TOELICHTING
Doel van de regeling
Het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid heeft tot doel onderwijsachterstanden,
waaronder taalachterstanden, van kinderen vroegtijdig te signaleren en te bestrijden
zoals bedoeld in de artikelen 165, 166, 167 en 167a van de Wet op het primair onderwijs
(hierna: WPO). Gemeenten hebben op grond van de artikelen 165, 166 en 167 WPO een
verplichting tot het aanbieden van voldoende voorzieningen met voorschoolse educatie
in zowel aantal, als spreiding voor kinderen met een risico op een onderwijsachterstand
binnen de gemeente. Ter tegemoetkoming in de kosten van deze verplichting ontvangen
gemeenten een specifieke uitkering op grond van artikel 168a WPO.
Vanaf 2019 ontvangen gemeenten hun specifieke uitkering op grond van het Besluit specifieke
uitkeringen gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid, waarbij gebruik wordt gemaakt
van een nieuwe verdeelsystematiek gebaseerd op een nieuwe indicator. Deze indicator
brengt het risico van een kind op een achterstand beter in beeld. De nieuwe verdeelsystematiek
heeft als uitgangspunt te komen tot een verdeling van de middelen die beter aansluit
bij de onderwijsachterstandenproblematiek in gemeenten, dan de oude systematiek.
De nieuwe systematiek leidt tot herverdeeleffecten. Om deze effecten te mitigeren
en gemeenten in staat te stellen tijdig en zorgvuldig (noodzakelijke) wijzigingen
door te voeren in hun beleid en bedrijfsvoering, wordt gebruik gemaakt van een overgangsregeling
voor de jaren 2019, 2020 en 2021. De specifieke uitkering, zoals die zou zijn toegekend
wanneer de nieuwe systematiek onverkort zou zijn ingevoerd, wordt in elk van deze
drie overgangsjaren vergeleken met de specifieke uitkering die een gemeente heeft
ontvangen in 2018 op basis van de oude verdeelsystematiek.
Voor gemeenten die op basis van de nieuwe systematiek minder middelen ontvangen dan
het vastgestelde bedrag op basis van de oude systematiek in 2018, is de overgangsregeling
volledig geregeld in het Besluit specifieke uitkeringen gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid.
Voor deze gemeenten wordt het verschil tussen beide bedragen in de jaren 2019, 2020
en 2021 meegenomen met respectievelijk 75%, 50% en 25%.
Voor gemeenten die op basis van de nieuwe systematiek meer middelen ontvangen dan
het vastgestelde bedrag op basis van de oude systematiek in 2018, wordt gedurende
de overgangsregeling jaarlijks per ministeriële regeling vastgesteld met welk percentage
het oude bedrag wordt meegenomen. Dit wordt gedaan zodat het totaal aan middelen voor
het onderwijsachterstandenbeleid wordt uitgekeerd van jaar op jaar gelijk blijft.
Aan deze gemeenten wordt de zekerheid geboden dat zij ten minste na drie overgangsjaren
de middelen ontvangen waarop zij volgens de nieuwe systematiek aanspraak hebben. Hierdoor
kunnen deze gemeenten sneller toegroeien naar hun nieuwe budget, dan wanneer gebruikt
gemaakt zou worden van de percentages die gebruikt worden voor gemeenten die op basis
van de nieuwe systematiek minder budget zullen ontvangen. Voor het kalenderjaar 2019
wordt het percentage vermindering voorlopig vastgesteld op 15,53%. In 2019 zal het
percentage definitief worden vastgesteld voor 2019 en voorlopig worden vastgesteld
voor 2020.
Prijs per achterstandseenheid
De hoogte van het totaal aan beschikbare middelen voor de specifieke uitkeringen onderwijsachterstanden
wordt jaarlijks vastgesteld in de begroting van OCW. In de begroting van 2019 is naar
verwachting € 462 miljoen beschikbaar voor het doen van deze uitkeringen, dit leidt
tot een voorlopige prijs per achterstandseenheid van € 502,66. Deze prijs wordt gedurende
2019 definitief vastgesteld.
Moment van inwerkingtreding
De Regeling vaststelling vermindering van de specifieke uitkeringen gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid
ten behoeve van de overgangsregeling voor het jaar 2019 treedt nu in werking. Hiermee
wordt afgeweken van de vaste verandermomenten die gelden voor onderwijswetgeving en
van de in dat kader vereiste minimale invoeringstermijn van twee maanden. Hierbij
wordt gebruik gemaakt van de uitzonderingsgrond dat vertraging van de invoering tot
hoge private en publieke nadelen leidt. Om tot een zorgvuldige invoering van de nieuwe
systematiek voor de verdeling van de middelen voor het gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid
over te gaan met ingang van het volgende kalenderjaar, is het streven om de voorlopige
beschikkingen in september 2018 naar de gemeenten te sturen. Om deze reden is een
spoedige inwerkingtreding van belang. In september 2019 ontvangen gemeenten hun definitieve
beschikking voor het jaar 2019 en de voorlopige beschikking voor het jaar 2020. In
deze definitieve beschikking zijn eventuele gemeentelijke herindelingen en de definitieve
prijs per achterstandseenheid verwerkt.
Administratieve lasten
Gemeenten leggen middels de jaarrekening verantwoording af aan het Rijk over de besteding
van de uitkering, via de single information single audit-verantwoordingssystematiek
(SiSa). Deze regeling leidt niet tot aanvullende informatieverplichtingen, daarom
is er geen sprake van aanvullende administratieve lasten. Met betrekking tot de uitvoerings-
en handhavingsaspecten van deze regeling is geconstateerd dat de regeling uitvoerbaar
en handhaafbaar wordt geacht.
De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,
A. Slob