Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 2018, 68202Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 november 2018, nr. 2018-0000173036, tot aanwijzing ontwikkelingsorganisaties als bedoeld in de artikelen 35, derde lid, onderdeel b, van de Algemene Ouderdomswet, 63a, derde lid, onderdeel b, van de Algemene nabestaandenwet, en 1, onderdeel b, van het Besluit regels export uitkeringen (Regeling aanwijzing organisaties voor ontwikkelingssamenwerking 2019)

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Handelende in overeenstemming met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;

Gelet op de artikelen 35, derde lid, onderdeel b, van de Algemene Ouderdomswet, 63a, derde lid, onderdeel b, van de Algemene nabestaandenwet, en 1, onderdeel b, van het Besluit regels export uitkeringen;

Besluit:

Artikel 1. Aanwijzing organisaties voor ontwikkelingssamenwerking

  • 1. Als organisaties voor ontwikkelingssamenwerking als bedoeld in de artikelen 35, derde lid, onderdeel b, van de Algemene Ouderdomswet, 63a, derde lid, onderdeel b, van de Algemene nabestaandenwet, en 1, onderdeel b, van het Besluit regels export uitkeringen worden aangewezen:

    • a. per datum lidmaatschap de organisaties die lid zijn van de brancheverenigingen voor ontwikkelingssamenwerking, voor wat betreft organisaties die ontwikkelingssamenwerking niet als hoofdtaak hebben uitsluitend voor zover er naar het oordeel van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking sprake is van uitzending in het kader van ontwikkelingssamenwerking:

      • Vereniging Partos, ingeschreven in het Handelsregister onder nr. KvK 34214586, statutair gevestigd te Amsterdam, Ellermanstraat 18B, 1114AK; of

      • Vereniging Partin, ingeschreven in het Handelsregister onder nr. KvK 64053067, statutair gevestigd te Apeldoorn;

    • b. overige organisaties, voor wat betreft organisaties die ontwikkelingssamenwerking niet als hoofdtaak hebben uitsluitend voor zover er naar het oordeel van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking sprake is van uitzending in het kader van ontwikkelingssamenwerking:

      • Agriterra;

      • Artsen zonder Grenzen;

      • Connect International;

      • de deputaten voor de Buitenlandse Zending (dep. BZ) van de Christelijk Gereformeerde Kerken in Nederland;

      • deputaatschap diaconaat van de Christelijke Gereformeerde kerken (CGK);

      • De Verre Naasten (DVN);

      • Fair Trade Original;

      • Free Press Unlimited;

      • Gereformeerde Zendingsbond in de Nederlandse Hervormde Kerk (GZB);

      • Global Initiative on Psychiatry (GIP);

      • Interserve Nederland;

      • Kerkinactie;

      • Mensen met een Missie;

      • Mercy Ships Holland;

      • Milieukontakt International;

      • Mill Hill Organisation (MHM);

      • MissieNederland: de religieuze instituten en overige organisaties die missionarissen en ontwikkelingswerkers uitzenden voor zover deze zijn aangesloten bij MissieNederland;

      • Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK);

      • Nederlands Olympisch Comité – Nederlandse Sport Federatie (NOC/NSF);

      • Stichting Dental Health International Nederland (DHIN);

      • Stichting Kinderhulp Mondiaal (Kimon);

      • Theatre Embassy;

      • Unie van Baptistengemeenten;

      • VluchtelingenWerk Nederland;

      • War Trauma Foundation;

      • WASTE;

      • Week Nederlandse Missionaris;

      • World Vision;

      • Wycliffe Bijbelvertalers;

      • Zeister Zendingsgenootschap (ZZG);

      • Zending Gereformeerde Gemeenten (ZGG).

  • 2. Bij beëindiging van het lidmaatschap van de genoemde brancheverenigingen blijft een organisatie op grond van deze regeling aangewezen ten behoeve van ten tijde van die beëindiging door die organisatie naar het buitenland uitgezonden personen tot het tijdstip waarop die uitzending door die organisatie wordt beëindigd.

Artikel 2. Intrekking

De Regeling aanwijzing ontwikkelingsorganisaties 2011 wordt ingetrokken.

Artikel 3. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2019.

Artikel 4. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing organisaties voor ontwikkelingssamenwerking 2019.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 27 november 2018

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees

TOELICHTING

Met de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU) zijn in diverse sociale zekerheidswetten bepalingen opgenomen die regelen dat geen recht op uitkering bestaat als de verzekerde of het kind niet in Nederland woont.1 In de betreffende wetten is de bepaling opgenomen dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur van de exportbeperking afwijkende regels kunnen worden gesteld ten gunste van de verzekerde die werkzaamheden verricht in het algemeen belang en buiten Nederland woont. Dit is in het Besluit regels export uitkeringen nader uitgewerkt. Krachtens artikel 1, aanhef en onderdeel b, van dat besluit wordt onder ‘werkzaamheden die in het algemeen belang worden verricht’ verstaan werkzaamheden verricht door degene die is uitgezonden om werkzaamheden te verrichten voor door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in overeenstemming met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking2 aan te wijzen organisaties voor ontwikkelingssamenwerking.

De aanwijzing van organisaties in deze regeling is tevens van belang voor de vrijwillige ouderdomsverzekering in de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de vrijwillige nabestaandenverzekering in de Algemene Nabestaandenwet (Anw). In artikel 35, eerste lid, AOW en artikel 63a, eerste lid, Anw is bepaald dat een vrijwillige ouderdomsverzekering respectievelijk nabestaandenverzekering voor maximaal tien jaar kan worden afgesloten. In artikel 35, derde lid, aanhef en onderdeel b, AOW en artikel 63a, derde lid, aanhef en onderdeel b, Anw is bepaald dat de maximale periode van tien jaar niet van toepassing is op de verzekerde die is uitgezonden om werkzaamheden te verrichten voor door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking3 aan te wijzen organisaties voor ontwikkelingssamenwerking.

Kortweg betekent de aanwijzing van een organisatie in deze regeling dus dat degene die is uitgezonden om in het buitenland voor die organisatie te werken in het buitenland, uiteraard indien aan de voorwaarden voor het recht op uitkering is voldaan, recht heeft op Nederlandse uitkeringen hoewel hij in het buitenland woont en tevens zich langer dan 10 jaar vrijwillig kan verzekeren volgens de AOW en Anw.

Gelet op een aantal nieuwe aanvragen tot aanwijzing en de omstandigheid dat de in de regeling genoemde Vereniging voor Personele Samenwerking met Ontwikkelingslanden (PSO) al geruime tijd niet meer bestaat, is thans actualisering van de Regeling aanwijzing ontwikkelingsorganisaties 2011 aangewezen. Deze regeling vervangt de regeling uit 2011 in zijn geheel.

In deze regeling is de functie van de PSO in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, vervangen door Partos en Partin, brancheorganisaties voor organisaties op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Deze passage bepaalt dat organisaties die lid zijn van Partos en Partin, als ontwikkelingsorganisaties zijn aangewezen voor deze regeling, voor wat betreft organisaties die ontwikkelingssamenwerking niet als hoofdtaak hebben uitsluitend voor zover er naar het oordeel van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking sprake is van uitzending in het kader van ontwikkelingssamenwerking. Anders dan in de ingetrokken vorige regeling zijn de lid-organisaties niet meer per organisatie afzonderlijk in de regeling aangewezen, maar is volstaan met een categorale aanwijzing van de organisaties die lid zijn van Partos of Partin. Hiervoor is gekozen uit oogpunt van efficiëncy en doelmatigheid. Het lidmaatschap van een van beide organisaties volstaat; een separate aanwijzing bij ministeriële regeling is niet langer noodzakelijk voor een organisatie als men voor een uitgezonden medewerker in het buitenland in aanmerking wil komen voor de hiervoor beschreven rechten op het gebied van de sociale zekerheid. Voorkomen wordt hiermee dat de regeling veelvuldig zou moeten worden gewijzigd als gevolg van nieuwe verzoeken om aanwijzing, opheffing of beëindiging van activiteiten van organisaties of naams- of organisatorische wijzigingen van organisaties.

De categorale aanwijzing van de organisaties die lid zijn van Partos of Partin heeft tot gevolg gehad dat het aantal aangewezen organisaties ten opzichte van het aantal organisaties dat voordien was aangewezen, is toegenomen van 73 organisaties voordien naar ongeveer 430. Desondanks is de inschatting dat het aantal personen dat in het buitenland recht heeft op Nederlandse uitkeringen en/of dat zich volgens de AOW of Anw langer dan 10 jaar vrijwillig kan verzekeren, nauwelijks toeneemt (hooguit enkele personen). Dit is ook de inschatting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken alsmede Partos en Partin. Ten eerste zijn er sinds de beëindiging van PSO per 1 januari 2013 tot nu nauwelijks aanvragen tot aanwijzing voor de regeling gedaan door organisaties. Organisaties die niet onder PSO vielen (maar bijvoorbeeld wel onder Partin of Partos) hebben de afgelopen jaren nagenoeg geen aanvragen ingediend bij het Ministerie van SZW. Dat impliceert dat er de afgelopen jaren geen grote behoefte is geweest onder organisaties om gebruik te maken van de regeling (dus ook niet van organisaties die niet onder PSO vielen, maar wel onder Partin of Partos). Onze inschatting is daarom dat de meeste organisaties voor wie de regeling interessant zou zijn, vroeger ook al lid waren bij PSO. Verder is er onder ontwikkelingsorganisaties de laatste tijd een trend om minder medewerkers uit te zenden en vaker werkzaamheden te laten verrichten door lokaal personeel. In september 2018 deden volgens het UWV 22 Nederlanders die uitgezonden werden in het kader van de ontwikkelingssamenwerking een beroep op de Ziektewet, 7 op de WIA en 36 ontvingen WW. Indien een organisatie haar lidmaatschap van Partos of Partin beëindigd ziet, blijft zij op grond van deze regeling aangewezen als organisatie voor ontwikkelingssamenwerking ten behoeve van ten tijde van die beëindiging door die organisatie naar het buitenland uitgezonden personen tot het tijdstip waarop die uitzending door die organisatie wordt beëindigd. Aldus wordt voorkomen dat in een dergelijke situatie de uitkering onmiddellijk beëindigd zou dienen te worden.

In de regeling zijn zowel leden van Partos en Partin vermeld, als overige organisaties die door de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking zijn aangewezen als organisaties voor ontwikkelingssamenwerking. Artikel 1, eerste lid, onderdeel b, betreft een limitatieve opsomming van organisaties die zijn aangewezen als organisaties voor ontwikkelingssamenwerking maar die geen lid zijn van Partos of Partin. Dit zijn met name organisaties die op levensbeschouwelijke grondslag werkzaam zijn op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Om als organisatie aan de lijst ‘overige uitzendende organisaties’ te kunnen worden toegevoegd, zal aan de hierna volgende richtlijnen moeten zijn voldaan:

  • De organisatie is een in Nederland gevestigde niet-overheidsorganisatie (NGO) zonder winstoogmerk.

  • De organisatie heeft aantoonbaar draagvlak in Nederland.

  • De organisatie bezit rechtspersoonlijkheid naar Nederlands recht.

  • De organisatie zet zich in voor ontwikkelingssamenwerking in landen die voorkomen op de OESO/DAC-lijst4.

  • De organisatie bestaat tenminste twee jaar.

  • De organisatie brengt een jaarverslag uit, vergezeld door een geldige accountantsverklaring.

Indien organisaties die geen lid van Partos of Partin zijn en niet genoemd zijn in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, in aanmerking wensen te komen voor de regeling, dan kunnen zij daartoe een verzoek indienen bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Ten opzichte van de regeling uit 2011 zijn in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, een aantal organisaties geschrapt vanwege lidmaatschap van Partos en Partin. Deze organisaties vallen onder de aanwijzing in artikel 1, eerste lid, onderdeel a.

Daarnaast zijn er in de lijst van aangewezen ontwikkelingsorganisaties ook een aantal wijzigingen met betrekking tot ontwikkelingsorganisaties die niet meer bestaan dan wel van naam gewijzigd zijn.

Rekening houdend met de vaste verandermomenten en de minimuminvoeringstermijn voor een ministeriële regeling is deze regeling in november 2018 gepubliceerd in de Staatscourant en treedt deze met ingang van 1 januari 2019 in werking.

Er is geen overgangsrecht opgenomen, zodat de Regeling aanwijzing ontwikkelingsorganisaties 2011 met ingang van 1 januari 2019 is vervallen en tegelijkertijd per diezelfde datum is vervangen door deze regeling. Overgangsrecht is niet nodig omdat, voor zover zij nog bestaan, alle organisaties die waren aangewezen in de Regeling aanwijzing ontwikkelingsorganisaties 2011 aangewezen blijven in deze regeling.

De Ministeries van SZW en Buitenlandse Zaken hebben met Partos, Partin, de uitvoerende instanties Sociale verzekeringsbank (SVB) en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) overleg gepleegd over de te verwachten administratieve lasten. De betrokken organisaties verwachten dat de nieuwe opzet van de regeling zal leiden tot een beperkte toename van het aantal organisaties dat gebruik gaat maken van de regeling. Het aantal personen dat daadwerkelijk een uitkering zal ontvangen, neemt naar verwachting niet of nauwelijks toe (hooguit enkele personen). Daarnaast leidt de nieuwe opzet van de regeling niet tot nieuwe of andere uitvoeringsprocessen of -handelingen bij de SVB en het UWV. De SVB, het UWV, alsmede Partos en Partin konden zich allen vinden in de inhoud van de voorgestelde nieuwe regeling.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees


X Noot
1

Artikelen 19a Ziektewet, 20 en 43b Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 7a en 19a Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, 8a en 9a Algemene Ouderdomswet, 7b Algemene Kinderbijslagwet, en 32a en 32b Algemene nabestaandenwet.

X Noot
2

In het besluit wordt nog gesproken over de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking.

X Noot
3

In de genoemde artikelen wordt nog gesproken over de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

X Noot
4

Deze lijst is te vinden op http://www.oecd.org.