Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit | Staatscourant 2019, 19831 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit | Staatscourant 2019, 19831 | beleidsregel |
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid,
Gelet op de artikelen 7 en 10 van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEG L 255);
Gelet op artikel 5 van Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PbEG 2009, L 309);
Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
Gelet op de artikelen 5, 11 en 23 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties;
Gelet op de artikelen 3.1, eerste lid, 3.4, eerste lid, 3.6, eerste lid, en 3.11, eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen en de artikelen 3.4, 3.6 en 3.12 van de Regeling diergeneeskundigen;
Gelet op artikel 3.11, eerste lid, van het Besluit houders van dieren en de artikelen 8.6a, 8.8, 8.9 en 8.12 van de Regeling houders van dieren;
Gelet op de artikelen 9 en 14 van de Wet op de dierproeven en de artikelen 2 en 8 van het Dierproevenbesluit 2014;
Gelet op artikel 71 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, en de artikelen 17 tot en met 19 van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden en de artikelen 6.1 tot en met 6.7 van de Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden;
Besluit:
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
aanpassingsstage als bedoeld in artikel 1 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties;
beroepskwalificatie als bedoeld in artikel 1 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties;
bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit houders van dieren of bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 71, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;
gereglementeerd beroep als bedoeld in artikel 1 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties;
migrerende beroepsbeoefenaar als bedoeld in artikel 1 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties;
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid;
proeve van bekwaamheid als bedoeld in artikel 1 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties;
datum waarop het Verenigd Koninkrijk zich uit de Europese Unie terugtrekt op grond van artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
Deze beleidsregel is van toepassing op de afwikkeling van voor de terugtrekkingsdatum ingediende aanvragen tot wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties en bewijzen van vakbekwaamheid, af te leggen proeven van vakbekwaamheid en ingediende vooraf af te leggen verklaringen door natuurlijke personen die in het bezit zijn van in het Verenigd Koninkrijk verkregen beroepskwalificaties die zien op de volgende beroepen:
a. beheerder bedrijfsinrichting asiel of pension voor dieren;
b. biotechnicus;
c. dierenarts;
d. dierenartsassistent (paraveterinair);
e. dierenfysiotherapeut;
f. embryotransplanteur/-winner (diergeneeskunde);
g. gewasbeschermings- en pesticidenberoepen;
h. opzetter van projecten en procedures (dierproeven);
i. proefdierverzorger.
1. Een erkenning van een beroepskwalificatie of van een bewijs van vakbekwaamheid afgegeven op grond van respectievelijk artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, artikel 8.8 van de Regeling houders van dieren, artikel 6.2 van de Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden of de artikelen 2, vierde lid en 8, vierde lid, van het Dierproevenbesluit 2014, voor de terugtrekkingsdatum blijft rechtsgeldig voor de duur waarvoor deze erkenning is afgegeven.
2. Een proeve van bekwaamheid afgenomen of aanvaard voor de terugtrekkingsdatum op grond van artikel 11 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, blijft rechtsgeldig voor de duur van de wederzijdse erkenning van de beroepskwalificatie of van het bewijs van vakbekwaamheid.
1. Een verzoek om erkenning van een beroepskwalificaties of van een bewijs van vakbekwaamheid die door de minister is ontvangen en in behandeling is genomen voor de terugtrekkingsdatum, wordt afgewikkeld overeenkomstig de wettelijk voorgeschreven procedures op grond waarvan het verzoek oorspronkelijk is gedaan.
2. Een onvolledig verzoek om erkenning van een beroepskwalificaties of van een bewijs van vakbekwaamheid die door de minister is ontvangen voor de terugtrekkingsdatum wordt alleen in behandeling genomen en afgewikkeld overeenkomstig de wettelijk voorgeschreven procedures op grond waarvan het verzoek oorspronkelijk is gedaan, indien de aanvrager het verzoek binnen de door de minister gestelde termijn volledig heeft aangevuld met alle relevante documenten en informatie.
Een aanpassingsstage op grond van artikel 11 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, aangevangen voor de terugtrekkingsdatum, kan worden voltooid en behandeld overeenkomstig de wettelijk voorgeschreven procedures op grond waarvan de aanpassingsstage werd aangevangen.
Een verklaring als bedoeld in artikel 23 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties die door de minister is ontvangen voor de terugtrekkingsdatum, blijft gelden voor het lopende jaar waarvoor de dienstverrichter de verklaring heeft overlegd, omdat hij in Nederland tijdelijk en incidenteel diensten verricht.
Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag waarop de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie heeft plaatsgevonden, met dien verstande dat deze beleidsregel niet in werking treedt indien met ingang van deze dag een terugtrekkingsakkoord als bedoeld in artikel 50, tweede lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie van kracht is geworden dat de gevolgen van de terugtrekking regelt voor de afwikkeling van aanvragen tot erkenning van beroepskwalificaties.
Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 2 april 2019
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten
De regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (VK) heeft op 29 maart 2017 overeenkomstig artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) de Europese Raad in kennis gesteld van het voornemen tot terugtrekking van het VK uit de Europese Unie (EU). Het gevolg van deze kennisgeving is blijkens artikel 50, derde lid, VEU dat de EU-verdragen niet meer van toepassing zijn op het VK met ingang van de datum van inwerkingtreding van een terugtrekkingsakkoord of, bij gebreke daarvan, met ingang van 13 april 2019, tenzij de Europese Raad met instemming van het VK met eenparigheid van stemmen tot (verdere) verlenging van deze termijn besluit.
Dit heeft onder andere tot gevolg dat het systeem van wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties en Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEG 2005, L 255), na de terugtrekking van het VK uit de EU, niet langer meer van toepassing zal zijn op personen met een beroepskwalificatie verkregen in het VK. Hetzelfde geldt voor de erkenning van vakbekwaamheid zoals geregeld in Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PbEG 2009, L 309). Na de uittreding van het VK uit de EU, is het VK immers geen EU-lidstaat meer.
Richtlijn 2005/36/EG is alleen van toepassing op onderdanen van een lidstaat, die in een andere lidstaat dan die waar zij hun beroepskwalificaties hebben verworven, een gereglementeerd beroep willen uitoefenen, hetzij als zelfstandige, hetzij als werknemer. Deze richtlijn stelt vervolgens regels vast volgens welke een lidstaat die de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep op zijn grondgebied afhankelijk stelt van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties, de in een andere lidstaat of andere lidstaten verworven beroepskwalificaties erkent voor de toegang tot en de uitoefening van dit beroep. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de erkenning van vakbekwaamheid zoals geregeld in Richtlijn 2009/128/EG. Beroepskwalificaties verkregen in het VK kunnen met ingang van de datum van terugtrekking van het VK derhalve niet meer worden erkend op grond van voornoemde richtlijnen en bijbehorende Nederlandse implementatiewetgeving.
In het ontwerp-terugtrekkingsakkoord van 14 november 2018 zijn de onderhandelaars van de EU en het VK onder meer de voorwaarden voor een overgangsperiode overeengekomen, waaronder de afspraak dat het gehele EU-acquis tot 1 januari 2021 voor het grootste deel zal blijven gelden voor het VK. Ook bevat het ontwerp-terugtrekkingsakkoord een overgangsregime voor het afwikkelen van lopende aanvragen tot erkenning van beroepskwalificaties in geval van grensoverschrijdende vestiging van de beroepsbeoefenaar in een andere lidstaat waarvan de aanvraag voor het einde van de overgangsperiode is gedaan.
Tevens wordt voorzien in voortgezette administratieve samenwerking door middel van het tijdelijk gebruik van het interne markt informatiesysteem.
Bij het ontbreken van een terugtrekkingsakkoord zal het kabinet zorgen voor een fatsoenlijke afwikkeling van lopende zaken.1 In het licht hiervan is het passend om kenbaar te maken op welke wijze de bestaande wettelijke bevoegdheden voor de erkenningen van beroepskwalificaties en vakbekwaamheidseisen zullen worden toegepast ingeval de terugtrekking van het VK uit de EU plaatsvindt zonder terugtrekkingsakkoord. Deze beleidsregel biedt belanghebbenden inzicht op welke wijze met deze wettelijke bevoegdheden worden omgegaan, in het bijzonder voor erkenningsaanvragen die zijn ingediend voor de datum van terugtrekking van het VK in een ‘no deal scenario’.
Uitgangspunt van het in deze beleidsregel neergelegde beleid is een ordentelijke en zorgvuldige afwikkeling van aangevraagde erkenningen van in het VK verkregen beroepskwalificaties en van in het VK vakbekwaamheid die zijn ingediend voor de datum van terugtrekking van het VK overeenkomstig de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties en de relevante wettelijke bepalingen opgenomen in de wet- en regelgeving op het domein van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, zoals de artikelen 2 en 8 van het Dierproevenbesluit 2014 en de artikelen 3.4, 3.6 en 3.12 van de Regeling diergeneeskundigen. Daarmee wordt toepassing gegeven aan de algemene beginselen van Unierecht, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel en het beginsel van rechtszekerheid. Ook wordt hiermee invulling gegeven aan de Nederlandse algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Dit leidt ertoe dat – wellicht ten overvloede – expliciet wordt bevestigd dat erkenningen van beroepskwalificaties en vakbekwaamheid die voor de terugtrekking van het VK uit de EU zijn verleend, worden geëerbiedigd. Deze zijn en blijven in Nederland rechtsgeldig voor de duur waarvoor ze zijn afgegeven. In dit verband ook gewezen worden op paragraaf 2 van de Notice to Stakeholders van 21 juni 2018 uitgebracht door de Europese Commissie.2 Deze eerbiedigende werking is neergelegd in artikel 3, eerste lid, van deze beleidsregel. Eenzelfde eerbiedigende werking is vastgelegd in artikel 3, tweede lid, van de beleidsregel voor een proeve van bekwaamheid die is afgelegd voor de datum van terugtrekking van het VK.
Het principe van eerbiedigende werking wordt in artikel 6 van deze beleidsregel ook doorgetrokken ten aanzien van verklaringen als bedoeld in artikel 23 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties die door de minister zijn ontvangen voor de datum van terugtrekking van het VK op grond van artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Deze verklaring wordt door de dienstverrichter aan de minister verstrekt wanneer de dienstverrichter zich voor het eerst van de ene lidstaat naar een andere lidstaat begeeft om daar tijdelijk en incidenteel een dienst te verrichten. Deze verklaring wordt eenmaal per jaar verlengd, indien de dienstverrichter voornemens is om gedurende het opvolgende jaar in Nederland tijdelijk en incidenteel diensten te verrichten. Artikel 6 van deze beleidsregel waarborgt dat de eerste verklaring of een verlenging van deze verklaring qua werking wordt geëerbiedigd voor het jaar waarvoor de verklaring is verstrekt of verlengd. Hiermee kan een dienstverrichter die met een beroepskwalificatie verkregen in het VK tijdelijk en incidenteel grensoverschrijdend zijn dienst aanbiedt, zich nog beroepen op de voor het jaar 2019 verstrekte of verlengde verklaring voor het afwikkelen en afronden van zijn grensoverschrijdende dienstverrichting zonder een belemmering te krijgen opgeworpen om redenen van beroepskwalificatie. Dit is ook passend bij een fatsoenlijke afwikkeling van lopende zaken. Voor de goede orde zij opgemerkt dat deze verklaringen geen langere werking hebben dan het (lopende) jaar waarvoor ze zijn verstrekt of verlengd. Na dit jaar kan voor wat betreft beroepskwalificaties niet langer op een dergelijke verklaring worden vertrouwd om tijdelijk en incidenteel grensoverschrijdend in Nederland een dienst te kunnen verrichten. Dit staat los van andere beperkingen ten aanzien van het tijdelijk grensoverschrijdend verrichten van diensten vanuit het VK na de datum van terugtrekking van het VK.
Voor lopende aanvragen tot erkenning van beroepskwalificaties en van vakbekwaamheid die door de minister zijn ontvangen en in behandeling zijn genomen voor de datum van terugtrekking van het VK op grond van artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, voorziet artikel 4, eerste lid, van deze beleidsregel in een behandeling en afwikkeling van de aanvraag overeenkomstig de wettelijk voorgeschreven procedures op grond waarvan het verzoek oorspronkelijk is gedaan. Daarmee wordt ten volle recht gedaan aan het vertrouwens- en rechtzekerheidsbeginsel en het uitgangspunt van een fatsoenlijke behandeling. Het is daarbij wel van belang dat de aanvraag volledig is en reeds in behandeling is genomen. Door het in behandeling nemen kan de aanvrager ervan uitgaan dat prima facie dat hij wel heeft voldaan aan de wettelijke voorschriften voor het in behandeling kunnen nemen van de aanvraag en de verstrekte gegevens voldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag en of de voorbereiding van de erkenning.
Een onvolledig verzoek om erkenning van een beroepskwalificaties of van een bewijs van vakbekwaamheid die door de minister is ontvangen voor de datum van terugtrekking van het VK kan al snel als een pro forma aanvraag worden gezien die op het allerlaatste moment wordt ingediend om alsnog een erkenning veilig te stellen zonder dat zeker is dat het verzoek om erkenning enige kans maakt of reëel is. Overeenkomstig artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht zal een dergelijke aanvraag niet worden behandeld. Wel zal de aanvrager in de gelegenheid worden gesteld het verzoek binnen het door de minister gestelde termijn aan te vullen met alle relevante documenten en informatie. Indien deze aanvulling plaatsvindt en volledig is zal een verzoek om erkenning van een beroepskwalificaties of van een bewijs van vakbekwaamheid alsnog overeenkomstig de wettelijk voorgeschreven procedures worden afgewikkeld op grond waarvan het verzoek oorspronkelijk is gedaan. Deze invulling van de wettelijke bevoegdheid is neergelegd in artikel 4, eerste tweede lid, van deze beleidsregel.
Artikel 5 van deze beleidsregel voorziet in een overgangsregeling voor personen die in Nederland een aanpassingsstage verrichten als compenserende maatregel om een verschil in het opleidings- en ervaringsniveau tussen de beroepskwalificatie verkregen in het VK en de Nederlandse beroepskwalificatie weg te nemen. In geval een van een aanpassingsstage kan wordt het gereglementeerd beroep in Nederland onder het toezicht en de verantwoordelijkheid van een gekwalificeerde beroepsbeoefenaar door de aanvrager uitgeoefend. In voorkomend geval in combinatie met een aanvullende opleiding. Door de aanpassingsstage kan worden beoordeeld of de migrerende beroepsbeoefenaar voldoende bekwaamheid bezit om het desbetreffende beroep in Nederland uit te oefenen. Een aanpassingsstage kan een maximumduur hebben van 3 drie jaar. In lijn met het principe een fatsoenlijke afwikkeling van lopende zaken te willen treffen, past een eerbiedigende werking juist voor personen die een aanpassingsstage volgen en reeds in Nederland aanwezig zijn en een opleiding volgen in combinatie met een beroepsuitoefening met het oog op een permanent verblijf in Nederland.
De inwerkingtreding van deze beleidsregel is onlosmakelijk verbonden met de terugtrekking van het VK in geval er geen terugtrekkingsakkoord tot stand komt met een overgangsperiode. Artikel 7 van de beleidsregel brengt dit tot uitdrukking.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten
Brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 7 januari 2019, Kamerstukken II 2018/19, 23 987, nr. 299.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-19831.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.