Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en WaterstaatStaatscourant 2019, 21354Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 15 april 2019, nr. IENW/BSK-2019/72827, houdende vaststelling van regels voor de goedkeuring en het gebruik van tachografen alsmede de diplomaeisen van tachograaftechnici en de controle en toezichtbevoegdheden van de Dienst Wegverkeer en tot intrekking van de Regeling controleapparaten 2005 (Regeling tachografen)

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

Gelet op artikel 2.4:12, aanhef en onderdelen f en g, en artikel 2.4:13, eerste lid, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer;

BESLUIT:

HOOFDSTUK 1: ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1:1 Begripsbepaling

  • 1. In deze regeling zijn de definities van artikel 2, tweede lid, van verordening (EU) nr. 165/2014 van toepassing.

  • 2. Onverminderd de in het eerste lid bedoelde definities, wordt in deze regeling verstaan onder:

    erkenninghouder:

    natuurlijk persoon of rechtspersoon die houder is van een erkenning tachografen of een bij deze regeling daaraan gelijkgestelde erkenning;

    erkenning tachografen:

    erkenning als bedoeld in artikel 2:1;

    installatieplaatje:

    bewijs dat de tachograaf in overeenstemming met de verordening (EU) nr. 165/2014 is geïnstalleerd;

    tachograaftechnicus:

    houder van een geldige bevoegdheidspas;

    bevoegdheidspas:

    pas, bedoeld in artikel 2:6, eerste lid;

    werkplaats:

    plaats waar werkzaamheden aan tachografen uitgevoerd worden;

    werkzaamheden:

    installeren, controleren, inspecteren of repareren van tachografen;

    zegelnummer:

    uniek identificatienummer van het zegel als bedoeld in artikel 5.3 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2016/799;

    kenmerkteken werkplaats:

    speciaal merkteken als bedoeld in als bedoeld in artikel 22, derde lid, van de verordening (EU) nr. 165/2014;

    wet:

    Arbeidstijdenwet.

HOOFDSTUK 2: DE ERKENNING TACHOGRAFEN EN DE ERKENNING BEVOEGDHEID TACHOGRAAFTECHNICUS

Artikel 2:1 Verlening erkenning tachografen

  • 1. De Dienst Wegverkeer verleent een erkenning tachografen voor bepaalde of onbepaalde tijd aan een aanvrager die beschikt over een werkplaats die voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 2:4.

  • 2. Bij een aanvraag voor een erkenning als bedoeld in het eerste lid legt de aanvrager over:

    • a. een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens die niet ouder is dan twee maanden;

    • b. een geldig KvK-nummer, tenzij de Handelsregisterwet of het Burgerlijk Wetboek een inschrijving in het handelsregister niet vereist.

Artikel 2:2 Toekenning kenmerkteken werkplaats

  • 1. De Dienst Wegverkeer kent een kenmerkteken werkplaats toe aan:

    • a. een erkenninghouder; of

    • b. op grond van artikel 8:1, tweede lid, van de wet aangewezen ambtenaren.

  • 2. Bij verlies of diefstal van het kenmerkteken werkplaats kent de Dienst Wegverkeer uitsluitend op basis van een proces-verbaal van aangifte bij de politie een nieuw zegelnummer toe.

Artikel 2:3 Eisen aan de erkenning tachografen

  • 1. De erkenning tachografen vermeldt ten minste:

    • a. de naam- en adresgegevens van de erkenninghouder;

    • b. de werkplaatsadressen waarvoor de erkenning geldt;

    • c. het kenmerkteken werkplaatsen;

    • d. de geldigheidsduur.

  • 2. Met de erkenning tachografen ontvangt de aanvrager de toegangscode voor de melding van de werkzaamheden, een schild en een sticker als bedoeld in artikel 1, eerste en tweede lid, van de Regeling publicatie modellen Dienst Wegverkeer 2014.

  • 3. Indien er een wijziging is van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, stelt de erkenninghouder de Dienst Wegverkeer hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte.

  • 4. Een werkplaats wordt slechts in één erkenning tachografen vermeld.

Artikel 2:4 Eisen aan een werkplaats

  • 1. Een werkplaats voldoet aan de eisen, bedoeld in bijlage I.

  • 2. Een fabrikant van motorrijtuigen hoeft, voor werkzaamheden waarbij de parameters van de tachograaf aan de hand van een theoretische berekening worden vastgesteld in motorrijtuigen die voor het eerst in gebruik worden genomen, niet te voldoen aan de volgende eisen in bijlage I:

    • a. de eisen aan de inspectieput of hefinrichting;

    • b. de aanwezigheid van een:

      • i. voorziening geschikt voor datacommunicatie;

      • ii. meetbaan van 20 meter, rollen- of remmentestbank;

      • iii. meetband;

      • iv. bandenprofieldieptemeter met verende stift.

  • 3. De erkenninghouder bewaart het materiaal dat en de apparatuur die nodig is voor het verzegelen van tachografen en de toegangscode, bedoeld in artikel 2:3, tweede lid, in de werkplaats op een wijze die voor onbevoegden niet toegankelijk is.

  • 4. De tachograaftechnicus en de erkenninghouder dragen er zorg voor dat de werkplaatskaart en de bevoegdheidspas met bijbehorende pincodes niet toegankelijk zijn voor onbevoegden.

Artikel 2:5 Verlening diploma tachograaftechnicus

  • 1. De Dienst Wegverkeer verleent een diploma tachograaftechnicus indien de aanvrager het examen tachograaftechnicus met goed gevolg heeft afgelegd.

  • 2. De Dienst Wegverkeer verleent op aanvraag een bewijs bevoegdheidsverlenging indien de aanvrager het examen bevoegdheidsverlenging met goed gevolg heeft afgelegd.

  • 3. De examens, bedoeld in het eerste en tweede lid:

    • a. worden opgesteld en afgenomen door de Dienst Wegverkeer;

    • b. bestaan uit een theorie- en een praktijkdeel, en

    • c. hebben in ieder geval betrekking op:

      • i. de werkzaamheden;

      • ii. het functioneren van motorrijtuigen en van snelheidsbegrenzers in relatie tot de tachograaf; en

      • iii. de wettelijke voorschriften omtrent de onderdelen i. en ii.

Artikel 2:6 Verlening erkenning bevoegdheid tachograaftechnicus

  • 1. De Dienst Wegverkeer verleent op aanvraag aan een natuurlijk persoon een bevoegdheidspas indien de aanvrager een diploma overlegt als bedoeld in artikel 2:5, eerste lid.

  • 2. Het diploma, bedoeld in het eerste lid, is op het moment dat de bevoegdheidspas wordt aangevraagd, minder dan twee jaar geleden verstrekt aan de aanvrager.

  • 3. Een bevoegdheidspas heeft een geldigheidsduur van vier jaar.

  • 4. De Dienst Wegverkeer verstrekt een pincode tezamen met een bevoegdheidspas.

  • 5. Een bevoegdheidspas wordt, op het moment dat de geldigheidsduur van de pas afloopt, verlengd met vier jaar indien de aanvrager een bewijs bevoegdheidsverlenging als bedoeld in artikel 2:5, tweede lid, overlegt.

  • 6. Uitsluitend indien een persoon bij een fabrikant werkzaam is, wordt:

    • a. in afwijking van het eerste lid op aanvraag van de fabrikant en de persoon ten behoeve van wie de bevoegdheidspas wordt aangevraagd, een bevoegdheidspas afgegeven na overlegging van een verklaring van de fabrikant dat de betreffende persoon bij hem werkzaam is en voldoende kennis heeft van het bedrijfsproces om de werkzaamheden te kunnen verrichten;

    • b. in afwijking van het vierde lid geen pincode verstrekt;

    • c. in afwijking van het vijfde lid de bevoegdheidspas verlengd door overlegging van een verklaring van de fabrikant dat de betreffende persoon bij hem werkzaam is en voldoende kennis heeft van het bedrijfsproces om de werkzaamheden te kunnen verrichten.

HOOFDSTUK 2A: MOBIELE ONDERZOEKSEENHEDEN EN INRICHTINGEN

Artikel 2a:1 Begripsbepaling

In aanvulling op de definities genoemd in artikel 1:1 wordt in dit hoofdstuk verstaan onder:

inrichting:

plaats waar werkzaamheden met een mobiele onderzoekseenheid plaatsvinden, niet zijnde een werkplaats;

mobiele onderzoekseenheid:

voertuig van de voertuigcategorie M of N als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen, gebruikt voor het verrichten van werkzaamheden in verschillende inrichtingen.

Artikel 2a:2 Eisen aan een mobiele onderzoekseenheid en inrichting

  • 1. Een mobiele onderzoekseenheid of inrichting voldoet aan de eisen genoemd in bijlage Ia.

  • 2. Een mobiele onderzoekseenheid verricht geen werkzaamheden in een werkplaats waarvan de erkenning tachografen is geschorst of in de laatste twee jaar is ingetrokken en niet tussentijds opnieuw is verleend.

Artikel 2a:3 Gelijkstelling erkenning tachografen

  • 1. De houder van een erkenning als installateur of reparateur voor een mobiele onderzoekseenheid, verleend op grond van de Regeling controleapparaten 2005 zoals die luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop deze regeling in werking treedt, is een erkenninghouder als bedoeld in deze regeling.

  • 2. Voor 1 januari 2020 overlegt een houder van een erkenning als bedoeld in het eerste lid, aan de Dienst Wegverkeer een overzicht van de inrichting of inrichtingen waar die erkenninghouder werkzaamheden wil kunnen verrichten.

  • 3. De Dienst Wegverkeer verstrekt binnen vier weken nadat de erkenninghouder het overzicht, bedoeld in het tweede lid, heeft overgelegd, een bewijs erkenning mobiele onderzoekseenheid waarop de adressen staan vermeld van inrichtingen waar werkzaamheden zijn toegestaan.

  • 4. Het bewijs, bedoeld in het derde lid, is tijdens werkzaamheden aanwezig in de mobiele onderzoekseenheid.

  • 5. Indien er een wijziging is van de gegevens genoemd in het tweede lid, stelt de erkenninghouder de Dienst Wegverkeer hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte.

Artikel 2a:4 Horizonbepaling

Dit hoofdstuk en de verwijzingen in de artikelen 5:1 en 5:2 naar dit hoofdstuk, inclusief de op dit hoofdstuk gebaseerde bijlage, vervallen met ingang van 1 juni 2025.

HOOFDSTUK 3 PROCEDURE VAN WERKZAAMHEDEN

Artikel 3:1 Algemene bepalingen over de procedure van werkzaamheden

  • 1. De werkzaamheden worden uitgevoerd in de werkplaats met inachtneming van de relevante bepalingen uit dit hoofdstuk en de instructies van de fabrikant of importeur over:

    • a. de tachograaf;

    • b. het functioneren van snelheidsbegrenzers met betrekking tot aspecten die van belang zijn bij de installatie en de werkzaamheden van tachografen;

    • c. het functioneren van motorrijtuigen met betrekking tot aspecten die van belang zijn bij de installatie en de werkzaamheden van tachografen.

  • 2. De erkenninghouder stelt aan de tachograaftechnicus de apparatuur, handleidingen en andere actuele documentatie ter beschikking die nodig zijn om de werkzaamheden aan de tachograaf uit te voeren.

  • 3. Voor het gebruik van de werkplaatskaart wordt onder testen verstaan: toetsing van een tachograaf voor de eerste ingebruikname van een voertuig of tachograaf, of voor de reparatie van een tachograaf of bij andere aan de tachograaf gerelateerde werkzaamheden.

Artikel 3:2 Controle datum eerste toelating

  • 1. Er worden geen werkzaamheden verricht dan nadat de website van de Dienst Wegverkeer is geraadpleegd om de datum van eerste toelating van het motorrijtuig waarin de tachograaf is geïnstalleerd, vast te stellen.

  • 2. In een nieuw motorrijtuig worden de werkzaamheden aan de tachograaf uiterlijk uitgevoerd op het tijdstip dat het motorrijtuig voor het eerst in gebruik wordt genomen.

  • 3. Ingeval de werkzaamheden betrekking hebben op een tachograaf in een niet in Nederland geregistreerd motorrijtuig wordt de datum eerste toelating van het motorrijtuig geraadpleegd via het voor dat motorrijtuig afgegeven kentekenbewijs.

Artikel 3:3 Manipulatiecontrole

  • 1. De tachograaftechnicus beoordeelt tijdens de werkzaamheden of de tachograaf is gemanipuleerd en of er manipulatieapparatuur aanwezig is.

  • 2. De manipulatiecontrole bestaat uit de volgende elementen:

    • a. controle op aanwezigheid van manipulatieapparatuur;

    • b. controle parameters tachograaf in overeenstemming met het installatieplaatje;

    • c. controle op verbroken of niet aanwezige verzegelingen;

    • d. controle op beschadigingen van de installatie die de integriteit van de tachograaf in twijfel trekken;

    • e. controle op aanwezige voorvallen en gebeurtenissen in de tachograaf die duiden op manipulatie met behulp van de afdruk; en

    • f. verificatie van de bewegingssensor om manipulatieapparatuur detecteren.

  • 3. Vaststelling van manipulatie dan wel aanwezigheid van manipulatieapparatuur wordt zo spoedig mogelijk aan de Dienst Wegverkeer gemeld met gebruikmaking van een door de Dienst Wegverkeer daartoe bekendgemaakt formulier.

Artikel 3:4 Certificaat van onmogelijkheid van gegevensoverdracht

  • 1. Indien een tachograaftechnicus een digitale tachograaf buiten bedrijf stelt of in een ander motorrijtuig installeert, stelt hij direct, voor zover dit mogelijk is, alle gegevens uit het apparaat veilig.

  • 2. Indien het niet mogelijk is de gegevens veilig te stellen, wordt dit aan de Dienst Wegverkeer gemeld met gebruikmaking van een door de Dienst Wegverkeer daartoe bekendgemaakt certificaat van onmogelijkheid van gegevensoverdracht.

  • 3. Op schriftelijk verzoek van de werkgever of de persoon, bedoeld in artikel 2:7, eerste lid, van de wet, verstrekt de erkenninghouder aan hem de gegevens uit de digitale tachograaf die dat bedrijf betreffen dan wel het certificaat van onmogelijkheid van gegevensoverdracht.

Artikel 3:5 Afsluiting van de werkzaamheden

  • 1. De werkzaamheden worden afgesloten met een proefrit om te controleren dat de tachograaf naar behoren functioneert.

  • 2. Na afloop van de werkzaamheden wordt een afdruk technische gegevens gemaakt van de tachograaf.

Artikel 3:6 Melding werkzaamheden aan de Dienst Wegverkeer

  • 1. Na beëindiging van de werkzaamheden meldt de tachograaftechnicus die de werkzaamheden heeft verricht de volgende gegevens aan de Dienst Wegverkeer:

    • a. het pasnummer van de bevoegdheidspas en de daar bijbehorende pincode, bedoeld in artikel 2:6;

    • b. het kenteken en de meldcode, gevormd door de laatste vier cijfers van het identificatienummer;

    • c. merk, type, versie, serienummer en ingestelde apparaatconstante van de tachograaf;

    • d. merk en serienummer van de bewegingssensor van de digitale tachograaf;

    • e. alle aangebrachte zegelnummers;

    • f. indien het een motorrijtuig is voorzien van een kilometerteller, de afgelezen tellerstand;

    • g. indien van toepassing een ingevuld manipulatieformulier;

    • h. indien van toepassing het ingevulde certificaat van onmogelijkheid van gegevensoverdracht.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt, indien het motorrijtuig niet of nog niet is voorzien van een Nederlands kenteken, het volledige identificatienummer gemeld.

  • 3. De in het eerste lid bedoelde meldingsplicht geldt niet voor fabrikanten van motorrijtuigen, voor zover het de werkzaamheden betreft in motorrijtuigen die voor de eerste maal in gebruik worden genomen.

Artikel 3:7 Aanbrengen installatieplaatje na melding werkzaamheden

  • 1. Na de melding, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, of de werkzaamheden als bedoeld in artikel 3:6, derde lid, wordt een installatieplaatje aangebracht.

  • 2. Het in het eerste lid bedoelde installatieplaatje wordt niet eerder aangebracht dan nadat door de Dienst Wegverkeer is medegedeeld dat:

    • a. de in het eerste lid bedoelde melding niet leidt tot een steekproefsgewijze controle van de werkzaamheden;

    • b. de melding leidt tot een steekproefsgewijze controle van de werkzaamheden en deze controle heeft geleid tot een goedkeuring; of

    • c. de melding leidt tot een steekproefsgewijze controle van de werkzaamheden, maar deze controle niet binnen 90 minuten na de melding is begonnen.

HOOFDSTUK 4 HET BEWAREN VAN GEGEVENS

Artikel 4:1 De registers

  • 1. De erkenninghouder houdt een register bij van de manipulatieformulieren en van de certificaten van onmogelijkheid van gegevensoverdracht, bedoeld in artikel 3:3, derde lid, en artikel 3:4, derde lid, die in de in zijn erkenning tachografen genoemde werkplaats of werkplaatsen worden opgemaakt.

  • 2. De erkenninghouder houdt een register bij van de werkzaamheden die worden verricht in de in zijn erkenning tachografen genoemde werkplaats of werkplaatsen. Het register bevat de gegevens, bedoeld in bijlage II.

  • 3. De erkenninghouder houdt een register bij van het gebruik van de werkplaatskaart. Dit register bevat een overzicht per maand van de op de werkplaatskaart vastgelegde gegevens.

  • 4. De erkenninghouder bewaart de in dit artikel bedoelde gegevens ten minste 3 jaar en maakt daartoe regelmatig een back-up.

  • 5. De in dit artikel genoemde registers zijn eenvoudig door de Dienst Wegverkeer te raadplegen.

  • 6. Dit artikel is niet van toepassing op fabrikanten van motorrijtuigen, mits zij zich uitsluitend beperken tot werkzaamheden aan tachografen in motorrijtuigen die voor de eerste maal in gebruik worden genomen.

HOOFDSTUK 5 TOEZICHT, INTREKKING EN SCHORSING ERKENNING TACHOGRAFEN

Artikel 5:1 Steekproefsgewijze controle

  • 1. De Dienst Wegverkeer kan werkzaamheden aan een steekproefsgewijze controle onderwerpen.

  • 2. De steekproefsgewijze controle vangt aan op het moment dat de Dienst Wegverkeer de erkenninghouder meedeelt dat deze controle gaat plaatsvinden.

  • 3. Na aanvang van de steekproefsgewijze controle worden aan of in het voertuig of de tachograaf waarop de controle ziet, gedurende 90 minuten geen handelingen verricht.

  • 4. Voorafgaande aan de steekproefsgewijze controle overhandigt de erkenninghouder of tachograaftechnicus de aan de werkzaamheden gerelateerde documenten en het installatieplaatje aan de Dienst Wegverkeer.

  • 5. Tijdens de steekproefsgewijze controle:

    • a. is de tachograaftechnicus die werkzaamheden aan de tachograaf verrichtte, aanwezig vanaf het moment dat de mededeling, bedoeld in het tweede lid, is gedaan;

    • b. verleent de tachograaftechnicus assistentie bij het uitvoeren van de steekproefsgewijze controle;

    • c. worden de noodzakelijke werkplaatsruimte, apparatuur en documentatie, en het voertuig waaraan werkzaamheden worden verricht gedurende de steekproefsgewijze controle beschikbaar gesteld.

  • 6. De erkenninghouder ontvangt na de steekproefsgewijze controle slechts een door een medewerker van de Dienst Wegvervoer getekend steekproefcontrolerapport indien:

    • a. de tachograaf niet voldoet aan de werkzaamheden zoals verwoord in de hoofdstukken 2, 2a en 3;

    • b. de registerkaart niet, onjuist of onvolledig is ingevuld; of

    • c. de voorschriften met betrekking tot de steekproef niet in acht zijn genomen.

  • 7. Het rapport, bedoeld in het zesde lid, wordt ook getekend door de tachograaftechnicus of erkenninghouder.

Artikel 5:2 Intrekking en schorsing erkenning tachografen

  • 1. De Dienst Wegverkeer trekt op verzoek van een erkenninghouder een erkenning tachografen geheel of gedeeltelijk in.

  • 2. De Dienst Wegverkeer kan een erkenning geheel of gedeeltelijk intrekken of schorsen bij een overtreding van artikel 6, eerste lid, van de Regeling tachograafkaarten en de artikelen 2:4, eerste, derde en vierde lid, 2a:2, 3:1, eerste en tweede lid, 3:2, 3:3, 3:4, 3:5, 3:6, 3:7, 4:1, 5:1 en 5:3, derde lid.

  • 3. Een schorsing als bedoeld in het tweede lid bedraagt ten hoogste twaalf weken.

  • 4. Na intrekking van de erkenning levert de voormalig erkenninghouder zo spoedig mogelijk het merkteken werkplaats in.

Artikel 5:3 Intrekking en schorsing bevoegdheidspas

  • 1. De Dienst Wegverkeer trekt op verzoek van een tachograaftechnicus zijn bevoegdheidspas in.

  • 2. De Dienst Wegverkeer kan de geldigheid van een bevoegdheidspas intrekken of schorsen bij overtreding van de artikelen 6, eerste lid en 7, tweede lid, onderdeel a, van de Regeling tachograafkaarten en de artikelen 3:2, eerste lid, 3:3, 3:4, eerste en tweede lid, 3:6, eerste lid, 3:7 en 5:1, derde, vierde en vijfde lid.

HOOFDSTUK 6: OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 6:1 Wijziging Regeling tachograafkaarten

1. Artikel 2, derde lid, onderdelen a en b, van de Regeling tachograafkaarten, komt te luiden:

  • a. een geldige bevoegdheidspas als bedoeld in artikel 1:1, tweede lid, van de Regeling tachografen overlegt;

  • b. onder gezag of in de hoedanigheid van een erkenninghouder als bedoeld in artikel 1:1, tweede lid, van de Regeling tachografen, werkzaamheden verricht, of

2. Artikel 7, tweede lid, onder b, van de Regeling tachograafkaarten, komt te luiden:

  • b. indien de aanvrager niet meer kan voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 2, tweede en derde lid, onder a en b.

3. In artikel 11, derde en vierde lid, van de Regeling tachografen, wordt ‘artikel 1, onderdeel d, van de Regeling controleapparaten 2005’ vervangen door ‘artikel 1:1, tweede lid, van de Regeling tachografen’.

Artikel 6:2 Overgangsbepalingen

  • 1. Een erkenning als installateur of reparateur verleend op grond van de Regeling controleapparaten 2005 wordt gelijkgesteld met een erkenning tachograaf verleend op grond van deze regeling.

  • 2. Een bevoegdheidspas verstrekt op grond van de Regeling controleapparaten 2005, wordt voor de resterende looptijd gelijkgesteld met een bevoegdheidspas als bedoeld in artikel 2:6, eerste lid.

  • 3. Aan de eisen ten aanzien van de hefbrug dan wel inspectieput zoals opgenomen in bijlage I van deze Regeling wordt voldaan op 1 juli 2020.

  • 4. Een erkenning als installateur of reparateur, verleend op grond van de Regeling controleapparaten 2005 zoals die luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop deze regeling in werking treedt, voor een mobiele onderzoekseenheid die op grond van artikel 2a:3, eerste lid, geldigheid heeft, vervalt met ingang van 1 juli 2025.

Artikel 6:3 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 juni 2019.

Artikel 6:4 Intrekking regelgeving

De Regeling controleapparaten 2005 wordt ingetrokken.

Artikel 6:5 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tachografen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga

BIJLAGE I: OVERZICHT EISEN AAN WERKPLAATSEN

Algemene eisen:

De werkplaats is:

  • a. overdekt, behoorlijk af te sluiten, goed verlicht en voorzien van verwarming;

  • b. van zodanige afmetingen en zodanig ingericht dat de voertuigen waaraan de werkzaamheden worden verricht aan tachografen in deze ruimte zodanig kunnen worden opgesteld dat zij van alle zijden goed toegankelijk zijn;

  • c. zodanig ingericht dat de administratie van de werkzaamheden behoorlijk kan worden uitgevoerd.

In de werkplaats zijn aanwezig:

  • a. een voorziening die geschikt is voor het gebruik van datacommunicatie;

  • b. het register, bedoeld in artikel 3:6;

  • c. de administratie van de manipulatieformulieren en het certificaat van onmogelijkheid van gegevensoverdracht;

  • d. een deugdelijke administratie van zegelnummers.

Eisen aan de inspectieput of hefinrichting

In de werkplaats is een inspectieput of hefinrichting aanwezig:

  • a. die geschikt is voor de voertuigen waaraan de werkzaamheden van de tachografen worden verricht;

  • b. die is voorzien van een doelmatige verlichting;

  • c. waarvan het draagvermogen hefinrichting zichtbaar is aangebracht;

  • d. die een tachograaftechnicus in staat stelt de werkzaamheden aan het voertuig en de tachograaf nagenoeg over de hele lengte rechtopstaand uit te voeren. Dit betekent dat

    • i. de hefinrichting een hefhoogte heeft van ten minste 1,35 m;

    • ii. de inspectieput een diepte heeft van ten minste 1,35 m;

  • e. die in een goede staat van onderhoud verkeert.

Vereiste apparatuur

In de werkplaats is de volgende apparatuur aanwezig:

  • a. een door de tachograaffabrikant geaccepteerde rollentestbank of remmentestbank ten behoeve van het bepalen van het kenmerkend coëfficiënt of het bepalen van de bandenomtrek dan wel een voor motorrijtuigen geschikte horizontale effen meetbaan van ten minste 20 meter lengte;

  • b. een dubbel geïsoleerde veiligheidslooplamp dan wel een zaklantaarn, al dan niet voorzien van een oplaadbare accu, die enerzijds een zodanige lichtsterkte heeft dat ook moeilijk bereikbare onderdelen van een voertuig voldoende helder kunnen worden verlicht om een nauwkeurige controle van een tachograafinstallatie mogelijk te maken en die anderzijds zodanig is afgeschermd dat degene die de keuring uitvoert niet door het uitgestraalde licht wordt verblind;

  • c. een meetband met een minimale nauwkeurigheidsklasse III van voldoende lengte(minimaal 20 meter);

  • d. basisgereedschap voor de werkzaamheden van een tachograaf;

  • e. een bandenpomp met bandenluchtdrukmeetapparatuur;

  • f. een doelmatige bandenprofieldieptemeter met verende stift en met een meetnauwkeurigheid van 0,1 mm;

  • g. die in goede staat van onderhoud verkeert.

Tachograafspecifieke eisen

In de werkplaats is, in goede staat van onderhoud en voorzien van CE-markering en aanvullende metrologische markering, aanwezig voor de typen tachografen waarop de werkzaamheden zien:

  • a. door de fabrikant of importeur van een tachograaf voorgeschreven dan wel door de Dienst Wegverkeer gelijkwaardig geachte meetapparatuur voor het bepalen van het kenmerkend coëfficiënt;

  • b. een door de fabrikant of importeur van tachografen voorgeschreven dan wel een door de Dienst Wegverkeer gelijkwaardig geachte impulsenteller;

  • c. door de fabrikant of importeur van tachografen voorgeschreven dan wel door de Dienst Wegverkeer gelijkwaardig geachte testapparatuur voor snelheids- en afstandsmetingen alsmede voor de daarop betrekking hebbende registratie;

  • d. een verzegelinrichting;

  • e. overige, door de fabrikant of importeur van de tachografen voorgeschreven dan wel door de Dienst Wegverkeer gelijkwaardig geachte gereedschappen, apparatuur, werkplaatshandboeken, actuele documentatie en, voor de elektronische apparatuur, handleidingen in de Nederlandse taal;

  • f. een afsluitbare kast, dan wel over een gelijkwaardige voorziening, waarin de hierboven genoemde testapparatuur, verzegelinrichting en documentatie worden opgeborgen.

  • g. Indien werkzaamheden aan een analoge tachograaf worden uitgevoerd:

    • a. apparatuur voorzien van een loep voor de werkzaamheden en van testregistratiebladen;

    • b. een onderzoeksjabloon waarop de toegestane tolerantiegebieden staan aangegeven.

BIJLAGE IA: OVERZICHT EISEN AAN INRICHTINGEN EN MOBIELE ONDERZOEKSEENHEDEN

Algemene eisen:

De inrichting is:

  • a. overdekt, behoorlijk af te sluiten, goed verlicht en voorzien van verwarming;

  • b. van zodanige afmetingen en zodanig ingericht dat de voertuigen waaraan de werkzaamheden worden verricht aan tachografen in deze ruimte zodanig kunnen worden opgesteld dat zij van alle zijden goed toegankelijk zijn;

  • c. zodanig ingericht dat de administratie van de werkzaamheden behoorlijk kan worden uitgevoerd.

In de inrichting of mobiele onderzoekseenheid zijn aanwezig:

  • a. een voorziening die geschikt is voor het gebruik van datacommunicatie;

  • b. het register, bedoeld in artikel 3:6;

  • c. de administratie van de manipulatieformulieren en het certificaat van onmogelijkheid van gegevensoverdracht;

  • d. een deugdelijke administratie van zegelnummers.

Eisen aan de inspectieput of hefinrichting

In de inrichting is een inspectieput of hefinrichting aanwezig:

  • a. die geschikt is voor de voertuigen waaraan de werkzaamheden van de tachografen worden verricht;

  • b. die is voorzien van een doelmatige verlichting;

  • c. waarvan het draagvermogen van de hefinrichting zichtbaar is aangebracht;

  • d. die een tachograaftechnicus in staat stelt de werkzaamheden aan het voertuig en de tachograaf nagenoeg over de hele lengte rechtopstaand uit te voeren. Dit betekent dat:

    • i. de hefinrichting een hefhoogte heeft van ten minste 1,35 m;

    • ii. de inspectieput een diepte heeft van ten minste 1,35 m;

  • e. die in een goede staat van onderhoud verkeert.

Vereiste apparatuur

In de inrichting is de volgende apparatuur aanwezig:

  • a. een door de Dienst Wegverkeer goedgekeurde rollentestbank of remmentestbank ten behoeve van het bepalen van het kenmerkend coëfficiënt of het bepalen van de bandenomtrek dan wel een voor motorrijtuigen geschikte horizontale effen meetbaan van ten minste 20 meter lengte;

  • b. een dubbel geïsoleerde veiligheidslooplamp dan wel een zaklantaarn, al dan niet voorzien van een oplaadbare accu, die enerzijds een zodanige lichtsterkte heeft dat ook moeilijk bereikbare onderdelen van een voertuig voldoende helder kunnen worden verlicht om een nauwkeurige controle van een tachograafinstallatie mogelijk te maken en die anderzijds zodanig is afgeschermd dat degene die de keuring uitvoert niet door het uitgestraalde licht wordt verblind;

  • c. een meetband met een minimale nauwkeurigheidsklasse III van voldoende lengte(minimaal 20 meter);

  • d. basisgereedschap voor de werkzaamheden van een tachograaf;

  • e. een bandenpomp met bandenluchtdrukmeetapparatuur;

  • f. een doelmatige bandenprofieldieptemeter met verende stift en met een meetnauwkeurigheid van 0,1 mm;

  • g. die in goede staat van onderhoud verkeert.

Tachograafspecifieke eisen

In de mobiele onderzoekseenheid is, in goede staat van onderhoud en voorzien van CE-markering en aanvullende metrologische markering, aanwezig voor de typen tachografen waarop de werkzaamheden zien:

  • a. door de fabrikant of importeur van een tachograaf voorgeschreven dan wel door de Dienst Wegverkeer gelijkwaardig geachte meetapparatuur voor het bepalen van het kenmerkend coëfficiënt;

  • b. een door de fabrikant of importeur van tachografen voorgeschreven dan wel een door de Dienst Wegverkeer gelijkwaardig geachte impulsenteller;

  • c. door de fabrikant of importeur van tachografen voorgeschreven dan wel door de Dienst Wegverkeer gelijkwaardig geachte testapparatuur voor snelheids- en afstandsmetingen alsmede voor de daarop betrekking hebbende registratie;

  • d. een verzegelinrichting;

  • e. overige, door de fabrikant of importeur van de tachografen voorgeschreven dan wel door de Dienst Wegverkeer gelijkwaardig geachte gereedschappen, apparatuur, werkplaatshandboeken, actuele documentatie en, voor de elektronische apparatuur, handleidingen in de Nederlandse taal;

  • f. een afsluitbare kast, dan wel over een gelijkwaardige voorziening, waarin de hierboven genoemde testapparatuur, verzegelinrichting en documentatie wordt opgeborgen.

  • g. Indien werkzaamheden aan een analoge tachograaf worden uitgevoerd:

    • a. apparatuur voorzien van een loep voor de werkzaamheden en van testregistratiebladen;

    • b. een onderzoeksjabloon waarop de toegestane tolerantiegebieden staan aangegeven.

BIJLAGE II: GEGEVENS VOOR IN HET REGISTER VAN WERKZAAMHEDEN

  • 1. Met betrekking tot de erkenninghouder:

    • a. de naam en het adres van de erkenninghouder,

    • b. de naam en het nummer van de bevoegdheidspas van de tachograaftechnicus die werkzaamheden heeft verricht,

    • c. werkplaatskaartnummer indien het een digitale tachograaf betreft.

  • 2. Met betrekking tot het motorrijtuig:

    • a. het kenteken of indien het motorrijtuig nog niet is voorzien van een kenteken, het identificatienummer,

    • b. merk en type,

    • c. de kilometerstand,

    • d. de effectieve omtrek van de wielbanden wielen in mm,

    • e. de ongecorrigeerde kenmerkende coëfficiënt van het motorrijtuig in omw/km of imp/km,

    • f. indien het een digitaal tachograaf betreft:

      • i. de bandenmaat,

      • ii. de instelling van de snelheidsbegrenzer.

  • 3. Met betrekking tot de installatie:

    • a. de ongecorrigeerde kenmerkende coëfficiënt in omw/km of imp/km of in geval van een aanpasbare tachograaf de ingestelde apparaatconstante in imp/km,

    • b. het merk, type en serienummer van de tachograaf.

  • 4. Met betrekking tot de werkzaamheden:

    • a. de datum en tijd van de werkzaamheden,

    • b. de ondertekening door tachograaftechnicus,

    • c. doel van de werkzaamheden,

    • d. resultaat manipulatiecontrole.

  • 5. Met betrekking tot een reparatie:

    • a. de naam en het adres van de erkenninghouder reparateur,

    • b. de naam van de tachograaftechnicus die de reparatie heeft uitgevoerd,

    • c. merk, type en serienummer van de tachograaf,

    • d. de aard van de reparatie,

    • e. de datum en tijd van de reparatie,

    • f. de ondertekening door tachograaftechnicus indien het de reparatie van een tachograaf betreft.

  • 6. En worden toegevoegd:

    • a. het bij de werkzaamheden voor een analoge tachograaf gebruikte testregistratieblad(en),

    • b. de bij de werkzaamheden voor een digitale tachograaf gemaakte afdrukken en het opgeslagen document met de testresultaten.

TOELICHTING

1. Inleiding

Een tachograaf is een apparaat dat rij- en rusttijden registreert en inzichtelijk maakt hoeveel uren een bestuurder achter elkaar in zijn voertuig heeft gereden en hoeveel rust hij heeft genoten. Deze informatie helpt handhavende instanties om te controleren of de bestuurder zijn werk onder de wettelijk voorgeschreven arbeidsomstandigheden kan verrichten en voldoende uitgerust de weg opgaat. Dit laatste is ook belangrijk voor de verkeersveiligheid.

De laatste jaren heeft de Europese wetgever steeds meer initiatief genomen om de regels over tachografen te harmoniseren. Naast de verbetering van de arbeidsomstandigheden en de verkeersveiligheid heeft deze harmonisatie ook tot doel om op Europese schaal een gelijk speelveld te creëren. Uiteindelijk is het streven om alle bestuurders van vrachtauto’s binnen de Europese Unie (EU) onder hetzelfde rij- en rusttijdenregime te brengen.

Het Europese kader is echter niet helemaal sluitend. Uitvoering van Europese regels, waaronder Verordening nr. 165/2014, maakt het stellen van nationale regels noodzakelijk omtrent de erkenning van tachograaftechnici, werkplaatsen en voertuigfabrikanten die werkzaamheden aan tachografen verrichten. Deze ministeriële regeling bevat daarom regels die voor de uitvoering van de Europese regels noodzakelijk zijn, om adequate handhaving van de regels mogelijk te maken via een erkenningenstelsel en duidelijke eisen aan de procedure van werkzaamheden.

Daartoe worden regels gesteld over:

  • de eisen aan werkplaatsen waar werkzaamheden aan tachografen uitgevoerd mogen worden, zodat degene die de beschikking heeft over deze werkplaats de erkenning tachografen kan aanvragen;

  • de eisen aan een erkenning van tachograaftechnici;

  • de eisen aan mobiele onderzoekseenheden;

  • de eisen aan de uitvoering van de werkzaamheden aan tachografen;

  • het bewaren van gegevens uit de tachograaf;

  • toezicht en handhaving door de Dienst Wegverkeer (RDW);

  • het overgangsrecht.

Deze regels moeten zorgen voor meer duidelijkheid voor de verschillende betrokken partijen, zodat zij geholpen worden hun werkzaamheden op een zo goed mogelijke manier uit te voeren, overtredingen (bewust of onbewust) worden teruggedrongen en effectief kan worden gehandhaafd. Bovendien vervalt in deze regeling het onderscheid tussen de verschillende typen tachografen zodat er naast een analoge en een digitale tachograaf ook ruimte is voor toekomstige typen tachografen zoals de slimme tachograaf die per 15 juni 2019 in gebruik zal worden gebracht. Tot slot zorgt de nieuwe regeling voor het in lijn brengen van de Regeling tachografen met overige relevante ministeriele regelingen, in het bijzonder de Regeling erkenning en keuringsbevoegdheid APK.

2. De erkenning tachografen en de erkenning van tachograaftechnici

De erkenning tachografen is het eerste onderwerp dat deze regeling uitwerkt. De erkenning tachografen wordt afgegeven aan een natuurlijke- of rechtspersoon wanneer deze een verklaring omtrent het gedrag en een geldig KvK-nummer kan overleggen en de beschikking heeft over een werkplaats die voldoet aan de eisen die in bijlage I bij deze regeling staan. Deze eisen hebben onder meer betrekking op de apparatuur die in de werkplaats aanwezig moet zijn en de kwaliteit van de werkomstandigheden.

De werkzaamheden aan de tachografen worden in de werkplaats verricht door een tachograaftechnicus. Een tachograaftechnicus is een houder van een geldige bevoegdheidspas. De Dienst Wegverkeer verleent deze pas aan een natuurlijk persoon die het examen tachograaftechnicus met goed gevolg heeft afgelegd. Deze bevoegdheidspas heeft een geldigheidsduur van vier jaar. Na vier jaar moet de tachograaftechnicus opnieuw een examen halen om zijn bevoegdheidspas te kunnen laten verlengen. Deze verplichting garandeert dat een tachograaftechnicus tenminste iedere vier jaar aantoont te beschikken over actuele kennis en vaardigheden.

In verband met de geldigheidsduur van de bevoegdheidspas van vier jaar is het voor een groot aantal tachograaftechnici niet verplicht om direct met ingang van 15 juni 2019, vanaf wanneer het verplicht is om in tachograafplichtige voertuigen die voor het eerst worden geregistreerd een tweede generatie digitale tachograaf (‘slimme tachograaf’) te installeren, te kunnen werken met een slimme tachograaf. Om een goede dienstverlening te garanderen, zal het voor sommige tachograaftechnici echter noodzakelijk zijn om zich reeds bij te scholen voordat de geldigheid van hun bevoegdheidspas verloopt. Het is daarom ook aan te bevelen dat tachograaftechnici zich op hoogte houden van actuele ontwikkelingen.

Het is mogelijk dat een persoon zowel de erkenninghouder als tachograaftechnicus is. Vaker doet zich de situatie voor dat een erkenninghouder een tachograaftechnicus in dienst heeft die de werkzaamheden aan de tachografen uitvoert.

3. De erkenning van mobiele onderzoekseenheden

Deze regeling bevat in Hoofdstuk 2a een speciaal kader voor de erkenninghouders van mobiele onderzoekseenheden. Deze erkenninghouders hebben de beschikking over een mobiele onderzoekseenheid. Dit is een voertuig dat voldoet aan de eisen genoemd in bijlage 1a en waarmee een tachograaftechnicus werkzaamheden kan uitvoeren in een inrichting. Deze inrichting hoeft in dat geval niet aan de eisen voor een werkplaats te voldoen, aangezien de elementen die ontbreken worden aangevuld door de mobiele onderzoekseenheid. Daardoor is gegarandeerd dat een tachograaftechnicus voldoende middelen heeft om de werkzaamheden uit te voeren.

Op grond van deze regeling eindigt op 1 januari 2025 de mogelijkheid voor tachograaftechnici om werkzaamheden uit te voeren met een mobiele onderzoekseenheid in een inrichting. Vanaf dat moment is een werkplaats die vermeld staat op een erkenning tachografen de enige plaats waar werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden. Er zijn een aantal redenen voor het beëindigen van deze mogelijkheid. In de eerste plaats zijn de mobiele eenheden niet noodzakelijk. Aangezien in Nederland op dit moment 744 werkplaatsen over een erkenning tachografen beschikken, is er altijd wel een werkplaats in de buurt waar een vervoerondernemer werkzaamheden aan een tachograaf kan laten plaatsvinden. In de tweede plaats rechtvaardigt het kleine aantal erkenninghouders van mobiele onderzoekseenheden niet de extra kosten voor het toezicht op de naleving van de regels rond mobiele onderzoekseenheden en inrichtingen.

Daarom kunnen vanaf het moment van inwerkingtreding van deze regeling (15 juni 2019) geen nieuwe erkenningen voor mobiele onderzoekseenheden aangevraagd worden. Voor de huidige 22 mobiele erkenninghouders geldt dat hun erkenning op 1 januari 2025 vervalt. Van deze mobiele erkenninghouders zijn er 15 actief en 7 inactief. Van het totaal aantal meldingen per jaar (in 2017 waren dit er 85.614) wordt ongeveer 2,5% (in 2017: 2.173) afgedaan door de mobiele onderzoekseenheden.

Tijdens de voorbereiding van deze regeling hebben de mobiele erkenninghouders erop gewezen dat een deel van de erkenninghouders de mobiele onderzoekseenheden gebruiken om zeer gespecialiseerde werkzaamheden aan tachografen uit te voeren op locatie. Het betreft werkzaamheden die weinig voorkomen en bij andere tachograaftechnici veel vragen oproepen. Een alternatief voor deze dienstverlening is dat, mocht een tachograaftechnicus er niet uitkomen, de hulp van een externe tachograafexpert kan worden ingeschakeld. Deze kan een tachograaftechnicus te hulp schieten. De relatie tussen de tachograaftechnicus en degene die te hulp schiet wordt beheerst door de gebruikelijke privaatrechtelijke relatie tussen adviseur en geadviseerde. De tachograaftechnicus blijft echter degene die door de RDW wordt aangesproken. In het geval er iets mis gaat, komt dit voor rekening van de tachograaftechnicus. Nieuw is dat de bevoegdheid van de tachograaftechnicus tot het verrichten van werkzaamheden door de RDW kan worden geschorst of (in het ergste geval) worden ingetrokken.

Er is besloten tot een overgangstermijn van zes jaar, om de erkenninghouders met een mobiele onderzoekseenheid, voldoende gelegenheid te bieden om zich aan de nieuwe situatie aan te passen.

4. Uitvoering van werkzaamheden aan tachografen, registers, toezicht en handhaving

Deze regeling bepaalt niet alleen waar of door wie de werkzaamheden uitgevoerd mogen worden, maar ook hoe de werkzaamheden aan tachografen uitgevoerd moeten worden. In hoofdstuk 3 staan daartoe de eisen aan de procedure van werkzaamheden. Deze bepalingen hebben meerdere doelen. Het eerste doel is te waarborgen dat een tachograaftechnicus op een zorgvuldige manier zijn werkzaamheden kan uitvoeren. Daarnaast is het doel dat enkele belangrijke onderdelen van de werkzaamheden overal in Nederland op dezelfde manier worden gedaan. De onduidelijkheid die er was rondom het begrip testen is hierbij weggenomen. Het gebruik van de werkplaatskaart voor niet tachograafgerelateerde werkzaamheden is niet toegestaan. De proefrit waar in artikel 3:5 naar wordt verwezen is een verplicht onderdeel van de werkzaamheden aan de tachograaf. Hiervoor moet een werkplaatskaart worden gebruikt. De werkplaatskaart mag niet worden gebruikt voor een proefrit die geen onderdeel is van de afsluitende werkzaamheden aan de tachograaf.

Een derde reden om regels te stellen over de manier waarop de werkzaamheden uitgevoerd moeten worden, is om de RDW in staat te stellen zijn toezichts- en handhavingstaken goed uit te voeren. Een voorbeeld is de meldingsplicht in artikel 3:6, eerste lid. Op basis van deze melding kan de RDW de steekproefsgewijze controles als bedoeld in artikel 5:1, eerste lid, uitvoeren. Een ander voorbeeld is de manipulatiecontrole die de tachograaftechnicus bij aanvang van de werkzaamheden uitvoert en rapporteert aan de RDW (artikel 3:3, eerste en derde lid). Manipulatie van tachografen is een risico voor de verkeersveiligheid en kan leiden tot een verslechtering van de arbeidsomstandigheden van de bestuurder. Tachograaftechnici zijn de eerste die deze manipulatie waarnemen en een melding hiervan maakt het mogelijk om manipulatie steeds verder terug te dringen. Voor de bedrijfsbezoeken die de RDW regelmatig uitvoert, zijn goed bijgehouden registers noodzakelijk (artikel 4:1). Aan de RDW staat, op grond van deze regeling, een aantal handhavingsinstrumenten ter beschikking. Deze staan in artikel 5:2, in relatie tot de erkenninghouder, en in 5:3, in relatie tot de tachograaftechnicus. Over de manier waarop de RDW deze instrumenten invult, kan een beleidsregel worden vastgesteld.

Bij het toezicht op de werkzaamheden is een coöperatieve houding van de tachograaftechnicus en de erkenninghouder cruciaal. Uiteindelijk is alles erop gericht om de kwaliteit van de registratie van de rij- en rusttijden te garanderen zodat handhavers kunnen vertrouwen op de gegevens uit de tachograaf en overtredingen van de rij- en rusttijdenregels kunnen worden geconstateerd en bestraft. Op die manier werkt iedereen samen aan een verbetering van de verkeersveiligheid.

Bijlage I van deze regeling bevat in vergelijking met de Regeling controleapparaten 2005 de volgende aanvullende eisen die worden gesteld aan een werkplaats of de daarin aanwezige apparatuur.

Nieuw zijn de eisen zoals gesteld in Algemene eisen lid b en c en Vereiste apparatuur lid b (dubbel geïsoleerde veiligheidslooplamp dan wel een zaklantaarn) en c (meetband).

Deze veranderingen zullen in de praktijk niet tot grote veranderingen leiden en zijn veranderd om ze in lijn te brengen met de eisen die worden gesteld aan erkenninghouders APK.

Daarnaast stelt de regeling eisen aan een inspectieput of hefinrichting. De noodzaak voor het hebben van een inspectieput of herinrichting is nieuw en wordt een noodzakelijke voorwaarde geacht voor het goed en veilig kunnen uitvoeren van het werk van de tachograaftechnicus als ook controle door de Dienst Wegverkeer.

5. Notificatie

Deze regeling is gemeld aan de Commissie van de Europese Unie ter voldoening aan artikel 44 van verordening (EU) nr. 165/2014.

6. Financiële gevolgen

De financiële gevolgen van de invoering van deze regeling zijn gering. De verplichtingen voor de erkenninghouder en de tachograaftechnicus veranderen niet wezenlijk ten opzichte van de Regeling controleapparaten 2005. Hetzelfde geldt voor de RDW. De belangrijkste vernieuwing is de betere aansluiting van deze regeling bij Europeesrechtelijke kaders. Verder zijn de mogelijkheden om te handhaven voor de RDW uitgebreid.

In deze regeling zijn enkele eisen aan werkplaatsen toegevoegd. Het gaat hier om de eisen aan de inspectieput of hefinrichting, een dubbel geïsoleerde veiligheidslooplamp dan wel een zaklantaarn en een meetband met een minimale nauwkeurigheidsklasse I I I van voldoende lengte. Deze eisen worden gesteld om de werkzaamheden op een goede, veilige en daarmee ARBO verantwoorde manier uit te kunnen voeren. Deze eisen worden bovendien ook al gesteld aan werkplaatsen die APK actief zijn. Meer dan 90% van de erkenninghouders heeft een erkenning voor zowel APK als tachograaf en zullen hier dus sowieso over moeten beschikken. Van de overige groep erkenninghouders beschikt maar een zeer klein deel niet over een inspectieput of hefinrichting. De kosten hiervan liggen afhankelijk van gekozen oplossing tussen de 20.000 en 50.000 euro.

De financiële gevolgen voor de erkenninghouders met een mobiele eenheid zijn sterk afhankelijk per bedrijf. Voor de inactieve erkenninghouders zijn er geen of zeer beperkte financiële gevolgen. Voor de 15 actieve erkenninghouders kunnen de gevolgen groter zijn, maar dit kan mogelijk worden ondervangen door de omvorming van de mobiele eenheid naar een werkplaats en/of het aanbieden van expertise aan tachograaftechnici. Bij eventuele omvorming naar een werkplaats moeten er kosten worden gemaakt om te voldoen aan de eisen die worden gesteld aan een werkplaats. De kosten hiervan zijn sterk afhankelijk van de gekozen oplossing en de uitgangssituatie (ook veel mobiele erkenninghouders beschikken immers al over een werkplaats). Ook de impact van wanneer een mobiele eenheid er voor kiest enkel zijn expertise aan te bieden is lastig te bepalen. De inschatting van de erkenninghouders met een mobiele eenheid op dit moment is dat er zeker bij de introductie van nieuwe tachografen veel werk is waarbij de expertise gewenst blijft.

De kosten voor de tachograaftechnicus veranderen zoals gezegd niet wezenlijk, het laten vervallen van de eisen aan de opleiding heeft naar verwachting een beperkt effect op de kosten van de opleiding.

7. Internetconsultatie

Al voorafgaand aan de internetconsultatie zijn relevante stakeholders als tachograaffabrikanten en leveranciers, mobiele erkenninghouders en brancheorganisaties uit de voertuigen- en transportbranche betrokken bij de totstandkoming van deze regeling. Dit om de regeling zo goed mogelijk aan te laten sluiten bij de vragen en wensen uit de praktijk.

Belangstellenden en belanghebbenden konden bij hun reactie de hele regeling en de toelichting betrekken.

Er zijn vier geldige reacties binnengekomen, deze zijn alle openbaar. Indieners zijn: Volvo Group Center Rijnsburg, BOVAG, CA.S.U. – Utrecht b.v. alsmede het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR). CA.S.U. – Utrecht b.v. heeft geen inhoudelijke reactie gegeven.

Artikel 2:6 Verlening erkenning bevoegdheid tachograaftechnicus

BOVAG geeft aan dat een bevoegdheidspas een geldigheidsduur van vier jaar heeft en dat formeel gezien een opleiding voor de tweede generatie digitale tachografen niet wordt vereist. De participant spreekt de verwachting uit dat de overheid zich duidelijker uitspreekt over de noodzaak van bijscholing vóór introductie hiervan, en zich tevens bewust zal zijn van de kosten die nascholing met zich meebrengt.

Naar aanleiding van deze opmerking is er in de toelichting een aanbeveling opgenomen dat tachograaftechnici zich op de hoogte houden van actuele ontwikkelingen.

Artikel 3:1 Procedure van werkzaamheden

Volvo Group brengt naar voren dat in de praktijk de werkplaatskaart wordt gebruikt om tijdens werkzaamheden aan het voertuig ongewenste meldingen in de tachograaf te verklaren, en dat als na deze reparaties de tachograaf opnieuw geijkt moet worden dat een aanzienlijke verhoging van de kosten voor de vervoerder en een hoge werkdruk in de werkplaatsen met zich meebrengt. De participant stelt voor om lid 3 te wijzigen in ‘ voor de reparatie van een tachograaf en/of aan het voertuig.’

BOVAG merkt in het verlengde hiervan op dat onder lid 3 staat dat de werkplaatskaart uitsluitend mag worden toegepast om tachograaf gerelateerde werkzaamheden uit te voeren, wijst erop dat hier in de praktijk soms anders mee wordt omgegaan, en verzoekt hiervoor duidelijke instructies toe te voegen.

Naar aanleiding van deze opmerking is in artikel 3:1.3 toegevoegd dat het hier ook gaat om tachograafgerelateerde werkzaamheden. Niet tachograafgerelateerde werkzaamheden mogen niet worden uitgevoerd met de werkplaatskaart.

Artikel 3:3 Manipulatiecontrole

BOVAG merkt op dat fraudeurs de laatste jaren steeds inventiever zijn geworden en het daarom wenselijk is dat RDW de erkenninghouders van tijd tot tijd informeert aangaande nieuw gevonden vormen van manipulatie, waardoor de vindbaarheid ervan wordt vergroot en fraudeurs eerder herkend. De RDW heeft aangegeven dat men samen met de branche wil kijken of en op welke manier informatie over manipulatie kan worden gedeeld.

Artikel 3:5 Afsluiting van de werkzaamheden

BOVAG merkt op ervan uit te gaan dat hier een proefrit betreffende de tachograaf wordt bedoeld, en verzoekt dit extra te vermelden om te voorkomen dat hierover verwarring ontstaat.

Naar aanleiding van deze opmerking is de toelichting hierop verduidelijkt.

Artikel 4:1 Registers

BOVAG vraagt zich af wat wordt bedoeld met ‘regelmatig een back-up’ maken, en verzoekt dit te verduidelijken om geen ruimte te laten voor discussie hierover met de RDW.

Naar aanleiding van deze opmerking is er voor gekozen om dit niet in de regeling te specificeren maar in de toelichting de verantwoordelijkheid duidelijker te leggen bij de erkenninghouder.

Bijlage I Overzicht eisen aan werkplaatsen

BOVAG vraagt zich af of, wanneer een bandenpomp is vereist, deze dan niet jaarlijks herijkt moet worden om afwijkingen hierdoor in de tachograaf te voorkomen.

Naar aanleiding van deze opmerking is navraag gedaan bij de RDW. Die heeft aangegeven dat werkplaatsen momenteel al beschikken over een professionele en deugdelijke bandenpomp. De kosten die met het herijken zijn gemoeid wegen daarmee niet op tegen de baten.

Bijlage I CE Markering

BOVAG wijst erop dat in de bijlagen 1 en la onder kopje ‘Tachograafspecifieke eisen’ is vereist dat diverse zaken een CE-markering hebben, vraagt zich af of dat logisch is voor alle zaken die worden opgesomd, en verzoekt om een verduidelijking en meer specifieke omschrijving.

Naar aanleiding van deze opmerking is aan bijlagen 1 en l a toegevoegd dat de CE markering alleen noodzakelijk is wanneer deze relevant is.

ATR

ATR geeft aan dat naar de mening van het college nut en noodzaak van de voorgestelde wijzigingen in de regeling zijn onderbouwd, maar geeft nog wel een aantal adviespunten hierbij. Het college adviseert de regeling niet vast te stellen, tenzij met de adviespunten rekening is gehouden.

Naar aanleiding van het advies van ATR is de introductiedatum van de regeling aangepast naar een latere datum. Ook is de per abuis nog in de toelichting opgenomen verplichting voor het aanleveren van een uittreksel uit het handelsregister vervangen door het aanleveren van een geldig KvK nummer.

Daarnaast is in de toelichting verder uitgewerkt in hoeverre de eisen in de voorgestelde Regeling tachografen in lijn zijn met de Europese eisen voor tachografen en tachograafkaarten en in hoeverre de regeling zorgt voor een volledig gelijk speelveld ten aanzien van tachografen.

Ook is verder verduidelijkt of en in hoeverre de inhoudelijke verplichtingen voor onder andere tachograaftechnici en erkenningenhouders wijzigen ten opzichte van de huidige situatie en welke wijzigingen volgen uit of in aansluiting op Europese bepalingen.

Tot slot is verder beschreven wat de regeldrukgevolgen van de regeling zijn en waarom het lastig is dit verder kwantitatief en kwalitatief in kaart te brengen.

8. Uitvoeringstoetsen

Over deze regeling zijn de uitvoeringstoetsen gevraagd aan de RDW en de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). De RDW heeft op 31 januari 2019 laten weten uitvoering te kunnen geven aan de regeling. Wel zal de RDW op het vlak van ICT de nodige aanpassingen moeten verrichten. Ook zijn er aanpassingen voorzien in de proces -en juridische ondersteuning. Daarnaast zijn er nog enkele schriftelijke opmerkingen gemaakt die de uitvoerbaarheid van de regeling verder verbeteren. Deze opmerkingen zijn overgenomen.

De ILT heeft op 1 februari 2019 een uitvoeringstoets uitgebracht over deze regeling. De ILT heeft geen specifieke opmerkingen over de handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid van de Regeling tachografen. Wel voorziet de ILT dat extra financiële middelen nodig zijn voor de onkosten van Kiwa om uitvoering te kunnen geven aan deze regeling.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2:3

Het vijfde lid, waarin geregeld wordt dat een werkplaats slechts in één erkenning tachografen kan worden vermeld, staat er niet aan in de weg dat ingevolge het eerste lid, onder sub c, meerdere werkplaatsadressen in één erkenning kunnen worden vermeld. Op die manier is gewaarborgd dat aan één werkplaats één erkenning gebonden is en worden werkplaatshouders niet verplicht om ten aanzien van al hun werkplaatsen een separate erkenningsaanvraag te doen.

Artikel 2:6

Deze bepaling dient om te voorkomen dat er teveel tijd zit tussen het verkrijgen van een diploma en het moment waarop een tachograaftechnicus daadwerkelijk met zijn werkzaamheden begint. Wanneer daar teveel tijd tussen zit, is het risico groot dat de tachograaftechnicus belangrijke ontwikkelingen heeft gemist. Daarom moet een tachograaftechnicus opnieuw het examen tachograaftechnicus met goed gevolg afleggen indien er meer dan twee jaar zit tussen het verkrijgen van het diploma en de aanvraag van de bevoegdheidspas.

Om dezelfde reden is een bevoegdheidspas geldig voor vier jaar. Na vier jaar kan een tachograaftechnicus de bevoegdheidspas verlengen op voorwaarde dat hij het examen bevoegdheidsverlenging met goed gevolg heeft afgelegd. Deze permanente educatie is cruciaal, zeker omdat door technische ontwikkelingen de eisen aan tachografen regelmatig veranderen. In de strijd tegen fraude bij de registratie van de rij- en rusttijden spelen bovendien de tachograaftechnici een belangrijke signalerende en ondersteunende rol. Daar zijn goed opgeleide mensen voor nodig.

Indien na afloop van de geldigheidsduur van het diploma geen bevoegdheidspas wordt aangevraagd, is de tachograaftechnicus niet langer bevoegd de werkzaamheden als tachograaftechnicus te verrichten.

In het zesde lid wordt een uitzondering gemaakt voor personen die werkzaam zijn bij een fabrikant en die zeer beperkte werkzaamheden uitvoeren aan de tachograaf. Deze personen worden vrijgesteld van het examen tachograaftechnicus, omdat de omvang van de examenstof niet in verhouding staat tot de omvang van de voor deze personen benodigde relevante kennis. Deze personen kunnen na overlegging van een verklaring van de fabrikant dat de betreffende persoon bij hem werkzaam is en voldoende kennis heeft van het bedrijfsproces om de werkzaamheden te kunnen verrichten een bevoegdheidspas ontvangen. Doordat er geen pincode wordt verstrekt kunnen deze personen ook maar een beperkt aantal werkzaamheden uitvoeren.

Artikel 6:1

Door de aanpassing van artikel 2, derde lid, onder a, en artikel 7, tweede lid, onder b, van de Regeling tachograafkaarten heeft de intrekking of schorsing van de geldigheid van de bevoegdheidspas tot gevolg dat de werkplaatskaart niet kan worden verleend of wordt ingetrokken.

Artikel 6:3

Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 juni 2019. Deze inwerkingtredingsdatum wijkt af van de vaste verandermomenten. Deze regeling geeft echter uitvoering aan een bindende EU-rechtshandeling, namelijk Uitvoeringsverordening (EU) 2018/502 van de Commissie van 28 februari 2018. Daarom is gekozen voor een afwijkende datum van inwerkingtreding.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga