Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Buitenlandse ZakenStaatscourant 2019, 1360Besluiten van algemene strekking

Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 8 januari 2019, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma DHI 2019–2023)

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,

Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op subsidiëring van activiteiten op het gebied van demonstratieprojecten, haalbaarheidsstudies en investeringsvoorbereidingsprojecten gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2023 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2

  • 1. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma DHI 2019–2023 worden ingediend in jaarlijkse openstellingen.

  • 2. Aanvragen voor subsidie in de eerste openstelling van het Subsidieprogramma DHI 2019–2023 worden ingediend vanaf 15 januari 2019 tot en met 31 december 2019.

  • 3. Voor aanvragen voor subsidie in volgende openstellingen van het Subsidieprogramma DHI 2019–2023 gelden nader bekend te maken openstellingsperiodes.

  • 4. Aanvragen voor subsidies in het kader van het Subsidieprogramma DHI 2019–2023 worden ingediend aan de hand van een door de minister beschikbaar gesteld formulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1

Artikel 3

  • 1. Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma DHI 2019–2023 geldt voor aanvragen bedoeld in artikel 2, tweede lid, een subsidieplafond van € 5 miljoen voor het ondersteunen van Nederlandse MKB-ondernemingen die zich richten op dergelijke nieuwe activiteiten in opkomende en ontwikkelde markten en € 4 miljoen voor activiteiten in ontwikkelingslanden.

  • 2. Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma DHI 2019–2023 gelden voor aanvragen bedoeld in artikel 2, derde lid, nader bekend te maken subsidieplafonds.

Artikel 4

De aanvragen worden beoordeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. Indien het subsidieplafond op enige dag dreigt te worden overschreden, bepaalt de minister de volgorde van behandeling van op dezelfde dag ontvangen aanvragen door middel van loting.

Artikel 5

Per aanvrager kan slechts sprake zijn van een samenloop van ten hoogste twee subsidies in het kader van het Subsidieprogramma DHI 2019–2023.

Artikel 6

Het besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 26 februari 2016, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidieverlening op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Demonstratieprojecten, Haalbaarheidsstudies en Investeringsvoorbereidingsstudies)2 wordt ingetrokken, met dien verstande dat het besluit van toepassing blijft op subsidies die krachtens dit besluit zijn verleend.

Artikel 7

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2024, met dien verstande dat het besluit van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Dit besluit zal met de bijlage en annexen in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, namens deze, de Directeur-Generaal Internationale Samenwerking, R. Buijs

De Directeur-generaal Buitenlandse Economische Betrekkingen, H. Schuiling

BIJLAGE

1. Achtergrond

Algemeen

Economische groei en werkgelegenheid zijn onlosmakelijk verbonden met handhaving van de Nederlandse positie in de internationale handels- en investeringsstromen. Ruim 30% van ons inkomen wordt in het buitenland verdiend, handel bedraagt 72% van het BNP en levert 2,2 miljoen voltijdbanen op. De ambitie van overheid en bedrijfsleven is handhaving van de positie op ‘traditionele’ markten en versterking van de positie op ‘nieuwe’ markten. Het midden- en kleinbedrijf (MKB) is sterk afhankelijk van de binnenlandse markt en het is cruciaal dat ook zij kunnen internationaliseren en profiteren van groeikansen.

Onbekendheid met buitenlandse markten, de complexiteit daarvan en de spelers op deze markten vormen barrières die risico’s en kosten met zich mee brengen. Nederlandse MKB-ondernemingen kunnen daardoor kansen mislopen, mede omdat banken en investeerders het risico in bepaalde landen (opkomende markten) hoog inschatten en voorzichtig zijn met financieren en investeren. Dit terwijl er ondanks eventuele extra risico’s juist kansen zijn voor Nederlandse ondernemingen om bedrijfsactiviteiten uit te breiden naar het buitenland. Daarnaast bepaalt de omvang van de MKB-onderneming de financiële slagkracht van een onderneming om zich op nieuwe markten te begeven. Kleine ondernemingen hebben niet altijd de financiële middelen om hun product op een nieuwe markt te introduceren.

In het geval van ontwikkelingslanden kunnen deze Nederlandse ondernemingen een belangrijke en positieve impuls geven aan verdere lokale ontwikkeling. Export en investeringen kunnen een bijdrage leveren aan duurzame economische groei en lokale werkgelegenheid, aan overdracht van kennis, vaardigheden en technologie en aan verbetering van lokale productiekracht.

De minister heeft daarom besloten met het Subsidieprogramma DHI 2019–2013 (hierna DHI) om economische activiteiten van Nederlandse ondernemingen te financieren die een bijdrage leveren aan het slechten van bovengenoemde barrières, waardoor kansen gecreëerd worden om nieuwe activiteiten op nieuwe markten te ontplooien.

2. Uitvoerder

De minister heeft de uitvoering van DHI opgedragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), agentschap van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. RVO zal DHI uitvoeren namens de minister op grond van een aan RVO verleend mandaat.

3. Begrippen

In DHI wordt verstaan onder:

Aanvrager:

de MKB-onderneming die de subsidie aanvraagt;

Buitenlandse potentiële afnemer/samenwerkingspartner:

een buitenlandse organisatie die als gastheer optreedt voor een uit te voeren demonstratieproject, dan wel een investerende buitenlandse afnemer die overtuigd dient te worden middels een haalbaarheidsstudie, dan wel een buitenlandse samenwerkingspartner waarmee een Nederlandse onderneming een investeringsproject wil opzetten;

De-minimisverordening:

de Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb. 2013, L 352/1;

Doelland:

land waar de export of investeringen, te realiseren via een demonstratieproject, haalbaarheidsstudie of investeringsvoorbereidingsproject, op gericht zijn, met dien verstande dat doelland slechts kunnen zijn:

  • wat betreft aanvragers, gevestigd in Europees Nederland: landen buiten het Koninkrijk der Nederlanden alsmede Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

  • wat betreft aanvragers, gevestigd op Aruba, Curaçao of Sint Maarten: landen buiten het Koninkrijk der Nederlanden;

  • wat betreft aanvragers, gevestigd op Bonaire, Sint Eustatius of Saba: landen buiten het Koninkrijk der Nederlanden alsmede Aruba, Curaçao en Sint Maarten.

Export:

de levering aan een buitenlandse afnemer van Nederlandse goederen en diensten, waarbij de omvang van de export wordt bepaald door de in Nederland toegevoegde waarde;

Focuslanden:

de landen vermeld in annex 1;

Fragiele staten:

de landen, als zodanig aangeduid op de landenlijst van de DGGF website3;

MKB-onderneming:

een onderneming behorende tot de bedrijfssector als omschreven in Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003, Pb 2003 L 124/36, betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen;

Nederland:

Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

Nederlandse onderneming:

een in Nederland gevestigde entiteit die, ongeacht de rechtsvorm, economische activiteiten verricht en die staat ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. ‘Economische activiteiten verrichten’ houdt in goederen of diensten op de markt aanbieden;

Ontwikkelingslanden:

de landen vermeld op de landenlijst van de DGGF website4;

Ontwikkelingsrelevant:

een positieve bijdrage leverend aan minimaal één van de volgende aspecten, waarbij geldt dat de score op ten minste één van deze aspecten positief moet zijn en de score op de overige aspecten ten minste neutraal:

  • Groei van de lokale werkgelegenheid;

  • Duurzame overdracht van kennis en vaardigheden, technologie en innovatie;

  • Het verbeteren van de lokale productiekracht van de betrokken lokale onderneming;

Ontwikkelde en opkomende markten:

alle landen met uitzondering van Nederland en de landen van DGGF;

Penvoerder:

de partner in een samenwerkingsverband die namens het samenwerkingsverband de subsidie aanvraagt. Indien de aanvraag wordt gehonoreerd, is de penvoerder de subsidieontvanger en als zodanig volledig aanspreekbaar en verantwoordelijk jegens de minister voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten en de naleving van de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen;

Project:

een demonstratieproject, haalbaarheidsstudie of investeringsvoorbereidingsproject;

Samenwerkingsverband:

een niet over rechtspersoonlijkheid beschikkend contractueel samenwerkingsverband bestaande uit partners met eigen rechtspersoonlijkheid gericht op de realisering van gezamenlijk onderschreven doelstellingen door uitvoering van activiteiten op een zodanige wijze dat elk van de partners een deel van de daartoe benodigde inspanningen levert en een deel van de daarmee gepaard gaande risico’s draagt.

4. Subsidieprogramma DHI 2019–2023

4.1 Doel

DHI geeft mede invulling aan het beleid gericht op internationalisering van het Nederlandse MKB. Internationaal ondernemen is een belangrijk element in het streven naar duurzame economische groei in Nederland.

DHI geeft tevens invulling aan de synergie tussen handel enerzijds en hulp anderzijds binnen de agenda van de minister voor Handel en Ontwikkelingssamenwerking, waarin stimulering van internationalisering van het MKB en bijdrage aan lokale en inclusieve economische groei samengaan. Met name voor ontwikkelingslanden geldt dat gezocht wordt naar ontwikkelingsrelevante economische activiteiten van het Nederlandse MKB dat daar marktkansen ziet.

De hoofddoelstelling van DHI is:

Het verhogen en versterken van het aantal Nederlandse ondernemingen dat succesvol internationaliseert door in een vroege fase te onderzoeken of een export/investeringsproject haalbaar is of om te demonstreren dat een bepaald exportproduct of technologie toepasbaar is. Hiermee wordt tevens een positieve bijdrage geleverd aan de lokale ontwikkeling van ontwikkelingslanden waar deze internationaliseringen plaatsvinden.

Specifieke doelstellingen van DHI zijn:

  • Het vergroten van het aantal Nederlandse ondernemingen dat zich (sterker) positioneert in nieuwe markten door het wegnemen van (financiële)knelpunten als verdere stap in de internationalisering van deze ondernemingen.

  • Het vergroten van de Nederlandse export.

  • Het vergroten van de Nederlandse investeringen.

En via bovenstaande 3 doelstellingen het leveren van een bijdrage aan duurzame lokale economische ontwikkeling in ontwikkelingslanden, in de vorm van groei van de lokale werkgelegenheid, duurzame overdracht van kennis, vaardigheden en technologie en verbetering van lokale productiekracht.

4.2 Doelgroep

Met DHI wil de minister Nederlandse MKB ondernemingen ondersteunen bij het voorbereiden op export en investeringen in ontwikkelde en opkomende landen en ontwikkelingslanden.

4.3 Wie kunnen in aanmerking komen voor een subsidie

Subsidies in het kader van DHI zijn bedoeld voor individuele Nederlandse MKB-ondernemingen en samenwerkingsverbanden namens welke een penvoerder een subsidie aanvraagt.

Een samenwerkingsverband bestaat in elk geval uit twee of meer exporterende of investerende Nederlandse ondernemingen, waaronder ten minste een MKB-onderneming. De penvoerder moet een Nederlandse MKB-onderneming zijn en een substantieel aandeel in het project hebben.

Indien er sprake is van een samenwerkingsverband, dan kunnen ook grotere ondernemingen in aanmerking komen voor subsidie zover dit binnen dat samenwerkingsverband noodzakelijk is voor het MKB waarmee zij samenwerken en als in die samenwerking het accent op het MKB ligt.

Aanvragers moeten:

  • a. Nederlandse binnen het project exporterende en/of in het buitenland investerende (MKB-) ondernemingen zijn;

  • b. Substantiële omzet hebben gerealiseerd, waarbij de gemiddelde jaaromzet over de laatste drie kalenderjaren voorafgaand aan de aanvraag ten minste € 100.000 bedraagt, of onderbouwd aannemelijk kunnen maken in staat te zijn de eigen bijdrage voor de uitvoering van het project en voor het vervolg van het realiseren van de export of investering te kunnen bekostigen;

  • c. Minimaal 3 werknemers hebben of, indien dat niet het geval is, aantoonbaar aannemelijk kunnen maken dat de capaciteit structureel gewaarborgd is.

Indien er sprake is van een samenwerkingsverband, dan geldt het vereiste c uitsluitend voor de penvoerder.

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie moet de individuele aanvrager dan wel de penvoerder aantonen dat hij en zijn partners zich inspannen om ernstige (seksuele) misdragingen en andere ernstige vormen van grensoverschrijdend gedrag jegens medewerkers en derden bij de uitvoering van de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft te voorkomen, in voorkomend geval zo spoedig mogelijk te doen beëindigen en om de gevolgen daarvan te mitigeren.

4.4 Adviestraject

Als een aanvrager over wil gaan tot concrete planvorming en overweegt individueel of namens een samenwerkingsverband een aanvraag voor subsidie in te gaan dienen, dan zal er een verplicht adviestraject plaatsvinden aan de hand van een daartoe ingediende ‘quick scan’. Meer informatie hierover staat op www.rvo.nl/dhi.

Met de verwerking van een verzoek om advies is tot twee weken gemoeid. Het adviestraject eindigt met een advies van een RVO adviseur aan de potentiële aanvrager. De uitkomst van het adviestraject is niet bindend. Het is aan de potentiële aanvrager om wel of niet een subsidieaanvraag in te dienen.

4.5 Subsidiabele activiteiten

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van DHI moeten de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd gericht zijn op het bereiken van het doel in paragraaf 4.1. en betrekking hebben op activiteiten in niet meer dan één land, tenzij overwegingen van effectiviteit of doelmatigheid zich daar in betekenende mate tegen verzetten.

Er kan subsidie worden aangevraagd voor de projecten onder 4.5.1, 4.5.2 en 4.5.3.

4.5.1 Demonstratieproject

Het demonstreren van Nederlandse technologie (met name kapitaalgoederen) in een doelland in een reële praktijksituatie, waarbij:

  • er sprake moet zijn van specifieke lokale omstandigheden die een knelpunt vormen waardoor de introductie van de technologie op de betreffende markt wordt belemmerd;

  • de inzet van de demonstratie is dat het knelpunt wordt weggenomen en dat de toegevoegde waarde van de technologie wordt aangetoond;

  • de omvang en duur niet groter zijn dan strikt noodzakelijk om het knelpunt weg te nemen;

  • er sprake moet zijn van een noodzaak om de technologie in het land te demonstreren om deze te kunnen introduceren;

  • voldoende bijgedragen wordt aan de positionering van de betreffende Nederlandse onderneming(en) in het land;

  • er sprake moet zijn van het demonstreren onder een brede groep potentiële afnemers in de betreffende markt, niet zijnde consumenten;

  • onderbouwd en aannemelijk gemaakt moet worden dat binnen 3 jaar na uitvoering van de demonstratie de betrokken ondernemingen gezamenlijk export met een omvang van ten minste tienmaal het subsidiebedrag zullen realiseren, of in het geval van projecten in ontwikkelingslanden met een omvang van ten minste vijfmaal het subsidiebedrag en met een substantiële ontwikkelingsrelevantie.

4.5.2 Haalbaarheidsstudie

Een onderzoek dat wordt uitgevoerd in het kader van een door een buitenlandse potentiële afnemer te nemen investeringsbesluit en waarmee wordt bepaald of het technisch en/of commercieel haalbaar is een concrete investering in het doelland uit te voeren. Het is mogelijk om in één studie twee investeringen voor twee potentiële afnemers te onderzoeken.

Waarbij geldt dat:

  • een buitenlandse potentiële afnemer door middel van een studie overtuigd moet worden dat de beoogde investering in Nederlandse kapitaalgoederen en diensten technisch en/of commercieel in het land haalbaar is. Deze afnemer geeft door middel van een intentieverklaring aan dat er een voornemen bestaat tot samenwerking met de betrokken Nederlandse onderneming(en) bij de totstandkoming van de investering;

  • vóór aanvang van de studie voldoende duidelijkheid bestaat over de omvang van de markt, de beoogde opzet van de investering, de locatie, de exploitatie, de financiering en de lokale impact. De studie heeft als doel om de details rond de voorgenomen investering helder te krijgen. In de studie wordt de beoogde investering ontworpen op hoofdlijnen (basic design);

  • de studie resulteert in een rapport in de vorm van een businessplan of een projectplan, op basis waarvan de buitenlandse potentiële afnemer een investeringsbesluit kan nemen;

  • er een noodzaak moet zijn dat de betrokken Nederlandse onderneming(en) een haalbaarheidsstudie uitvoert/uitvoeren waarmee de buitenlandse potentiële afnemer in staat wordt gesteld een investeringsbesluit te nemen;

  • onderbouwd en aannemelijk gemaakt moet worden dat de beoogde investering leidt tot export van Nederlandse kapitaalgoederen en diensten door de betrokken Nederlandse onderneming(en) met een omvang van ten minste tienmaal het subsidiebedrag, of in het geval van studies in ontwikkelingslanden met een omvang van ten minste vijfmaal het subsidiebedrag en met een substantiële ontwikkelingsrelevantie.

4.5.3 Investeringsvoorbereidingsproject

Een project dat wordt uitgevoerd door een Nederlandse onderneming met substantiële activiteiten in Nederland die de intentie heeft om te investeren in het buitenland. Met investeren wordt bedoeld dat in het doelland een nieuwe productie- of dienstenfaciliteit wordt neergezet of een bestaande productie- of dienstfaciliteit wordt uitgebreid. De investering dient logischerwijze voort te vloeien uit de huidige activiteiten, core business en strategie van de Nederlandse onderneming. Een kleine proefproductie kan onderdeel uitmaken van het project indien de situatie dat noodzakelijk maakt.

Waarbij verder geldt dat:

  • het project moet worden uitgevoerd door de betrokken Nederlandse onderneming(en) om duidelijk te krijgen dat de voorgenomen investering technisch en/of commercieel haalbaar is. De uitkomst is een compleet, gedetailleerd en, in het geval dat een proefproductie een onderdeel van het project is, gevalideerd businessplan waarmee de Nederlandse investeerder financiering voor zijn investering kan proberen te verkrijgen;

  • vóór aanvang van het project bestaat voldoende duidelijkheid over de omvang van de markt, de beoogde opzet van de investering, de locatie, de exploitatie, de benodigde financiering en de lokale impact. Het project heeft als doel de details rond de voorgenomen investering nader helder te krijgen of te valideren. Tijdens het project wordt de beoogde investering ontworpen op hoofdlijnen (basic design) en/of zijn uitgangspunten in het businessplan in de praktijk gevalideerd;

  • onderbouwd en aannemelijk gemaakt moet worden dat binnen 3 jaar na uitvoering van het project de aanvrager een investering zal doen met een omvang ten minste vijfmaal het subsidiebedrag;

  • voor een project in opkomende en ontwikkelde markten moet sprake zijn van een positieve substantiële impact op de Nederlandse aanvragers en daarmee op de Nederlandse economie;

  • er bij een project in een ontwikkelingsland sprake moet zijn van een substantiële ontwikkelingsrelevantie.

4.5.4 Niet subsidiabele activiteiten

In ieder geval geen subsidie wordt verleend voor een project gericht op:

  • a. Onderzoek en ontwikkeling. Hieronder wordt tevens verstaan het aanpassen en testen van producten of het ontwikkelen van trainingsprogramma’s voor zover niet specifiek voor het project noodzakelijk is.

  • b. Promotionele en verkoopactiviteiten en activiteiten gericht op marktonderzoek.

  • c. Demonstratie van de betreffende technologie op een beurs of het tentoonstellen ervan aan een potentiële afnemer.

  • d. Activiteiten die leiden tot een verlies aan arbeidsplaatsen in Nederland.

  • e. Een technologie die niet minimaal technologisch en commercieel gereed is.

  • f. Activiteiten die als export- of investeringsactiviteiten zijn aan te merken, hierbij moet gedacht worden aan de hierna opgesomde projectsoorten.

    • Projecten waarbij na afloop ervan de gedemonstreerde technologie wordt verkocht. Een demonstratieproject is slechts bedoeld om een technologie te demonstreren. De gedemonstreerde technologie dient teruggebracht te worden naar Nederland dan wel lokaal te worden achtergelaten of om niet te worden overgedragen.

    • Projecten waarbij in het kader van een proefproductie al een aanzienlijke investering wordt gedaan.

    • Projecten voor het realiseren van voorbeeldprojecten.

  • g. Leningen op revolverende financiering aan derde partijen.

4.6 Duur van de activiteiten

De activiteiten in het kader van DHI moeten worden uitgevoerd binnen een maximale termijn van:

  • 3 jaar voor een demonstratieproject.

  • 2 jaar voor een haalbaarheidsstudie en investeringsvoorbereidingsproject.

4.7 Omvang van de subsidie

De subsidie bedraagt per aanvraag ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van:

  • € 200.000 voor demonstratieprojecten.

  • € 100.000 voor haalbaarheidsstudies.

  • € 100.000 voor investeringsvoorbereidingsprojecten.

In het geval van projecten gericht op fragiele staten of focuslanden geldt een subsidiepercentage van ten hoogste 60% van de subsidiabele kosten, tot bovengenoemde maximale bedragen.

De subsidie valt onder de de-minimisverordening. Het bedrag van de subsidie wordt verlaagd voor zover dit nodig is op basis van deze verordening.

De eigen bijdrage aan het project van MKB onderneming of de partners van het samenwerkingsverband wordt gefinancierd met middelen die niet verkregen zijn door middel van een directe of indirecte subsidie of bijdrage ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

5. Subsidiabele kosten

Ten aanzien van de met het project gemoeide kosten geldt dat er sprake moet zijn van minimaal € 50.000 aan subsidiabele kosten.

5.1 Uitgangspunten

Voor het bepalen van (de omvang van) de kosten die in aanmerking kunnen worden genomen bij het bepalen van de subsidie gelden de volgende uitgangspunten:

  • voor kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd voor de uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt gevraagd wordt geen subsidie verleend;

  • voor kosten die niet direct zijn gerelateerd aan de uitvoering van de activiteiten wordt geen subsidie verleend;

  • voor kosten gemaakt voor indiening van de aanvraag wordt geen subsidie verleend;

  • voor kosten voor projectmanagement geldt een maximum van 10% van het totaal aantal opgevoerde dagen onder tijdsbesteding in Nederland en het buitenland;

  • voor de inhuur van experts, bijvoorbeeld ZZP-ers, wordt een maximum uurtarief van € 87,50 gehanteerd. Een expert is een medewerker die over aantoonbare expertise beschikt op het onderdeel waarop deze in een project functioneel wordt ingezet, niet zijnde ondersteunende werkzaamheden en blijkend uit de cv;

  • de interne kosten (eigen uren en, in geval van hardware, de kostprijs) van de aanvrager dan wel de penvoerder en zijn partners worden zonder winstopslag in aanmerking genomen;

  • kosten in landen buiten Europa worden aan lokale maatstaven getoetst.

  • een financiële bijdrage van derden (bijvoorbeeld van de buitenlandse klant of van een overheidspartij) in de kosten van het project leidt tot een even zo grote verlaging van de subsidiabele kosten.

5.2 Subsidiabele kosten

  • a. De subsidiabele kosten betreffen loonkosten, welke worden berekend als volgt: het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken medewerkers in loondienst bij de aanvrager dan wel de penvoerder en/of partners ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt, vermenigvuldigd met een maximaal uurtarief van € 87,50 waarin zowel de directe loonkosten als daaraan toegerekende indirecte kosten zijn begrepen. In afwijking op dit maximum uurtarief wordt het uurtarief voor personeel van de aanvrager dan wel de penvoerder en/of partners in landen buiten Europa naar lokale maatstaven vastgesteld tot het maximale uurtarief.

  • b. Deze kosten kunnen in ieder geval worden vermeerderd met:

    • De kosten van het gebruik van hardware, gebouwen en/of software. Voor het bepalen van de economische afschrijving worden vaste afschrijvingstermijnen gehanteerd:

      • Hardware (machines, installaties): 5 jaar

      • Gebouwen: 30 jaar

      • Software: 3 jaar

    • De grondslag voor het bepalen van de afschrijvingskosten is de aanschafprijs van het product/goed, rekening houdend met de eventuele restwaarde en vermeerderd met eventuele aanpassingskosten.

    • Reiskosten: internationale reiskosten en interlokale reiskosten buiten Nederland op basis van economy class.

    • Verblijfkosten: de maximale vergoeding voor verblijfkosten is het aantal overnachtingen maal de logies- en overige kosten conform de Daily Subsistence Allowance Rates (DSA-lijsten) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, geldend op de startdatum van de activiteiten: Bijlage I behorende bij artikel 3, eerste lid, van de Reisregeling buitenland.5

    • Kosten derden: tot een maximum van 40% van de totale projectkosten voor wat betreft demonstratieprojecten en van 25% voor wat betreft haalbaarheidsstudies en investeringsvoorbereidingsprojecten.

  • c. In aanvulling op de hierboven genoemde reis- en verblijfskosten kunnen voor fragiele staten ook extra reis- en verblijfkosten vanwege de risico’s, verzekering en negatief reisadvies subsidiabel zijn, mits goed onderbouwd in de aanvraag.

5.3 Niet-subsidiabele kosten

Niet subsidiabel zijn in ieder geval de volgende kosten:

  • kosten voor het ontwikkelen van de aanvraag en het aanvragen van subsidie en andere kosten die voor indiening van de aanvraag zijn gemaakt;

  • financieringskosten en rentevergoedingen;

  • omzetbelasting;

  • kosten veroorzaakt door inflatie en wisselkoersschommelingen;

  • kosten gerelateerd aan promotionele of verkoopactiviteiten of promotiemateriaal;

  • algemene vertaalkosten;

  • kosten van tenaamstelling en instandhouding van rechten van intellectueel eigendom.

  • kosten voor productontwikkeling;

  • kosten voor marktonderzoek;

  • licentiekosten;

  • certificeringskosten;

  • kosten voor aanpassing van de te demonstreren technologie, voor zover deze niet specifiek zijn, niet direct gerelateerd zijn aan het doel van het demonstratieproject en daarvoor niet noodzakelijk zijn;

  • kosten voor het ontwikkelen van trainingsprogramma’s.

6. Aanvraag

6.1 Vereisten

Voordat een individuele Nederlandse MKB onderneming of een penvoerder een aanvraag voor subsidie in het kader van DHI doet, dient hij een advies van RVO te hebben verkregen zoals beschreven in paragraaf 4.4 (advies naar aanleiding van ‘quick scan’).

De aanvraag wordt ingediend in de Nederlandse of Engelse taal met gebruikmaking van een daartoe op www.rvo.nl/dhi beschikbaar gesteld middel en voorzien van de daarin genoemde bijlagen waarvoor modellen beschikbaar worden gesteld door RVO.

De aanvraag bevat in ieder geval:

  • Referentienummer van het ontvangen RVO-advies;

  • Indien van toepassing: Partnerformulieren;

  • Projectplan;

  • Begroting waarbij ook de financiering van het eigen aandeel (per partner) inzichtelijk wordt gemaakt (projectuitgaven versus projectinkomsten);

  • Ingevulde en ondertekende de-minimisverklaring voor zowel de aanvrager als, in het geval van een samenwerkingsverband, de partners van het samenwerkingsverband, niet zijnde derden;

  • Voor een project in een ontwikkelingsland een bijlage over de ontwikkelingsrelevantie van het project;

  • Voor haalbaarheidsstudies: een intentieverklaring van de buitenlandse potentiële afnemer;

  • Voor demonstratieprojecten: een intentieverklaring van de gastheer als het demonstratieproject wordt uitgevoerd bij een externe organisatie die als gastheer optreedt;

  • Voor investeringsvoorbereidingsprojecten: een intentieverklaring van een onderneming in het doelland als deze onderneming mede zal gaan investeren in het project;

  • Indien van toepassing: ondertekende samenwerkingsovereenkomst die de medewerking van de partners aan de uitvoering van de activiteiten en de naleving van de gemaakte afspraken waarborgt, evenals de naleving van de aan een subsidieverlening te verbinden verplichtingen;

Tevens moet de aanvrager, en indien van toepassing de partners, verklaren dat zij op de hoogte zijn en zullen handelen naar de OESO richtlijnen (www.oesorichtlijnen.nl) en de ILO-Verklaring inzake fundamentele principes en rechten op het werk, en dat zij hiernaar handelen. Ook dienen zij op de hoogte te zijn van de FMO-uitsluitingslijst en geen activiteiten uit te voeren die op deze lijst benoemd staan (www.fmo.nl/exclusion-list).

In aanvulling hierop gelden in specifieke gevallen ook de IFC Performance Standards, de OECD-FAO Guidance for Responsible Agricultural Supply Chains en de VN Conventie over Biologische Diversiteit. Aanvragers en wanneer van toepassing ook deelnemers dienen te verklaren van deze richtlijnen op de hoogte te zijn en deze te onderschrijven. De aanvrager dient feiten of omstandigheden die wijzen op het schenden van deze richtlijnen onverwijld te melden bij RVO.nl.

6.2 Herstelperiode

In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag onvolledig worden ingediend, dan kan de minister (met gebruikmaking van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht) vragen om een aanvulling. Als datum en tijd van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum en tijd waarop de aanvulling is ontvangen. Daarnaast geldt in het algemeen dat het niet volledig indienen van aanvragen of onvoldoende onderbouwen van (onderdelen van) de aanvraag mogelijk leidt tot afwijzing van een subsidieaanvraag op basis van het niet of niet in voldoende mate voldoen aan de aan aanvragen gestelde vereisten en criteria.

Kortheidshalve verwijzen naar andere onderdelen van de aanvraag, websites of bijlagen is niet voldoende, tenzij in de aanvraagdocumenten uitdrukkelijk is aangegeven dat daarmee (geheel of gedeeltelijk) kan worden volstaan. Indien onderdelen van de aanvraagdocumenten niet worden ingevuld, loopt de aanvrager het risico op afwijzing van de aanvraag.

7. Beoordeling en verdeling beschikbare middelen

7.1 Beoordeling

De bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking in het kader van DHI. De aanvragen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de maatstaven die in DHI zijn neergelegd.

Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen dient de aanvraag te voldoen aan de hiervoor, in het bijzonder in paragraaf 4 tot en met 6, opgenomen vereisten. Slechts de aanvragen die daaraan voldoen, worden inhoudelijk beoordeeld op kwaliteit aan de hand van de hierna volgende criteria, waaraan eveneens per criteria in voldoende mate moet worden voldaan om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie. De volgende criteria zijn van toepassing:

Beleidsmatig

  • De mate waarin er sprake is van een nieuwe technologie of dienst op de doelmarkt of een nieuwe doelmarkt voor de aanvrager.

  • De mate waarin het uitvoeren van het DHI-project nut en noodzaak van overheidsondersteuning rechtvaardigt.

  • De mate waarin onderbouwd aannemelijk wordt gemaakt dat het project in het geval van ontwikkelingslanden voldoende ontwikkelingsrelevant is en in het geval van aanvragen voor demonstratieprojecten en haalbaarheidsstudies onderbouwd aannemelijk wordt gemaakt dat het project tot export door de Nederlandse aanvragers leidt.

  • De mate waarin in het geval van aanvragen voor demonstratieprojecten en haalbaarheidsstudies gericht op ontwikkelde en opkomende markten onderbouwd aannemelijk wordt gemaakt dat het project tot export door de Nederlandse aanvragers leidt, en in het geval van aanvragen voor investeringsvoorbereidingsprojecten gericht op ontwikkelde en opkomende markten aantoonbaar aannemelijk wordt gemaakt dat het project een substantiële positieve impact heeft op de Nederlandse aanvragers en daarmee op de Nederlandse economie.

Doelmarkt

  • De mate waarin onderbouwd aannemelijk wordt gemaakt dat er sprake is van een realistisch exportpotentieel op de doelmarkt en de mate waarin onderbouwd aannemelijk wordt gemaakt dat het project leidt tot het substantieel vergroten van de export naar die doelmarkt door de betrokken Nederlandse ondernemingen, dan wel, in het geval van investeringsvoorbereiding, de mate waarin onderbouwd aannemelijk wordt gemaakt dat de beoogde investering daadwerkelijk gaat plaatsvinden.

  • De vraag hoe reëel het is dat de doelmarkt de betreffende technologie/dienst kan bekostigen/financieren, dan wel dat de uiteindelijke investering gefinancierd kan worden.

  • De (politieke) haalbaarheid van de activiteiten in het doelland.

Organisatie

  • De mate waarin het project en de beoogde export of investering logisch aansluiten bij de reguliere activiteiten en/of strategie van de aanvrager.

  • De mate waarin de aanvrager over voldoende (aantoonbaar) relevante ervaring en kennis beschikt om het project succesvol te kunnen uitvoeren en daarna de beoogde export of investering te kunnen realiseren.

  • De mate waarin de continuïteit van de aanvrager en de betreffende activiteiten zijn gewaarborgd, rekening houdend met de financiële en organisatorische capaciteiten van de aanvrager.

Uitvoering

  • De mate waarin doelstellingen, knelpunten en beoogde resultaten voldoende duidelijk, reëel, meetbaar en tijdgebonden zijn

  • De mate waarin het projectplan en het activiteitenplan voldoende duidelijk, logisch en gespecificeerd zijn

  • De mate waarin de activiteiten lokaal geborgd zijn dan wel de mate waarin er lokaal maatregelen zijn genomen om ervoor te zorgen dat het project succesvol wordt opgezet en uitgevoerd.

  • De mate van redelijkheid en noodzakelijkheid van de projectbegroting.

  • De mate waarin sprake is van adequaat risicomanagement, bestaande uit een adequate risicoanalyse en adequate mitigerende maatregelen.

MVO

  • De mate waarin het project in overeenstemming is met de IMVO richtlijnen en beschreven is dat het project geen negatieve effecten heeft op onderwerpen als milieu, arbeidsomstandigheden en land- en mensenrechten.

  • De mate waarin de belangrijkste IMVO risico’s in kaart zijn gebracht en er maatregelen zijn geformuleerd om de belangrijkste IMVO risico’s te mitigeren. Indien enkele project specifieke MVO onderwerpen bij aanvraag nog onzeker zijn dan dienen deze minimaal onderdeel te zijn van de studie.

RVO kan bij de beoordeling extern advies inwinnen.

7.2 Verdeling beschikbare middelen

DHI kent jaarlijkse openstellingen. De beschikbare middelen worden verdeeld door behandeling van de aanvragen in volgorde van binnenkomst. Mochten op één dag binnengekomen aanvragen in geval van honorering de voor de betreffende openstelling beschikbare middelen overtreffen, dan wordt de volgorde van behandeling bepaald door middel van loting.

8. Afwijzingsgronden

Naast het bepaalde in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een aanvraag voor subsidie afgewezen als er niet voldaan wordt aan het bepaalde in DHI of indien het subsidieplafond zou worden overschreden.

Aanvragen ten behoeve van transacties in een land waarop een sanctieregime van de Veiligheidsraad en/of van de EU van toepassing is, zullen met extra zorg beoordeeld worden. In geen geval mag de beoogde transactie leiden tot overtreding of ontduiking van de sancties of tot ondergraving van het Nederlandse beleid t.a.v. het onder sancties vallende land. Het VR- en EU-sanctiebeleid wordt – uiteraard – in alle gevallen gehandhaafd. Vigerend exportbeleid en restricties die hieruit voortvloeien, zoals betreffende export van strategische en ‘dual use’ goederen, worden in alle gevallen gehandhaafd.

Voorts kan de verlangde subsidie worden geweigerd indien verstrekking niet verenigbaar is met het beleid ten aanzien van de buitenlandse betrekkingen, de buitenlandse handel en de ontwikkelingssamenwerking, zoals onder andere kenbaar uit de memories van toelichting bij de begrotingen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, uit het verkeer met de Staten-Generaal, uit de bekendmaking van beleidsregels of uit andere geschikte vormen van bekendmaking of mededeling.

9. Handhaving

RVO zal een steekproefsgewijze controle uitvoeren op het correcte gebruik van de subsidie waarbij op grond van de afgegeven beschikkingen wordt gecontroleerd op rechtmatigheid en doelmatigheid.

10. Verplichtingen

In de subsidieverleningsbeschikking zal aan de subsidieverlening in ieder geval een meldingsplicht worden opgenomen. De subsidieontvanger heeft de plicht om aan RVO te melden wanneer hij niet (geheel) aan de verplichtingen van de subsidie kan voldoen en/of de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet (geheel) kan uitvoeren. Alsmede dat de projectpartners en de eerste wezenlijke toeleverancier geen gebruik maken van kinderarbeid en/of dwangarbeid6, noch voor het project waar de aanvraag betrekking op heeft, noch voor andere activiteiten. De aanvrager dient eventuele feiten of omstandigheden die wijzen op kinder- of dwangarbeid bij deze organisaties onverwijld te melden bij RVO.nl.

11. Administratieve lasten

Ter verantwoording van de administratieve lasten waarmee de aanvrager te maken krijgt is een toets uitgevoerd volgens een standaard kostenmodel. Daarbij is rekening gehouden met de indiening van een aanvraag voor subsidie, de beheerfase, de vaststelling van de subsidie en eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Uit de berekening blijkt dat het totale percentage administratieve lasten ten opzichte van het totaal beschikbare subsidiebudget 3,4% bedraagt.

ANNEX 1 – FOCUSLANDEN

  • Algerije

  • Burkina Faso

  • Egypte

  • Ethiopië

  • Irak

  • Jemen

  • Jordanië

  • Kenia

  • Libanon

  • Libië

  • Mali

  • Marokko

  • Niger

  • Nigeria

  • Oeganda

  • Palestijnse Gebieden

  • Senegal

  • Soedan

  • Somalië

  • Tsjaad

  • Tunesië

  • Zuid-Soedan

ANNEX 2 – RESULTAATKETEN

Resultaatketen

De gekozen methodiek voor het soort projecten onder DHI is de resultaatketen. Deze fungeert tevens als basis voor de monitoring en evaluatie. De resultaatketen beschrijft de logische stappen tussen de input van het project en korte- en langetermijneffecten die ermee worden beoogd. De resultaatketen bestaat uit de volgende hieronder beschreven afzonderlijke stappen.

Input

Activiteiten

Output

Outcome

Impact

Projectbudget

Demonstratieprojecten (D)

Haalbaarheidsstudies (H)

Investeringsvoorbereidingsprojecten (I)

D: Introductie van de betreffende technologie in het doelland gerealiseerd

H: Rapport t.b.v. te nemen investeringsbesluit door buitenlandse potentiële afnemer opgesteld

I: Businessplan om financiering voor het beoogde project te verkrijgen opgesteld

De tot stand gekomen positionering van Nederlandse ondernemingen in nieuwe markten

In het geval van ontwikkelingslanden ook: groei van werkgelegenheid, overdracht van kennis en vaardigheden bij eigen personeel en in de keten en versterking van productiekracht van betrokken lokale ondernemingen

Vergroting van Nederlandse export

Vergroting van de Nederlandse investeringen

In het geval van ontwikkelingslanden ook: positieve bijdrage aan duurzame lokale ontwikkeling

TOELICHTING

Input

Onder input wordt verstaan de inzet van middelen (met name financieel, menselijk, materieel en technologisch) die nodig zijn voor de uitvoering van het project.

Activiteiten

Activiteiten zijn de maatregelen of werkzaamheden waarmee input wordt gemobiliseerd om een specifieke output te bewerkstelligen. Onder DHI zijn 3 projectsoorten benoemd waarvan de activiteiten subsidiabel zijn (zie paragraaf 4.5): demonstratieprojecten, haalbaarheidsstudies en investeringsvoorbereidingsprojecten.

Output

Onder output wordt verstaan hetgeen na de voltooiing van de activiteiten in het kader van DHI is gerealiseerd/opgeleverd. Bij demonstratieprojecten betreft dit de introductie van de betreffende technologie in het doelland. Bij haalbaarheidsstudies is dit een rapport ten behoeve van een te nemen investeringsbesluit door een buitenlandse potentiële afnemer. Bij investeringsvoorbereidingsproject gaat het om een gevalideerd businessplan om financiering voor het beoogde project te verkrijgen.

Outcome

Outcome is het beoogde of verwezenlijkte korte-termijneffect van een interventie. In het geval van DHI wordt specifiek gedoeld op de tot stand gekomen positionering van Nederlandse ondernemingen in nieuwe markten en, in het geval van ontwikkelingslanden groei van werkgelegenheid, overdracht van kennis en vaardigheden bij zowel eigen personeel als in de keten en versterking van de productiekracht van betrokken lokale ondernemingen.

Impact

Impact betreft de lange-termijneffecten van een project. Voor wat betreft DHI zijn in dit kader de volgende doelstellingen geïdentificeerd: het vergroten van de Nederlandse export, het vergroten van de Nederlandse investeringen en, in het geval van ontwikkelingslanden, het leveren van een positieve bijdrage aan duurzame lokale ontwikkeling.


X Noot
2

Stcrt 11200

X Noot
5

Reisregeling Buitenland, http://wetten.overheid.nl/BWBR0006914

X Noot
6

elke vorm van arbeid die de Internationale Arbeidsorganisatie beoogt te verhinderen met het Verdrag betreffende den gedwongen of verplichten arbeid, 1930 (C29), het Verdrag betreffende de afschaffing van gedwongen arbeid, 1957 (C 105), het Verdrag betreffende de minimumleeftijd, 1973.