TOELICHTING
1. Algemeen
1.1 Onderwerp en aanleiding
Deze regeling strekt tot wijziging van de Uitvoeringsregeling Stortbesluit bodembescherming
(hierna: Uitvoeringsregeling) ter uitvoering van Hoofdstuk IIIA van het Stortbesluit
bodembescherming (hierna: Stortbesluit). Hoofdstuk IIIA omvat een regeling die op
drie zogenaamde pilotstortplaatsen, die zijn aangewezen in artikel 17b van het Stortbesluit,
een experiment mogelijk maakt teneinde onderzoek te doen naar de mogelijkheid van
invoering van duurzaam stortbeheer in Nederland. De wijzigingsregeling houdt in dat
twee extra stortplaatsen zijn aangewezen waarop gedurende de looptijd van het experiment
duurzaam stortbeheer geen bovenafdichting hoeft te worden aangebracht en dat de eerdere
aanwijzing van één stortplaats wordt uitgebreid.
Bij duurzaam stortbeheer worden na afloop van het storten van afval op een stortplaats
water en lucht in het stortlichaam toegelaten. Er wordt geen bovenafdichting in traditionele
zin meer aangebracht, die tot doel heeft te voorkomen dat water in het stortlichaam
kan terechtkomen. Er worden zelfs extra water (via infiltratie) en lucht (via beluchting)
in het stortlichaam gebracht.
Water en lucht brengen biologische afbraakprocessen op gang, die de verontreinigende
stoffen in stortplaatsen afbreken en het afvalpakket stabiliseren. Hierdoor wordt
het potentieel van emissies van de verontreinigingen die in de stortplaats aanwezig
zijn, naar bodem en grondwater geleidelijk verminderd. Dit heeft tot gevolg dat het
lange termijn risico afneemt en daarmee ook de noodzaak van eeuwigdurende nazorg.
Dit leidt dan weer tot aanzienlijke kostenbesparingen, met name doordat geen bovenafdichting
meer hoeft te worden aangebracht
Duurzaam stortbeheer sluit aan bij het algemene uitgangspunt van het milieubeleid
dat het ontstaan van milieuproblemen beter aan de bron kan worden voorkomen dan dat
milieuproblemen nadat zij zijn ontstaan, achteraf weer moeten worden opgelost. Deze
aanpak is een alternatief voor de traditionele aanpak overeenkomstig de zogenaamde
IBC-criteria (Isoleren, Beheersen en Controleren). Daarbij blijft vermindering van
het emissiepotentieel achterwege, waardoor eeuwigdurende nazorg nodig blijft om te
voorkomen dat buiten de stortplaats verontreiniging optreedt, met de daaraan verbonden
nazorgkosten.1
Het experiment op de pilotstortplaatsen is er op gericht om na te gaan of duurzaam
stortbeheer in de praktijk werkt en of de beoogde resultaten daadwerkelijk worden
verwezenlijkt.
1.2 Aanwijzing van PDS-stortplaatsen
In verband met het onderzoek op de pilotstortplaatsen biedt hoofdstuk IIIA tevens
de mogelijkheid in de Uitvoeringsregeling stortplaatsen aan te wijzen, waarvoor uitstel
wordt verleend van de verplichting om na beëindiging van het storten aan de bovenkant
van de gestorte afvalstoffen een bovenafdichting aan te brengen (de zogenaamde PDS-stortplaatsen;
PDS staat voor potentieel duurzaam stortbeheer). Indien het onderzoek naar duurzaam
stortbeheer succesvol verloopt, maar een aantal stortplaatsen dat daarvoor in aanmerking
komt, gedurende de looptijd van onderzoek van een bovenafdichting is voorzien, kan
duurzaam stortbeheer op die stortplaatsen niet meer worden ingevoerd en worden de
daarmee beoogde voordelen niet verwezenlijkt.
De pilotstortplaatsen en de PDS-stortplaatsen worden tezamen aangeduid als IDS-stortplaatsen
(IDS staat voor introductie duurzaam stortbeheer).
Met de onderhavige regeling zijn in artikel 14d van de Uitvoeringsregeling aan de
aanwijzing van IDS-stortplaatsen waarvoor uitstel wordt verleend van de verplichting
om een bovenafdichting aan te brengen, twee nieuwe PDS-stortplaatsen toegevoegd, te
weten stortplaats Bovenveld te Hardenberg en stortplaats Sortiva Alkmaar, en is de
aanwijzing van één PDS-stortplaats, te weten stortplaats De Sluiner te Voorst, uitgebreid
met nieuw aangewezen stortvakken (cellen).
Tevens is bijlage 3 bij de Uitvoeringsregeling gewijzigd. In deze bijlage zijn de
kaarten opgenomen, waarop overeenkomstig artikel 17c, eerste lid, van het Stortbesluit
voor iedere IDS-stortplaats de begrenzing is aangegeven van de delen van de stortplaats
waarop geen bovenafdichting hoeft te worden aangebracht. De wijziging houdt allereerst
in dat de kaart van de al aangewezen PDS-stortplaats wordt vervangen door een kaart
waarop ook de nieuw aangewezen stortvakken zijn aangegeven. Daarnaast worden twee
kaarten van de twee nieuwe PDS-stortplaatsen toegevoegd.
Overeenkomstig artikel 17c, tweede lid, van het Stortbesluit is in artikel 14d, tweede
lid, van de Uitvoeringsregeling het tijdstip waarop op elke IDS-stortplaats een bovenafdichting
moet worden aangebracht, vermeld. Voor alle IDS-stortplaatsen kan uitstel worden verleend
gedurende de geldingsduur van hoofdstuk IIIA van het Stortbesluit, die loopt tot uiterlijk
13 jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dat hoofdstuk. Er is geen reden om
voor de nieuw aangewezen (stortvakken van) PDS-stortplaatsen een andere datum dan
de geldingsduur van hoofdstuk IIIA vast te stellen.
1.3 Regels in het belang van de bescherming van het milieu
Stortplaats Bovenveld
Voor de nieuw aangewezen stortplaats Bovenveld te Hardenberg bestaat, net als het
geval was bij de eerder aangewezen PDS-stortplaatsen, geen aanleiding om op grond
van artikel 17d, eerste lid, van het Stortbesluit bodembescherming in de Uitvoeringsregeling
regels te stellen in het belang van de bescherming van het milieu.2 De reden hiervan is dat de voorschriften die overeenkomstig de instructieregels van
het Stortbesluit aan de omgevingsvergunning voor een stortplaats moeten worden verbonden,
een toereikende bescherming van het milieu bieden. Zo voorzien deze voorschriften
in de verplichting om onder meer het percolaat op te vangen en af te voeren, de concentraties
van verontreinigende stoffen in het percolaat te monitoren en stankoverlast te voorkomen.
De voorschriften hebben ook betrekking op de situatie die ontstaat nadat het storten
van afvalstoffen op de stortplaats is beëindigd.3
Het uitstel van de verplichting om een bovenafdichting aan te brengen leidt niet tot
extra risico’s voor het milieu. De situatie op de stortplaats verandert hierdoor niet.
Zo lang de onderafdichting haar functie goed vervult, is het standaardvoorschriftenpakket
dat door het Stortbesluit is voorgeschreven, voldoende. Daarom heeft het bevoegd gezag
ten behoeve van het voorstel tot aanwijzing van IDS-stortplaatsen met name de toereikendheid
van de levensduur van de onderafdichting beoordeeld.
Stortplaats Sortiva Alkmaar
Voor stortplaats Sortiva Alkmaar bestaat er wel aanleiding om op grond van artikel
17d, eerste lid, van het Stortbesluit bodembescherming in het belang van de bescherming
van het milieu regels te stellen. Deze zijn opgenomen in de nieuwe bijlage 5 bij de
Uitvoeringsregeling.
Gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland hebben in hun voorstel om deze
stortplaats aan te wijzen als PDS-stortplaats aangegeven dat het wenselijk is in het
belang van de bescherming van het milieu voor deze stortplaats enkele regels te stellen.
Naar aanleiding van dit voorstel heeft op ambtelijk niveau overleg plaatsgevonden
tussen het ministerie en de provincie. Daarin is gebleken dat de hiervoor beschreven
aanpak voor de andere PDS-stortplaatsen om geen regels te stellen niet opgaat voor
stortplaats Sortiva Alkmaar. Er doen zich op deze stortplaats namelijk twee bijzondere
omstandigheden voor.
In de eerste plaats bestaat het risico dat grotere zettingen dan normaal kunnen optreden,
omdat de stortplaats is gelegen op een breuklijn tussen klei en veengrond.
In de tweede plaats bevinden zich op de stortplaats stortvakken die niet van een onderafdichting
zijn voorzien en die derhalve geen onderdeel uitmaken van de aanwijzing als PDS-stortplaats.
Vanuit deze stortvakken kan verstoring optreden van de monitoringsresultaten voor
de stortvakken die wel zijn aangewezen. Het is overigens de bedoeling dat de stortvakken
zonder onderafdichting op termijn worden opgeruimd. De regels hebben tot doel om eventuele
zettingen en verstoringen in beeld te kunnen brengen zodat zo nodig passende vervolgmaatregelen
kunnen worden genomen in het belang van de bescherming van het milieu.
De regels zijn gericht tot de exploitant van de stortplaats en werken rechtstreeks
naast de omgevingsvergunning die voor de stortplaats is verleend. Anders dan de andere
regels in het Stortbesluit bodembescherming en in de uitvoeringsregeling betreft het
geen tot het bevoegd gezag gerichte instructieregels. In hun voorstel voor de te stellen
regels hebben gedeputeerde staten aandacht besteed aan een goede aansluiting op de
voorschriften van de omgevingsvergunning en de daarin gehanteerde begrippen. Daarom
kunnen begripsomschrijvingen hier achterwege blijven.
Uit het voorgaande blijkt dat de regels voor stortplaats Sortiva Alkmaar verband houden
met de aanwijzing als PDS-stortplaats en dat zij niet zijn bedoeld om eventuele tekortkomingen
in de omgevingsvergunning te verhelpen.
Stortplaats De Sluiner
Ook voor stortplaats De Sluiner te Voorst bestaat er aanleiding om op grond van artikel
17d, eerste lid, van het Stortbesluit bodembescherming in het belang van de bescherming
van het milieu regels te stellen. Deze zijn opgenomen in de nieuwe bijlage 6 bij de
Uitvoeringsregeling. Van deze stortplaats was het merendeel van de stortvakken al
eerder als PDS-stortplaats aangewezen. De exploitant van de stortplaats heeft gedeputeerde
staten van Gelderland gevraagd ook de stortvakken 2b, 3 en 4 aan te wijzen. Voor stortvak
2b zijn gedeputeerde staten niet aan dit verzoek tegemoet gekomen, omdat zij van mening
zijn dat dit stortvak niet voldoet aan de voorwaarde voor aanwijzing die in artikel
17c, vierde lid, van het Stortbesluit bodembescherming wordt gesteld, inhoudende dat
het stortvak na een succesvol verloop van het experiment duurzaam storten voor toepassing
van duurzame stortbeheer in aanmerking komt. De reden is dat het percolaatbeheer niet
gewaarborgd is op de langere termijn. Inmiddels worden voorbereidingen getroffen voor
het aanbrengen van een bovenafdichting.
Stortvak 3 kan wel als PDS-stortplaats worden aangewezen, mits er aanvullende voorschriften
worden gesteld. Deze zijn opgenomen in bijlage 6 bij de Uitvoeringsregeling. Zij houden
in dat aanvullende monitoring van het percolaat nodig is om een eventuele verslechtering
van de kwaliteit van het grondwater tijdig te kunnen signaleren. De monitoring omvat
bemonstering, analyse van de concentraties van de aangewezen gidsparameters en toetsing
van de verkregen concentraties aan de toetsingswaarden. Bij een eventuele overschrijding
van de toetsingswaarden moeten maatregelen worden genomen. Een en ander is uitgewerkt
in het Integraal monitorings- en urgentieplan stortplaats De Sluiner’ (Royal Haskoning,
11 augustus 2009), dat door gedeputeerde staten van de provincie Gelderland is goedgekeurd
op 9 oktober 2019, kenmerk 2009-015694/MPM18259.
Uit een modelberekening van ECN die is uitgevoerd om inzicht te krijgen in mogelijke
effecten van een onopgemerkte lekkage van de onderafdichting, is gebleken dat alleen
chloride en ammonium een overschrijding van de toegepaste toetswaarden kunnen vertonen.
Het gaat om een stijging van de van nature aanwezige concentraties in het grondwater.
Gelet op het geringe berekende effect van een onopgemerkte lekkage van de onderafdichting
en de voorgeschreven extra monitoring, achten gedeputeerde staten de bescherming van
het milieu voldoende gewaarborgd.
Ook stortvak 4 kan als PDS-stortplaats worden aangewezen. Hiervoor is een aanvullende
voorschrift nodig, dat eveneens is opgenomen in bijlage 6 bij de Uitvoeringsregeling.
In dit stortvak is afval gestort onder grondwaterniveau. Er is echter geen risico
voor verslechtering van de kwaliteit van het grondwater indien het waterniveau in
het stortvak lager blijft dan het grondwaterniveau. De vergunning voorziet in monitoring
van het waterniveau en schrijft voorzieningen voor zodat overtollig water in het stortvak
moet worden afgevoerd en gezuiverd. Wel is het van belang dat er een verschil tussen
het waterniveau binnen en buiten het stortvak blijft van ten minste 20 cm. Er is een
voorschrift opgenomen dat dit tot uitdrukking brengt (in bijlage 6 bij de Uitvoeringsregeling
onder Regels voor stortvak 4). Daarom kan ook stortvak 4 naar de mening van gedeputeerde
staten als PDS-stortplaats worden aangewezen.
2. Gevolgde procedure
De aanwijzing van de nieuwe (stortvakken van) PDS-stortplaatsen heeft plaatsgevonden
volgens de procedure die eerder voor de aanwijzing van PDS-stortplaatsen is gevolgd.
In de toelichting bij de wijzigingsregeling waarin de eerste tranche van PDS-stortplaatsen
is aangewezen4, is uitgebreid toegelicht hoe deze beoordeling plaatsvindt.
In het kort is de gevolgde procedure als volgt verlopen.
De exploitanten van de stortplaatsen die van mening zijn dat hun stortplaatsen geheel
of gedeeltelijk voor duurzaam stortbeheer geschikt zijn, hebben bij het betrokken
bevoegd gezag een verzoek ingediend om hun stortplaatsen aan te wijzen als PDS-stortplaatsen.
Het bevoegd gezag (gedeputeerde staten van de provincie waarin de desbetreffende stortplaats
is gelegen) heeft vervolgens beoordeeld of de stortplaats voor aanwijzing in aanmerking
komt. Omdat het resultaat van de beoordeling positief was heeft het bevoegd gezag
voor de stortplaats vervolgens bij de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu
een voorstel ingediend om die stortplaatsen aan te wijzen als PDS-stortplaatsen.
Ter uitvoering van artikel 17c, tweede lid, van het Stortbesluit heeft het bevoegd
gezag voor elke voorgestelde stortplaats tevens aangegeven tot welke datum uitstel
kan worden verleend van de verplichting op de stortplaats een bovenafdichting aan
te brengen.
Ter uitvoering van artikel 17d van het Stortbesluit heeft het bevoegd gezag in zijn
voorstel ten slotte aangegeven in hoeverre een noodzaak bestaat in aanvulling op de
voorschriften die voor de stortplaats al in de omgevingsvergunning zijn opgenomen,
in het belang van de bescherming van het milieu aanvullende regels te stellen.
Tijdens de voorbereiding van deze regeling heeft uitgebreid overleg plaatsgevonden
tussen de betrokken provincies (als bevoegd gezag voor stortplaatsen) en de betrokken
exploitanten van stortplaatsen. Dit heeft geleid tot de voorstellen van de betrokken
provincies om twee nieuwe PDS-stortplaatsen aan te wijzen en één PDS-stortplaats uit
te breiden.
Er heeft geen internetconsultatie plaatsgevonden, omdat deze ministeriële regeling
geen ingrijpende verandering teweeg brengt in de rechten en plichten van burgers en
bedrijven en ook geen ingrijpende gevolgen heeft voor de uitvoeringspraktijk.5 In het kader van de Crisis- en herstelwet was al besloten tot uitvoering van het
experiment duurzaam stortbeheer. De Uitvoeringsregeling operationaliseert het experiment
binnen de randvoorwaarden die daarvoor zijn gesteld, en dit geldt ook voor de onderhavige
wijziging. Dit heeft als zodanig geen gevolgen voor de bedrijven die bovenafdichtingen
aanbrengen. Tussen betrokken overheden en exploitanten van stortplaatsen waren al
afspraken gemaakt over de voorbereiding van het experiment. Deze afspraken zijn vervolgens
in onderlinge overeenstemming uitgevoerd. Er treden als gevolg van het experiment
en het uitstel van de verplichting om een bovenafdichting aan te brengen geen extra
gevolgen op voor het milieu en voor omwonenden van de desbetreffende stortplaatsen
(zie paragraaf 1).
3. Uitvoeringslasten
Het experiment heeft mede tot doel de lasten voor stortplaatsen te verminderen. In
de toelichting bij de vorige wijziging van de Uitvoeringsregeling is hierop al uitgebreid
ingegaan. Berekend was dat bij een succesvol experiment ongeveer 53 miljoen euro zou
kunnen worden bespaard, welk bedrag bij de aanwijzing van vijf nieuwe PDS-stortplaatsen
nog zou kunnen oplopen tot 66 miljoen euro. Omdat er vooralsnog slechts twee nieuwe
PDS-stortplaatsen worden aangewezen en één aanwijzing wordt uitgebreid, zal die maximale
besparing niet kunnen worden gehaald. Er is sprake van een uitbreiding met ruim 18
hectare. Er was sprake van 266 hectare, met de uitbreiding wordt dat 284 hectare.
Hierdoor wordt het besparingspotentieel ongeveer 57 miljoen euro.
Voor de exploitant van de nieuw aangewezen stortplaats Bovenveld te Hardenberg vloeien
geen extra kosten voort uit de aanwijzing als PDS-stortplaats. Het enige gevolg daarvan
is namelijk dat op die stortplaats voorlopig geen bovenafdichting hoeft te worden
aangebracht en het niet nodig is gebleken in verband daarmee extra voorschriften te
stellen in het belang van de bescherming van het milieu.
Voor de exploitant van de nieuw aangewezen stortplaats Sortiva Alkmaar brengen de
regels die in bijlage 5 bij de Uitvoeringsregeling zijn opgenomen, wel extra kosten
mee. Deze kosten zijn door de exploitant van de stortplaats en gedeputeerde staten
van Noord-Holland acceptabel geacht. Indien op deze stortplaats bij het welslagen
van het experiment definitief geen bovenafdichting meer zou hoeven te worden aangebracht,
kunnen namelijk aanzienlijke kostenbesparingen worden verwezenlijkt. De regels zijn
noodzakelijk om voor aanwijzing als PDS-stortplaats in aanmerking te komen.
Voor stortplaats de Sluiner te Voorst geldt voor de aanwijzing van extra stortvakken
als PDS-stortplaats, naast de stortvakken die al eerder waren aangewezen, hetzelfde.
Aanvullende regels zijn opgenomen in bijlage 6 bij de Uitvoeringsregeling.
4. Toezicht en handhaving
Gedeputeerde staten van de provincie waarin de stortplaats is gelegen, zijn overeenkomstig
artikel 1.1. van de Wet milieubeheer het bevoegd gezag voor het verlenen van een omgevingsvergunning
voor de stortplaats en derhalve ook voor het toezicht en de handhaving met betrekking
tot de bepalingen van het Stortbesluit en de Uitvoeringsregeling.
5. Gevolgde procedure en inwerkingtreding
De regeling is tot stand gekomen op voorstel van en in goed overleg met de provincies
Noord-Holland, Overijssel en Gelderland.
Het ontwerp van de regeling is overeenkomstig de afspraken in artikel 6 van de Green
Deal Duurzaam Stortbeheer eerst voor commentaar voorgelegd aan de Stuurgroep Introductie
Duurzaam Stortbeheer, waarin partijen van de Green Deal zijn vertegenwoordigd. De
stuurgroep heeft op 28 februari 2018 laten weten dat zij positief tegenover de voorgenomen
regeling staat.
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van
de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. De gebruikelijke invoeringsstermijn van
drie maanden bij regelgeving met relevantie voor andere overheden (Aanwijzingen voor
de regelgeving, nr. 174, derde lid) is niet aangehouden, gelet op de doelgroep of
de jaarindeling, aanmerkelijke ongewenste private of publieke voor- of nadelen voorkomt
(Aanwijzingen voor de regelgeving, nr. 174, vierde lid, onder a). De betrokken partijen
zijn het er namelijk over eens dat de betrokken stortplaatsen zo spoedig mogelijk
zekerheid moet worden geboden dat zij uitstel krijgen van de verplichting tot het
aanbrengen van een bovenafdichting.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, S. van Veldhoven-van der Meer