Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van FinanciënStaatscourant 2018, 72064Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 31 december 2018 tot aanwijzing van laagbelastende staten en staten die zijn opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden)

DB 2018/216528

Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken/Directie Directe Belastingen

De Staatssecretaris van Financiën,

Gelet op artikel 13ab van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;

Besluit:

Artikel 1 Reikwijdte

Deze regeling geeft uitvoering aan artikel 13ab van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Artikel 2 Aanwijzing staten

Als staten die op 1 oktober van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin het jaar, bedoeld in artikel 13ab, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, aanvangt lichamen niet of naar een tarief van minder dan 9% onderwerpen aan een belasting naar de winst of die zijn opgenomen op een in het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin het jaar, bedoeld in artikel 13ab, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, aanvangt geldende EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden als bedoeld in artikel 13ab van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 worden aangewezen: Amerikaans Samoa, Amerikaanse Maagdeneilanden, Anguila, Bahamas, Bahrein, Belize, Bermuda, Britse Maagdeneilanden, Guam, Guernsey, Isle of Man, Jersey, Kaaimaneilanden, Koeweit, Qatar, Samoa, Saudi-Arabië, Trinidad en Tobago, Turks- en Caicoseilanden, Vanuatu en Verenigde Arabische Emiraten.

Artikel 3 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

Artikel 4 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2019 en vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2019.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 31 december 2018

De Staatssecretaris van Financiën, M. Snel

TOELICHTING

In de Wet implementatie eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking is een aanvullende maatregel opgenomen met betrekking tot Controlled Foreign Companies (CFC’s) gevestigd (in geval van een gecontroleerd lichaam) of gelegen (in geval van een vaste inrichting) in staten zonder winstbelasting of met een statutair winstbelastingtarief van minder dan 9% (laagbelastende staten) of in staten die zijn opgenomen op de binnen de Europese Unie (EU) geldende lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (EU-lijst van niet-coöperatieve jurisdicties).1 De CFC-maatregel is opgenomen in de artikelen 13ab en 15e, tiende lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) die met ingang van 1 januari 2019 in werking treden en voor het eerst toepassing vinden met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na die datum. Genoemd artikel 13ab heeft in dat verband betrekking op het gecontroleerde lichaam en genoemd artikel 15e, tiende lid, op de vaste inrichting.

In de memorie van toelichting bij de Wet implementatie eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking is aangekondigd dat jaarlijks bij ministeriële regeling een uitputtende lijst wordt vastgesteld van de op basis van bovenstaande criteria aangewezen staten2. In de onderhavige regeling worden de staten aangewezen voor de toepassing van de aanvullende CFC-maatregel in de artikelen 13ab en 15e, tiende lid, Wet Vpb 1969, waarbij die aanwijzing voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2019. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de delegatiebepaling in het derde lid van genoemd artikel 13ab.

Staten worden met betrekking tot de hoogte van het tarief van een geheven winstbelasting als volgt beoordeeld.3 Het gaat bij deze beoordeling om het algemeen geldende statutaire belastingtarief over ondernemingswinsten. Niet noodzakelijk is dat de belasting naar de winst van rijkswege wordt geheven; een winstbelasting geheven vanwege een lagere overheid kwalificeert eveneens. Een registratiebelasting, overdrachtsbelasting of kapitaalsbelasting kwalificeert niet. Als een staat een directe belasting heft waarbij een statutair tarief wordt geheven over de omzet zal het gehanteerde tarief worden herleid naar een tarief over de winst. Dit wordt benaderd met behulp van beschikbare statistieken over winstmarges.4 Bij de beoordeling worden tariefopstapjes (of tariefafstapjes) buiten beschouwing gelaten, mits die vanwege de hoogte van het tarief of de lengte van de schijf geen betekenisvolle invloed hebben. Ook afzonderlijke tarieven voor midden- en kleinbedrijf blijven buiten beschouwing. Er wordt gekeken of de winstbelasting materieel op ieder lichaam van toepassing is of dat deze slechts van toepassing is op een beperkte groep. Als een belasting naar de winst enkel van toepassing is op specifieke activiteiten of sectoren (bijvoorbeeld exploratie van natuurlijke rijkdommen of de financiële sector) is deze niet algemeen geldend en kan daarmee niet worden voldaan aan de tarieftoets. Als een staat een algemeen geldend keuzeregime kent tussen verschillende systemen van winstbelasting, waarbij de keuze voor een systeem toepassing van het andere systeem uitsluit, moeten beide systemen voldoen aan de tarieftoets. Voor de beoordeling is niet van belang of een staat belastingregimes heeft met afwijkende tarieven. Tevens is niet van belang of het effectieve tarief lager is dan 9%, doordat bijvoorbeeld de buitenlandse grondslag waarover de belasting wordt geheven afwijkt van de grondslag naar Nederlandse maatstaven. Hier is voor gekozen om uitvoeringstechnische redenen en om de beoordeling van preferentiële belastingregimes te concentreren op het niveau van de EU. In het kader van de EU-lijst van niet-coöperatieve jurisdicties beoordeelt de EU preferentiële belastingregimes wereldwijd.

De beoordeling of in andere staten een winstbelasting wordt geheven en, als dat het geval is, van de hoogte van het tarief van de winstbelasting vindt jaarlijks plaats op 1 oktober van het aan het belastingjaar voorafgaande kalenderjaar, zodat de lijst van staten die op basis van dit criterium worden aangewezen voor aanvang van het belastingjaar kan worden geconsulteerd. Op de internetconsultatie, die liep van 25 september 2018 tot en met 22 oktober 2018, zijn in totaal negen reacties binnengekomen. In de reacties is in het bijzonder aandacht gevraagd voor de beoordeling van Koeweit, Qatar en Saudi-Arabië. Deze staten zijn op de geconsulteerde conceptlijst opgenomen omdat de winstbelasting in die staten van toepassing op een beperkte groep lichamen. De winstbelasting wordt namelijk niet geheven voor zover een lichaam dat in een van deze staten is gevestigd binnenlandse aandeelhouders heeft. In de reacties op de internetconsultatie is onder meer gewezen op de heffing van Zakat voor zover een lichaam binnenlandse aandeelhouders heeft. Naar aanleiding van de reacties op de internetconsultatie is opnieuw gekeken naar het winstbelastingsysteem in deze staten en de samenhang met de heffing van Zakat. Er is echter niet gebleken dat de heffing van Zakat gelijk kan worden gesteld met de heffing van een winstbelasting met een statutair tarief van ten minste 9%.

Wat betreft niet-coöperatieve jurisdicties op de EU-lijst als onderdeel van de aangewezen staten in de onderhavige regeling is het doel aan te sluiten bij de meest recente EU-lijst die geldt in het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin het boekjaar van de belastingplichtige aanvangt voor zover tijdige publicatie in de Staatscourant nog mogelijk is.5 In dat verband is dit jaar voor vaststelling van de onderhavige lijst van aangewezen staten aangesloten bij het besluit van de Ecofin-Raad van 6 november 2018.

Aan deze ministeriële regeling zijn geen budgettaire aspecten verbonden. De uitvoeringskosten voor de Belastingdienst alsmede de gevolgen voor bedrijfsleven en burger zijn reeds meegenomen bij hetgeen hierover is opgemerkt in de memorie van toelichting bij de Wet implementatie eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking.6

De Staatssecretaris van Financiën, M. Snel


X Noot
1

Zie besluit van de Ecofin-Raad van 6 november 2018 betreffende de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden – Verslag van de Groep gedragscode (belastingregeling ondernemingen) met het voorstel om de bijlagen bij de conclusies van de Raad van 5 december 2017 te wijzigen, met inbegrip van het schrappen van de lijst van één rechtsgebied (PbEU 2018, C 403).

X Noot
2

Onder het begrip staat wordt op grond van artikel 2, tweede lid, onderdelen c en d, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen mede begrepen een Mogendheid en een daarmee gelijk te stellen bestuurlijke eenheid. Onder het begrip staat vallen derhalve ook Mogendheden alsmede bestuurlijke eenheden die volkenrechtelijk niet als Mogendheid gelden, maar die de facto wel heffingsbevoegdheid uitoefenen.

X Noot
3

Kamerstukken II 2018/19, 35 030, nr. 3, p. 33.

X Noot
4

Zie bijvoorbeeld het elektronische databestand ‘Bedrijfsleven; Conjunctuurbeeld per bedrijfstak, 2008-1e kwartaal 2018’ van het Centraal Bureau voor de Statistiek dat is gepubliceerd via https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/81838NED/table?ts=1528980465056 en de internationale database van professor Aswath Damodaran aan de Stern School of Business van New York University die raadpleegbaar is via http://people.stern.nyu.edu/adamodar/New_Home_Page/datacurrent.html. Op basis hiervan wordt bij de aanwijzing van staten in 2018 met een winstmarge van 9% gerekend.

X Noot
5

Dat wil zeggen publicatie vóór 1 januari.

X Noot
6

Kamerstukken II 2018/19, 35 030, nr. 3, p. 23.