Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en WaterstaatStaatscourant 2019, 22109Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 15 april 2019, nr. IENW/BSK-2019/60784, houdende vaststelling van regels voor subsidiëring van het inwinnen van extern advies over maatschappelijk verantwoord inkopen door aanbestedingsplichtige organisaties (Subsidieregeling advies bij klimaatneutraal en circulair inkopen)

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,

Gelet op de artikelen 3, eerste lid, onderdeel b, 4, eerste en tweede lid, en 5 van de Kaderwet subsidies I en M en de artikelen 2, eerste lid, 4, 6, zesde lid, 8, 10, tweede lid, 13, 15, vijfde lid en 22, tweede lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M;

BESLUIT:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

inkoper:

aanbestedende dienst als bedoeld in artikel 1.1 van de Aanbestedingswet 2012, uitgezonderd de staat, en een speciaal sectorbedrijf als bedoeld in deze wet;

Kaderbesluit:

Kaderbesluit subsidies I en M;

maatschappelijk verantwoord inkopen:

inkoop van producten, diensten en werken waarbij binnen verschillende thema’s de effecten op mensen, de planeet, het milieu en welvaart worden meegenomen;

Minister:

Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

RIVM:

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.

Artikel 2. Doel van de regeling

Deze regeling heeft tot doel om via een kennisimpuls, door het inwinnen van extern advies, inkopers te stimuleren maatschappelijk verantwoord in te kopen.

Artikel 3. Verstrekken van subsidie

  • 1. De Minister kan aan een inkoper subsidie verstrekken voor het inwinnen van extern advies over:

    • a. klimaatneutraal of circulair inkopen, bij een concreet inkooptraject, of

    • b. inkopen waarbij een ander thema van maatschappelijk verantwoord inkopen centraal staat, bij een concreet inkooptraject of een activiteit die tot doel heeft maatschappelijk verantwoord inkopen door de organisatie te stimuleren.

  • 2. De Minister verstrekt alleen subsidie wanneer de aanvrager aannemelijk maakt:

    • a. dat hij een ambitie heeft op het gebied van maatschappelijk verantwoord inkopen;

    • b. dat er een kennisvraag is over maatschappelijk verantwoord inkopen die niet met aanwezige kennis binnen de aanbestedingsplichtige organisatie kan worden beantwoord, en

    • c.

      • voor zover het subsidiëring betreft van extern advies over klimaatneutraal of circulair inkopen, dat hiermee voldoende kan worden bijgedragen aan CO2-reductie of efficiënt grondstoffengebruik, of

      • voor zover het subsidiëring betreft van extern advies over inkopen waarbij een ander thema van maatschappelijk verantwoord inkopen centraal staat, dat hiermee voldoende kan worden bijgedragen aan het bereiken van de ambitie(s) van één van deze andere thema’s.

  • 3. Voor zover de inkoper een speciaal sectorbedrijf is in de zin van de Aanbestedingswet 2012 dat niet ook is aan te merken als aanbestedende dienst in de zin van deze wet, wordt alleen subsidie verstrekt voor het inwinnen van extern advies over maatschappelijk verantwoord inkopen in het kader van de uitvoer van haar sectorale taak.

Artikel 4. Subsidiabele kosten en hoogte subsidie

  • 1. Subsidiabel zijn alleen de kosten van het inwinnen van extern advies over maatschappelijk verantwoord inkopen.

  • 2. In afwijking van artikel 6, tweede lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit zijn kosten die zijn gemaakt vóór indiening van de aanvraag niet subsidiabel.

  • 3. De subsidie bedraagt per aanvraag € 10.000 voor extern advies over concrete inkooptrajecten voor klimaatneutraal en circulair inkopen en € 5.000 voor extern advies over concrete inkooptrajecten voor inkopen waarbij een ander thema van maatschappelijk verantwoord inkopen centraal staat alsmede voor andere activiteiten die dat bevorderen.

Artikel 5. Subsidieplafond en wijze van verdelen

  • 1. Het subsidieplafond voor 2019 bedraagt:

    • a. € 1.000.000 voor het inwinnen van extern advies over klimaatneutraal of circulair inkopen, en

    • b. € 75.000 voor het inwinnen van extern advies over inkopen waarbij een ander thema van maatschappelijk verantwoord inkopen centraal staat.

  • 2. De Minister stelt het subsidieplafond voor de daaropvolgende jaren vast en maakt dit bekend in de Staatscourant voor de aanvang van het tijdvak waarvoor het wordt vastgesteld.

  • 3. De subsidieverdeling vindt plaats op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 6. Subsidieaanvraag

  • 1. Een aanvraag kan uitsluitend worden ingediend door een inkoper.

  • 2. Een aanvraag voor het inwinnen van extern advies over maatschappelijk verantwoord inkopen bij een concreet inkooptraject moet worden ondertekend door de opdrachtgever binnen de aanbestedingsplichtige organisatie voor dit traject.

  • 3. Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door de Minister beschikbaar gesteld digitaal formulier dat is geplaatst op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Artikel 7. Indieningstermijn subsidieaanvraag

Aanvragen kunnen ieder kalenderjaar tot en met 30 september, 12.00 u Nederlandse tijd, worden ingediend.

Artikel 8. Afwijzingsgrond

Een aanvraag wordt, onverminderd het bepaalde in de artikelen 11 en 12 van het Kaderbesluit, afgewezen indien al eerder in hetzelfde kalenderjaar op grond van deze regeling subsidie is verstrekt aan de inkoper.

Artikel 9. Subsidievaststelling

Bij de verstrekking van een subsidie op grond van deze regeling wordt toepassing gegeven aan artikel 15, tweede lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit.

Artikel 10. Verplichtingen van de subsidieontvanger

In aanvulling op het bepaalde in artikel 17 van het Kaderbesluit is de subsidieontvanger verplicht:

  • a. na ontvangst van het besluit tot subsidieverstrekking een startgesprek met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland te voeren om de plannen en wensen van de subsidieontvanger nader te bespreken en advies te bieden bij het uitzetten van een passende kennisvraag aan een externe adviseur;

  • b. het externe advies te laten opstellen door een adviseur met kennis van het thema van maatschappelijk verantwoord inkopen waar de kennisvraag op ziet en ervaring met dit thema bij een aanbestedingsplichtige organisatie;

  • c. het externe advies binnen het kalenderjaar waarin de subsidie is verstrekt af te laten ronden;

  • d. voor zover subsidie is verstrekt voor extern advies over klimaatneutraal of circulair inkopen en dit advies (deels) is opgevolgd, de effecten van het klimaatneutraal of circulair inkopen naar aanleiding van dit advies, op CO2-reductie of efficiënt grondstoffengebruik te meten volgens een methodiek die door het RIVM ter beschikking wordt gesteld en de meetresultaten aan het RIVM ter beschikking te stellen, en

  • e. mee te werken aan openbaarmaking van het externe advies op een door de subsidieontvanger aan te geven tijdstip maar niet later dan twee jaar na opstelling hiervan.

Artikel 11. Evaluatie

De Minister publiceert uiterlijk vijf jaar na inwerkingtreding van de regeling een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk.

Artikel 12. Inwerkingtreding en horizonbepaling

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 mei 2019 en vervalt met ingang van 1 mei 2024, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Artikel 13. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling advies bij klimaatneutraal en circulair inkopen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, S. van Veldhoven-Van der Meer

TOELICHTING

Algemeen deel

1. Aanleiding voor en doel van de regeling

Op grond van deze subsidieregeling (hierna: regeling) kunnen subsidies worden verstrekt aan aanbestedingsplichtige organisaties om een externe adviseur in te schakelen voor ondersteuning bij maatschappelijk verantwoord inkopen.

Maatschappelijk verantwoord inkopen, ook wel duurzaam inkopen genoemd, houdt in dat bij de inkoop van producten, diensten en werken naast de prijs, rekening wordt gehouden met de effecten van de inkoop op het milieu en sociale aspecten. Voorbeelden van maatschappelijk verantwoord inkopen zijn circulair inkopen, klimaatneutraal inkopen, biobased inkopen, inkopen waarbij de internationale sociale voorwaarden worden toegepast en inkopen waarbij ‘social return on investment’ wordt toegepast.1 In de regeling ligt de nadruk op klimaatneutraal en circulair inkopen, waarmee wordt bijgedragen aan CO2-reductie of efficiënt grondstoffengebruik.

Met de regeling wordt uitvoering gegeven aan het ‘Plan van aanpak maatschappelijk verantwoord inkopen overheden 2015–2020’ van de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Economische Zaken en Klimaat, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Buitenlandse Zaken. In dit plan is beschreven welke activiteiten in de periode 2015–2020 door de rijksoverheid worden uitgevoerd om maatschappelijk verantwoord inkopen door de overheid in brede zin te bevorderen. Daarnaast is de regeling ondersteunend aan het ‘Uitvoeringsprogramma Circulaire Economie 2019-2023’. Met dit uitvoeringsprogramma geven het kabinet en de deelnemende partijen aan het ‘Grondstoffenakkoord’ vorm aan de transitie naar een circulaire economie. Ook maakt de regeling onderdeel uit van de impuls die de rijksoverheid met budget uit de ‘klimaatenvelop 2019’ via publieke inkoop wil geven aan de transitie naar een klimaatneutrale en circulaire economie.

Jaarlijks kopen aanbestedingsplichtige organisaties (waaronder de rijksoverheid, gemeenten, provincies en waterschappen) voor circa 73 miljard euro aan producten, diensten en werken in. Wanneer hierbij één van de thema’s van maatschappelijk verantwoord inkopen centraal staat kan een belangrijke bijdrage worden geleverd aan beleidsdoelen, zoals het tegengaan van klimaatverandering, het stimuleren van hernieuwbare energieopwekking en het verbeteren van de arbeidsomstandigheden. Maatschappelijk verantwoord inkopen is hiermee een krachtig instrument om een bijdrage te leveren milieudoelen en sociale doelen.

Bij veel aanbestedingsplichtige organisaties bestaat de wens om maatschappelijk verantwoord in te kopen. Dit blijkt ook uit het feit dat veel aanbestedingsplichtige organisaties de afgelopen jaren het ‘Manifest Maatschappelijk Verantwoord Inkopen 2016–2020’ hebben ondertekend en een ‘MVI actieplan’ hebben opgesteld. Het hiervoor genoemde manifest betreft een initiatief van het kabinet met als doel door middel van overheidsbrede inkoop de bijdrage van maatschappelijk verantwoord inkopen aan verschillende beleidsdoelen, zoals het tegengaan van klimaatverandering en het realiseren van een circulaire economie, te vergroten.

Aanbestedingsplichtige organisaties lopen bij maatschappelijk verantwoord inkopen echter aan tegen concretiseringsvraagstukken. In de praktijk blijkt het bijvoorbeeld lastig te zijn om bij klimaatneutraal inkopen te beoordelen welke offerte leidt tot de grootste CO2-reductie. Hierbij wordt de weg naar externe expertise niet altijd gevonden. Deze regeling beoogt het inwinnen van extern advies over maatschappelijk verantwoord inkopen te stimuleren.

In de regeling ligt de nadruk op de thema’s klimaatneutraal en circulair inkopen waarmee wordt bijgedragen aan CO2-reductie of efficiënt grondstoffengebruik. Daarom is het subsidieplafond voor extern advies over klimaatneutraal of circulair inkopen hoger dan het subsidieplafond voor extern advies over inkopen waarbij een ander thema van maatschappelijk verantwoord inkopen centraal staat.

2. Verhouding tot bestaande regelgeving

Een nationaal bestuursrechtelijke kader voor deze regeling wordt gevormd door de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Meer specifiek kan gewezen worden op hoofdstukken 4.1 (Beschikkingen) en 4.2 (Subsidies) van de Awb, waarin bepalingen zijn opgenomen die relevant zijn of kunnen zijn voor subsidieontvangers.

Daarnaast zijn het Kaderbesluit Subsidies I en M (hierna: het Kaderbesluit) en de staatssteunregels van belang voor de onderhavige regeling.

Kaderbesluit

Deze regeling is gebaseerd op het Kaderbesluit (en de daaraan ten grondslag liggende Kaderwet Subsidies I en M). De bepalingen van het Kaderbesluit zijn dan ook van toepassing op de subsidieverstrekking op grond van onderhavige regeling, ook wanneer er niet expliciet in de regeling naar verwezen wordt. Voor de subsidieontvanger is dan ook niet alleen deze regeling, maar ook het Kaderbesluit van belang.

Europeesrechtelijke aspecten

De onderhavige regeling is getoetst op mogelijke staatssteunelementen. Doordat de subsidie beperkt is tot inkoop door aanbestedingsplichtige organisaties en gericht is op de uitvoering van de wettelijke plicht tot aanbesteding is geen sprake van subsidiëring van economische activiteiten. Dit betekent dat er geen sprake is van staatsteun.

3. Administratieve lasten en risicoanalyse

De administratieve lasten voor de aanvragers van subsidie bestaan uit het kennisnemen van de regeling, het doen van de aanvraag en de overige verplichtingen die uit de regeling voortvloeien voor ontvangers van subsidie, waaronder voor zover van toepassing het verplicht meewerken aan onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: het RIVM) naar de effecten van klimaatneutraal of circulair inkopen op CO2-reductie of efficiënt grondstoffengebruik. Voor deze regeling zijn de administratieve lasten voor een aanvrager van de subsidie geschat op gemiddeld 5% van het totale subsidiebedrag. De administratieve lasten van de regeling zijn zo laag mogelijk gehouden.

Er is een risico-analyse uitgevoerd en een risico-beheerplan opgesteld. Mede op basis daarvan is gekozen voor een licht handhavingsregime.

4. Uitvoering

Deze regeling wordt uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO.nl), onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Mandaat en machtiging daartoe is verleend in het Besluit mandaat, volmacht en machtiging algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland op het terrein van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. RVO.nl is betrokken geweest bij het opstellen van de regeling en heeft een uitvoerbaarheidstoets uitgevoerd. Uit die toets zijn geen problemen in de uitvoerbaarheid naar voren gekomen.

5. Consultatie

De onderhavige regeling brengt geen significante verandering in de rechten en plichten van burgers, bedrijven en instellingen en heeft ook geen grote gevolgen voor de uitvoeringspraktijk. Op grond van het kabinetsstandpunt inzake internetconsultatie2 kon internetconsultatie daarom achterwege blijven.

6. Inwerkingtreding en horizonbepaling

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 mei 2019. Hiermee wordt afgeweken van de in het tweede lid van artikel 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving voor ministeriële regelingen genoemde vaste verandermomenten en van de ingevolge het vierde lid geldende minimuminvoeringstermijn van twee maanden. Hiertoe wordt overgegaan omdat hiermee ongewenste publieke nadelen worden voorkomen. Het later in werking laten treden van deze regeling zou ertoe leiden dat pas later in 2019 beschikt kan worden op de aanvragen om subsidie. Dit zou een vertraging opleveren voor het maatschappelijk verantwoord inkopen door aanbestedingsplichtige organisaties en de voordelen voor het milieu die hiermee gemoeid zijn. Er is tijdig een vooraankondiging gedaan van de regeling op de websites van RVO.nl en PIANOo (dit is het expertisecentrum aanbesteden van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat) en er is ook op andere wijze gecommuniceerd met de doelgroep. Zij is daarom op de hoogte van de regeling.

De regeling geldt voor een periode van vijf jaar en vervalt op 1 mei 2024. Uiterlijk vijf jaar na inwerkingtreding van de regeling wordt een verslag gepubliceerd over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk.

Artikelsgewijs deel

Artikel 1 Begripsbepalingen

Artikel 1 bevat de begripsbepalingen die van belang zijn voor deze regeling. De begripsbepaling van inkoper wordt hieronder nader toegelicht.

In deze regeling wordt onder inkoper verstaan een aanbestedende dienst in de zin van artikel 1.1 van de Aanbestedingswet 2012 (hierna: de Aanbestedingswet), uitgezonderd de staat, en een speciaal sectorbedrijf in de zin van artikel 1.1 van deze wet.

Onder aanbestedende dienst wordt in artikel 1.1 van de Aanbestedingswet verstaan de staat, een provincie, een gemeente, een waterschap of een publiekrechtelijke instelling dan wel een samenwerkingsverband van deze overheden of publiekrechtelijke instellingen. In artikel 1.1 van de Aanbestedingswet wordt tevens omschreven aan welke criteria een organisatie moet voldoen om beschouwd te worden als publiekrechtelijke instelling in de zin van deze wet.

Onder speciaal sectorbedrijf wordt in artikel 1.1 van de Aanbestedingswet verstaan een aanbestedende dienst, een overheidsbedrijf en een bedrijf of instelling waaraan door een aanbestedende dienst een bijzonder recht of een uitsluitend recht is verleend, voor zover die dienst, dat bedrijf of die instelling een activiteit uitoefent als bedoeld in dit artikel. Uit de omschrijving in de Aanbestedingswet van een speciaal sectorbedrijf volgt dat een deel van de bedrijven die zijn aan te merken als speciaal sectorbedrijf tevens zijn aan te merken als aanbestedende dienst in de zin van deze wet. Deze bedrijven vallen reeds hierom al onder de begripsomschrijving van inkoper.

Artikel 2. Doel van de regeling

Voor het doel van de regeling wordt verwezen naar de doelstelling van de regeling die in het algemeen deel van deze toelichting is verwoord.

Artikel 3. Verstrekken van subsidie

In het eerste lid van artikel 3 is bepaald dat de Minister subsidie kan verstrekken aan een inkoper. Onder inkopers in de zin van de regeling vallen alle aanbestedingsplichtige organisaties uitgezonderd de staat. De staat is uitgesloten van subsidie omdat het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties coördinerend is voor het stimuleren van maatschappelijk verantwoord inkopen door de rijksoverheid en daarvoor budget toegekend heeft gekregen.

Daarnaast is in het eerste lid onderscheid gemaakt tussen extern advies over klimaatneutraal en circulair inkopen (a) en inkopen waarbij een ander thema van maatschappelijk verantwoord inkopen centraal staat (b). Een voorbeeld van een activiteit die onder onderdeel a, valt is het klimaatneutraal inkopen van onderhoud van een weg door een provincie, waarbij energiebesparing wordt gerealiseerd in materiaalgebruik en vervoer. Een voorbeeld van een activiteit die onder onderdeel b valt is de inkoop van natuursteen door een waterschap waarbij het waterschap rekening wil houden met de internationale sociale voorwaarden. Met het toepassen van internationale sociale voorwaarden kan het waterschap bijdragen aan het uitbannen van misstanden in de inkoopketen, zoals dwangarbeid, slavernij, kinderarbeid en discriminatie.

Ook is in het eerste lid bepaald dat voor zover subsidie wordt verstrekt voor extern advies over klimaatneutraal of circulair inkopen, dit advies moet worden gegeven in het kader van een concreet inkooptraject. Wanneer subsidie wordt verstrekt voor extern advies over inkopen waarbij een ander thema van maatschappelijk verantwoord inkopen centraal staat, geldt dat dit advies gegeven kan worden in het kader van een concreet inkooptraject of een activiteit die tot doel heeft maatschappelijk verantwoord inkopen door de organisatie te stimuleren. Het kan daarbij om een breed scala van activiteiten gaan. De uitrol van een project binnen een organisatie met als doel de verankering van maatschappelijk verantwoord inkopen in de gehele organisatie is bijvoorbeeld een activiteit waarvoor extern advies kan worden ingewonnen dat subsidiabel is. Het vereiste dat alleen subsidie wordt verstrekt voor extern advies over klimaatneutraal of circulair inkopen wanneer sprake is van een concreet inkooptraject, is gesteld om ervoor te zorgen dat CO2-reductie of efficiënt grondstoffengebruik ten gevolge van klimaatneutraal of circulair inkopen naar aanleiding van het ingewonnen externe advies, gemeten kan worden.

In het tweede lid is in de onderdelen a, b en c bepaald wat een aanvrager om subsidie aannemelijk moet maken om in aanmerking te komen voor subsidie. In onderdeel a is bepaald dat de aanvrager om subsidie aannemelijk moet maken een eigen ambitie te hebben op het gebied van maatschappelijk verantwoord inkopen. De aanvrager kan aantonen deze ambitie te hebben door een ondertekend ‘Manifest Maatschappelijk Verantwoord Inkopen’ of een vergelijkbaar beleidsdocument. In onderdeel b is bepaald dat het moet gaan om een kennisvraag waarvoor onvoldoende expertise bestaat binnen de aanbestedingsplichtige organisatie die subsidie aanvraagt om deze vraag te beantwoorden. In onderdeel c is bepaald dat er op het gebied van klimaatneutraal en circulair inkopen of inkopen waarbij een ander thema van maatschappelijk verantwoord inkopen centraal staat voldoende sprake moet zijn van verbeterpotentieel. Dit kan de aanvrager van subsidie aannemelijk maken via de beschrijving van de ambitie op het gebied van maatschappelijk verantwoord inkopen.

In het derde lid van artikel 3 is bepaald dat alleen subsidie wordt verleend voor extern advies over maatschappelijk verantwoord inkopen aan een speciaal sectorbedrijf, dat niet tevens is aan te merken als aanbestedende dienst in de zin van de Aanbestedingswet, wanneer het gaat om inkoop in het kader van haar sectorale taak. Deze voorwaarde is opgenomen omdat een speciaal sectorbedrijf dat niet tevens is aan te merken als aanbestedende dienst in de zin van de Aanbestedingswet, alleen verplicht is de regels voor aanbesteding uit de Aanbestedingswet toe te passen wanneer zij haar sectorale taak uitoefent.

Artikel 4. Subsidiabele kosten en hoogte subsidie

In het tweede lid van artikel 4 wordt afgeweken van het bepaalde in artikel 6, tweede lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit. Uit dit artikel volgt dat de vóór indiening van de aanvraag door de aanvrager gemaakte kosten voor subsidie in aanmerking komen wanneer het een subsidie betreft van lager dan € 25.000 waarbij met toepassing van artikel 15, tweede lid, direct een beschikking tot subsidievaststelling wordt gegeven. Op grond van onderhavige regeling worden dit soort subsidies verstrekt. Er worden immers subsidies verstrekt van maximaal € 10.000 en in artikel 9 is bepaald dat subsidies bij de verlening direct worden vastgesteld. Omdat het niet wenselijk is dat subsidie wordt verstrekt voor reeds opgestelde of deels opgestelde adviezen is in het tweede lid bepaald dat geen subsidie wordt verstrekt voor kosten die zijn gemaakt voor indiening van de aanvraag.

In het derde lid is bepaald welk bedrag per aanvraag wordt verstrekt. Hierbij zijn twee verschillende bedragen vastgesteld waarbij is aangesloten bij het gemaakte onderscheid binnen maatschappelijk verantwoord inkopen in artikel 3 van de regeling. Uit het derde lid volgt dat per aanvraag een vast bedrag wordt verstrekt. Met de hoogte van de genoemde bedragen is gewaarborgd dat aan zoveel mogelijk aanbestedingsplichtige organisaties subsidie kan worden verstrekt en tegelijkertijd voldoende geld beschikbaar is voor het opstellen van deugdelijke adviezen. Het subsidieplafond voor circulair of klimaatneutraal inkopen is hoger dan voor de andere thema’s van maatschappelijk verantwoord inkopen. Het bedrag dat per aanvrager beschikbaar is voor advies over klimaatneutraal of circulair inkopen is daarom ook hoger vastgesteld.

Artikel 5. Subsidieplafond en wijze van verdelen

Er zijn in het eerste lid van artikel 5 twee subsidieplafonds vastgesteld voor 2019 waarbij eveneens is aangesloten bij het gemaakte onderscheid binnen maatschappelijk verantwoord inkopen in artikel 3 van de regeling. Dit betekent dat één plafond is vastgesteld voor extern advies over klimaatneutraal of circulair inkopen en één plafond voor extern advies over inkopen waarbij een ander thema van maatschappelijk verantwoord inkopen centraal staat.

Artikel 6. Subsidieaanvraag

In het tweede lid van artikel 6 is bepaald dat een aanvraag om subsidie voor extern advies over maatschappelijk verantwoord inkopen bij een concreet inkooptraject moet worden ondertekend door de opdrachtgever voor dit traject binnen de aanbestedingsplichtige organisatie. Deze verplichting is opgenomen omdat het voor de effectiviteit van het advies belangrijk is dat bij een inkooptraject ook de opdrachtgever de wens om maatschappelijk verantwoord in te kopen ondersteunt.

Artikel 7. Indieningstermijn subsidieaanvraag

In artikel 7 is bepaald dat aanvragen tot en met 30 september (12.00 u Nederlandse tijd) kunnen worden ingediend. Deze datum is opgenomen zodat kan worden voldaan aan het vereiste van artikel 10, onderdeel c, van de regeling dat het externe advies binnen het kalenderjaar waarvoor de subsidie is verstrekt moet worden afgerond.

Artikel 8. Afwijzingsgrond

In de artikelen 11 en 12 van het Kaderbesluit zijn de gronden voor afwijzing van een aanvraag om subsidie opgenomen. In artikel 8 van de regeling is daarnaast een extra afwijzingsgrond opgenomen. Uit dit artikel volgt dat op grond van deze regeling aan dezelfde inkoper slechts eenmaal per kalenderjaar subsidie kan worden verstrekt. De afwijzingsgrond van artikel 8 is opgenomen om zoveel mogelijk aanbestedingsplichtige organisaties een kans te geven op extern advies.

Artikel 9. Subsidievaststelling

In artikel 15, tweede lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit is bepaald dat indien een subsidie lager dan € 25.000 wordt verstrekt direct een beschikking tot subsidievaststelling wordt gegeven. Door dit artikel van toepassing te verklaring in artikel 9 wordt een subsidie gelijktijdig met de verlening hiervan direct vastgesteld.

Artikel 10. Verplichtingen van de subsidieontvanger

Naast de in artikel 17 van het Kaderbesluit opgenomen verplichtingen voor subsidieontvangers zijn in artikel 10 van de regeling extra verplichtingen opgenomen.

In onderdeel a van artikel 10 is bepaald dat na ontvangst van het besluit tot subsidieverstrekking een startgesprek met RVO.nl moet plaatsvinden. Hiermee wordt beoogd de kwaliteit van het externe advies te verhogen. Het advies dat de subsidieontvanger van RVO.nl ontvangt is niet bindend. RVO.nl kan aanbevelingen doen ten aanzien van de criteria die belangrijk kunnen zijn voor het selecteren van een passende externe adviseur, maar geeft geen concrete adviezen over de keuze van de in te schakelen adviseurs.

In onderdeel b is bepaald dat het externe advies waarvoor subsidie wordt gevraagd moet worden opgesteld door een adviseur met kennis van het thema van maatschappelijk verantwoord inkopen waar de kennisvraag op ziet en ervaring met dit thema bij een aanbestedingsplichtige organisatie. Dit betekent dat de adviseur bekend is met het gedachtengoed van maatschappelijk verantwoord inkopen, zoals verwoord in het ‘Manifest Maatschappelijk Verantwoord Inkopen 2016–2020’ en de adviseur eerder een actieve rol moet hebben gespeeld bij een voor de kennisvraag relevant project op het gebied van maatschappelijk verantwoord inkopen bij een aanbestedingsplichtige organisatie. Reden voor deze voorwaarden is het uitgangspunt dat een adviseur enige expertise moet hebben opgebouwd om een wezenlijke impuls te kunnen geven aan maatschappelijk verantwoord inkopen door aanbestedingsplichtige organisaties.

In onderdeel c is een termijn gegeven voor het afronden van een extern adviestraject. Deze termijn is opgenomen omdat sprake moet zijn van een concrete vraag van een aanbestedingsplichtige organisatie die snel moet kunnen worden beantwoord. Het is niet de bedoeling dat de adviseur die wordt ingehuurd processen of taken overneemt van de subsidieontvangers. Het doel van de regeling is het geven van een kennisimpuls.

In onderdeel d is bepaald dat, voor zover subsidie is verstrekt voor extern advies over klimaatneutraal of circulair inkopen en dit advies (deels) is opgevolgd, subsidieontvangers verplicht zijn om mee te werken aan een onderzoek door het RIVM naar de effecten van het klimaatneutraal of circulair inkopen. Hiervoor zal in het besluit tot subsidieverstrekking een termijn worden opgenomen. Aan subsidieontvangers wordt door het RIVM een methodiek ter beschikking gesteld met nadere informatie over de wijze waarop zij de effecten moeten meten. Hiermee worden subsidieontvangers in staat gesteld ook in opvolgende jaren het meten voort te zetten. De aangereikte methodiek houdt de administratieve lasten voor de subsidieontvangers zo laag mogelijk.

In onderdeel e is bepaald dat subsidieontvangers mee moeten werken aan openbaarmaking van het externe advies. Openbaarmaking is belangrijk omdat de regeling bedoeld is om kennis bij de doelgroep over maatschappelijk verantwoord inkopen te vergroten. Door alle adviezen te ontsluiten kunnen aanbestedingsplichtige organisaties leren van de vragen van anderen en de uitgebrachte adviezen.

Artikel 12. Inwerkingtreding en horizonbepaling

Voor een toelichting op de inwerkingtreding en horizonbepaling wordt verwezen naar het algemene deel van deze toelichting.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, S. van Veldhoven-Van der Meer


X Noot
1

Met circulair wordt bedoeld het opnieuw inzetten van producten, onderdelen of grondstoffen, klimaatneutraal betekent dat een proces niet bijdraagt aan klimaatverandering, biobased betekent dat hernieuwbare grondstoffen worden gebruikt in een productieproces, met internationale sociale voorwaarden wordt gedoeld op alle Europese en internationale sociale normen, waarbij het met name gaat om mensenrechten en arbeidsnormen en met ‘social return on investment’ wordt gedoeld op de (extra) sociale en maatschappelijke waarde voortvloeiend uit een investering.

X Noot
2

Kamerstukken II 2009/10, 29 279, nr. 114 en Kamerstukken II 2012/13, 29 362, nr. 224.