Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en SportStaatscourant 2018, 67824Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 26 november 2018, kenmerk 1451474-184520-MEVA, houdende regels voor subsidiëring van opleidingsactiviteiten in de ziekenhuiszorg (Subsidieregeling kwaliteitsimpuls personeel ziekenhuiszorg 2019)

De Minister voor Medische Zorg,

Gelet op de artikelen 3 en 5 van de Kaderwet VWS-subsidies;

Besluit:

Artikel 1 Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

activiteitenverslag:

een verslag waar een werknemersvertegenwoordiging mee heeft ingestemd en waarvan de opbouw overeenkomt met de opbouw van het jaarplan, behorend bij het strategisch opleidingsplan en dat:

  • a. een overzicht bevat van het gerealiseerde jaarplan waarvoor subsidie is verstrekt;

  • b. de aard, omvang, duur en wijze van uitvoering beschrijft van het gerealiseerde jaarplan waarvoor subsidie is verstrekt;

  • c. de met het jaarplan gerealiseerde doelstellingen, resultaten of producten beschrijft;

  • d. voor zover van toepassing, beschrijft in hoeverre is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen, en

  • e. voor zover van toepassing, een vergelijking bevat van het gerealiseerde jaarplan met het voorgenomen jaarplan en een toelichting op de verschillen geeft.

financieel verslag:

een verslag dat

  • a. volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd, een zodanig inzicht geeft dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent de kosten en opbrengsten van het gerealiseerde jaarplan waarvoor de subsidie is verleend;

  • b. aansluit bij de begroting en de nodige informatie geeft om de subsidie vast te stellen;

  • c. per post is voorzien van een toelichting, en

  • d. vergezeld gaat van:

    • 1°. een controleverklaring, en

    • 2°. een rapport van feitelijke bevindingen omtrent de naleving van de aan de verleende subsidie verbonden verplichtingen door de subsidieontvanger,

opgesteld door een accountant overeenkomstig een door de minister vastgesteld model met inachtneming van een door de minister vastgesteld accountantsprotocol, bekend gemaakt op de website www.rijksoverheid.nl.

geneeskundige geestelijke gezondheidszorg:

zorg zoals psychiaters en klinisch-psychologen die plegen te bieden, en de eerstelijnspsychologische zorg;

instelling:

privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid of een rechtspersoon krachtens publiekrecht ingesteld, die een organisatorisch verband in stand houdt;

jaarplan:

een overzicht van het geheel van opleidingsactiviteiten voor 2019, uit te voeren door een instelling, ten behoeve van personen werkzaam voor de instelling dat dient als concrete uitwerking van het strategisch opleidingsplan en waarmee de werknemersvertegenwoordiging heeft ingestemd;

minister:

Minister voor Medische Zorg;

opleidingsactiviteiten:

activiteiten ten behoeve van opleiden, leren en ontwikkelen;

organisatorisch verband:

organisatorisch verband voor medisch specialistische zorg, bedoeld in artikel 1.2, onder 1, van het Uitvoeringsbesluit WTZi of de audiologische centra, bedoeld in artikel 1.2, onder 2, van dat besluit;

personeelskosten:

som van de volgende onderdelen van de bedrijfslasten van het organisatorisch verband in het derde jaar voorafgaand aan het subsidiejaar:

  • 1°. lonen en salarissen;

  • 2°. sociale lasten;

  • 3°. pensioenpremies;

  • 4°. andere personeelskosten.

strategisch opleidingsplan:

een met een werknemersvertegenwoordiging afgestemd actueel strategisch opleidingsplan waarin in ieder geval de inhoudelijke prioriteiten wat betreft het opleiden van personeel zijn opgenomen;

subsidiejaar:

kalenderjaar ten behoeve waarvan de subsidie wordt verstrekt;

verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten:

de verklaring waarin de subsidieontvanger aantoont:

  • a. dat het jaarplan waarvoor de subsidie is verstrekt is voorzien van een korte toelichting,

  • b. dat aan de verleende subsidie verbonden verplichtingen is voldaan,

  • c. wat het totale bedrag van de gerealiseerde kosten van de opleidingsactiviteiten waarvoor de subsidie is verleend en die werkelijk verricht zijn is.

Zvw-omzet:

som van de volgende onderdelen van de bedrijfsopbrengsten van het organisatorisch verband die met het verlenen van zorg in het kader van de Zorgverzekeringswet in het derde jaar voorafgaand aan het subsidiejaar zijn behaald zoals deze zijn verantwoord in de jaarrekening over dat jaar:

  • 1°. Beschikbaarheidbijdragen Zorg;

  • 2°. Beschikbaarheidbijdragen Opleidingen;

  • 3°. Opbrengsten Zorgverzekeringswet.

Artikel 2 Toepasselijkheid Kaderregeling

Op deze regeling zijn de definities van het activiteitenverslag, het financieel verslag, de verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten, instelling en minister als bedoeld in artikel 1.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS niet van toepassing. Artikel 10.1 van deze Kaderregeling is evenmin van toepassing.

Artikel 3 Doel van de regeling

  • 1 De minister kan aan een instelling een subsidie verstrekken voor 2019 ten behoeve van een organisatorisch verband met een toelating als bedoeld in artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen voor het verlenen van zorg waarop aanspraak bestaat ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet.

  • 2 In afwijking van het eerste lid wordt geen subsidie verstrekt ten behoeve van een organisatorisch verband dat in het kader van de Zorgverzekeringswet uitsluitend geneeskundige geestelijke gezondheidszorg verleent.

  • 3 Geen subsidie wordt verstrekt voor onderwijs waarvoor onderwijsinstellingen reeds financiering ontvangen krachtens de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of op grond van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs.

Artikel 4 Subsidiabele activiteiten

Artikel 5 Subsidiabele kosten

  • 1 De kosten gemoeid met de activiteiten als bedoeld in artikel 4, eerste lid, komen in aanmerking voor subsidie indien het een van de volgende kostencategorieën betreft:

    • a. personeelskosten van de opleiders, voor de uren dat de opleiders aan de opleidingsactiviteiten deelnemen;

    • b. rechtstreeks met het jaarplan verband houdende operationele kosten van opleiders en deelnemers aan de opleidingsactiviteiten, zoals reiskosten, materiaal en benodigdheden die rechtstreeks met het project verband houden, de afschrijving van werktuigen en uitrusting voor zover deze uitsluitend voor het opleidingsproject worden gebruikt;

    • c. kosten van adviesdiensten met betrekking tot het opleidingsproject;

    • d. de personeelskosten van de deelnemers aan de opleiding en algemene indirecte kosten voor de uren dat de deelnemers de opleiding bijwonen.

  • 2 Kosten voor accommodatie komen niet in aanmerking voor subsidie.

  • 3 De activiteiten zoals bedoeld in het eerste lid zijn subsidiabel voor zover zij worden verricht tussen 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019.

Artikel 6 Aanvraag tot verlening

  • 1 In afwijking van artikel 3.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS gaat de aanvraag vergezeld van:

    • a. een strategisch opleidingsplan;

    • b. een jaarplan met bijbehorende begroting;

    • c. een verklaring van een werknemersvertegenwoordiging waaruit blijkt dat deze met de documenten, genoemd onder b, heeft ingestemd.

  • 2 Voor de aanvraag wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.

  • 3 De aanvraag wordt ondertekend door een persoon die bevoegd is de instelling te vertegenwoordigen.

  • 4 De subsidieaanvraag wordt uiterlijk 31 december in het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar ontvangen.

  • 5 De aanvraag die na de termijn, bedoeld in het vorige lid, wordt ontvangen, wordt afgewezen.

  • 6 De verklaring, bedoeld in lid 1, onder c, wordt uiterlijk zes weken na de datum als genoemd in lid 4, ontvangen.

  • 7 Op verzoek van de minister legt de instelling een afschrift van de oprichtingsakte van de rechtspersoon dan wel van de statuten zoals deze laatstelijk zijn gewijzigd over;

  • 8 Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of de voorbereiding van de beschikking stelt de minister de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag binnen drie weken na de datum als genoemd in lid 4, aan te vullen. De minister besluit de aanvraag niet te behandelen indien de aanvraag binnen die termijn niet of niet voldoende is aangevuld.

  • 9 De subsidie wordt voorts in ieder geval geweigerd indien de aanvrager failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.

  • 10 Alleen wanneer instemming als bedoeld in het eerste lid, onder c, wegens zwaar moverende redenen niet mogelijk is, kan de minister besluiten dat kan worden volstaan met een jaarplan dat met een werknemersvertegenwoordiging is afgestemd.

Artikel 7 Subsidieplafond

  • 1 Het subsidieplafond bedraagt voor het subsidiejaar 2019 voor de ziekenhuizen en de klinieken € 161.104.000.

  • 2 Het subsidieplafond bedraagt voor het subsidiejaar 2019 voor de universitair medische centra € 39.416.000.

Artikel 8 Verdeling in geval van overtekening ziekenhuizen en klinieken

  • 1 In geval van overtekening van het subsidieplafond wordt het uit hoofde van het subsidieplafond beschikbare bedrag voor de ziekenhuizen en de klinieken verdeeld en krijgt het organisatorisch verband in eerste instantie het aangevraagde bedrag toegewezen tot het maximum van de formule (A / B) * C = D, waarbij wordt verstaan onder:

    A: de Zvw-omzet van het organisatorisch verband ten behoeve waarvan de subsidie wordt verstrekt;

    B: de som van de Zvw-omzet van alle organisatorische verbanden ten behoeve waarvan subsidie wordt verstrekt;

    C: het uit hoofde van het subsidieplafond beschikbare bedrag;

    D: het maximum bedrag van de subsidie voor het organisatorische verband.

  • 2 Indien na toepassing van bovenstaande formule het subsidieplafond niet volledig wordt benut, wordt het resterende bedrag verdeeld over de instellingen waarvan het aangevraagde bedrag hoger is dan de uitkomst van de formule onder het eerste lid.

  • 3 Bij een verdeling als bedoeld in het tweede lid, geldt de volgende formule (A / E) * F = G, waarbij wordt verstaan onder:

    A: de Zvw-omzet van het organisatorisch verband ten behoeve waarvan de subsidie wordt verstrekt;

    E: de som van de Zvw-omzet van alle organisatorische verbanden die vallen onder de instellingen waarvan het aangevraagde bedrag hoger is dan de uitkomst van de formule onder het eerste lid;

    F: het uit hoofde van het subsidieplafond resterende beschikbare bedrag;

    G: het aanvullende beschikbare subsidiebedrag voor het organisatorische verband.

  • 4 De systematiek beschreven in het tweede en derde lid wordt repeterend toegepast totdat het volledige subsidieplafond is bereikt.

  • 5 De minister kan afwijken van de Zvw-omzet, bedoeld in artikel 1, voor zover toepassing zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, door voor de bedrijfsopbrengsten van het organisatorisch verband uit te gaan van het tweede jaar voorafgaand aan het subsidiejaar.

Artikel 9 Verdeling in geval van overtekening universitair medische centra

  • 1 Het uit hoofde van het subsidieplafond beschikbare bedrag voor de universitair medische centra wordt op dezelfde wijze verdeeld als bedoeld in artikel 8, eerste tot en met vierde lid.

  • 2 In afwijking van artikel 8, eerste lid, wordt voor de universitair medische centra verstaan onder:

    A: de personeelskosten van het organisatorisch verband ten behoeve waarvan de subsidie wordt verstrekt;

    B: de som van de personeelskosten van alle organisatorische verbanden ten behoeve waarvan subsidie wordt verstrekt.

  • 3 In afwijking van artikel 8, derde lid, wordt voor de universitair medische centra verstaan onder:

    A: de personeelskosten van het organisatorisch verband ten behoeve waarvan de subsidie wordt verstrekt;

    E: de som van de personeelskosten van alle organisatorische verbanden die vallen onder de instellingen waarvan het aangevraagde bedrag hoger is dan de uitkomst van de formule zoals vermeld in artikel 8, eerste lid.

Artikel 10 Verantwoording

De minister kan afwijken van de definitie van activiteitenverslag, genoemd in artikel 1, en besluiten dat ter verantwoording kan worden volstaan met een activiteitenverslag dat met een werknemersvertegenwoordiging is afgestemd indien instemming met het activiteitenverslag wegens zwaar moverende redenen niet mogelijk is.

Artikel 11 Meldingsplicht

  • 1. De subsidieontvanger meldt schriftelijk aan de minister indien aannemelijk is geworden dat meer dan 15% van het aangevraagde subsidiebedrag niet kan worden besteed.

  • 2. De melding wordt voorzien van een toelichting. Bij de melding worden de relevante stukken overgelegd.

Artikel 12 Vaststelling

De minister kan de subsidievaststelling wijzigen in verband met de ontwikkeling in de arbeidsvoorwaarden.

Artikel 13 Aanvullende verplichtingen bij beschikking

De minister kan bij de verstrekking van de subsidieverplichtingen opleggen als bedoeld in de artikel 4:38 en 4:39 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 14 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2019 en vervalt met ingang van 1 januari 2020.

Artikel 15 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling kwaliteitsimpuls personeel ziekenhuiszorg 2019.

De regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Medische Zorg, B.J. Bruins

TOELICHTING

Algemeen

Aanleiding regeling

Als gevolg van meerdere ontwikkelingen, zoals de vergrijzing, de toenemende technische mogelijkheden en de toename van patiënten met meerdere aandoeningen, wordt de patiëntenzorg in de ziekenhuizen steeds complexer. Dit vraagt van ziekenhuizen om een constante investering in de kwaliteit van alle personen werkzaam voor de instelling. Doel van de onderhavige subsidieregeling is de instellingen te stimuleren de benodigde investeringen in het personeel te realiseren.

Het belang van deze investeringen is met de huidige personeelsopgave onverminderd groot. In het hoofdlijnenakkoord Medisch Specialistische Zorg 2019-2022 is daarom afgesproken om de middelen, eerder beschikbaar voor de Kwaliteitsimpuls Personeel Ziekenhuiszorg tot en met 2022, beschikbaar te houden voor de ontwikkeling van het ziekenhuispersoneel. Deze afspraak is een voortzetting van eerdere afspraken uit het zorgakkoord 2013 en het hoofdlijnenakkoord Medisch Specialistische Zorg uit 2018.

Met deze subsidieregeling wordt invulling gegeven aan de hiervoor genoemde afspraak voor 2019. De subsidie is bestemd voor activiteiten ten behoeve van opleiden van werknemers van instellingen. Voor deze subsidie komen in aanmerking de algemene en categorale ziekenhuizen, universitair medisch centra, revalidatiecentra, dialysecentra, epilepsiecentra, radiotherapeutische instellingen, audiologische centra en de zelfstandige behandelcentra.

Voor deze subsidieregeling is in 2019 in totaal € 200.520.000,– beschikbaar.

Deze regeling is niet de enige maatregel gericht op het opleiden van medewerkers. Via de beschikbaarheidsbedragen worden de opleidingen van medisch specialisten, gespecialiseerd verpleegkundigen en medisch ondersteunend personeel gefinancierd. Op het zorg- en welzijnsbrede Stagefonds Zorg kunnen werkgevers een beroep doen voor de begeleiding van stagiairs. Het SectorplanPlus is eveneens een stimuleringsmaatregel voor de gehele sector om nieuwe medewerkers extra opleiding te kunnen bieden. Het spreekt voor zich dat met de onderhavige subsidieregeling geen subsidie wordt verstrekt voor activiteiten die al anderszins met overheidsmiddelen wordt gefinancierd.

Opleidingsactiviteiten

In het kader van de onderhavige subsidieregeling wordt onder opleiden tevens leren en ontwikkelen in de brede zin van het woord verstaan. Hieronder vallen (niet uitputtend) onder andere trainingen voor het gebruik van nieuwe apparatuur, applicaties, toepassing van nieuwe behandelingen, andere manieren om het patiëntcontact te verbeteren, etc. Ook kwalificerende opleidingen kunnen eronder vallen, zoals de opleiding tot hbo verpleegkundige. Hierbij geldt wel de voorwaarde dat kosten niet al anderszins vergoed worden. Het kan gaan om de kosten die een werkgever maakt voor medewerkers (zoals bijvoorbeeld collegegeld, boekengeld) en de kosten voor de werkgever (zoals bijvoorbeeld verletkosten, interne begeleidingskosten, externe kosten). De regeling stelt geen eisen aan de vorm van de opleiding. Opleidingsactiviteiten kunnen plaatsvinden in een formele omgeving, zoals een klaslokaal, en er kan sprake zijn van leren op de werkplek.

Instellingen zijn en blijven zelf verantwoordelijk voor hun personeels- en opleidingsbeleid en de investeringen die ze doen in de medewerkers. Zij hebben ook het beste inzicht in de noodzakelijke investeringen en verschillen wat betreft de huidige (opleidings)status van de medewerkers en de toekomstige uitdagingen waarvoor de instelling zich gesteld ziet. De subsidieregeling voorziet er dan ook in dat de instellingen zoveel mogelijk ruimte krijgen om eigen afwegingen te maken over de wijze waarop de subsidiemiddelen ingezet worden.

Aanvraag en verantwoording

Op deze subsidieregeling is de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (hierna: de Kaderregeling) grotendeels van toepassing. In de subsidieregeling wordt op enkele punten hiervan afgeweken. Wanneer in deze subsidieregeling op de Kaderregeling geen uitzondering is gemaakt, gelden derhalve de bepalingen uit die regeling. Voor de aanvraag en de verantwoording betekent dit op hoofdlijnen het volgende.

Instellingen kunnen een aanvraag doen op basis van een strategisch opleidingsplan, vergezeld van een jaarplan en een begroting. Een jaarplan is een inhoudelijk geheel van opleidingsactiviteiten. Een instelling kan deze opleidingsactiviteiten naar eigen inzicht groeperen in thema’s of projecten. In ieder geval bevat de begroting een onderbouwing per kostensoort (externe kosten, interne loonkosten, overige interne kosten).

De betrokkenheid van medewerkers zelf is van groot belang. Daarom wordt bij het jaarplan met bijbehorende begroting gevraagd om instemming van medewerkers. In veel instellingen zal dit via een ondernemingsraad gaan. Als er geen sprake is van een ondernemingsraad of een ingestelde werknemersvertegenwoordiging zal een personeelsvergadering moeten worden gehouden, waarbij de leden van de personeelsvergadering instemmen met de vertaling van het strategisch opleidingsplan in een jaarplan met een bijbehorende begroting. Alleen wanneer instemming met het jaarplan en de bijbehorende begroting wegens zwaar moverende redenen niet mogelijk is, kan worden volstaan met een jaarplan dat met een werknemersvertegenwoordiging is afgestemd.

Vanuit het streven om administratieve lasten voor instellingen zoveel mogelijk te beperken, is ervoor gekozen om de verantwoording niet op het niveau van de medewerker te laten plaatsvinden, maar op het niveau van het jaarplan.

De ontvanger van een subsidie van meer dan € 125.000 legt verantwoording af aan de hand van een activiteitenverslag en een financieel verslag. Voor de inhoud ervan wordt de Kaderregeling gevolgd, met als verschil dat wordt gerapporteerd op het niveau van een jaarplan. Ook hier geldt bij het activiteitenverslag de aanvullende voorwaarde dat een werknemersvertegenwoordiging van het organisatorisch verband hiermee heeft ingestemd. Ook hier geldt dat alleen wanneer instemming van de werknemersvertegenwoordiging op het activiteitenverslag wegens zwaar moverende redenen niet mogelijk is, kan worden volstaan met een verklaring dat het verslag met werknemersvertegenwoordiging is afgestemd.

Van instellingen wordt verwacht dat ze meewerken aan de beleidsevaluatie van deze subsidieregeling. Hiermee wordt belangrijke informatie verzameld om na te gaan in hoeverre met deze regeling de doelstellingen gerealiseerd worden en in hoeverre de regeling hiertoe aanpassing behoeft. Daarbij gaat het onder andere om informatie met betrekking tot de uitgevoerde activiteiten, de relatie tussen deze activiteiten en het strategisch opleidingsplan en de met de uitgevoerde activiteiten gerealiseerde doelstellingen. Ten slotte worden de noodzakelijke gegevens gepubliceerd.

Gevolgen voor de regeldruk

Voor de berekening van de administratieve lasten in onderstaande tabel, is uitgegaan van de aanvullende activiteiten als gevolg van de vereisten voor de verantwoording. De uitvoering van de activiteiten uit het jaarplan laten we achterwege. Voor het totaalbedrag is uitgegaan van 190 aanvragende instellingen.

Om voor de subsidie in aanmerking te komen moet de instelling een aanvraag doen tot verlening van de subsidie vergezeld van een strategisch opleidingsplan, een jaarplan en een overzicht van de geraamde kosten van het jaarplan uitgesplitst naar kostensoort (1). De aanvraag moet door een persoon die bevoegd is de instelling te vertegenwoordigen worden ondertekend.

De subsidieontvanger moet een overzichtelijke, controleerbare en doelmatige administratie voeren waaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen, betalingen en ontvangsten alsmede kosten en opbrengsten kunnen worden nagegaan. De administratie en de daartoe horende bescheiden worden gedurende 10 jaren na de vaststelling bewaard (2).

Na afloop van het subsidiejaar dient de subsidieontvanger een aanvraag in voor de subsidievaststelling. Hieruit moet blijken dat er voldaan is aan de voorwaarden en de verplichtingen die verbonden zijn aan de verleende subsidie. Aanvragen tot vaststelling gaan vergezeld van een activiteitenverslag (3) en een financieel verslag (4).

Voor subsidies van € 25.000 tot € 125.000 wordt in plaats van een financieel verslag, een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten gevraagd (5). Naar schatting geldt dit voor ongeveer de helft van de aanvragen. In de onderstaande tabel hebben we daarom een onderscheid gemaakt. Subsidies van minder dan € 25.000 komen in deze regeling vrijwel niet voor, en zijn daarom voor de berekening van de administratieve lasten buiten beschouwing gelaten.

Subsidie

Taak

Uitgevoerd per instelling

Tarief p/u1 in €

Eenheid (uren)

Kosten (€)

> 125.000

1, 3, 4

Bestuurder

91

2

182

1, 3, 4

Hoge managers

91

16

1.456

1, 2, 3, 4

Hoog opgeleide kenniswerker

60

48

2.880

1, 2, 3

Administratief personeel

60

40

2.400

Totaal per instelling

       

6.918

Totaal 85 instellingen

       

588.030

25.000–125.000

1, 5

Bestuurder

91

2

182

1, 5

Hoge managers

91

12

1.092

1, 2, 5

Hoog opgeleide kenniswerker

60

24

1.440

1, 2, 5

Administratief personeel

60

40

2.400

Totaal

       

5.114

Totaal 85 instellingen

       

434.690

Totaal 190 instellingen

       

1.022.720

X Noot
1

Bron CBS: bruto uurloon plus gemiddeld opslag voor werkgeverslasten.

Artikelsgewijs

Artikel 1

In de subsidieregeling wordt een onderscheid gemaakt tussen een instelling en een organisatorisch verband. Dit onderscheid is van belang omdat een instelling (de juridische eenheid waaraan de subsidie verstrekt wordt) kan bestaan uit meerdere organisatorische verbanden, waarbij het kan voorkomen dat het ene verband wel onder de regeling valt en het andere niet. De subsidie is alleen bedoeld voor organisatorische verbanden die medische specialistische zorg verlenen en voor audiologische centra. Dit zijn zorgaanbieders die een toelating in de zin van de WTZi nodig hebben.

Het gevraagde jaarplan met begroting is gebaseerd op en sluit dus aan op het strategisch opleidingsplan. Instellingen moeten ook ten behoeve van 2019 een strategisch opleidingsplan aanleveren. Instellingen die eerder gebruik hebben gemaakt van de regeling, hebben reeds een strategisch opleidingsplan. Voor 2019 kan het ook gaan om een actualisatie van het bestaande strategische opleidingsplan.

Het activiteitenverslag moet onder andere de aard, omvang, duur en wijze van uitvoering beschrijven van het gerealiseerde jaarplan waarvoor subsidie is verstrekt. De instelling hoeft dit niet te doen voor iedere afzonderlijke activiteit, zoals de cursus injecteren voor medewerker A. Het activiteitenverslag moet een algemeen beeld geven. Dit kan – afhankelijk van de indelingen in de opleidingsplannen en jaarplannen – per thema of project zijn.

Bij de definitie van financieel verslag wordt onder opbrengsten de financiële opbrengsten (niet zijn de kwalitatieve opbrengsten) verstaan.

Bij de definitie van personeelskosten wordt uitgegaan van het derde jaar voorafgaand aan het subsidiejaar.

Artikel 3

Op grond van deze subsidieregeling wordt tevens geen subsidie verstrekt voor bekostigd onderwijs. Dit ziet op onderwijs waarvoor onderwijsinstellingen reeds financiering ontvangen krachtens de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of op grond van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs.

Artikel 4

De subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor opleidingsactiviteiten die passen binnen het strategische opleidingsplan. Hierbij gaat het om activiteiten gericht op het opleiden van personeel, het leren door personeel en ontwikkelingsactiviteiten op het gebied van opleiden. Hieronder vallen onder andere activiteiten rondom planning, organisatie, ontwikkeling, coördinatie en uitvoering van en facilitaire ondersteuning bij opleiden. Voorts is opgenomen voor welke activiteiten geen subsidie wordt verstrekt zodat dubbelfinanciering wordt voorkomen.

Artikel 5

De subsidieregeling noemt een aantal kostencategorieën waarvoor de subsidie kan worden aangewend. Deze kostencategorieën behoeven niet in de begroting terug te komen. Daar kan worden volstaan met een uitsplitsing in de kostenposten externe kosten, interne loonkosten en interne overige kosten.

Alleen kosten die worden gemaakt voor activiteiten die plaatsvinden tussen 1 januari 2019 en 31 december 2019 zijn subsidiabel.

Onder accommodatiekosten vallen de kosten voor een overnachting. Dergelijke kosten mogen niet met de KIPZ-gelden worden betaald.

Artikel 6

Artikel 6 beschrijft de aanvraagprocedure. Bij de aanvraag moet een strategisch opleidingsplan, een jaarplan met bijbehorende begroting en een verklaring van de werknemersvertegenwoordiging worden gevoegd. Uit deze verklaring moet blijken dat de werknemersvertegenwoordiging met het opleidingsplan en het jaarplan heeft ingestemd. Een begroting behelst een overzicht van de geraamde kosten en opbrengsten van het jaarplan. De begrotingsposten worden opgedeeld in externe kosten, interne loonkosten, interne overige kosten.

Een subsidieaanvraag moet uiterlijk 31 december in het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar worden ontvangen. Een aanvraag die na 31 december wordt ontvangen, wordt afgewezen. Zo volgt uit lid 4 en 5. Wel krijgen tijdige aanvragers de gelegenheid de aanvraag binnen drie weken aan te vullen, indien hun aanvraag niet volledig is, zo bepaalt lid 8. Ingevolge lid 6 moet de verklaring van de werknemersvertegenwoordiging uiterlijk zes weken na 31 december zijn ontvangen.

Artikel 7

Het subsidieplafond voor 2019 bedraagt € 200.520.000. Hiervan is € 39.416.000 gereserveerd voor de UMC’s. € 161.104.000 is bestemd voor de overige ziekenhuizen en klinieken. Indien het totaal aangevraagde subsidiebedrag van de aanvragen per categorie (ziekenhuizen en klinieken; UMC’s) lager is dan het uit hoofde van het subsidieplafond beschikbare bedrag, krijgen de aanvragende instellingen het door hen aangevraagde bedrag volledig toegekend, mits de aanvraag aan alle overige eisen voldoet.

Artikel 8

In het geval van overtekening wordt het bedrag evenredig verdeeld op basis van objectieve criteria. Uitgangspunt is het aandeel van de Zvw-omzet (op basis van de jaarrekening over 2016) van de aanvrager in de totale Zvw-omzet van alle aanvragers (taartpuntsystematiek). Een tweetal scenario’s is denkbaar.

  • 1) Alle ziekenhuizen vragen meer aan dan waar zij recht op hebben op basis van de taartpuntsystematiek.

    In dit geval krijgt iedere instelling een bedrag toegekend dat gelijk is aan het aandeel van de Zvw omzet van dat ziekenhuis in de totale Zvw omzet van alle ziekenhuizen. De uitkomst is in dat geval gelijk aan de verdeling van het beschikbare bedrag zoals die geldt in de huidige regeling (de taartpuntsystematiek).

  • 2) Een deel van de ziekenhuizen vraagt meer aan, een deel vraagt minder aan dan waarvoor zij in aanmerking komen op basis van de taartpuntsystematiek.

    In dit geval worden de middelen eerst verdeeld op basis van de taartpuntsystematiek. Als er instellingen minder subsidiegeld aanvragen dan waarvoor zij in aanmerking komen, wordt het resterende beschikbare subsidiebedrag herverdeeld over de instellingen die meer subsidiegeld hebben aangevraagd, volgens dezelfde taartpuntsystematiek. Deze systematiek wordt net zo lang herhaald totdat het beschikbare bedrag volledig is verdeeld.

Wanneer het totaalbedrag van de aanvragen lager ligt dan het uit hoofde van het subsidieplafond beschikbare bedrag, krijgen de aanvragende instellingen het totale bedrag dat zij hebben aangevraagd, mits de aanvraag aan alle overige eisen voldoet.

Artikel 10

Conform hoofdstuk 7 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS dienen de volgende documenten te worden aangeleverd ter verantwoording:

Hoogte subsidie

Wijze van verantwoording

Subsidies tot € 25.000

Geen stukken overleggen; wel bewaren om over te leggen bij een eventuele steekproef

Subsidies van € 25.000 tot € 125.000

een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten

Subsidies vanaf € 125.000

Activiteitenverslag + financieel verslag

Artikel 11

Een instelling wordt geacht in staat te zijn tijdig relevante omstandigheden te melden.

De instelling dient te melden zodra aannemelijk is geworden dat meer dan 15% van het aangevraagde bedrag niet kan worden besteed. De melding dient in ieder geval binnen het lopende subsidiejaar gedaan te worden.

Als een instelling zijn meldingsplicht niet naleeft, kan dit leiden tot een korting op de subsidie, conform de Beleidsregels handhaving subsidiebepalingen VWS.

Artikel 12

De minister kan besluiten om het subsidieplafond aan te passen aan de ontwikkeling van de arbeidsvoorwaarden, dit betreft een correctie op basis van een wijziging van de arbeidskostenontwikkeling (ova). Dit vindt plaats middels een wijziging van de subsidieregeling.

Artikel 13

De minister kan andere subsidieverplichtingen opleggen die strekken tot de verwezenlijking van het doel van de subsidie. Dergelijke verplichtingen kunnen variëren van eisen met betrekking tot de uitvoering van de subsidie, tot de verplichting de administratie op een bepaalde wijze in te richten.

Artikel 14

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2019 en vervalt met ingang van 1 januari 2020. De subsidieregeling kwaliteitsimpuls personeel ziekenhuiszorg vervalt per 1 januari 2019.

De Minister voor Medische Zorg, B.J. Bruins