Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en WaterstaatStaatscourant 2018, 60966Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 30 oktober 2018, nr. IENW/BSK–2018/126307, houdende regels voor de verstrekking van een subsidie voor de aanschaf van een boordvoorziening voor een woonboot ter aansluiting op het openbaar riool of een aansluiting op een individuele behandeleenheid waarop het huishoudelijk afvalwater wordt geloosd (Subsidieregeling riolering woonboten 2018–2020)

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

Gelet op de artikelen 3, eerste lid, onder g, 4, eerste en tweede lid, en 5, onder a tot en met h, van de Kaderwet subsidies I en M en de artikelen 2, eerste lid, 4, eerste lid, onder a, b, c, e, f, g, h en k, en tweede lid, 6, eerste en zesde lid, 8, 10, tweede lid, 15, eerste en vijfde lid, en 22, tweede lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M;

BESLUIT:

Artikel 1 (begripsomschrijvingen)

In deze regeling wordt verstaan onder:

boordvoorziening:

voorziening aan boord van woonboten, die in combinatie met een walslang bestemd is voor het opvangen, verzamelen, behandelen, afvoeren en lozen van huishoudelijk afvalwater op het openbaar riool, op een IBA ofwel, na behandeling, op het oppervlaktewater;

installateur:

installateur die de montage van systemen voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater ten minste tot één van zijn kernactiviteiten heeft en die is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, dan wel een fabrikant of leverancier van systemen voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater, die is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;

IBA:

door de waterkwaliteitsbeheerder toegelaten individuele behandeleenheid voor afvalwater waarop het huishoudelijk afvalwater wordt geloosd, die al dan niet geïntegreerd is in de boordvoorziening;

minister:

Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

openbaar riool:

voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;

pompinstallatie:

pompunit met toebehoren bestemd voor het verpompen van huishoudelijk afvalwater;

rijkswateren:

rijkswateren als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet;

schouwrapport:

door de installateur opgesteld rapport waaruit blijkt welke boordvoorziening is geïnstalleerd, uit welke subsidiabele onderdelen deze bestaat en waarin door hem wordt verklaard dat de boordvoorziening deugdelijk is;

walaansluiting:

aansluitpunt op de wal dat woonboten door middel van het aankoppelen van de walslang aansluiting geeft op het openbaar riool of een IBA;

walslang:

koppelbare flexibele slang bestaande uit een binnenslang, een isolatielaag met thermolint en een buitenslang, of een slang waarin het thermolint is verwerkt, die bestemd is voor het transport van huishoudelijk afvalwater en de verbinding vormt tussen de boordvoorziening en de walaansluiting;

woonboot:

vaartuig of ander drijvend object dat hoofdzakelijk wordt gebruikt als of is bestemd voor woonverblijf en dat uit hoofde van zijn feitelijke bestemming plaatsgebonden is.

Artikel 2 (doel)

Deze regeling heeft tot doel het stimuleren van het beëindigen van het lozen van huishoudelijk afvalwater van woonboten op rijkswateren dan wel het realiseren van gezuiverde lozingen van huishoudelijk afvalwater van woonboten op rijkswateren.

Artikel 3 (verstrekken van subsidie)

De minister kan op aanvraag een subsidie verstrekken aan eigenaren van woonboten gelegen in rijkswateren, voor een in de periode vanaf 1 januari 2017 tot en met 31 december 2020 aangeschafte en geïnstalleerde:

  • a. boordvoorziening met walslang voor de aansluiting op het openbaar riool;

  • b. boordvoorziening met walslang voor de aansluiting op een IBA, als aansluiting van de boordvoorziening op het openbaar riool niet mogelijk is of was wegens het ontbreken daarvan binnen 40 meter van de woonboot; of

  • c. boordvoorziening met geïntegreerde IBA, als aansluiting op het openbaar riool niet mogelijk is of was wegens het ontbreken daarvan binnen 40 meter van de woonboot.

Artikel 4 (subsidieplafond, wijze van verdelen en maximum bedrag)

  • 1. Het subsidieplafond bedraagt € 400.000,–.

  • 2. De verdeling van de beschikbare gelden vindt plaats op basis van de volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

  • 3. De subsidie per aanvraag, bedoeld in artikel 5, derde lid, bedraagt maximaal € 2.000,–.

Artikel 5 (subsidievoorwaarden)

  • 1. Voor subsidie komt alleen in aanmerking een eigenaar van een woonboot die in het bezit is van een ontheffing van het verbod ligplaats te nemen in rijkswateren als bedoeld in artikel 9.03, zesde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement, een ontheffing als bedoeld in artikel 7 van de Scheepvaartverkeerswet, of een vergunning als bedoeld in artikel 6.5, aanhef en onder c, van de Waterwet, en, in geval dit door de gemeente is voorgeschreven, tevens een ligplaatsvergunning of een daarmee gelijk te stellen verklaring van de gemeente dat ligplaats mag worden ingenomen.

  • 2. Voor subsidie komt alleen in aanmerking de aanschaf en installatie van een deugdelijke boordvoorziening.

  • 3. Per woonboot kan één keer subsidie worden verstrekt, mits op de ligplaats van de woonboot niet eerder een woonboot heeft gelegen waarvoor een subsidie is verstrekt.

Artikel 6 (aanvraag)

  • 1. De aanvraag tot subsidieverstrekking wordt uiterlijk op 30 juni 2021 ingediend bij de minister, per adres van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, na deaanschaf en installatie van de boordvoorziening of IBA, met gebruikmaking van een beschikbaar gesteld formulier.

  • 2. De aanvraag gaat vergezeld van:

    • a. afschriften van de factuur of facturen die betrekking heeft of hebben op de subsidiabele kosten; en

    • b. het schouwrapport.

  • 3. De aanvraag tot subsidieverstrekking is tevens de aanvraag tot subsidievaststelling.

Artikel 7 (subsidiabele kosten)

  • 1. Bij een boordvoorziening als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder a en b, kan subsidie worden verleend voor:

    • a. de aanschaf en installatie van een pompinstallatie, inclusief opvangtank, voor een bedrag van € 750,–, te vermeerderen met een bedrag van € 250,– als een motorvermogen groter dan 1.200 watt P1 noodzakelijk is voor het transporteren van huishoudelijk afvalwater over grote afstanden, hoge opvoerhoogten of door persleidingen met een geringe diameter;

    • b. de aanschaf en installatie van een hulppomp voor een bedrag van € 250,–;

    • c. het maken van een doorvoer vanaf afvoerzijde pomp tot en met doorvoer scheepswand voor een bedrag van € 250,–;

    • d. de aanschaf en installatie van een walslang inclusief koppelingen en verwarmingslint met inbegrip van de kosten van aanbrengen en koppelen voor een bedrag van € 30,– per strekkende meter;

    • e. de aanschaf en installatie van leidingwerk, bekabeling en elektra voor een bedrag van € 300,–;

    • f. het opstellen van een schouwrapport voor een bedrag van € 150,–.

  • 2. Bij een boordvoorziening als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder c, kan subsidie worden verleend voor:

    • a. het uitvoeren van vooronderzoek om te komen tot een systeemkeuze voor een bedrag van € 100,–;

    • b. de aanschaf en installatie van een pompinstallatie met toebehoren, beluchtingstank, beluchtingspomp, beluchtingsunit, nabezinktank, slibaftap en besturingssysteem voor een bedrag van € 900,–;

    • c. de aanschaf en installatie van een hulppomp voor een bedrag van € 250,–;

    • d. het maken van een doorvoer vanaf afvoerzijde pomp tot en met doorvoer scheepswand voor een bedrag van € 250,–;

    • e. de aanschaf en installatie van een leidingwerk, bekabeling en elektra voor een bedrag van € 300,–;

    • f. het opstarten van de biologie van de IBA voor een bedrag van € 50,–;

    • g. het opmaken van een schouwrapport voor een bedrag van € 150,–.

Artikel 8 (verplichting)

De aanvrager van de subsidie verleent op verzoek van de minister alle medewerking aan inspectie van de aangebrachte boordvoorziening door of namens Rijkswaterstaat.

Artikel 9 (inwerkingtreding)

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 december 2018.

  • 2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 juli 2021, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op voor die datum ingediende aanvragen van subsidies.

Artikel 10 (citeertitel)

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling riolering woonboten 2018–2020.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga

TOELICHTING

Algemeen

Inleiding

Door het aansluiten van woonboten op de riolering of op een individuele behandeleenheid voor afvalwater (IBA) worden ongezuiverde lozingen op het oppervlaktewater voorkomen, waardoor de waterkwaliteit verbetert. Vanaf 2007 wordt op basis van de Subsidieregeling riolering woonboten aan eigenaren van woonboten een subsidie verstrekt als tegemoetkoming in de kosten van de aanleg, zijnde aanschaf en installatie, van een voorziening om ongezuiverde lozingen op het oppervlaktewater tegen te gaan. In 2010 is deze subsidieregeling ten behoeve van een soepele uitvoering gewijzigd en verlengd tot 1 januari 2011. De regeling is echter van toepassing gebleven op woonboten die opgenomen zijn in het gemeentelijk rioleringsplan of het daarop gebaseerde saneringsplan en waaromtrent met de gemeente overeenstemming is bereikt over een gefaseerde uitvoering tot uiterlijk 1 juli 2017 (artikel 9, tweede lid, van de Subsidieregeling riolering woonboten). Met de onderhavige nieuwe regeling wordt feitelijk een verdere verlenging beoogd van de genoemde en inmiddels vervallen subsidieregeling, nu gebleken is dat nog niet in alle beoogde gevallen een beroep op de voorgaande subsidieregeling gedaan kon worden. Gemeenten hebben ten aanzien van die gevallen aangegeven uiterlijk in 2020 tot uitvoering van een gemeentelijk rioleringsplan over te gaan. Ook blijkt het eerder beschikbaar gestelde budget niet uitgeput.

Achtergrond

De sanering van lozingen van woonboten is een langdurig en lastig proces. Er bestaat weerstand bij woonbootbewoners, omdat de aan te brengen voorzieningen hoge kosten met zich meebrengen. Uit de in 2007 gemaakte inventarisatie kwam naar voren dat ongeveer 1800 woonboten voor een bijdrage in aanmerking konden komen. Duidelijk is dat een beperkt deel hiervan, circa 200 woonboten, geen gebruik hebben kunnen maken van de regeling.

De voorwaarde voor subsidieverlening lag vooral op het vlak van de voorgenomen aansluiting op het riool, vastgelegd in het gemeentelijk rioleringsplan of een daarop gebaseerd saneringsplan, dan wel een convenant met resultaatsverplichting tussen gemeente en waterbeheerder(s) met hetzelfde oogmerk. De daarin opgenomen planning is niet in alle gevallen gehaald. In een aantal situaties blijken gemeenten namelijk, ondanks eerdere toezeggingen, niet in staat te zijn geweest om rioolvoorzieningen binnen de looptijd van de regeling te realiseren. Vanwege de financiële crisis, planologische ontwikkelingen, juridische procedures en het zoeken naar technische oplossingen hebben een aantal gemeenten op de locaties van woonboten nog geen riolering aangelegd en in sommige gevallen zal deze ook niet in de nabije toekomst worden aangelegd. Landelijk gaat het om circa 200 woonboten die nog aangesloten moeten worden op de riolering of waarvan de ongezuiverde lozing gesaneerd moet worden door aan te sluiten op een IBA. Dit is circa 14% van alle woonboten op rijkswateren. De gemeenten die voornemens zijn een riolering aan te leggen, hebben toegezegd dat zij die uiterlijk in 2020 gerealiseerd zullen hebben. Deze nieuwe subsidieregeling is primair op die gevallen gericht. Daarnaast is in een aantal gevallen te laat duidelijkheid verkregen over (al dan niet) aanleg van de gemeentelijke riolering, waardoor van gemeentewege wel de riolering is aangelegd, maar de woonbooteigenaren niet in staat waren tijdig, dat wil zeggen binnen de geldingsduur van de vorige subsidieregeling, de benodigde voorzieningen te realiseren en hiervoor een aanvraag te doen. Ook op die gevallen ziet de regeling.

Sanering lozingen huishoudelijk afvalwater

De onderhavige subsidieregeling richt zich op het beëindigen van het lozen van huishoudelijk afvalwater op rijkswateren door de eigenaren van woonboten te stimuleren de woonboot aan te sluiten op het openbaar riool of een IBA. Na deze aansluiting wordt een financiële bijdrage verstrekt. De subsidieregeling is alleen van toepassing op woonboten met een ligplaats in rijkswateren; watersystemen of onderdelen daarvan die in beheer zijn bij het Rijk (artikel 1.1 van de Waterwet). De Minister van Infrastructuur en Waterstaat is bevoegd gezag voor deze wateren. De waterschappen zijn verantwoordelijk voor de regionale wateren. In veel gevallen hebben zij vergelijkbare subsidieregelingen vastgesteld.

De financiële bijdrage, met een maximum van € 2.000,– per aanvraag, is bedoeld om de aanschaf van een voor de aansluiting op de riolering noodzakelijke voorziening aan boord van de woonboot te stimuleren en de financiële barrière voor een deel weg te nemen. Dit houdt verband met het feit dat de kosten van aansluiting bij een woonboot door de specifieke situatie in het algemeen hoger zijn dan een gemiddelde huisaansluiting. Ten opzichte van de vorige subsidieregeling zijn de subsidiabele kostenposten aangepast. Daarbij is aansluiting gezocht bij de nu voorhanden zijnde technische mogelijkheden, waaronder geheel nieuw ontwikkelde systemen. Ook zijn de bedragen afgestemd op het huidige prijsniveau van de verschillende onderdelen. Gekozen is voor een subsidiëring in de vorm van een vast bedrag per onderdeel van de te maken kosten voor de verschillende handelingen. Verwacht wordt dat de subsidie in de regel 25% van de te maken kosten afdekt.

Als aansluiting op de riolering niet mogelijk is omdat een riolering ontbreekt of op meer dan 40 meter afstand van de woonboot is gelegen, is toch subsidie mogelijk als de woonboot wordt aangesloten op een IBA. De eigenaar van de woonboot zal immers ook in dat geval over moeten gaan tot de aanschaf van een boordvoorziening. Systemen waarbij de IBA geïntegreerd is in de boordvoorziening zijn ook subsidiabel.

Evenredigheidsbeginsel

In het algemeen geldt als uitgangspunt dat de kosten van aansluiting op de riolering worden gedragen door de eigenaar van het pand of de woonboot. Dit principe wordt echter begrensd door het evenredigheidsbeginsel. Dat beginsel (opgenomen in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht), en het daarmee samenhangende beginsel van de gelijkheid voor de openbare lasten (égalité devant les charges publiques) brengt met zich mee dat de nadelige kosten van een besluit tot het verminderen en tegengaan van ongezuiverde lozingen van huishoudelijk afvalwater van woonboten in rijkswateren, zoals de kosten van een boordvoorziening of de aansluiting op een IBA, niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen of de kosten van aansluiting in andere gevallen. Gegeven de hogere kosten die de eigenaar van een woonboot moet maken ten opzichte van een gemiddelde huisaansluiting, ligt het in de rede om aan woonbooteigenaren een bijdrage te verlenen in de kosten van aanschaf van de noodzakelijke voorzieningen om aansluiting op de riolering of een IBA te realiseren.

Aansluiten bij decentraal beleid

Voor veel waterschappen, gemeenten en provincies is het evenredigheidsbeginsel en de daaromtrent ontwikkelde jurisprudentie inmiddels aanleiding geweest om ten behoeve van de sanering van lozingen binnen en buiten de bebouwde kom één of meer subsidieregelingen tot stand te brengen. Het wordt wenselijk geacht hierbij aan te sluiten en als beheerder van de rijkswateren te beschikken over een subsidieregeling ten behoeve van de sanering van ongezuiverde lozingen.

Subsidieplafond en subsidiabele kosten

Het budget dat beschikbaar is voor het subsidiëren van een deel van de kosten van aanschaf van een boordvoorziening ter aansluiting op de riolering of een IBA bedraagt € 400.000,– voor de duur van deze regeling. Per aanvraag geldt bovendien een maximumbedrag van € 2.000,–. Het bedrag is daarmee, op basis van de huidige inzichten, voldoende om de resterende (200) woonboten te voorzien van een boordvoorziening.

Wettelijk kader

De regeling is gebaseerd op de Kaderwet subsidies I en M en het Kaderbesluit subsidies I en M (hierna: Kaderbesluit). De Kaderwet subsidies I en M (artikel 3, eerste lid, onder g) geeft de mogelijkheid om bij ministeriële regeling subsidies te verstrekken voor activiteiten die passen in het beleid inzake water. Deze wet vormt de wettelijke basis voor de onderhavige regeling. Verder is de grondslag voor deze regeling gelegen in het Kaderbesluit. De bepalingen van het Kaderbesluit zijn dan ook van toepassing op de subsidieverstrekking op grond van onderhavige regeling, ook wanneer er niet expliciet in de regeling naar verwezen wordt. Voor de subsidieontvanger is dan ook niet alleen deze regeling, maar ook het Kaderbesluit van belang. Het gaat om onder meer artikel 6, eerste lid (voor subsidie in aanmerking komende kosten), artikel 8 (subsidieplafond en wijze van verdeling), en artikel 15, eerste en vijfde lid (subsidie wordt verstrekt in de vorm van een vast bedrag), van het Kaderbesluit.

Europese aspecten

De subsidie kan worden verstrekt aan eigenaren van woonboten, particulieren niet zijnde ondernemingen in de zin van het EU-recht. Er is daarom geen sprake van staatssteun in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Uitvoering

Voor de uitvoering van deze regeling is een beleidsregel vastgesteld ter invulling van het begrip deugdelijke boordvoorziening als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de regeling. Die beleidsregel bevat het programma van eisen waaraan een boordvoorziening moet voldoen, alsmede enkele tips en aanbevelingen.

Deze regeling wordt uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Het correspondentieadres is Postbus 10073, 8000 GB Zwolle. Ook wordt hier verwezen naar de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland voor meer informatie, modellen en het programma van eisen (www.rvo.nl/rioleringwoonboten).

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft ook de voorganger van deze regeling uitgevoerd en is derhalve bekend met de uitvoering.

Regeldrukeffecten

De subsidieregeling is in hoofdzaak een voortzetting van Subsidieregeling riolering woonboten. Gekozen is voor de systematiek dat het verlenen van de subsidie tevens het verstrekken van de subsidie is. Immers, de subsidie kan pas worden aangevraagd als de boordvoorziening is aangebracht en een schouwrapport is opgemaakt. Modellen van het aanvraagformulier en het schouwrapport zijn op te vragen bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en zijn op elkaar afgestemd. De aanvrager dient afschriften van de facturen en het schouwrapport bij de aanvraag te overleggen. Ook voor het vastleggen van het schouwrapport wordt subsidie verstrekt. Verwacht wordt dat de aanvrager ongeveer 1,5 uur met de afwikkeling van de aanvraag bezig is. Dat komt per aanvraag neer op € 42,– per aanvraag. Dat is 2.1% van het maximale subsidiebedrag per aansluiting. Ten opzichte van de vorige subsidieregeling hoeven minder bewijsmiddelen bij de aanvraag te worden gevoegd. De administratieve lasten voor de aanvragers zijn hierdoor minder dan bij de vorige regeling.

De subsidieregeling is aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) voorgelegd ter toetsing. Het adviescollege heeft besloten geen formeel advies uit te brengen, omdat de regeling geen omvangrijke regeldrukeffecten tot gevolg heeft.

Risicoanalyse

De risico’s met betrekking tot misbruik of oneigenlijk gebruik van subsidies die worden verstrekt op grond van deze regeling worden klein geacht. Het aantal eigenaren dat voor een subsidie in aanmerking komt, is bekend. De subsidie is gemaximeerd tot € 2.000,– per woonboot en de aanvraag tot subsidie kan pas na de uitvoering van de werkzaamheden worden ingediend. Er is een subsidieplafond vastgesteld waarbinnen de te verwachten aanvragen gehonoreerd kunnen worden.

Advisering en consultatie

Er heeft geen internetconsultatie plaatsgevonden, omdat hier sprake is van een ministeriële regeling die geen significante verandering brengt in de rechten en plichten van burgers, bedrijven en instellingen of die grote gevolgen heeft voor de uitvoeringspraktijk. Het betreft een voortzetting van een subsidieregeling voor dezelfde activiteiten. Op grond van het kabinetsstandpunt inzake internetconsultatie (Kamerstukken II 2009/10, 29 279, nr. 114 en Kamerstukken II 2012/13, 29 362, nr. 224) kon internetconsultatie aldus achterwege blijven.

Voorhangprocedure

Artikel 4.10 van de Comptabiliteitswet 2016 bepaalt dat een voorhang bij de Tweede Kamer verplicht is als de inhoud van subsidieregeling in belangrijke mate overeenkomt met een eerdere subsidieregeling (zevende lid). Zoals aangegeven in de inleiding van deze toelichting, komt de onderhavige subsidieregeling in belangrijke mate overeen met de reeds vervallen Subsidieregeling riolering woonboten.

Een ontwerp van deze regeling is daarom op 30 augustus 2018 bij de Tweede Kamer voorgehangen (Kamerstukken II 2017/18, 32 730, nr. 18). De ontwerpregeling is door de Tweede Kamer tijdens de procedurevergadering van 5 september 2018 zonder opmerkingen voor kennisgeving aangenomen.

Inwerkingtreding en vaste verandermomenten

De voortzetting van het aansluiten op de riolering van woonboten maakt het wenselijk dat de inwerkingtreding van deze regeling op korte termijn geschiedt, zodat gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsmogelijkheid van de voor inwerkingtreding van regelgeving vastgestelde vaste verandermomenten op grond van aanwijzing 4.17, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Gekozen is voor de datum van 1 december 2018, zodat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland voldoende tijd had om zich voor te bereiden op de uitvoering van de regeling.

Vervaldatum

De regeling vervalt met ingang van 1 juli 2021. De aanvragen moeten uiterlijk zijn ingediend op 30 juni 2021. De subsidie kan worden verstrekt voor aangeschafte en geïnstalleerde deugdelijke boordvoorzieningen in de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2020. De woonbooteigenaren hebben zodoende volop de tijd om een aanvraag in te dienen. De regeling blijft wel van toepassing op de afwikkeling van de voor 1 juli 2021 ingediende aanvragen tot subsidies. De minister zal na afloop van de regeling een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verstrekte subsidies opstellen (artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht).

Artikelsgewijs

Artikelen 1 (begripsomschrijving)

Gelet op het specifieke karakter van de te treffen voorziening(en) en met het oog op een juiste toepassing van de regeling zelf, zijn in artikel 1 enkele begripsomschrijvingen opgenomen.

Het begrip woonboot is een verzamelnaam voor woonschepen, woonvaartuigen en woonarken en andere objecten te water die hoofdzakelijk worden gebruikt als of bestemd zijn voor woonverblijf. Woonboten waarop een bedrijf wordt uitgeoefend vallen derhalve buiten deze regeling, omdat voor die groep van woonboten andere normen gelden.

Onder boordvoorziening worden in deze regeling alle zaken begrepen die aan boord van een woonboot nodig zijn om het van de woonboot afkomstige huishoudelijk afvalwater op het openbaar riool of een individuele behandeleenheid voor afvalwater (IBA) te kunnen lozen. Een boordvoorziening kan bestaan uit één of meer pompinstallaties met toebehoren, opvangtank(s), een besturingssysteem, doorvoeren, leidingwerk, elektra, bekabeling en overige tot die voorziening te rekenen onderdelen. Een IBA kan ook geïntegreerd zijn in de boordvoorziening in het geval dat er geen IBA buiten de woonboot geplaatst kan worden.

Om de goede werking van de boordvoorziening te bevorderen, zijn enige eisen gesteld aan de installateur die de aanleg doet. Deze komen tot uitdrukking in de begripsomschrijving van installateur. Overigens is het ook mogelijk dat de aanleg in eigen beheer plaatsvindt.

Met het oog op de kwaliteitsdoelstelling van het desbetreffende oppervlaktewater zal de IBA moeten voldoen aan de omschrijving in artikel 1 van de Regeling lozing afvalwater huishoudens of moet sprake zijn van een door de waterkwaliteitsbeheerder toegelaten voorziening waarmee ten minste een gelijkwaardig niveau van bescherming van het milieu wordt bereikt (zie ook artikel 5 van het Besluit lozing afvalwater huishoudens). Om na te gaan of de IBA voldoet aan de geldende voorschriften of toegelaten kan worden door de waterkwaliteitsbeheerder, dient het te plaatsen systeem ter beoordeling worden voorgelegd aan de waterkwaliteitsbeheerder. Dit is mede tot uitdrukking gebracht in de definitie van IBA.

Een schouwrapport is een verklaring die na installatie van de boordvoorziening moet worden opgemaakt door een installateur aan de hand van een bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland op te vragen formulier (beschikbaar op www.rvo.nl/rioleringwoonboten). Aan de hand van dat formulier, waarop of waarbij de eisen zijn aangegeven waaraan een deugdelijke boordvoorziening moet voldoen, gerelateerd aan het programma van eisen dat in een beleidsregel is vastgelegd, geeft de installateur aan of de boordvoorziening is aangeschaft en geïnstalleerd en deugdelijk is. In de verklaring wordt aangegeven welke voorzieningen zijn getroffen en dat deze deugdelijk zijn aangebracht.

Artikel 2 (doel)

Het doel van de subsidieregeling is beschreven in artikel 2. Het gaat om het stimuleren van het beëindigen van het lozen van huishoudelijk afvalwater op rijkswateren. Zie voor nadere toelichting het algemeen deel van de toelichting, onder achtergrond en sanering lozingen huishoudelijk afvalwater.

Artikel 3 (verstrekken van subsidie)

Subsidie kan worden verstrekt voor een drietal situaties als bedoeld in dit artikel. Uit de formulering volgt dat slechts subsidie kan worden verleend als de voorzieningen zijn aangeschaft en geïnstalleerd binnen het genoemde tijdspad (2017–2020) en duidelijk is dat de gemeentelijke riolering wordt aangebracht of duidelijk is geworden dat binnen 40 meter van de woonboot geen gemeentelijke riolering wordt aangelegd (en dus met een IBA gewerkt moet worden).

Er is gebruikgemaakt van de mogelijkheid die artikel 6, tweede lid, van het Kaderbesluit biedt om de voor de indiening van de aanvraag gemaakte kosten te subsidiëren. Het gaat in deze regeling om een subsidie lager dan € 25.000,– en er is bepaald dat direct een beschikking tot subsidievaststelling wordt gegeven. Dat is in deze regeling uitgewerkt in de artikelen 3, 6 en 7.

De regeling biedt door de ruime periode ook ruimte voor subsidieverstrekking voor boordvoorzieningen die zijn aangelegd vanaf 1 januari 2017, en dus voor inwerkingtreding van deze regeling. Een beperkte groep gevallen komt hiermee alsnog voor subsidie in aanmerking. Dit is in lijn met het gelijkheidsbeginsel, aangezien voor 1 januari 2017 gebruik kon worden gemaakt van de vervallen Subsidieregeling riolering woonboten.

Artikel 4 (subsidieplafond, wijze van verdelen en maximum bedrag)

Er is gekozen voor verdeling van de middelen op basis van het moment van indienen van de aanvraag. In artikel 8 van het Kaderbesluit is aangegeven hoe omgaan wordt met aanvragen die tegelijkertijd binnenkomen als het subsidieplafond is bereikt.

Artikel 5 (subsidievoorwaarden)

Het bezit van een ontheffing, vergunning of een daarmee gelijk te stellen verklaring voor de ligplaats van de woonboot is voorgeschreven omdat de aanwezigheid daarvan in het algemeen voorwaarde is voor de gemeente, als beheerder van het openbaar riool, om te voorzien in een rioolaansluiting. Illegaal afgemeerde woonboten komen hierdoor niet in aanmerking voor subsidie, omdat verwacht mag worden dat deze niet duurzaam ter plaatse zullen blijven.

Alleen de aanschaf en het installeren van een deugdelijke boordvoorziening komt voor een subsidie in aanmerking. In een tegelijk met deze regeling vastgestelde beleidsregel is aangeven waaraan een boordvoorziening moet voldoen om deugdelijk te zijn. Deze eisen hebben vooral betrekking op efficiëntie, effectiviteit en duurzaamheid. Voordat tot aanleg en installatie wordt overgegaan, kan hiermee rekening worden gehouden.

Per woonboot en ligplaats kan eenmalig subsidie worden verleend. Dat betekent dat als de woonboot wordt verplaatst, de boordvoorziening in principe meegaat. Die woonboot komt niet meer voor een subsidie in aanmerking op een nieuwe ligplaats. Aangenomen mag worden dat een nieuwe ligplaats beschikt over de noodzakelijke voorzieningen, zoals ook aansluiting op de riolering. Als een andere woonboot afmeert op een ligplaats waarvoor al subsidie is verleend, mag verwacht worden dat deze woonboot reeds over een boordvoorziening beschikt. Voor nieuwe woonboten geldt overigens dat deze tegenwoordig standaard met boordvoorzieningen worden gefabriceerd. Voor bestaande woonboten zal gelden dat deze in principe reeds op de vorige locatie voor subsidie in aanmerking zijn gekomen en een boordvoorziening hebben. Als een boordvoorziening op basis van deze regeling is aangelegd in de woonboot en de woonboot naar een ligplaats gaat waar nog geen riolering en geen IBA is aangelegd, kan deze boot niet nog een keer voor een bijdrage op basis van deze regeling in aanmerking komen.

Artikel 6 (aanvraag)

Dit artikel geeft aan welke informatie de aanvrager voor subsidie moet indienen en bij wie. De benodigde formulieren (aanvraagformulier en schouwrapport) zijn te vinden op www.rvo.nl/rioleringwoonboten. De aanvraag moet naast het aanvraagformulier ook afschriften van de factuur of facturen en een schouwrapport te bevatten.

Bij de aanvraag hoeft geen afschrift te worden gevoegd van de ontheffing, vergunning of daarmee gelijk te stellen verklaring als bedoeld in artikel 5, eerste lid. Als er een vermoeden bestaat dat een dergelijke verklaring niet aanwezig is, zal aan de aanvrager verzocht worden aannemelijk te maken dat deze verklaring er wel is, of zal aan de desbetreffende gemeente gevraagd worden de nodige informatie te verstrekken omtrent de ligplaats.

Uit artikel 5, eerste lid, volgt dat alleen de eigenaar van een woonboot voor subsidieverstrekking in aanmerking komt. Een aanvraag moet dus door of namens de eigenaar worden ingediend. In het laatste geval kan een schriftelijke machtiging worden verlangd. De aanvraag voor de subsidie, die tevens geldt als de aanvraag voor de subsidievaststelling (artikel 6, derde lid), dient te geschieden na de aanschaf en installaties en na de uitvoering van de schouw te worden ingediend bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

De boordvoorziening moet voldoen aan de eisen die daaraan worden gesteld met het oog op de efficiëntie, effectiviteit en duurzaamheid. Deze eisen zijn vastgelegd in een programma van eisen dat als beleidsregel is vastgesteld. Woonbooteigenaren weten waaraan voldaan moet worden om voor subsidie in aanmerking te komen. Of daaraan is voldaan, blijkt uit het schouwrapport.

Ingevolge artikel 25 van het Kaderbesluit moet binnen dertien weken beslist worden op de aanvraag.

Artikel 7 (subsidiabele kosten)

Als subsidiabele kosten worden onder meer aangemerkt de kosten van de aanschaf en installatie van een (deugdelijke) boordvoorziening, zoals de kosten van de aanschaf en installatie van een pompinstallatie met toebehoren, eventuele hulppompen, opvangtank(s), leidingwerk, elektra en bekabeling. De aan te brengen boordvoorziening verschilt echter per type woonboot. Zo zal het installeren van een boordvoorziening in woonarken door de aanwezigheid van een kruipruimte verhoudingsgewijs gemakkelijker zijn dan in woonschepen zonder kruipruimte. Dit heeft uiteraard gevolgen voor de hoogte van de kosten die moeten worden gemaakt. Ook het maken van de noodzakelijke doorvoeren door de scheepshuid en de ruimtes in de woonboot werkt kostenverhogend. Bij het vaststellen van de hoogte van de bedragen per subsidiabele kostenpost is met deze omstandigheden rekening gehouden.

Het maken van de noodzakelijke doorvoeren en de overige kosten die direct zijn toe te rekenen aan het aanschaffen en installeren van een boordvoorziening worden eveneens tot de subsidiabele kosten gerekend, evenals de kosten van aanschaf en het aansluiten en aankoppelen (installeren) van een walslang met inbegrip van koppelingen.

Ook in gevallen waarin aansluiting op de riolering niet mogelijk is en lozing gaat plaatsvinden op een IBA, zal veelal een soortgelijke voorziening moeten worden getroffen, omdat de IBA buiten de woonboot wordt geplaatst. Ook kosten voor nieuw ontwikkelde systemen, zoals een inpandige IBA, zijn subsidiabel.

Omdat het niet in alle gevallen om de aanschaf van een totale installatie hoeft te gaan of omdat niet alle kosten voor eigen rekening komen, bijvoorbeeld doordat de gemeente een deel van de kosten voor zijn rekening neemt of materialen ter beschikking stelt, zijn afzonderlijke bedragen opgenomen voor de onderdelen die voor subsidie in aanmerking komen.

De subsidiebedragen zijn forfaitair, dus ongeacht de daadwerkelijke kosten. De forfaitaire bedragen zijn berekend op basis van 25% van het tarief dat in de praktijk gemiddeld genomen per subsidiabele kostenpost in rekening wordt gebracht. Er kan, zoals aangegeven in artikel 4, derde lid, per aanvraag in totaal maximaal € 2.000,– subsidie worden toegekend.

Artikel 8 (verplichting)

Dit artikel bepaalt dat de aanvrager van de subsidie op verzoek van de minister alle medewerking verleent aan de inspectie van de aangebrachte boordvoorziening door of namens Rijkswaterstaat. Deze verplichting is opgenomen om te kunnen verifiëren of de installatie voldoet aan de gestelde eisen en ook feitelijk is aangebracht. Met de aanvraag voor de subsidie verklaart de woonbooteigenaar zich akkoord met het uitvoeren van een dergelijke inspectie die door Rijkswaterstaat kan plaatsvinden. Het is aan Rijkswaterstaat om te besluiten of controle van alle aangebrachte boordvoorzieningen plaatsvindt of dat dit steekproefsgewijs zal plaatsvinden.

Artikel 9 (inwerkingtreding)

De regeling treedt in werking met ingang van 1 december 2018 en vervalt met ingang van 1 juli 2021. Ingevolge artikel 6, eerste lid, dienen aanvragen uiterlijk te zijn ingediend op 30 juni 2021. Het gaat om aangeschafte en geïnstalleerde boordvoorzieningen in de periode vanaf 1 januari 2017 tot en met 31 december 2020. De woonbooteigenaren hebben zodoende de tijd om een aanvraag in te dienen. De regeling blijft wel van toepassing op de afwikkeling van de voor de vervaldatum ingediende aanvragen tot subsidies.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga