekproefgrootte).
De lasten bedragen dus:
(121 aanvragen * 6 uur) + (1.936 deelnemers * 0,5 uur) + (0,2 * 121 aanvragen * 2
uur) + (0,33 * (121 aanvragen * 4 uur)) + (0,33 * (1.936 * 0,25 uur)) = 2.062 uur
Uitgaande van een uurtarief van € 60,–, bedragen de totale administratieve lasten
voor werkgevers € 123.720,–, ofwel gemiddeld € 1.022,– per aanvrager.
Voor samenwerkingsverbanden (waaraan op grond van artikel 4 subsidie kan worden verstrekt)
worden de administratieve lasten geschat op basis van het aantal aanvragen en de omvang
van een gemiddelde aanvraag in eerdere aanvraagronden.
De uitgangspunten voor de berekening van de administratieve lasten zijn:
-
– 12 aanvragen ad gemiddeld € 135.000,– per aanvraag
-
– Administratieve tijdsbesteding van 32 uur per aanvraag
-
– Administratieve tijdsbesteding van 4 uur voor herstellen van een aanvraag, hetgeen
naar verwachting voor 20% van de aanvragers geldt.
-
– Administratieve tijdsbesteding van 16 uur per verantwoording, wat voor 33% van de
aanvragers geldt (steekproefgrootte)
De lasten bedragen dus:
(12 aanvragen * 32 uur) + (0,2 * 12 aanvragen * 4 uur) + (0,33 * 12 aanvragen * 16
uur) = 495 uur.
Uitgaande van een uurtarief van € 60,–, bedragen de totale administratieve lasten
voor samenwerkingsverbanden € 29.700,– ofwel gemiddeld € 2.475,– per aanvrager.
Voor taal-, reken- en/of trajecten digitale vaardigheden gericht op laagtaalvaardige
ouders (als bedoeld in artikel 4a, eerste lid, onder a, van de subsidieregeling) worden
de administratieve lasten voor aanvragers geschat op 0,5 uur per bereikte ouder. Een
aanvraag van € 1.000.000,– waarmee circa 2.000 ouders worden bereikt, brengt dus circa
1.000 uur aan administratieve lasten met zich mee. Dat is een bedrag van ongeveer
€ 60.000,– ofwel 6% van de aangevraagde subsidie. Voor de verantwoording wordt 16
uur per subsidieontvanger gerekend en een steekproefgrootte van 33%.
Voor overige activiteiten gericht op laagtaalvaardige ouders (als bedoeld in artikel
4a, eerste lid, onder b, van de subsidieregeling) worden de administratieve lasten
geschat op 24 uur per aanvraag. Ook is ervan uitgegaan dat gemiddeld 20% van de aanvragers
(onderdelen van) de aanvraag moet herstellen, wat gemiddeld 4 uur kost. Voor de verantwoording
wordt 16 uur per subsidieontvanger gerekend en een steekproefgrootte van 33%. De gemiddelde
administratieve lasten per aanvraag bedragen zodoende 30 uur. Uitgaande van een uurtarief
van € 60,– per uur bedragen de totale administratieve lasten per aanvraag € 1.800,–.
Uitgaande van een gemiddelde aanvraag van € 125.000,–, is dit 1,4%.
Uitvoering
PM [aanpassen n.a.v. de UT] De regeling wordt namens de Minister van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap uitgevoerd door DUS-I, die de regeling op uitvoerbaarheid heeft beoordeeld.
De aanvraag voor subsidie wordt elektronisch ingediend. Aanvragen voor subsidie kunnen
digitaal worden ingediend via de website https://telmeemettaal.e-formulier.nl. De gemiddelde uitvoeringslasten die met de uitvoering van deze regeling zijn gemoeid,
zijn door DUS-I geschat op ongeveer 2,5 uur per aanvraag. Voor de verantwoording wordt
1,5 uur gerekend per toegevoegde aanvraag die in de steekproef valt of voor aanvragen
die meer dan € 50.000 ontvingen en derhalve niet ambtshalve worden vastgesteld.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juni 2019. Potentiële aanvragers
en hun samenwerkingspartners zijn voor deze datum reeds voorgelicht via onder andere
de website van Tel mee met Taal en via de website van DUS-I.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel I
Onderdeel A
De omschrijving van deelnemers waarvoor een (opleidings)traject, project of overige
activiteiten gesubsidieerd kan worden, is enigszins aangescherpt. Zo vallen alleen
nog deelnemers die de Nederlandse taal of een van de taalvaardigheden beheersen op
een niveau lager dan referentieniveau 2F onder deze regeling. Een niveau lager dan
2F omvat ook alle ‘stappen’ die liggen tussen 1F en 2F. Elke deelnemer die dus niet
het niveau 2F beheerst, valt onder deze begripsbepaling. Ook indien het gaat om digitale
vaardigheden of rekenvaardigheden moet een deelnemer aan deze eis voldoen. Daarnaast
kunnen alleen NT1 volwassenen, die de Nederlandse taal of een van de taalvaardigheden
beheersen op een niveau lager dan referentieniveau 2F deelnemen aan de gesubsidieerde
projecten van samenwerkingsverbanden. Verder wordt het begrip dienstbetrekking uitgebreid
(zie ook algemene toelichting).
Omdat met ingang van de aanvraagtermijn in het kalenderjaar 2019 ook trajecten gericht
op het verhogen van de digitale vaardigheden en rekenvaardigheden van deelnemers voor
subsidie in aanmerking komen, is een aantal begripsbepalingen toegevoegd. Zo worden
digitale vaardigheden omschreven als het binnen de alledaagse leef-, werk- en leeromgeving
herkenbare digitale toepassingen gebruiken en de meest voorkomende handelingen verrichten
ten aanzien van het gebruiken van ICT-systemen, de beveiliging, privacy en ergonomie,
het zoeken van informatie, het verwerken van informatie en presenteren, en het digitaal
communiceren.
Een traject digitale vaardigheden is een traject gericht op de verhoging van voornoemde
digitale vaardigheden van een deelnemer en kan een opleidingstraject of een cursus
betreffen. Het verschil tussen een opleidingstraject en een cursus betreft het aantal
contacturen en de maximale looptijd. Voor een opleidingstraject zijn het aantal uren
en de looptijd namelijk vastgelegd in de regeling. Een traject dient verder altijd
verzorgd te worden door of onder verantwoordelijkheid van een opleider. Ten slotte
mag het niet gaan om een door de minister geaccrediteerde opleiding of een beroepsopleiding
waarvoor de minister diploma erkenning heeft afgegeven. Ook opleidingen educatie,
zoals gedefinieerd in artikel 7.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB),
of onderdelen daarvan komen ingevolge artikel 3, 4 en 4a niet voor subsidie in aanmerking.
Voor het aanbod van die opleidingen krijgen de contactgemeenten namelijk al middelen.
Ook het begrip rekenvaardigheid is aan de begripsbepaling toegevoegd. Ten aanzien
van rekenen zijn er vier vaardigheden te onderscheiden, namelijk:
Een (opleidings)traject kan gericht zijn op één of meerdere rekenvaardigheden.
Een rekentraject is gericht op de verhoging van één of meer voornoemde rekenvaardigheden
van een deelnemer. En kan evenzeer bestaan uit een opleidingstraject of een cursus
en dient verzorgd te worden door of onder verantwoordelijkheid van een opleider. Ook
hiervoor geldt – net zoals bij de trajecten digitale vaardigheden of taalvaardigheden
– dat opleidingen educatie of onderdelen daarvan niet voor subsidie in aanmerking
komen.
De projecten waarvoor samenwerkingsverbanden subsidie kunnen aanvragen, moeten gericht
zijn op deelnemers die Nederlands als moedertaal hebben (Nederlands als eerste taal;
NT1). Deze projecten kunnen bestaan uit (opleidings)trajecten ten aanzien van de Nederlandse
taal, rekenen of digitale vaardigheden, maar ook uit andere laagdrempelige en voor
de doelgroep goed vindbare activiteiten die gericht zijn op het verhogen van deze
vaardigheden. De projecten zijn naast de NT1 volwassenen ook gericht op de leesbevordering
van zijn of haar kind(eren).
Verder is een aantal begripsbepalingen verbeterd of geactualiseerd. Omdat ‘laagtaalvaardige
ouder’ reeds ingevuld wordt door de begripsbepaling van ‘deelnemer’ in combinatie
met de begripsbepaling ‘ouder’ kan deze komen te vervallen.
Onderdeel B
Artikel 3 betreft de opleidingstrajecten die werkgevers aan hun laagtaalvaardige werknemers
kunnen aanbieden. Aan dit artikel is toegevoegd dat het ook om het verhogen van de
rekenvaardigheid en de digitale vaardigheden kan gaan. Verder waren de inburgeringscursussen
of onderdelen daarvan reeds uitgesloten van subsidie. Hieraan zijn ook de opleidingen
educatie, bedoeld in artikel 7.3.1 van de WEB, of onderdelen daarvan toegevoegd. Voor
het aanbod van deze opleidingen ontvangen de contactgemeenten namelijk al middelen.
Dit laat overigens onverlet dat een werknemer wel deze cursussen of opleidingen mag
volgen. Ze worden echter niet gesubsidieerd op basis van deze regeling.
De opleidingstrajecten waarvoor in 2019 subsidie wordt aangevraagd moeten uiterlijk
1 mei 2020 zijn gestart.
Onderdeel C
Artikel 4 is ingekort nu bepaalde begripsbepalingen, die onder meer in dit artikel
voorkomen, verbeterd en geactualiseerd zijn. Op grond van dit artikel kunnen samenwerkingsverbanden,
bestaande uit ten minste acht partijen, subsidie aanvragen voor projecten. Projecten
kunnen bestaan uit allerlei activiteiten mits het maar gericht is op de verhoging
van de taalvaardigheden, rekenvaardigheden of de digitale vaardigheden van een NT1
volwassene, die de Nederlandse taal of een of meer taalvaardigheden beheerst op een
niveau lager dan referentieniveau 2F, en ook voor de leesbevordering van zijn of haar
kind(eren). Verder is van belang dat de doelgroep de activiteiten weet te vinden en
dat de partijen in het samenwerkingsverband gericht samenwerken.
Een project waarvoor subsidie is aangevraagd in 2019 dient uiterlijk 31 december 2020
te zijn afgerond.
Onderdeel D en E
Aan artikel 4a zijn ook de bepalingen uit artikel 4b en 4c toegevoegd, zodat de overlap
tussen de drie artikelen is verdwenen. Het artikel ziet op zowel de taaltrajecten,
rekentrajecten en trajecten digitale vaardigheden, als op de overige activiteiten
die specifiek gericht zijn op een ouder die de Nederlandse taal of een of meer taalvaardigheden
beheerst op een niveau lager dan referentieniveau 2F. De activiteiten worden in artikel
4a onderscheiden in:
-
a. trajecten (artikel 4a, eerste lid, onder a); en
-
b. overige activiteiten (artikel 4a, eerste lid, onder b).
Belangrijk onderdeel van het traject (sub a) moet zijn de toepassing van de vaardigheden
in de communicatie met en over zijn kind of kinderen. Dit draagt aantoonbaar bij aan
het ontwikkelen van een educatief partnerschap tussen de deelnemer, een school, de
instellingen die de jeugdgezondheidszorg uitvoeren en voorschoolse voorzieningen en
stimuleert een educatief thuismilieu.
De overige activiteiten (sub b) zijn gericht op:
-
• het verhogen van de taalvaardigheid, rekenvaardigheid of de digitale vaardigheid van
een deelnemer;
-
• het stimuleren van educatief partnerschap tussen deelnemer, school, kinderopvanginstellingen,
instellingen die de jeugdgezondheidszorg uitvoeren en voorschoolse voorzieningen gericht
op taalontwikkeling, rekenontwikkeling of ontwikkeling van digitale vaardigheden;
of
-
• het bevorderen van een educatief thuismilieu gericht op taalontwikkeling, ontwikkeling
van rekenvaardigheden of ontwikkeling van digitale vaardigheden.
In het kalenderjaar 2019 wordt uitsluitend subsidie verstrekt voor de activiteiten
waarvoor een subsidieaanvraag is ingediend in de periode van 1 juni 2019 tot en met
30 september 2019 en die uiterlijk 31 december 2020 zijn afgerond. Geen subsidie wordt
verstrekt voor:
-
• activiteiten die zijn gestart voor het indienen van de aanvraag;
-
• een cursus die opleidt tot het inburgeringsexamen bedoeld in artikel 7, eerste lid,
onder a, van de Wet Inburgering of een onderdeel daarvan;
-
• een opleiding educatie als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a tot en
met f, van de Wet educatie en beroepsonderwijs dan wel een onderdeel daarvan;
-
• activiteiten die op grond van andere actielijnen van het programma Tel mee met Taal
financieel worden of zijn ondersteund.
De artikelen 4b en 4c komen te vervallen, omdat de bepalingen die daarin opgenomen
zijn, terugkomen in artikel 4a.
Onderdeel F
Omdat artikel 4b en 4c vervalt, is de verwijzing in artikel 6 naar deze artikelen
gewijzigd. De verwijzing naar artikel 4b is vervangen door een verwijzing naar artikel
4a, eerste lid, onder a (trajecten) en de verwijzing naar artikel 4c is vervangen
door een verwijzing naar artikel 4a, eerste lid, onder b (overige activiteiten).
Onderdeel G
Aan artikel 7 zijn de subsidieplafonds voor het kalenderjaar 2019 toegevoegd. Omdat
artikel 4b en artikel 4c is vervallen, is dit artikel opnieuw uitgeschreven, waarbij
het plafond voor artikel 4b geldt voor artikel 4a, eerste lid, onder a (trajecten)
en het plafond voor artikel 4c geldt voor artikel 4a, eerste lid, onder b (overige
activiteiten).
In onderstaand schema is per type aanvraag, per aanvraagperiode het subsidiebedrag
weergegeven:
|
Subsidieperiode:
|
2017
|
1 januari 2018 t/m 30 juni 2018
|
1 augustus 2018 t/m 15 oktober 2018
|
1 juni 2019 t/m 30 september 2019
|
|
Subsidie voor:
|
|
|
Werkgevers (art. 3)
|
€ 2.600.000,–
|
€ 2.500.000,–
|
€ 2.500.000,–
|
€ 3.750.000,–
|
|
Samenwerkingsverbanden (art. 4)
|
|
Taaltrajecten laagtaalvaardige ouders (art. 4a, eerste lid, onder a)
|
n.v.t.
|
€ 3.000.000,–
|
€ 2.300.000,–
|
€ 3.000.000,–
|
|
Overige activiteiten laagtaalvaardige ouders (art. 4a, eerste lid, onder b)
|
n.v.t.
|
€ 1.000.000,–
|
Onderdeel H
Aan artikel 9 is een aanvraagperiode voor het kalenderjaar 2019 toegevoegd. In 2019
kan in de periode 1 juni 2019 tot en met 30 september 2019 een aanvraag worden ingediend
voor een subsidie op grond van artikel 3 (opleidingstrajecten werkgevers), artikel
4 (projecten samenwerkingsverbanden en artikel 4a (activiteiten laagtaalvaardige ouders).
Omdat artikel 4b en artikel 4c zijn vervallen, is dit artikel eveneens opnieuw uitgeschreven,
waarbij het plafond voor artikel 4b geldt voor artikel 4a, eerste lid, onder a (trajecten)
en het plafond voor artikel 4c geldt voor artikel 4a, eerste lid, onder b (overige
activiteiten). Het laatste lid van artikel 9, zoals dat luidde voor onderhavige regeling,
vervalt, omdat reeds in artikel 8 van de Subsidieregeling Tel mee met Taal is bepaald
dat de aanvragen in volgorde van binnenkomst beoordeeld worden. Artikel 2.3, eerste
lid, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS is, gelet op artikel 2 van de
voornoemde regeling, van toepassing op de subsidieaanvraag.
Aan artikel 9 is ten slotte nog toegevoegd dat met één aanvraag subsidie kan worden
aangevraagd voor meerdere type (opleidings)trajecten. Zo kan met één aanvraag door
bijv. een werkgever subsidie worden gevraagd voor een taal én rekentraject of een
rekentraject én traject digitale vaardigheden. Er wordt per aanvraagperiode maar een
aanvraag toegekend, ongeacht het aantal type trajecten.
Onderdeel I
In artikel 10 is een het taalniveau aangepast overeenkomstig de begripsbepaling van
deelnemer. In plaats van het referentieniveau 2F of lager geldt nu een niveau lager
dan referentieniveau 2F. Volwassenen die reeds het referentieniveau 2F hebben bereikt,
komen dus niet in aanmerking voor deelname aan een gesubsidieerd (opleidings)traject,
project of andere activiteit.
Verder is het artikel taalkundig verbeterd.
Onderdeel J, K en L
Aan artikel 11 is toegevoegd dat de aanvrager bij zijn aanvraag moet verklaren dat
het project gericht is op NT1 volwassenen.
Artikel 11a en 11b zien op de bij de aanvraag tot subsidieverlening voor een taaltraject
en overige activiteiten te overleggen informatie. Omdat beide artikelen zien op de
trajecten en overige activiteiten voor laagtaalvaardige ouders en er voor een groot
deel overlap zit in de bepalingen, zijn deze twee artikelen samengevoegd tot één artikel.
Verder zijn de rekentrajecten en de trajecten digitale vaardigheden toegevoegd. De
over te leggen informatie (activiteitenplan, begroting, Kamer van Koophandel-nummer)
is hetzelfde gebleven.
Verder moet de aanvrager in beide gevallen (aanvraag traject) verklaren dat hij zal
voldoen aan de verplichtingen zoals genoemd in de artikelen 13 en 16.
In het geval het gaat om een traject voor laagtaalvaardige ouders (artikel 4a, eerste
lid, onder a) moet daarnaast ook nog worden verklaard door de aanvrager dat:
-
• het traject wordt verzorgd door of onder verantwoordelijkheid van een opleider die
voldoet aan de in artikel 3a gestelde eisen; en
-
• dat uit een actuele individuele niveaubepaling of niveau-indicatie, die op basis van
een gevalideerd instrument, uiterlijk voor de start van het traject of de overige
activiteiten is of wordt afgenomen, blijkt dat de deelnemers de Nederlandse taal,
of één of meer taalvaardigheden, beheersen op een lager niveau dan referentieniveau
2F.
De uitkomst van laatstgenoemde individuele niveaubepaling hoeft niet meegezonden te
worden met de aanvraag. Deze kan echter wel bij wijze van steekproef worden opgevraagd
bij de aanvrager.
Omdat de bepalingen uit artikel 11b zijn opgenomen in artikel 11a vervalt artikel
11b.
Onderdeel M en O
Omdat artikel 4b vervalt, is de verwijzing in artikel 13 naar dit artikel gewijzigd.
De verwijzing naar artikel 4b is vervangen door een verwijzing naar artikel 4a, eerste
lid, onder a. Daarnaast zijn in verband met het toevoegen van de rekentrajecten en
trajecten digitale vaardigheden aan deze regeling deze trajecten ook opgenomen in
artikel 13.
Voor het inzichtelijk maken van de leeropbrengsten bij elke deelnemer van het rekentraject
en het traject digitale vaardigheden aan het begin en het einde van het traject is
een vragenlijst ter beschikking gesteld die te vinden is via www.telmeemettaal.nl.
De vragenlijst die in bijlage 2 bij de regeling was opgenomen, vervalt. In de plaats
daarvan is eveneens op www.telmeemettaal.nl een geactualiseerde vragenlijst gepubliceerd, die de ontvanger van een subsidie als
bedoeld in artikel 3 moet laten invullen door alle deelnemers bij het begin van het
opleidingstraject en bij beëindiging van het opleidingstraject.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
I.K. van Engelshoven