Ontheffing minimum vlieghoogte oefengebied (tijdelijk laagvlieggebied), tevens aanwijzing tijdelijke gebieden met beperkingen ten behoeve van de oefening HWIC/TAC NL 2018

30 januari 2018

Nr. MLA/005/2018

De Minister van Defensie,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

Gelezen het verzoek van de commandant van het Defensie Helikopter Commando van 3 oktober 2017;

Gelet op de artikelen 2, tweede lid, 9 en 19, derde lid, van het Besluit luchtverkeer 2014;

Besluit:

Artikel 1

  • 1. Ten behoeve van de gezamenlijke oefening Helicopter Weapon Instructor Course (HWIC) en Continuation Training (TAC: tactisch) NL 2018 wordt aan de gezagvoerders van de luchtvaartuigen van het Defensie Helikopter Commando die deelnemen aan de oefening, ontheffing verleend van de minimum VFR-vlieghoogte, bedoeld in paragraaf SERA.5005, onderdeel (f), van verordening (EU) nr. 923/2012, binnen het oefengebied (tijdelijk laagvlieggebied) Oost-Nederland, begrensd door de volgende coördinaten:

    Oost-Nederland

    van 51°54'02"N 006°08'01"E naar 51°57'49"N 005°58'05"E, naar 52°23'48"N 006°01'57"E, naar 52°41'33"N 006°09'24"E, naar 52°59'58"N 006°28'29"E, naar 53°00'02"N 007°12'34"E, en langs de Nederlands-Duitse grens in zuidelijke richting terug naar 51°54'02"N 006°08'01”E (zie figuur).

  • 2. Tevens worden binnen het oefengebied (tijdelijk laagvlieggebied), bedoeld in het eerste lid, ter bescherming van het burger- en militair luchtverkeer, de tijdelijke gebieden met beperkingen (TGB’s) GLV II (Midden-Drenthe), A24, A25 en A27 aangewezen, begrensd door de volgende coördinaten en hoogten:

    TGB GLV II (Midden-Drenthe)

    van 52°46'00.11"N 006°39'59.22"E naar 52°45'59.86"N 006°20'12.82"E, naar 52°53'01.08"N 006°22'50.90"E, naar 52°59'14.56"N 006°30'00.41"E, naar 52°58'14.58"N 006°32'53.64"E, naar 52°58'01.59"N 006°34'17.35"E, naar 52°58'15.07"N 006°38'17.05"E, naar 52°58'32.97"N 006°39'30.41"E, naar 52°58'02.98"N 006°48'33.99"E, en terug naar 52°46'00.11"N 006°39'59.22"E, van grondniveau tot 1000 voet AMSL (zie figuur);

    TGB A24

    een cirkelvormig gebied met een straal van zes (6) nautische mijlen met als middelpunt coördinaat 51°58'41"N 006°26'11"E, van grondniveau tot 1000 voet AMSL (zie figuur);

    TGB A25

    een cirkelvormig gebied met een straal van zes (6) nautische mijlen met als middelpunt coördinaat 52°01'15"N 006°15'54"E, van grondniveau tot 1000 voet AMSL (zie figuur);

    TGB A27

    een cirkelvormig gebied met een straal van zes (6) nautische mijlen met als middelpunt coördinaat 52°28'00"N 006°19'56"E, van grondniveau tot 1000 voet AMSL (zie figuur).

  • 3. De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, en de TGB’s, bedoeld in het tweede lid, zijn van kracht op de volgende dagen en tijdstippen:

    Week 6:

    maandag 5 februari 2018 van 09:00 uur tot 23:00 uur lokale tijd;

    dinsdag 6 februari 2018 van 09:00 uur tot 23:00 uur lokale tijd;

    woensdag 7 februari 2018 van 09:00 uur tot 23:00 uur lokale tijd;

    donderdag 8 februari 2018 van 09:00 uur tot 23:00 uur lokale tijd;

    vrijdag 9 februari 2018 van 09:00 uur tot 16:00 uur lokale tijd;

    Week 7:

    maandag 12 februari 2018 van 09:00 uur tot 23:00 uur lokale tijd;

    dinsdag 13 februari 2018 van 09:00 uur tot 23:00 uur lokale tijd;

    woensdag 14 februari 2018 van 09:00 uur tot 23:00 uur lokale tijd;

    donderdag 15 februari 2018 van 09:00 uur tot 23:00 uur lokale tijd;

    vrijdag 16 februari 2018 van 09:00 uur tot 16:00 uur lokale tijd;

    Week 8:

    maandag 19 februari 2018 van 09:00 uur tot 23:00 uur lokale tijd;

    dinsdag 20 februari 2018 van 09:00 uur tot 23:00 uur lokale tijd;

    woensdag 21 februari 2018 van 09:00 uur tot 23:00 uur lokale tijd;

    donderdag 22 februari 2018 van 09:00 uur tot 23:00 uur lokale tijd;

    vrijdag 23 februari 2018 van 09:00 uur tot 16:00 uur lokale tijd.

    Oefengebied (tijdelijk laagvlieggebied) Oost-Nederland en TGB’s GLV II, A24, A25 en A27

    Oefengebied (tijdelijk laagvlieggebied) Oost-Nederland en TGB’s GLV II, A24, A25 en A27

Artikel 2

  • 1. Binnen het oefengebied (tijdelijk laagvlieggebied), bedoeld in artikel 1, eerste lid, bedraagt de toegestane minimum VFR-vlieghoogte binnen de daglichtperiode 100 voet AMSL of incidenteel zoveel lager als in verband met de opdracht noodzakelijk is.

  • 2. Binnen het oefengebied (tijdelijk laagvlieggebied), bedoeld in artikel 1, eerste lid, bedraagt de toegestane minimum VFR-vlieghoogte buiten de daglichtperiode 300 voet AMSL of incidenteel zoveel lager als in verband met de opdracht noodzakelijk is.

  • 3. Binnen het oefengebied (tijdelijk laagvlieggebied), bedoeld in artikel 1, eerste lid, gelden voorts de volgende regels:

    • a. laagvliegen is alleen toegestaan voor luchtvaartuigen die deelnemen aan de oefening;

    • b. met betrekking tot het vliegzicht en de wolkenbasis gelden de eisen voor VFR-vluchten;

    • c. aaneengesloten bebouwing, ziekenhuizen, sanatoria en dergelijke worden vermeden;

    • d. de ontheffing van de minimum VFR-vlieghoogte geldt alleen voor die delen van de vlucht die voor het doel van de vlucht noodzakelijk zijn.

Artikel 3

Voor het gebruik van de TGB’s, bedoel in artikel 1, tweede lid, gelden de volgende aanvullende regels:

  • a. het uitvoeren van andere dan bij de oefening betrokken vluchten in de TGB’s is niet toegestaan, met uitzondering van gecoördineerde vluchten door luchtvaartuigen die vooraf toestemming hebben verkregen van de supervisor MilATCC Schiphol;

  • b. de aan de oefening deelnemende gezagvoerders en gezagvoerders van vluchten als genoemd in onderdeel a dienen radiocontact te hebben met de supervisor MilATCC Schiphol voor het binnenvliegen van de TGB’s en dienen te voldoen aan de voorwaarden, gesteld door de genoemde LVL-instantie.

Artikel 4

Handelen in strijd met artikel 3, onderdeel a, van deze beschikking is een strafbaar feit.

Artikel 5

Deze beschikking treedt in werking met ingang van 5 februari 2018 en vervalt met ingang van 24 februari 2018.

Deze beschikking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst en zal tevens bekend worden gemaakt door middel van een NOTAM.

De Minister van Defensie, voor deze: De Directeur Militaire Luchtvaart Autoriteit, J.P. Apon, Kolonel

Tegen deze beschikking kunnen belanghebbenden op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), binnen 6 weken na de dag waarop deze beschikking is bekendgemaakt een bezwaarschrift indienen. Het bezwaarschrift dient te worden gericht aan de Minister van Defensie, Dienstencentrum Juridische Dienstverlening, ter attentie van de Commissie advisering bezwaarschriften Defensie, Postbus 90004, 3509 AA Utrecht. Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en moet ten minste bevatten: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de beschikking waartegen het bezwaar is gericht; de gronden van het bezwaar. Indien onverwijlde spoed dat vereist, is het mogelijk een voorlopige voorziening te vragen bij de president van de rechtbank die bevoegd is. In dat geval is griffierecht verschuldigd. Voorwaarde is dat een bezwaarschrift is ingediend.

TOELICHTING

Om te bewerkstelligen dat het Defensie Helikopter Commando (DHC) de status van Combat Readiness verkrijgt, worden, in de weken 6 tot en met 8 van 2018, een Continuation Training (TAC: tactisch) en een Helicopter Weapon Instructor Course (HWIC) gecombineerd (oefening HWIC/TAC NL 2018). Tijdens deze oefening HWIC/TAC NL 2018, waarbij vliegende en grondeenheden zijn betrokken, worden, onder gesimuleerde radardreiging, multi-ship en multi-type vluchten en onverwachte manoeuvres uitgevoerd. Om de oefening binnen het oefengebied veilig te laten verlopen is het noodzakelijk dat delen van het betrokken luchtruim tijdelijk worden gesloten voor ander luchtverkeer, waaronder begrepen op afstand bestuurde luchtvaartuigen en modelluchtvaartuigen. Deze beschikking maakt dat mogelijk.

In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat militaire helikopters boven gebieden met aaneengesloten bebouwing, industrie- en havengebieden daaronder begrepen dan wel boven mensenverzamelingen een hoogte van ten minste 210 meter (700 voet) boven de hoogste hindernis gelegen binnen een afstand van 600 meter van het luchtvaartuig dienen aan te houden en elders ten minste 50 meter (150 voet) boven grond of water.

Teneinde de oefening mogelijk te maken wordt voor de aan de oefening deelnemende gezagvoerders van het DHC binnen het nader aangewezen oefengebied (tijdelijk laagvlieggebied) ontheffing verleend van de vigerende minimum VFR-vlieghoogte. Gelijk de vrijstelling, vervat in artikel 7 van de Regeling minimum VFR-vlieghoogten en VFR-vluchten buiten de daglichtperiode voor militaire vliegtuigen en helikopters (hierna: de regeling), mag, indien door militaire helikopters, behorende tot of in gebruik bij de Nederlandse en bondgenootschappelijke strijdkrachten, wordt geoefend in het kader van operaties met niet-vliegende eenheden, op 100 voet of zoveel lager als voor het doel van de vlucht noodzakelijk is, worden gevlogen. Dit betekent dat niet continu laag wordt gevlogen.

Voor VFR-vluchten buiten de daglichtperiode geldt overeenkomstig artikel 10, bezien in samenhang met artikel 12 van de regeling, dat militaire helikopters boven gebieden met aaneengesloten bebouwing, industrie- en havengebieden daaronder begrepen, dan wel mensenverzamelingen een hoogte van ten minste 210 meter (700 voet) boven de hoogste hindernis gelegen binnen een afstand van 600 meter van de helikopter dienen aan te houden en elders, buiten de gebieden, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de regeling, ten minste 100 meter (300 voet) boven grond of water of zoveel lager als voor het doel van de vlucht noodzakelijk is. Indien buiten de daglichtperiode wordt gevlogen, worden aanvliegroute en -hoogte zodanig gekozen dat vermijdbare geluidhinder zoveel mogelijk wordt voorkomen.

Tot slot zij opgemerkt dat voor zover van toepassing binnen het oefengebied, genoemd in artikel 1, eerste lid, met uitzondering van de tijdelijke gebieden met beperkingen, genoemd in artikel 1, tweede lid, overeenkomstig de artikelen 10a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, juncto 15aa, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Regeling op afstand bestuurde luchtvaartuigen voor beroepsmatig op afstand bestuurde luchtvaartuigen geldt, dat de vlucht wordt uitgevoerd tot een hoogte van maximaal 40 meter (131 voet) boven de grond of het water en dat een waarnemer meekijkt om te waarschuwen voor laagvliegende (bemande) luchtvaartuigen. Voor vluchten met modelvliegtuigen binnen het voornoemde gebied geldt overeenkomstig artikel 2, aanhef en onderdeel h, onder 2, van de Regeling modelvliegen dat vluchten zijn toegestaan tot een hoogte van maximaal 120 meter boven de grond of het water in luchtruim met klasse G, mits iemand met de bestuurder van het modelluchtvaartuig meekijkt om deze te kunnen waarschuwen voor luchtvaartuigen.

Naar boven