Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Economische Zaken en KlimaatStaatscourant 2018, 50932Convenanten

MEERJARENAFSPRAAK ENERGIE-EFFICIËNTIE 2001–2020

1 juli 2008

Definitieve versie

INHOUDSOPGAVE

pag

       

1.

ALGEMEEN

2

 

Partijen

 

2

 

Overwegingen

 

2

 

Artikel 1.1

Definities

3

 

Artikel 1.2

Doelstellingen meerjarenafspraak

4

       

2.

VERPLICHTINGEN

4

 

Artikel 2.1

Verplichtingen Onderneming

4

 

Artikel 2.2

Verplichtingen Brancheorganisaties

5

 

Artikel 2.3

Verplichtingen Ministers

5

 

Artikel 2.4

Verplichtingen Bevoegd gezag

6

 

Artikel 2.5

Verplichtingen IPO

6

       

3.

PLANNEN

7

       

3.1

Energie-efficiëntieplannen (EEP)

7

 

Artikel 3.1

Opstellen EEP

7

 

Artikel 3.2

Inhoud EEP

7

 

Artikel 3.3

Actualisering EEP

7

 

Artikel 3.4

Procedure EEP niet-broeikasgasinrichtingen

7

 

Artikel 3.5

Procedure EEP broeikasgasinrichtingen

8

       

3.2

Meerjarenplannen (MJP)

8

 

Artikel 3.6

Meerjarenplan Energie-efficiëntie (MJP)

8

       

3.3

Strategische plannen

00

 

Artikel 3.7

Voorstudie

9

 

Artikel 3.8

Routekaarten

9

       

4.

ENERGIEZORG, KETENEFFICIENCY EN DUURZAME ENERGIE

10

 

Artikel 4.1

Systematische Energiezorg

10

 

Artikel 4.2

Ketenefficiency en inkoop duurzame energie

10

       

5.

MONITORING EN RAPPORTAGE

10

 

Artikel 5.1

Monitoring

10

 

Artikel 5.2

Rapportage

11

       

6.

OVERLEG

 

11

 

Artikel 6.1

Overleggroep Energie-efficiëntie

11

 

Artikel 6.2

Taken Overleggroep Energie-efficiëntie

12

 

Artikel 6.3

Platform MJA3

12

 

Artikel 6.4

Taken Platform MJA3

12

       

7.

TOETREDING EN OPZEGGING

12

 

Artikel 7.1

Toetreding ondernemingen

12

 

Artikel 7.2

Toetreding brancheorganisaties of productschappen

13

 

Artikel 7.3

Toetreding gemeenten

13

 

Artikel 7.4

Opzegging

13

 

Artikel 7.5

Broeikasgasinrichting

14

       

8.

OVERIGE BEPALINGEN

14

 

Artikel 8.1

SenterNovem

14

 

Artikel 8.2

Kosten

14

 

Artikel 8.3

Sancties

14

 

Artikel 8.4

Evaluatie

15

 

Artikel 8.5

Wijziging meerjarenafspraak

15

 

Artikel 8.6

Openbaarheid en geheimhouding

16

 

Artikel 8.7

Inwerkingtreding en looptijd

16

 

Artikel 8.8

Bijlagen en toelichting

17

 

Artikel 8.9

Juridische vorm

17

 

Artikel 8.10

Publicatie

17

 

Artikel 8.11

Citeertitel

17

       

>

TOELICHTING

18

       

>

BIJLAGE MJA3

25

 

Hoofdstuk 1

Algemeen

25

 

Hoofdstuk 2

Protocol Energie-efficiëntieplan

25

 

Hoofdstuk 3

Protocol Monitoring, procedure Hoofdstuk

25

 

Hoofdstuk 4

Protocol Energiezorg

25

 

Hoofdstuk 5

Concernaanpak

25

 

Hoofdstuk 6

Werkafspraak ‘Integrale beoordeling ketenprojecten’ Hoofdstuk

25

 

Hoofdstuk 7

Werkafspraak ‘Openbaarheid en geheimhouding’

25

1. ALGEMEEN

PARTIJEN

  • 1. De Minister van Economische Zaken, mevrouw M.J.A. van der Hoeven, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, mevrouw G. Verburg, en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, mevrouw dr. J.M. Cramer, de Staatssecretaris van Financiën de heer mr. drs J.C. de Jager tezamen handelend in hun hoedanigheid van bestuursorgaan, alsmede in hun hoedanigheid van vertegenwoordiger van de Staat der Nederlanden, waarvan de zetel is gevestigd te ’s Gravenhage, hierna gezamenlijk te noemen: de Ministers;

  • 2. De Provincies, in dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door A.E. Bliek-de Jong van de Vereniging Interprovinciaal Overleg, gevestigd te 's Gravenhage, op grond van het besluit van het bestuur van het IPO 19 juni 2008, hierna te noemen: het IPO;

  • 3. De ondernemingen die tot deze meerjarenafspraak zijn toegetreden, hierna te noemen: de Ondernemingen;

  • 4. De brancheorganisaties en productschappen die deze meerjarenafspraak hebben ondertekend, hierna te noemen: de Brancheorganisaties en Productschappen;

  • 5. De Gemeenten die tot deze meerjarenafspraak zijn toegetreden, hierna te noemen: de Gemeenten.

OVERWEGINGEN

  • (1) De Europese lidstaten hebben geconcludeerd dat geïndustrialiseerde landen zich gezamenlijk moeten verbinden aan het reduceren van hun broeikasgasemissies met 30 procent in 2020 ten opzichte van 1990, in het kader van een betekenisvolle mondiale klimaatafspraak. Zolang die niet tot stand komt verbindt de EU zich unilateraal aan een reductie van ten minste 20 procent in 2020 ten opzichte van 1990. De Europese Unie heeft in de richtlijn 2006/32/EG van 5 april 2006 (PbEG 2006, L 114) een doelstelling geformuleerd ter besparing van energie en verbetering van energie-efficiëntie met gemiddeld 1 procent per jaar over de periode 2008-2016.

  • (2) Het Coalitieakkoord van 7 februari 2007 van de regeringsfracties heeft zich ten doel gesteld een reductie van 30 procent broeikasgasemissies in 2020 te realiseren ten opzichte van 1990, liefst in Europees verband, alsmede een aandeel van 20 procent hernieuwbare energie in 2020 en een energie- besparingstempo van 2 procent per jaar. De ambitie is om in 2020 in Nederland één van de duurzaamste en efficiëntste energievoorzieningen in Europa te hebben. Dat betekent een verdubbeling van de landelijk gemiddelde energie-efficiëntieverbetering van 1 procent per jaar.

  • (3) In het Duurzaamheidsakkoord van 1 november 2007 onderschrijven VNO- NCW, MKB Nederland en LTO Nederland de noodzaak om in Nederland en Europa een actief en vooruitstrevend klimaatbeleid te voeren. Daarbij is door de overheid toegezegd dat zij zich tot het uiterste zal inspannen om ervoor te zorgen dat bedrijven op een Europees en mondiaal gelijkblijvend speelveld kunnen opereren.

  • (4) Het Duurzaamheidsakkoord geeft richting aan verdere concrete afspraken voor de sectoren gebouwde omgeving, energiesector, industrie, verkeer en vervoer en land- en tuinbouw alsmede voor het midden- en kleinbedrijf dat niet deelneemt aan deze sectorafspraken. Onderdeel vormt ook een intensiveringstraject voor het MKB. In het Duurzaamheidsakkoord hebben de rijksoverheid, VNO-NCW, MKB Nederland en LTO Nederland afgesproken, dat zij zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk vóór 1 april 2008 tot concrete invulling komen van hun samenwerking op het vlak van de gebouwde omgeving, de energiesector, de industrie, verkeer en vervoer en de land- en tuinbouw in de vorm van sectorakkoorden, waarin afspraken worden gemaakt over concrete doelen die overheid en bedrijfsleven samen willen bereiken, de wijze waarop deze worden bereikt en de inspanningsverplichtingen die ieder op zich neemt. Deze meerjarenafspraak vormt het belangrijkste onderdeel van het sectorakkoord Industrie.

  • (5) Begin jaren negentig zijn met industriële branches meerjarenafspraken gemaakt over verbetering van de energie-efficiëntie. Die afspraken golden tot het jaar 2000. Vanwege het succes van deze afspraken hebben industrie en overheid een nieuwe meerjarenafspraak getekend voor de periode 2001-2012 (MJA2). Partijen stellen vast, dat de tot nu toe gesloten meerjarenafspraken hebben geleid tot een gemiddelde jaarlijkse energie-efficiëntieverbetering van 2 procent over 15 jaar, hetgeen beduidend meer is dan het gemiddelde in Nederland. De opzet en aanpak van de meerjarenafspraken als instrument van overheidsbeleid gericht op energie-efficiëntieverbetering is meer dan geslaagd te noemen en ook internationaal gezien succesvol.

  • (6) Partijen zijn op 6 juni 1999 het Convenant Benchmarking energie-efficiënte en op 6 december 2001 het convenant de meerjarenafspraak energie- efficiëntie 2001-2012 (MJA2) overeengekomen. Partijen wensen gebruik te maken van de in het convenant Benchmarking en convenant MJA2 opgenomen bevoegdheid om deze in onderlinge overeenstemming te wijzigen. De belangrijkste wijzigingen betreffen verlenging van de looptijd van 31 december 2012 tot 31 december 2020, het intensiveren van de doelstelling en het samenvoegen van het convenant Benchmarking en convenant MJA2 tot de meerjarenafspraak energie-efficiënte 2001-2020 (MJA3). Partijen die zich niet kunnen verenigen met deze wijzigingen, kunnen uittreden. Ondernemingen die zich niet kunnen verenigen met een of meer wijzigingen, zijn gerechtigd deze MJA3 binnen 6 weken na ondertekening daarvan gemotiveerd en met onmiddellijke ingang ten aanzien van een of meer inrichtingen op te zeggen.

  • (7) Voor Ondernemingen, die deelnemen aan deze meerjarenafspraak én die voor één of meer broeikasgasinrichtingen moeten deelnemen aan het Europese systeem van handel in CO2-emissierechten, bevat artikel 7.5 afwijkende regels.

  • (8) Partijen zijn van oordeel, dat het voor het welslagen van deze meerjarenafspraak van doorslaggevend belang is, dat energiebesparing en -efficiëntieverbetering prioritaire effecten zijn en vermijding van CO2-emissies een afgeleid effect is en dat overheid en bedrijfsleven samenwerken met behoud van ieders verantwoordelijkheid. In het kader van het Duurzaamheidsakkoord en de handel in CO2-emissierechten is vermijding van CO2-emissies evenwel leidend. Voor het welslagen is eveneens van belang de Europese normering ten aanzien van veel gebruikte apparaten, het tijdig beschikbaar zijn van energie-efficiënte apparatuur en het afgestemd zijn van regelgeving en uitvoeringspraktijk op deze meerjarenafspraak met het oog op een gelijkblijvend speelveld op internationaal, nationaal en lokaal niveau.

  • (9) Het Klimaatakkoord Gemeente en Rijk 2007-2011: Samen werken aan een klimaatbestendig en duurzaam Nederland, van 12 november 2007 bevat afspraken tussen de ministers, de minister van Financiën, de minister van Buitenlandse Zaken en de VNG waarin onder meer prioriteit wordt gegeven aan energie-efficiëntieverbetering in milieuvergunningen en de handhaving daarvan. Ondernemingen hechten eraan dat het bevoegd gezag meewerkt aan de invulling van de artikelen 12 en 13 van het Klimaatakkoord. Daarin staat onder meer, dat het bevoegd gezag de naleving van energievoorschriften zal handhaven bij de ondernemingen die niet deelnemen aan deze meerjarenafspraak, bij de controlefrequentie de deelname van een Onderneming aan deze meerjarenafspraak laat meewegen en bij periodieke controles prioriteit geeft aan energie-efficiëntieverbetering.

KOMEN HET VOLGENDE OVEREEN

Definities
Artikel 1.1

In deze meerjarenafspraak wordt verstaan onder:

a. Betrokken inrichting:

een inrichting die is opgenomen in het verzoek tot toetreding.

b. Bevoegd gezag:

het bestuursorgaan dat volgens artikel 8.2 Wet milieubeheer of bij een in art. 8.40 van die wet bedoelde algemene maatregel van bestuur bevoegd gezag is voor de betrokken inrichting.

c. Bijlage MJA3:

de bij deze meerjarenafspraak behorende bijlage.

d. Broeikasgasinrichting:

betrokken inrichting waarin zich een of meer broeikasgasinstallaties bevinden als bedoeld in artikel 16.2 van de Wet milieubeheer, voor zover het gaat om de emissie van CO2 in de lucht.

e. Concern:

de (rechts)persoon, die de zeggenschap heeft over één of meer Ondernemingen, samen met die Ondernemingen.

f. Convenant Benchmarking:

het op 6 juni 1999 door overheid en bedrijfsleven ondertekende Convenant Benchmarking Energie-efficiëntie voor energie- intensieve inrichtingen.

g. Duurzame energie:

uit hernieuwbare energiebronnen opgewekte energie: energie opgewekt met installaties waarbij uitsluitend van hernieuwbare energiebronnen wordt gebruikgemaakt, alsmede het aandeel in calorische waarde van de met hernieuwbare energiebronnen in hybride installaties opgewekte energie die ook met conventionele energiebronnen werken. Hieronder valt ook voor accumulatiesystemen gebruikte hernieuwbare elektriciteit, maar niet elektriciteit die van dergelijke systemen afkomstig is.

h. Energie-efficiëntie:

de verhouding tussen de verkregen prestatie, dienst, goederen of energie, en de energietoevoer hiervoor. Daarbij kan het gaan om procesefficiency, ketenefficiency en duurzame energie.

i. Energie-efficiëntieplan (EEP):

het in artikel 3.1 van deze meerjarenafspraak bedoelde plan;

j. Energie-efficiëntie-verbetering (EEV):

een toename van de energie- efficiëntie bij het eindgebruik ten gevolge van technologische, gedrags- en/of economische veranderingen.

k. Energiegebruik:

het energetisch gebruik van energiedragers. Hieronder wordt niet verstaan het non-energetisch gebruik in de vorm van als grondstof ingezette energiedragers (feedstock). Het energiegebruik van secundaire energiedragers wordt teruggerekend naar de stookwaarde (onderste verbrandingswaarde) van de primaire energiedragers. Netto ingekochte elektriciteit wordt verrekend tegen een opwekrendement van 40 procent, tenzij ten genoegen van SenterNovem wordt aangetoond, dat voor een bepaalde installatie een ander rendement geldt. Warmte die wordt verkocht of gekocht, wordt verrekend tegen een rendement, dat de goedkeuring behoeft van SenterNovem. De vaststelling van het deel van het energiegebruik per relevante procesinstallatie, dat feedstock betreft, behoeft de goedkeuring van SenterNovem.

l. Inrichting:

een in Nederland gelegen inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer.

m. Ketenefficiency:

de verhouding tussen de verkregen prestatie, dienst, goederen of energie in de totale keten van grondstof tot en met afdanking en de energietoevoer hiervoor.

n. Meerjarenafspraak 2 of

de op 6 december 2001 gesloten Meerjarenafspraak energie-efficiëntie 2001–2012.

o. Meerjarenplan (MJP):

het in art. 3.6 van deze meerjarenafspraak bedoelde plan.

p. Overleggroep Energie-efficiëntie (OGE):

de in artikel 6.1 van deze meerjarenafspraak bedoelde Overleggroep.

q. Platform MJA3:

het in artikel 6.3 van deze meerjarenafspraak bedoelde Platform.

r. Rendabele maatregelen:

maatregelen met een positieve netto contante waarde bij een interne rentevoet van 15 procent. Als alternatief kan een terugverdientijd van 5 jaar worden gehanteerd.

s. Routekaart:

routekaart zoals bedoeld in art. 3.8 van deze meerjarenafspraak.

t. Scorekaart:

instrument dat een overzicht geeft van de mate waarin Ondernemingen hun in hun EEP opgenomen inspanningen hebben gerealiseerd.

u. Systematische Energiezorg:

systematische Energiezorg als bedoeld in artikel 4.1 van deze meerjarenafspraak.

v. Vertrouwelijke gegevens:

door een Onderneming als zodanig aangewezen bedrijfsgeheimen en beveiligingsgegevens als bedoeld in hoofdstuk 19 van de Wet milieubeheer c.q. ondernemings- en fabricagegegevens als bedoeld in de Wet openbaarheid van bestuur.

w. Voorstudie:

voorstudie zoals bedoeld in art. 3.7 van deze meerjarenafspraak.

x. Procesefficiency:

de verhouding tussen de verkregen prestatie, dienst, goederen of energie, en de energietoevoer hiervoor binnen een inrichting

Doelstellingen meerjarenafspraak

Artikel 1.2

Partijen spannen zich in om gemiddeld voor de gezamenlijke Ondernemingen voor hun betrokken inrichtingen 30 procent energie-efficiëntieverbetering te bereiken in de periode 2005-2020. Door rekening te houden met de in het kader van de reeds gerealiseerde energie-efficiëntieverbetering in de periode 1998-2005 van gemiddeld 15 procent, komt dit neer op 45 procent in de periode 1998-2020. Ten aanzien van de genoemde 30 procent wordt gestreefd naar een verdeling van 20 procent binnen de inrichting en 10 procent buiten de inrichting voor de gezamenlijke Ondernemingen voor hun betrokken inrichtingen.

2. VERPLICHTINGEN

Verplichtingen Onderneming

Artikel 2.1
  • 1. Een Onderneming verplicht zich om:

    • a. voor haar betrokken inrichting(en) een Energie-efficiëntieplan op te stellen, uit te voeren en daarover jaarlijks te rapporteren;

    • b. in haar Energie-efficiëntieplan opgenomen zekere rendabele maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie binnen de betrokken inrichting(en) te nemen;

    • c. systematische Energiezorg binnen de Onderneming te implementeren.

  • 2. Een Onderneming spant zich in om:

    • a. ervoor te zorgen dat de in haar Energie-efficiëntieplan opgenomen voorwaardelijke maatregelen op termijn zekere maatregelen worden en dat onzekere maatregelen op termijn voorwaardelijke of zekere maatregelen worden;

    • b. energie-efficiëntieverbetering door middel van ketenefficiency en duurzame energie te realiseren;

    • c. aan de eigen Brancheorganisatie die gegevens te verstrekken, die nodig zijn voor het tijdig opstellen van het Meerjarenplan.

  • 3. Een Onderneming geeft een deugdelijke motivering als:

    • a. haar gemiddelde in het Energie-efficiëntieplan voorgenomen jaarlijkse energie-efficiëntieverbetering lager is dan gemiddeld 2 procent per jaar in de periode waarvoor het Energie-efficiëntieplan geldt;

    • b. uit de jaarlijkse monitoringronde blijkt dat de bereikte energie- efficiëntieverbetering achterblijft bij de geplande energie- efficiëntieverbetering.

  • 4. In het kader van de in lid 3 genoemde motivering worden in elk geval, kosten en baten in aanmerking genomen, in acht genomen:

    • de data waarop de installaties in de inrichting in gebruik zijn of worden genomen;

    • de tijd die nodig is om een betere techniek toe te gaan passen,

    • het verbruik en de aard van de grondstoffen, met inbegrip van water,

    • het uitvoeren van milieumaatregelen,

    • het nagenoeg bereiken van het thermodynamisch evenwicht, bijvoorbeeld bij smeltprocessen van metalen,

    • de vervangingstermijn van installaties,

    • de negatieve invloed van veranderingen op de levenscyclus van een product, of

    • het feit, dat er geen maatregelen te benoemen zijn in geval van nieuwe installaties.

Verplichtingen Brancheorganisaties en Productschappen

Artikel 2.2
  • 1. Onverminderd haar c.q. zijn elders in deze meerjarenafspraak opgenomen verplichtingen, neemt de Brancheorganisatie of het Productschap de inspanningsverplichting op zich om:

    • a. haar leden c.q. zijn bedrijfsgenoten te stimuleren om deel te nemen en uitvoering te geven aan deze meerjarenafspraak;

    • b. haar leden c.q. zijn bedrijfsgenoten actief voor te lichten over het onderwerp van deze meerjarenafspraak;

    • c. namens de Ondernemingen als aanspreekpunt te fungeren voor de Ministers, het IPO en de VNG;

    • d. uitvoering te geven aan het Meerjarenplan, voorzover dat binnen de invloedssfeer van de Brancheorganisatie of het Productschap ligt;

    • e. het initiatief te nemen voor een voorstudie en/of routekaart;

    • f. een voorzitter af te vaardigen ten behoeve van de Overleggroep Energie- efficiëntie;

    • g. informatie te verstrekken ten behoeve van elke evaluatie van deze meerjarenafspraak;

    • h. in afstemming met SenterNovem de nodige activiteiten te ontplooien op het gebied van kennismanagement.

  • 2. Voor wat betreft de categorie Overige Industrie is lid 1, onder a, b en d van overeenkomstige toepassing en is artikel 3.6 niet van toepassing.

Verplichtingen Ministers

Artikel 2.3
  • 1. Onverminderd hun elders in deze meerjarenafspraak opgenomen verplichtingen zullen de Ministers zich inspannen, dat Ondernemingen voor wat betreft hun betrokken inrichting(en) vanaf het moment van toetreding als Partij tot deze meerjarenafspraak geen additionele specifieke nationale maatregelen gericht op verdere energie-efficiëntieverbetering of CO2-reductie zullen worden opgelegd. Dit laat de bevoegdheden van de Staten-Generaal en de bevoegdheden en verplichtingen van de Ministers tot uitvoering van internationale regelgeving onverlet. Dit laat tevens generieke maatregelen met betrekking tot de introductie van systemen van verhandelbaarheid van broeikasgasemissies in de betrokken sectoren onverlet.

    • a. De overheid zal zich tot het uiterste inspannen dat bedrijven op een Europees en mondiaal gelijkblijvend speelveld kunnen opereren. Bij nieuwe (klimaat- en energie-) maatregelen zullen de effecten op het level playing field van zowel grote als kleinere bedrijven in kaart worden gebracht en worden besproken tussen partijen. Indien noodzakelijk zullen hiermee verbandhoudende beleidsoplossingen worden gezocht om de nadelige effecten voor de concurrentiepositie te voorkomen, bij voorkeur in Europees verband. Zo nodig kan bij onoverkomelijke problemen van maatregelen worden afgezien.

    • b. Beleid van de overheid dat effect heeft op deze meerjarenafspraak moet ten dienste staan van het realiseren van de energie- en milieudoelstellingen van deze meerjarenafspraak. De effecten op het realiseren van de energie- en milieudoelstellingen van dit sectorakkoord zullen daarom vooraf worden onderzocht en besproken tussen partijen. Uitgangspunt blijft dat – conform het Coalitieakkoord en de miljoenennota 2008 – het bedrijfsleven gevrijwaard blijft van per saldo lastenverzwaringen en op een Europees en mondiaal gelijk speelveld kan blijven opereren. Het bedrijfsleven laat realisatie van de milieu- en energiedoelstellingen van de Meerjarenafspraak Energie-efficiëntie 2001–2020 (MJA3) mede afhangen van de verenigbaarheid van het overheidsbeleid dat effect heeft op deze meerjarenafspraak met de investeringsinspanningen uit hoofde van deze overeenkomst.

  • 2. De Ministers beijveren zich financiële ondersteuning te (blijven) verlenen in de sfeer van onderzoek en ontwikkeling en stimuleringsregelingen.

  • 3. De Ministers zullen hun invloed uitoefenen voor het oplossen van eventuele knelpunten van niet-financiële aard, voor zover dat binnen de invloedssfeer van de Ministers ligt.

  • 4. De Ministers stimuleren en ondersteunen de ontwikkeling en het gebruik van ketenefficiency en duurzame energie.

  • 5. De Ministers dragen zorg voor inschakeling van SenterNovem, teneinde de taken uit te (laten) voeren die bij deze overeenkomst de Ministers worden toebedeeld, met betrekking tot ten minste:

    • a. het opstellen, actualiseren en toetsen van Energie-efficiëntieplannen en Meerjarenplannen en het adviseren over en toetsen van de implementatie daarvan;

    • b. monitoring van en rapportage over deze meerjarenafspraak;

    • c. kennisontwikkeling over energie-efficiëntie, ketenefficiency en duurzame energie;

    • d. kennisoverdracht naar alle Partijen;

    • e. secretariaat van de Overleggroepen Energie-efficiëntie en het Platform MJA3.

  • 6. De Ministers spannen zich in voor goed bij deze meerjarenafspraak aansluitende en de meerjarenafspraak versterkende beleidsinstrumenten gericht op stimulering, facilitering en handhaving.

  • 7. De Ministers verruimen via het programma MJA-facilitering de ondersteuning en facilitering van Partijen door SenterNovem in het kader van deze meerjarenafspraak. De Ministers zullen de totstandkoming en uitvoering van Energie-efficiëntieplannen door Ondernemingen, van Meerjarenplannen door Brancheorganisaties en van voorstudies en routekaarten door Brancheorganisaties en/of Onderneming(en) – waar mogelijk en wettelijk toelaatbaar – ondersteunen.

  • 8. De Ministers spannen zich in om bij totstandkoming en uitvoering van Europese, nationale en lokale regelgeving – voor zover binnen hun bevoegdheden en mogelijkheden – te bevorderen dat die regelgeving de realiseerbaarheid van de ambities aan energiebesparing en energie- efficiëntieverbetering van de Ondernemingen ondersteunt, met deze meerjarenafspraak samengaat, deze meerjarenafspraak versterkt en de extra administratieve lasten van deze meerjarenafspraak voor Ondernemingen tot een minimum beperkt.

  • 9. De Ministers spannen zich tot het uiterste in, dat het Klimaatakkoord Gemeente en Rijk 2007–2011 wordt nageleefd.

Verplichtingen Bevoegd gezag

Artikel 2.4

Het Bevoegd gezag, onverminderd zijn elders in deze meerjarenafspraak opgenomen verplichtingen:

  • a. handhaaft bij de ondernemingen die niet deelnemen aan deze meerjarenafspraak de naleving van energievoorschriften;

  • b. handhaaft op basis van de van toepassing zijnde, bij of krachtens de wet gestelde voorschriften met betrekking tot energie-efficiëntie, alsmede de in deze meerjarenafspraak gemaakte afspraken omtrent energie-efficiëntie verbeterende maatregelen;

  • c. laat in de in zijn handhavingprogramma beoogde controlefrequentie de deelname van een Onderneming aan deze meerjarenafspraak meewegen;

  • d. geeft bij periodieke controles prioriteit aan energie-efficiëntieverbetering, en

  • e. werkt – daar waar de branche dit heeft geïnitieerd – mee aan de per branche uit de meerjarenafspraak te starten pilot van Ondernemingen en ondernemingen die geen partij zijn bij deze meerjarenafspraak over een gelijkwaardige behandeling.

Verplichtingen IPO

Artikel 2.5

Het IPO verplicht zich om:

  • a. hun leden te stimuleren om deel te nemen en uitvoering te geven aan deze meerjarenafspraak;

  • b. deel te nemen aan de activiteiten van de Overleggroep Energie-efficiëntie (OGE) als dat in het kader van artikel 6.1, lid 5 van deze meerjarenafspraak is afgesproken;

  • c. hun leden actief voor te lichten over het onderwerp van dit convenant;

  • d. namens provincies als aanspreekpunt te fungeren voor de andere partijen.

3. PLANNEN

3.1 Energie-efficiëntieplannen (EEP)

Opstellen EEP
Artikel 3.1

Uiterlijk binnen 9 maanden na ondertekening van of toetreding tot deze meerjarenafspraak stelt de Onderneming voor elke betrokken inrichting afzonderlijk een concept van een Energie-efficiëntieplan op.

Inhoud EEP
Artikel 3.2
  • 1. In het Energie-efficiëntieplan neemt de Onderneming zekere, voorwaardelijke en onzekere maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie op. Van elk van die maatregelen geeft de Onderneming overeenkomstig de Bijlage MJA3, hoofdstuk 2 aan wat daarvan het te verwachten resultaat zal zijn, gemeten in percentage energie-efficiëntieverbetering per jaar en de daarmee samenhangende feitelijk vermeden CO2-emissie. Bij de overweging van de maatregelen ter verbetering van energie-efficiëntie betrekken Ondernemingen niet alleen energie-efficiëntie, maar ook de klimaateffecten van niet-CO2- broeikasgassen. Meer in het bijzonder neemt de Onderneming tevens het klimaateffect van het koudemiddel in overweging indien een maatregel de vervanging of aanpassing van een koelinstallatie betreft.

  • 2. Als uit het Energie-efficiëntieplan blijkt dat het te verwachten resultaat lager is dan gemiddeld 2 procent per jaar in de periode waarop het Energie- efficiëntieplan ziet, dan voorziet de Onderneming deze afwijking van een deugdelijke motivering.

Actualisering EEP

Artikel 3.3

De Onderneming zal het Energie-efficiëntieplan actualiseren uiterlijk op 1 september 2009 voor de periode 2009-2012, uiterlijk op 1 oktober 2012 voor de periode 2013-2016 en uiterlijk op 1 oktober 2016 voor de periode 2017-2020. Bij deze actualisering worden niet slechts de zekere, voorwaardelijke en onzekere maatregelen aangegeven, maar wordt mogelijke verbetering van de energie- efficiëntie gebaseerd op een voldoende inzicht in de energiebalans.

Procedure EEP niet-broeikasgasinrichtingen

Artikel 3.4
  • 1. De Onderneming dient het concept van het Energie-efficiëntieplan in bij SenterNovem en bij het bevoegd gezag.

  • 2. SenterNovem adviseert het bevoegd gezag binnen 6 weken na de in lid 1 bedoelde indiening of dat concept voldoet aan Bijlage MJA3, hoofdstuk 2. SenterNovem deelt dit advies tegelijkertijd mede aan de Onderneming. SenterNovem kan de hiervoor bedoelde termijn eenmaal met ten hoogste 6 weken verlengen door bekendmaking daarvan binnen bedoelde termijn aan het bevoegd gezag en de Onderneming.

  • 3. Het Bevoegd gezag maakt binnen 6 weken na ontvangst van het toetsingsrapport van SenterNovem schriftelijk zijn oordeel over het concept van het Energie-efficiëntieplan kenbaar aan de Onderneming en SenterNovem. Het bevoegd gezag kan de hiervoor bedoelde termijn eenmaal met ten hoogste 6 weken verlengen door bekendmaking daarvan binnen bedoelde termijn aan de Onderneming en SenterNovem.

  • 4. Naar aanleiding van het toetsingsrapport kan de Onderneming het Energie- efficiëntieplan aanpassen. De Onderneming en het Bevoegd gezag streven ernaar overeenstemming te bereiken. Het Bevoegd gezag zal zijn definitieve oordeel afstemmen op de meningsvorming van andere relevante betrokken bestuursorganen.

  • 5. De Onderneming legt het definitieve Energie-efficiëntieplan uiterlijk binnen 6 weken na ontvangst van het oordeel van het Bevoegd gezag op het concept van het plan voor aan het bevoegd gezag. Het definitieve Energie- efficiëntieplan wordt tegelijkertijd toegezonden aan SenterNovem.

  • 6. Het Bevoegd gezag maakt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 6 weken na ontvangst van het definitieve Energie-efficiëntieplan schriftelijk kenbaar aan de Onderneming en SenterNovem of het al dan niet instemt met dat plan. Het Bevoegd gezag beoordeelt of het door de Onderneming ingediende definitieve Energie-efficiëntieplan voor zover relevant in overeenstemming is met de bij de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer te hanteren eis dat aan de vergunning de voorschriften moeten worden verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken.

  • 7. Tegelijkertijd met de schriftelijke instemming met het definitieve Energie- efficiëntieplan, informeert het bevoegd gezag de Onderneming en SenterNovem schriftelijk of naar zijn oordeel voor op basis van het plan te nemen maatregelen een mededeling op grond van artikel 8.13, lid 1, onder g, een melding op grond van artikel 8.41, een melding op grond van artikel 8.19 of een veranderingsvergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist. Voor zover formalisering van de voornemens uit dat plan aan de orde is zal dit in beginsel plaatsvinden op het moment dat zekerheid bestaat over de termijn van de feitelijke realiseerbaarheid van de voornemens uit het plan of onderdelen daarvan.

  • 8. Nadat het betrokken Bevoegd gezag heeft kenbaar gemaakt aan de Onderneming of het al dan niet instemt met het definitieve Energie- efficiëntieplan, is dat plan behoudens eventuele vertrouwelijke gegevens openbaar, onder vermelding van de instemming van het betrokken bevoegd gezag met dat plan. Voor wat betreft de vertrouwelijke gegevens van het plan geldt Bijlage MJA3, hoofdstuk 7.

  • 9. Bij het opstellen van het Energie-efficiëntieplan kan de Onderneming of het concern, ten behoeve van de onderbouwing van de fasering van maatregelen voor de inrichting, tevens rekening houden met de verbeteringsinspanningen op het gebied van energie-efficiëntie bij andere inrichtingen welke tot dezelfde Onderneming of tot hetzelfde concern behoren (concernaanpak). In de Bijlage MJA3, hoofdstuk 5 is een nadere toelichting gegeven op de mogelijkheden van een concernaanpak.

Procedure EEP broeikasgasinrichtingen

Artikel 3.5
  • 1. In afwijking van artikel 3.4 adviseert SenterNovem over het concept van het Energie-efficiëntieplan conform de Bijlage MJA3, hoofdstuk 2. SenterNovem deelt dat advies binnen zes weken na ontvangst van dat concept schriftelijk mede aan de Onderneming.

  • 2. Indien SenterNovem positief over het concept adviseert, wordt het EEP definitief.

  • 3. Indien SenterNovem negatief over het concept adviseert, kan de Onderneming het EEP aanpassen, waarbij de Onderneming en SenterNovem streven naar overeenstemming.

  • 4. Drie weken na een positief advies of een als zodanig aangeduid definitief negatief advies, is het EEP behoudens eventuele vertrouwelijke gegevens openbaar.

    Voor wat betreft de vertrouwelijke gegevens van het plan geldt Bijlage MJA3, hoofdstuk 7.

  • 5. Bij het opstellen van het Energie-efficiëntieplan kan de Onderneming of het concern, ten behoeve van de onderbouwing van de fasering van maatregelen voor de inrichting, tevens rekening houden met de verbeteringsinspanningen op het gebied van energie-efficiëntie bij andere inrichtingen welke tot dezelfde Onderneming of tot hetzelfde concern behoren (concernaanpak). In de Bijlage MJA3, hoofdstuk 5, is een nadere toelichting gegeven op de mogelijkheden van een concernaanpak.

3.2 Meerjarenplannen

Meerjarenplan Energie-efficiëntie (MJP)
Artikel 3.6
  • 1. Een Brancheorganisatie of Productschap legt binnen 11 maanden na ondertekening van of latere toetreding tot deze meerjarenafspraak, dan wel op een nader in het Platform MJA3 op voorstel van de OGE vastgesteld moment een Meerjarenplan over. In het uitzonderlijke geval dat de gestelde termijn niet wordt gehaald, wordt in overleg tussen de Brancheorganisatie en het betreffende Ministerie een nieuwe planning vastgesteld.

  • 2. Uit het Meerjarenplan blijkt dat het totale energiegebruik van de Ondernemingen waarop het Meerjarenplan betrekking heeft minimaal 1 PJ/jaar is. Dit totale energiegebruik betreft minimaal 80 procent van het energiegebruik in de branche.

  • 3. Het Meerjarenplan bevat de kwantitatieve doelstelling voor energie- efficiëntieverbetering voor de Ondernemingen die bij de Brancheorganisatie zijn aangesloten. Deze doelstelling is minimaal gelijk aan het gewogen gemiddelde van de energie-efficiëntie doelstellingen, zoals aangegeven in de Energie-efficiëntieplannen van de betrokken inrichtingen.

  • 4. De in lid 3 genoemde energie-efficiëntie doelstelling wordt uitgedrukt in een Energie-efficiëntie-Verbetering (EEV). De berekening geschiedt volgens de Bijlage MJA3, hoofdstuk 3. Het referentiejaar is 2005.

  • 5. Het Meerjarenplan bevat de kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen voor de implementatie van systematische Energiezorg, verbetering van de procesefficiency, ketenefficiency en duurzame energie overeenkomstig het gestelde in de artikelen 4.1 en 4.2.

  • 6. Het Meerjarenplan geeft een overzicht van de wijze waarop de Brancheorganisatie c.q. het Productschap invulling beoogt te geven aan haar c.q. zijn verplichtingen zoals bedoeld in artikel 2.2.

  • 7. SenterNovem adviseert de Ministers over het Meerjarenplan, dat moet worden goedgekeurd door de Minister die de branche aangaat.

  • 8. Een Brancheorganisatie actualiseert haar c.q. zijn Meerjarenplan uiterlijk op 1 juni 2009 voor de periode 2009-2012 alsmede op 1 december 2012 voor de periode 2013-2016 en op 1 december 2016 voor de periode 2017-2020.

3.3 Strategische plannen

Voorstudie
Artikel 3.7
  • 1. Brancheorganisaties en Productschappen voeren samen met de bij hen aangesloten Onderneming(en) zo mogelijk en nuttig per branche in 2008 een voorstudie uit om na te gaan of en in hoeverre een routekaart nieuwe inzichten zal bieden voor mogelijkheden voor energie-efficiëntieverbetering op de lange termijn.

  • 2. De uitkomsten van de voorstudie leveren informatie over de meerwaarde van de ontwikkeling van een routekaart en de behoefte aan stimulering en facilitering daarbij en zijn onderwerp van overleg tussen Brancheorganisaties en/of Productschappen en/of Onderneming(en) en de Ministers.

  • 3. Als de uitkomsten van de voorstudie en het overleg met de Ministers daarover daartoe aanleiding geven, zullen de Brancheorganisaties en Productschappen samen met de bij hen aangesloten Onderneming(en) een routekaart opstellen die inzichtelijk maakt welke technologische en niet-technologische aspecten in de komende periode bestudeerd moeten worden.

  • 4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een cluster van Ondernemingen in de categorie Overige Industrie.

Routekaart
Artikel 3.8
  • 1. Brancheorganisaties en Productschappen streven ernaar om in de periode 2008–2009 samen met de bij hen aangesloten Onderneming(en) zo mogelijk en nuttig een routekaart te ontwikkelen en uit te voeren.

  • 2. Onder een routekaart wordt verstaan een strategische visie voor 2030, die inzichtelijk maakt welke technologische en niet-technologische aspecten invulling zouden kunnen geven aan de werkhypothese van 50 procent energie- efficiëntieverbetering binnen de inrichting en in de keten in 2030 ten opzichte van 2005. Doel van de routekaart is om Ondernemingen optimaal te positioneren voor de toekomst.

  • 3. Brancheorganisaties en Productschappen en de bij hen aangesloten Onderneming(en) maken gezamenlijk met de overheden afspraken of en zo ja hoe de uitkomsten van de routekaart kunnen worden uitgevoerd door concrete activiteiten.

  • 4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een cluster van Ondernemingen in de categorie Overige Industrie.

4. ENERGIEZORG, KETENEFFICIENCY EN DUURZAME ENERGIE

Systematische Energiezorg

Artikel 4.1
  • 1. Een Onderneming beschikt uiterlijk twee jaar na ondertekening van of toetreding tot deze meerjarenafspraak over systematische Energiezorg.

  • 2. Systematisch Energiezorg moet blijk geven van structurele en continue aandacht voor energie. Deze kan blijken uit ISO 14001 waarin Energiezorg is geïntegreerd dan wel uit het voldoen aan de norm voor Energiezorg uit de BasisCheck Energiezorg op basis van de door SenterNovem opgestelde Referentie Energiezorg overeenkomstig de Bijlage MJA3, hoofdstuk 4.

Ketenefficiency en duurzame energie

Artikel 4.2
  • 1. Ondernemingen en hun Brancheorganisatie c.q. Productschap formuleren zo mogelijk kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen als gevolg van de uitvoering van maatregelen met betrekking tot ketenefficiency en duurzame energie.

  • 2. Een kwantitatieve doelstelling wordt bepaald door de som van de besparingen van maatregelen, die kwantificeerbaar, voor monitoring vatbaar en aan de betrokken inrichting toerekenbaar zijn overeenkomstig Bijlage MJA3, hoofdstuk 3.

  • 3. Een kwantitatieve doelstelling wordt uitgedrukt in eenheden zoals aangegeven in Bijlage MJA3, hoofdstuk 3.

  • 4. Een kwalitatieve doelstelling wordt bepaald door verkenningen en studies op het gebied van onderzoek naar en ontwikkeling van ketenefficiency en duurzame energie.

  • 5. Onverminderd artikel 2.1, lid 1 en 2, artikel 3.3, lid 1 en artikel 3.4, lid 9, kan een Onderneming niet worden verplicht tot het uitvoeren van maatregelen met betrekking tot ketenefficiency en inkoop van duurzaam opgewekte energie c.q. het realiseren van kwantitatieve of kwalitatieve doelstellingen met betrekking tot ketenefficiency en duurzame energie. De Onderneming heeft samen met de betrokken Brancheorganisatie of het betrokken Productschap wel een inspanningsverplichting om kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen met betrekking tot ketenefficiency en inkoop van duurzaam opgewekte energie te realiseren.

  • 6. Ter uitwerking van de integrale milieubenadering wordt verwezen naar Bijlage MJA3, hoofdstuk 4.

5. MONITORING EN RAPPORTAGE

Monitoring

Artikel 5.1
  • 1. Een Onderneming rapporteert jaarlijks uiterlijk op 1 april aan SenterNovem, het bevoegd gezag en haar Brancheorganisatie of zijn Productschap over de in het voorafgaande kalenderjaar bereikte voortgang van:

    • a. de uitvoering van het Energie-efficiëntieplan, waarbij per inrichting onderscheid wordt gemaakt naar maatregelen op het gebied van procesefficiency en maatregelen met betrekking tot ketenefficiency en duurzame energie. Daarbij wordt in ieder geval de verandering van de energie-efficiëntie in de betrokken inrichting(en) aangegeven, alsmede de hiermee samenhangende verandering van CO2-emissies. Als de bereikte energie-efficiëntieverbetering achterblijft bij de geplande energie- efficiëntieverbetering, wordt dat deugdelijk gemotiveerd. Voor wat betreft de vertrouwelijke gegevens van het plan geldt Bijlage MJA3, hoofdstuk 7;

    • b. de implementatie van systematische Energiezorg.

  • 2. De rapportage vindt plaats overeenkomstig Bijlage MJA3, hoofdstuk 3.

  • 3. Voor inrichtingen waarvoor een overheidsverslag op basis van artikel 12.4 van de Wet milieubeheer verplicht is, vindt de in lid 1 genoemde rapportage plaats als onderdeel van dat overheidsverslag.

  • 4. SenterNovem verifieert de rapportage aan de hand van Bijlage MJA3, hoofdstuk 3, en deelt het resultaat daarvan mee aan de Onderneming. Het resultaat wordt weergegeven in de scorekaart.

  • 5. Het in artikel 5.1 gestelde geldt niet ten aanzien van de voortgangsrapportage aan het bevoegd gezag met betrekking tot broeikasgasinrichtingen.

Rapportage

Artikel 5.2
  • 1. SenterNovem rapporteert jaarlijks uiterlijk op 15 juni aan de relevante Overleggroep Energie-efficiëntie in geaggregeerde vorm over de in het voorgaande kalenderjaar bereikte voortgang van:

    • a. de implementatie van systematische Energiezorg;

    • b. de uitvoering van de Energie-efficiëntieplannen;

    • c. de uitvoering van het Meerjarenplan;

    • d. de gerealiseerde energie-efficiëntieverbetering ten gevolge van a, b en c;

    • e. de vermeden CO2-emissies ten gevolge van a, b en c;

    • f. voortgang en uitvoering van routekaarten en voorstudies;

    • g. ondernemingen die hebben deelgenomen aan het monitoringtraject, tijdigheid en kwaliteit van de monitoring.

  • 2. SenterNovem rapporteert jaarlijks uiterlijk op 1 september aan het Platform MJA3 in geaggregeerde vorm over de in het voorafgaande kalenderjaar bereikte voortgang van deze meerjarenafspraak als bedoeld in lid 1.

  • 3. De Ministers zullen de Tweede Kamer der Staten-Generaal over de in het voorafgaande kalenderjaar bereikte voortgang van deze meerjarenafspraak als bedoeld in lid 1, informeren.

  • 4. In de in de leden 1 tot en met 3 genoemde rapportages mogen geen tot een Onderneming herleidbare gegevens staan of kunnen worden afgeleid.

6. OVERLEG

Overleggroep Energie-efficiëntie (OGE)

Artikel 6.1
  • 1. Elke Brancheorganisatie en elk Productschap stelt, samen met de Partijen van de zijde van de overheid, bij ondertekening van of toetreding tot deze meerjarenafspraak een Overleggroep Energie-efficiëntie in.

  • 2. De Overleggroep bestaat uit vertegenwoordigers van:

    • a. de Brancheorganisatie of het Productschap;

    • b. de Minister van Economische Zaken c.q. de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit c.q. de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer c.q. de Minister van Verkeer en Waterstaat;

    • c. het IPO;

    • d. SenterNovem.

  • 3. De Brancheorganisatie of het Productschap wijst de voorzitter van de Overleggroep aan.

  • 4. SenterNovem voert het secretariaat van de Overleggroep.

  • 5. De Overleggroep kan een vertegenwoordiger van het bevoegd gezag uitnodigen om deel te nemen aan een of meer vergaderingen van de Overleggroep.

  • 6. De Overleggroep komt minimaal eenmaal per jaar bijeen, bepaalt zijn eigen werkwijze, stelt zo nodig een huishoudelijk reglement op en streeft naar overeenstemming.

Taken Overleggroep Energie-efficiëntie

Artikel 6.2

De Overleggroep Energie-efficiëntie is in ieder geval belast met het:

  • a. opstellen en actualiseren van het overzicht van Ondernemingen;

  • b. vaststellen van de in artikel 5.2, lid 1 bedoelde monitoringrapportage;

  • c. vaststellen van de in artikel 5.2, lid 2 en 3, bedoelde branchespecifieke rapportages ten behoeve van het Platform MJA3 en de Tweede Kamer;

  • d. bespreken van de ontwikkelingen op het gebied van systematische Energiezorg, procesefficiency, ketenefficiency, duurzame energie en andere voor deze meerjarenafspraak relevante zaken.

Platform MJA3

Artikel 6.3
  • 1. Er is een Platform MJA3.

  • 2. Het Platform bestaat uit een voorzitter en vertegenwoordigers van de bij deze meerjarenafspraak betrokken Partijen. Deze vertegenwoordigers worden als volgt aangewezen:

    • a. een door de Minister van Economische Zaken;

    • b. een door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

    • c. een door de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie;

    • d. een door de Minister van Verkeer en Waterstaat;

    • e. een door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

    • f. een door het IPO;

    • g. een door elke Brancheorganisatie en elk Productschap.

  • 3. De in lid 2 genoemde Partijen wijzen gezamenlijk een onafhankelijke voorzitter aan.

  • 4. SenterNovem voert het secretariaat van het Platform.

  • 5. Het Platform komt minimaal eenmaal per jaar bijeen, bepaalt zijn eigen werkwijze, stelt zo nodig een huishoudelijk reglement op en streeft naar overeenstemming.

Taken Platform MJA3

Artikel 6.4

Het Platform MJA3 is in ieder geval belast met:

  • a. de bespreking van knelpunten van algemene aard, die zich bij de implementatie van deze meerjarenafspraak in de praktijk voordoen en het bespreken van mogelijke oplossingen voor deze knelpunten;

  • b. het bewaken van de voortgang van de uitvoering van deze meerjarenafspraak;

  • c. het doen van voorstellen tot wijziging van deze meerjarenafspraak;

  • d. het adviseren over de Bijlage MJA3 voor zover dit louter de praktische uitvoering van deze meerjarenafspraak bevordert;

  • e. het bespreken van nieuwe ontwikkelingen op het gebied van systematische Energiezorg, procesefficiency, ketenefficiency, duurzame energie en andere voor deze meerjarenafspraak relevante zaken;

  • f. het vierjaarlijks vaststellen van een evaluatieverslag als bedoeld in artikel 8.4 van deze meerjarenafspraak;

  • g. overleg over inhoudelijke accenten in de facilitering door SenterNovem gedurende de looptijd van deze meerjarenafspraak.

7. TOETREDING EN OPZEGGING

Toetreding ondernemingen

Artikel 7.1
  • 1. Een onderneming kan voor wat betreft één of meer in haar verzoek tot toetreding opgenomen inrichtingen, als Partij tot deze meerjarenafspraak toetreden, als zij de uit deze meerjarenafspraak voor haar voortvloeiende rechten en verplichtingen zonder voorbehoud aanvaardt.

  • 2. Een onderneming richt haar schriftelijk verzoek om toe te treden tot deze meerjarenafspraak aan SenterNovem. Naar aanleiding daarvan deelt SenterNovem de onderneming binnen 4 weken na ontvangst van die brief schriftelijk mede of zij voldoet aan het gestelde in lid 1. SenterNovem kan deze termijn binnen 4 weken na de datum van ontvangst van het verzoek verlengen met ten hoogste 4 weken.

  • 3. Indien uit de in lid 2 bedoelde mededeling blijkt, dat aan de gestelde eisen is voldaan, gelden de rechten en verplichtingen, die voor de Onderneming uit deze meerjarenafspraak voortvloeien, vanaf het moment van ontvangst van die mededeling door de Onderneming.

  • 4. Onverminderd het bovenstaande kan een onderneming die of tegen wie deze meerjarenafspraak is opgezegd, pas opnieuw toetreden na schriftelijke toestemming van de desbetreffende Minister. SenterNovem geeft de Ministers advies omtrent een verzoek tot toetreding tot deze meerjarenafspraak van een Onderneming, door of tegen welke deze meerjarenafspraak eerder is

    opgezegd.

Toetreding brancheorganisaties of productschappen

Artikel 7.2
  • 1. Een brancheorganisatie of productschap kan op verzoek als Partij tot deze meerjarenafspraak toetreden, als zij de daaruit voor haar voortvloeiende rechten en verplichtingen zonder voorbehoud aanvaardt.

  • 2. Een brancheorganisatie of productschap richt haar schriftelijk verzoek om toe te treden tot deze meerjarenafspraak aan SenterNovem. Naar aanleiding daarvan deelt SenterNovem de brancheorganisatie binnen 4 weken na ontvangst van die brief schriftelijk mede of zij c.q. het voldoet aan het gestelde in lid 1. SenterNovem kan deze termijn binnen 4 weken na de datum van ontvangst van het verzoek verlengen met ten hoogste 4 weken.

  • 3. Indien uit de in lid 2 bedoelde mededeling blijkt, dat aan de gestelde eisen is voldaan, gelden de rechten en verplichtingen, die voor de betrokken brancheorganisatie of het betrokken productschap uit deze meerjarenafspraak voortvloeien, vanaf het moment van ontvangst van die mededeling door de Brancheorganisatie of het Productschap.

  • 4. Ondernemingen die een logische eenheid vormen, en niet passen binnen een bestaande brancheorganisatie of productschap, kunnen overeenkomstig artikel 7.2 tot deze meerjarenafspraak toetreden en gezamenlijk de rechten en plichten van een Brancheorganisatie of Productschap uitoefenen. Zij wijzen daartoe een vertegenwoordiger aan.

Toetreding gemeenten

Artikel 7.3
  • 1. Een gemeente kan op verzoek als Partij tot deze meerjarenafspraak toetreden, als zij de uit deze meerjarenafspraak voor haar voortvloeiende rechten en verplichtingen zonder voorbehoud aanvaardt.

  • 2. Een gemeente richt haar schriftelijk verzoek om toe te treden tot deze meerjarenafspraak aan SenterNovem. Naar aanleiding daarvan deelt SenterNovem de gemeente binnen 4 weken na ontvangst van die brief schriftelijk mede of zij voldoet aan het gestelde in lid 1. SenterNovem kan deze termijn binnen 4 weken na de datum van ontvangst van het verzoek verlengen met ten hoogste 4 weken.

  • 3. Indien uit de in lid 2 bedoelde mededeling blijkt, dat aan de gestelde eisen is voldaan, gelden de rechten en verplichtingen, die voor de betrokken Gemeenten uit deze meerjarenafspraak voortvloeien, vanaf het moment van ontvangst van die mededeling door die Gemeente.

Opzegging

Artikel 7.4
  • 1. Een Onderneming mag deze meerjarenafspraak gemotiveerd en met onmiddellijke ingang ten aanzien van een of meer inrichtingen opzeggen als zij aanleiding ziet om geen eerste Energie-efficiëntieplan op te stellen.

  • 2. Indien het in artikel 8.4, lid 4, of in artikel 8.5, lid 2, bedoelde overleg niet binnen 3 maanden nadat een Partij te kennen heeft gegeven dat overleg te wensen, tot overeenstemming heeft geleid dat al dan niet tot wijziging van deze meerjarenafspraak moet worden overgegaan, mag elke Partij deze meerjarenafspraak gemotiveerd en met onmiddellijke ingang schriftelijk opzeggen.

  • 3. Een Onderneming mag deze meerjarenafspraak ook gemotiveerd en met onmiddellijke ingang ten aanzien van een of meer inrichtingen opzeggen als zij kenbaar maakt, dat zij niet kan instemmen met de uitkomst van het in artikel 8.4, lid 4, of artikel 8.6, lid 2, bedoelde overleg, dan wel als dit overleg niet binnen 3 maanden tot overeenstemming heeft geleid dat al dan niet tot wijziging van deze meerjarenafspraak moet worden overgegaan. Dit recht vervalt 6 weken nadat de uitkomst van het overleg aan de Onderneming is medegedeeld, dan wel de periode van 3 maanden is verstreken.

  • 4. De relevante Overleggroep Energie-efficiëntie wordt van een opzegging als bedoeld in lid 3, in kennis gesteld.

  • 5. Deze meerjarenafspraak is beëindigd wanneer de Ministers, naar aanleiding van het in artikel 8.4, lid 4, of in artikel 8.6, lid 2, bedoelde overleg, de overeenkomst opzeggen.

Broeikasgasinrichtingen

Artikel 7.5

Ten aanzien van ondernemingen, die deelnemen aan het Europese systeem voor handel in CO2-emissierechten zijn artikel 2.1, lid 1, onder b artikel 2.4, artikel 2.5, en artikel 5.1, voor zover het betreft de voortgangsrapportage aan het bevoegd gezag met betrekking tot broeikasgasinrichtingen, van deze meerjarenafspraak niet van toepassing.

8. OVERIGE BEPALINGEN

SenterNovem

Artikel 8.1
  • 1. De Ministers hebben in overleg met de Brancheorganisaties en Productschappen SenterNovem als Deskundige aangewezen.

  • 2. SenterNovem ondersteunt en faciliteert Partijen door middel van het programma MJA-facilitering.

  • 3. SenterNovem houdt een openbaar overzicht bij van alle Ondernemingen, Brancheorganisaties en Productschappen, en Gemeenten.

  • 4. In het kader van deze meerjarenafspraak zal het programma MJA-facilitering ondersteuning bieden aan Ondernemingen, Brancheorganisaties, Productschappen, Provincies en Gemeenten waarbinnen MJA-bedrijven zijn gevestigd.

Kosten

Artikel 8.2
  • 1. De Ministers dragen de kosten voor het opzetten en begeleiden van deze meerjarenafspraak, zoals de kosten voor SenterNovem en het Platform MJA3.

  • 2. De Ministers dragen de kosten voor de evaluatie van deze meerjarenafspraak.

  • 3. De Ondernemingen dragen ten aanzien van hun betrokken inrichtingen de kosten voor het uitvoeren van Energie-efficiëntieplannen.

Sancties

Artikel 8.3
  • 1. Indien een Onderneming toerekenbaar tekort schiet in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van deze meerjarenafspraak, zullen de Ministers deze meerjarenafspraak ten aanzien van deze Onderneming opzeggen en zal het betrokken bevoegd gezag zich inzetten om door middel van een eenzijdige actie over te gaan tot aanscherping van de voor de inrichting(en) geldende milieuvergunning dan wel het inzetten van andere instrumenten.

  • 2. Alvorens de Ministers en het betrokken bevoegd gezag gebruik maken van de in lid 1 opgenomen sancties treden zij in overleg met de desbetreffende Onderneming en geven zij een redelijke termijn waarbinnen de Onderneming alsnog aan haar verplichtingen kan voldoen.

  • 3. Het gestelde in de leden 1 en 2 laat het recht van Partijen om nakoming te vorderen onverlet.

  • 4. Indien het in lid 1 bedoelde bevoegd gezag geen Partij is in deze meerjarenafspraak, zullen de Ministers dat bevoegd gezag inlichten over het toerekenbaar tekort schieten van de betreffende Onderneming in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van deze meerjarenafspraak, en dat bevoegd gezag verzoeken om over te gaan tot aanscherping van de voor de inrichting(en) geldende milieuvergunning.

Evaluatie

Artikel 8.4
  • 1. Partijen zullen de uitvoering en werking van deze meerjarenafspraak elke vier jaar, voor het eerst uiterlijk op 1 september 2010, evalueren.

  • 2. Bij de in lid 1 genoemde evaluatie wordt in elk geval aandacht besteed aan:

    • a. de als gevolg van de uitvoering van deze meerjarenafspraak feitelijk gerealiseerde implementatie van systematische Energiezorg, energie- efficiëntieverbetering en energiebesparing op het gebied van procesefficiency, ketenefficiency en duurzame energie, de energie- efficiëntieverbetering, de daardoor vermeden CO2-emissies en het aandeel duurzame energie;

    • b. een analyse van de in de volgende periode van vier jaar te verwachten energie-efficiëntieverbetering (mede in verband met de implementatie van systematische Energiezorg, van de energiebesparing op het gebied van procesefficiency, ketenefficiency en duurzame energie, van de energie- efficiëntieverbetering, van de daardoor vermeden CO2-emissies en van het aandeel duurzame energie op basis van een inventarisatie van maatregelen en doelstellingen voor die volgende periode van vier jaar;

    • c. de kwaliteit van de uitvoering door SenterNovem;

    • d. de werkbaarheid van gehanteerde protocollen;

    • e. de effectiviteit van de door de Ministers geboden facilitering en ondersteuning van Partijen, alsmede administratieve lasten;

    • f. de wenselijkheid van voortzetting van deze meerjarenafspraak in het licht van de in artikel 8.6 genoemde wijzigingen van omstandigheden die wezenlijke gevolgen hebben voor de uitvoering van deze meerjarenafspraak;

    • g. de verplichtingen van partijen.

  • 3. Het Platform MJA3 verricht de in lid 1 genoemde evaluatie en stelt daarvan een verslag op, dat door SenterNovem zal worden toegezonden aan Partijen, met uitzondering van Ondernemingen en Gemeenten.

  • 4. Op basis van de evaluatie kunnen Partijen in overleg treden om te bezien in hoeverre de inhoud van deze meerjarenafspraak wijziging behoeft. Partijen zijn tot zulk een overleg verplicht binnen 4 weken nadat een Partij de wens daartoe aan de andere betrokken Partij(en) schriftelijk heeft medegedeeld, conform artikel 8.6 lid 3.

  • 5. Partijen treden uiterlijk op 1 april van enig jaar in overleg over de tussentijdse evaluatie die uiterlijk op 1 september van dat jaar moet zijn afgerond.

Wijziging meerjarenafspraak

Artikel 8.5
  • 1. Partijen zijn bevoegd tot wijziging van deze meerjarenafspraak.

  • 2. Partijen kunnen in ieder geval over het al dan niet wijzigen van deze meerjarenafspraak in overleg treden indien zich één of meer van de volgende wijzigingen van omstandigheden voordoen die wezenlijke gevolgen hebben voor de uitvoering van deze meerjarenafspraak:

    • a. zodanige vermindering van het aantal Ondernemingen dan wel het door die Ondernemingen vertegenwoordigde energiegebruik ten opzichte van de situatie ten tijde van de inwerkingtreding van deze meerjarenafspraak, dat voortzetting van deze meerjarenafspraak redelijkerwijs niet meer kan worden gevergd;

    • b. wijziging van de wijze van invulling van een of meer van de in het Regeerakkoord 1998/Coalitieakkoord van 7 februari 2007 gestelde voorwaarden voor de Nederlandse Kyoto-doelstelling;

    • c. wezenlijke wijziging van beleid op het gebied van energie, milieu en technologische inzichten op dit gebied;

    • d. wijziging van de (inter)nationale wetgeving, met name met betrekking tot heffingen en milieu, en de jurisprudentie;

    • e. het in betekenende mate achterblijven van de als gevolg van de uitvoering van deze meerjarenafspraak feitelijk gerealiseerde respectievelijk door Partijen verwachte verbetering van de energie-efficiëntie en de daarmee samenhangende vermeden CO2-emissies;

    • f. wijziging van de economische groei, de internationale concurrentiepositie en de ontwikkeling van de ondernemingsrendementen;

    • g. evaluatie van deze meerjarenafspraak;

    • h. onvoorziene omstandigheden.

  • 3. Partijen treden in overleg binnen 4 weken nadat een Partij de wens daartoe aan de andere betrokken Partij(en) schriftelijk heeft medegedeeld.

  • 4. De bevoegdheden in de leden 1 tot en met 3 gelden niet voor individuele Ondernemingen, Provincies en Gemeenten.

  • 5. Een wijziging van deze meerjarenafspraak treedt in werking op de dag na ondertekening van een geconsolideerde versie van deze meerjarenafspraak door de Ministers, het IPO, de Brancheorganisaties en de Productschappen, zodra is gebleken dat een meerderheid van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal geen bezwaar heeft tegen de wijzigingen. De laatste zinsnede geldt slechts in geval van een significante wijziging.

Openbaarheid en geheimhouding

Artikel 8.6
  • 1. Partijen zijn, behoudens voor zover wettelijke bepalingen of deze meerjarenafspraak tot mededeling verplichten, verplicht tot geheimhouding ten aanzien van alle vertrouwelijke gegevens die door Partijen in het kader van deze meerjarenafspraak worden verstrekt en waarvan het vertrouwelijke karakter als zodanig is aangemerkt of redelijkerwijze door Partijen kan worden begrepen.

  • 2. De Ministers en de Ondernemingen dragen er zorg voor dat SenterNovem – overeenkomstig met wat wettelijk toelaatbaar is – zich verplicht tot geheimhouding van de vertrouwelijke gegevens, die hem in het kader van de uitvoering van deze meerjarenafspraak zijn verstrekt.

  • 3. Partijen en SenterNovem zijn verplicht de in de leden 1 en 2 verplichte geheimhouding ook op te leggen aan hun personeel en contractanten.

  • 4. Openbaar zijn:

    • a. de lijst van deelnemende Ondernemingen;

    • b. de lijst van deelnemende Brancheorganisaties en Productschappen;

    • c. de lijst van deelnemende Gemeenten;

    • d. de Energie-efficiëntieplannen (EEP’s) met uitzondering van vertrouwelijke gegevens;

    • e. de Meerjarenplannen Energie-efficiëntie (MJP’s);

    • f. de rapportages van SenterNovem aan het Platform MJA3;

    • g. de rapportages van de Ministers aan de Tweede Kamer der Staten- Generaal;

    • h. de verslagen van het Platform MJA3.

  • 5. Partijen hebben het ‘Verdrag van Aarhus’ over openbaarheid van milieu- informatie voor de meerjarenafspraak geconcretiseerd in Bijlage MJA3, hoofdstuk 7.

Inwerkingtreding en looptijd

Artikel 8.7
  • 1. Deze meerjarenafspraak treedt in werking op de dag na ondertekening door de Ministers, het IPO, de Brancheorganisaties en de Productschappen zodra is gebleken dat een meerderheid van de leden van de Tweede Kamer der Staten- Generaal geen bezwaar heeft tegen de in deze meerjarenafspraak opgenomen rechten en verplichtingen.

  • 2. Deze meerjarenafspraak eindigt op 31 december 2020.

  • 3. Partijen treden in ieder geval uiterlijk op 1 april 2018 in overleg over voortzetting van deze meerjarenafspraak.

Bijlage en toelichting

Artikel 8.8

De bij deze meerjarenafspraak behorende Bijlage MJA3 en toelichting maken daarvan onlosmakelijk deel uit.

Juridische vorm

Artikel 8.9
  • 1. Deze meerjarenafspraak is een overeenkomst naar burgerlijk recht.

  • 2. Deze meerjarenafspraak laat de uit de Wet milieubeheer en uit toekomstige regels over energie-efficiëntie voortvloeiende rechten en verplichtingen onverlet.

Publicatie

Artikel 8.10

Binnen één maand na inwerkingtreding van deze meerjarenafspraak wordt de tekst daarvan, inclusief Bijlage MJA3 en toelichting, gepubliceerd in de Staatscourant.

Citeertitel

Artikel 8.11

Deze meerjarenafspraak zal worden aangehaald als Meerjarenafspraak 3 of MJA3.

TOELICHTING

Partijen

Als het bestuur van IPO, waarin alle provincies zitting hebben, een besluit neemt, dan zijn alle provincies daaraan gebonden. Feitelijk verandert de huidige datum van 1 november 2001 in de datum waarop het IPO-bestuur de gewijzigde convenanttekst goedkeurt. Het besluit wordt wel vooraf gegaan door een uitgebreid traject van ambtelijke en adviescommissies.

Voor de categorie ‘Overige Industrie’ is er per definitie geen brancheorganisatie die of productschap, dat tekent. De Meerjarenafspraak voor de categorie ‘Overige Industrie’ geldt voor ondernemingen die deze afspraak bij de start ondertekenen en voor ondernemingen die later toetreden (artikel 7). Deze Ondernemingen hebben echter wel gezamenlijk de rechten en plichten die in andere gevallen berusten bij de Brancheorganisatie c.q. het Productschap. In artikel 2.2, lid 2 staan de afwijkingen die voor de categorie ‘Overige Industrie’ gelden.

Overwegingen

  • (1) Richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten en houdende intrekking van Richtlijn 93/76/EEG van de Raad (PbEG 2006, L 114).

  • (3) In artikel 1 van het Duurzaamheidsakkoord is door de overheid toegezegd dat zij zich tot het uiterste zal inspannen om ervoor te zorgen dat bedrijven op een Europees en mondiaal gelijkblijvend speelveld kunnen opereren. Bij nieuwe (klimaat- en energie)maatregelen zullen de effecten op het level playing field van zowel grote als kleinere bedrijven in kaart worden gebracht en worden besproken tussen partijen. Indien noodzakelijk zullen hiermee verband houdende beleidsoplossingen worden gezocht om de nadelige effecten voor de concurrentiepositie te voorkomen, bij voorkeur in Europees verband. Zo nodig kan bij onoverkomelijke problemen van maatregelen worden afgezien.

  • (6) Deze meerjarenafspraak betreft geen geheel nieuwe afspraak, doch een wijziging van de MJA2 van 6 december 2001. Dat betekent dat de deelnemers aan de MJA3 kunnen uittreden overeenkomstig de regels die daarvoor zijn gesteld in de MJA2. Het is geen optie om de oorspronkelijke MJA2 uit te voeren, want die bestaat als zodanig niet langer.

  • (9) De artikelen 12 en 13 van het Klimaatakkoord luiden als volgt.

    Art. 12. Partijen bevorderen dat:

    • 1. het rijk en de gemeenten de markt voor duurzame producten en productie versterken. Via duurzaam inkopen geven het Rijk en de gemeenten het goede voorbeeld. Verder geven het Rijk en de gemeenten door het stimuleren van het toepassen van innovatie en duurzame mobiliteit ruimte voor de ontwikkeling van duurzame bedrijven.

    • 2. bedrijven bewust omgaan met energie. In de meerjarenafspraken (MJA) convenant energie efficiency zijn met het bedrijfsleven afspraken gemaakt over het nemen van energiebesparingsmaatregelen. De gemeenten handhaven als bevoegd gezag op basis van de Wet Milieubeheer vooral bij de niet deelnemers aan het MJA-convenant de naleving van energievoorschriften. Uitgangspunt is dat alle energiebesparende maatregelen die zich binnen 5 jaar terugverdienen, genomen dienen te worden. Gemeenten kunnen met betrekking tot de MJA-bedrijven gebruik maken van de expertise van SenterNovem;

    • 3. de gemeenten samen met de VROM-Inspectie een nieuw systeem van periodieke controles ontwikkelen, waarin ook nieuwe milieuthema’s – zoals energiebesparing – prioriteit krijgen. Sinds het begin van de jaren 90 kent de milieuhandhaving periodieke controles die vooral hun oorsprong hebben in de voormalige Hinderwet. Belangrijkste aandachtpunten bij de controles zijn doorgaans gevaar, schade en hinder. Inmiddels hebben zich nieuwe milieuthema’’s aangediend;

    • 4. (...)

    Art. 13. Partijen bevorderen dat:

    • 1. de gemeenten als bevoegd gezag op basis van de van toepassing zijnde, bij of krachtens wet gestelde voorschriften met betrekking tot energiebesparing handhaven, alsmede bij convenant gemaakte afspraken omtrent energiebesparende maatregelen;

    • 2. de gemeenten in hun handhavingprogramma beoogde controlefrequentie de deelname van bedrijven aan het MJA-convenant energie efficiency laten meewegen;

    • 3 de gemeenten, waarbinnen MJA-bedrijven zijn gevestigd, het MJA-convenant ondertekenen;

    • 4. de gemeenten energiebesparing bij periodieke controles prioriteit geven. De VNG en de VROM-Inspectie werken dit samen verder uit;

    • 5. (...)

Artikel 1.1

(Algemeen) Een aantal definities spoort nog niet met wetsvoorstel 31 320 Regels omtrent energie-efficiëntie (Wet implementatie EG-richtlijnen energie- efficiëntie), dat strekt tot implementatie van de richtlijn energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten Deze richtlijn streeft ernaar binnen de Europese Unie de energie-efficiëntie bij eindgebruikers op kosteneffectieve wijze te verbeteren. Naast een verbetering van de energie-efficiëntie beoogt de richtlijn tevens een prikkel te geven aan zowel de vraag naar, als het aanbod van energiediensten. Energie-efficiëntie wordt in de richtlijn omschreven als de verhouding tussen de verkregen prestatie, dienst, goederen of energie, en de energietoevoer die hiervoor noodzakelijk is. Een toename of verbetering van de energie-efficiëntie bij het eindgebruik kan gerealiseerd worden door technologische, gedrags- en/of economische veranderingen. Naast een verbetering van de energie-efficiëntie spreekt de richtlijn tevens over energiebesparingen. Energiebesparing wordt gedefinieerd als een hoeveelheid bespaarde energie die wordt vastgesteld door meting van het verbruik na uitvoering van een of meer maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie waarbij de externe omstandigheden die het energieverbruik beïnvloeden genormaliseerd worden. De richtlijn (bindend) en het wetsvoorstel (strikte implementatie) kunnen in de toekomst nog leiden tot aanpassing van (de definities in) de MJA3.

(Onder d) Het betreft hier een inrichting, die deelneemt aan de Europese handel in broeikasgassen, die vooralsnog is beperkt tot CO2.

(Onder e) Binnen een concern kunnen meer (rechts)personen opereren, die op hun beurt de zeggenschap hebben over een of meer inrichtingen. De situatie kan zich ook voordoen, dat meer (rechts)personen zeggenschap hebben over één inrichting; in beide gevallen zijn er dan meer ondertekenaars binnen het concern.

(Onder h en j) Deze definities zijn letterlijk overgenomen uit Richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten en houdende intrekking van Richtlijn 93/76/EEG van de Raad (PbEG 2006, L 114). In het Convenant Benchmarking is energie-efficiency gedefinieerd als: het energiegebruik per eenheid product. Dat strookt met de in deze meerjarenafspraak opgenomen definitie.

(Onder i) In de MJA2 wordt gesproken van Energiebesparingsplan (EBP). In de MJA3 is gekozen voor de in het Convenant Benchmarking gebruikte term Energie-efficiëntieplan (EEP), die beter aansluit bij het doel van de MJA3, te weten de verbetering van de energie-efficiënte. Voor de MJA2-bedrijven is echter geen inhoudelijke wijziging beoogd.

(Onder m) Het gaat bij ketenefficiency om de verhouding tussen de verkregen prestatie, dienst, goederen of energie in de totale keten van grondstof tot en met hergebruik en de energietoevoer hiervoor. Ketenefficiency kan verbeterd worden door; verbetering van functievervulling, vermindering van benodigde materialen en grondstoffen, efficiënter transport, dan wel besparingen in de gebruiksfase (minder energieverbruik of levensduurverlenging), dan wel besparingen die voortkomen uit efficiënt en effectief afdanken van producten (hergebruik, recycling/upcycling, gebruik van materiaal voor energieopwekking).

Artikel 1.2

(Algemeen) Deze meerjarenafspraak steunt op vier pijlers: systematische Energiezorg, procesefficiency, ketenefficiency en duurzame energie om het gestelde doel te bereiken. De laatste drie pijlers zijn in de matrix genoemd.

 

Zekere

maatregelen

Voorwaardelijke

maatregelen

Onzekere

maatregelen

Procesefficiency

(binnen de inrichting)

Art. 1.2, onder a

jo art. 2.1, lid 1, onder b

Art. 2.1, lid 2,

onder a

Artikel 2.1, lid 2,

onder a

Duurzame energie

(binnen en buiten de inrichting)

Art. 1.2, onder c

jo art. 2.1, lid 2, onder b

Art. 1.2, onder c jo

art. 2.1, lid 2, onder b

Art. 1.2, onder c

jo art. 2.1, lid 2, onder b

Ketenefficiency

(buiten de inrichting)

Art. 1.2, onder c

jo art. 2.1, lid 2, onder b

Art. 1.2, onder c jo

art. 2.1, lid 2, onder b

Art. 1.2, onder c

jo art. 2.1, lid 2, onder b

De termen ketenefficiency en duurzame energie werden in de MJA2 nog aangeduid met de term Verbredingsthema’s.

De Wet milieubeheer schrijft het nemen van zekere, rendabele maatregelen binnen de inrichting voor.

Duurzame energie kan worden opgewekt binnen de inrichting en daarbuiten.

De energie-efficiëntieverbetering van ondernemingen buiten de meerjarenafspraak ligt op gemiddeld 1 procent, wat overeenkomt met 15 procent energie- efficiëntieverbetering voor de periode 2005-2020 (‘business as usual’). In het kader van het werkprogramma ‘Schoon en Zuinig’ streven de Ministers ernaar om bij die ondernemingen de energie-efficiëntieverbetering verdubbelen van 1 procent nu naar 2 procent per jaar, overeenkomend met 30 procent energie- efficiëntieverbetering voor de periode 2005-2020.

Rekening houden met betekent niet dat de inspanningsverplichting van 30 procent in de periode 2005-2020 wordt verminderd.

Met binnen de inrichting wordt gedoeld op de implementatie van Energiezorg en de verbetering van de procesefficiency incl. de opwekking van duurzame energie. Activiteiten buiten de inrichting richten zich op verbetering van de ketenefficiency incl. de inkoop van duurzaam opgewekte elektriciteit.

(Onderdeel a) Rendabele maatregelen zijn in principe zeker, tenzij sprake is van een technische, economische en/of organisatorische belemmering om deze uit te voeren. Als sprake is van een dergelijke belemmering, wordt de rendabele maatregel als voorwaardelijk gekwalificeerd. Een onzekere maatregel is een maatregel waarvoor eerst nader onderzoek nodig is, voordat besloten kan worden tot uitvoering; wel wordt aangegeven welke stappen genomen worden om de haalbaarheid te onderzoeken. Van een onzekere maatregel kan de besparingsomvang nog niet gekwantificeerd worden.

(Onderdeel c) De overheid heeft thans niet het voornemen om Ondernemingen te verplichten tot het plaatsen van windmolens op het bedrijfsterrein.

Artikel 2.1

Artikel 2.1 geeft een korte samenvatting van de belangrijkste verplichtingen van Ondernemingen. Ondernemingen zullen gewoonlijk tijdens de looptijd van deze meerjarenafspraak een aantal energie-efficiëntie maatregelen nemen. De meeste winst wordt echter verwacht van grote(re) investeringen, die vaak maar eens in deze looptijd zullen kunnen worden gedaan. Artikel 2.1, lid 3 biedt Ondernemingen de mogelijkheid om te motiveren dat zij aan haar doelstellingen zal voldoen door bijvoorbeeld in 2014 in nieuwe fornuizen te investeren en daarmee ‘een grote klapper’ te maken.

(Lid 3) De onder a te geven motivering betreft de gemiddelde in het EEP voorgenomen jaarlijkse energie-efficiëntieverbetering. Die motivering geeft de Onderneming niet jaarlijks, maar bij de presentatie van het EEP. De onder b te geven motivering dient wel jaarlijks te geschieden, maar heeft uitsluitend betrekking op de in het EEP voorgenomen jaarlijkse energie- efficiëntieverbetering. Voorbeeld: als een Onderneming in het EEP een verbetering van 1,3 procent opneemt, wordt dat getal bij presentatie van het EEP gemotiveerd. Vervolgens behoeft de Onderneming het jaarlijks slechts te motiveren als het in dat jaar onder de genoemde 1,3 procent blijft.

Artikel 2.3

(Lid 1) Overeenkomstig de aanwijzingen voor convenanten ziet ‘zich inspannen’ op indiening van een voorstel bij de ministerraad. Daarmee wordt niet getornd aan de bevoegdheden van de Tweede Kamer of de Europese instellingen. Met additionele specifieke nationale maatregelen worden maatregelen bedoeld die gericht zijn op de Ondernemingen en aanvullend zijn op de maatregelen die in het kader van deze meerjarenafspraak door de Ondernemingen genomen moeten worden.

(Lid 2b) Met het woord 'uitgangspunt' wordt bedoeld aan te geven dat de Ministers zich bij de vormgeving van voor deze meerjarenafspraken relevant overheidsbeleid zullen inspannen om het bedrijfsleven te vrijwaren van per saldo lastenverzwaringen zoals dat is aangegeven in het Coalitieakkoord van 7 februari 2007 en de miljoenennota 2008. Het spreekt voor zich dat dit niet raakt aan de bevoegdheden van de Tweede Kamer en verplichtingen van de Ministers die voortvloeien uit Europese- en internationale regelgeving onverlet laat.

(Lid 7) Deze beleidsinstrumenten richten zich op het stimuleren van zowel thans beschikbare (maar nog niet breed toegepaste) en nieuwe technologie aan energie- efficiënte apparatuur met subsidies, fiscale maatregelen, technology procurement en gebruikersgroepen / issuemanagement.

(Lid 9) De deskundigheid van ACTAL zal desgevraagd op verzoek van een of meer partijen worden ingeschakeld.

Artikel 2.4

(Lid a-d) De onderdelen a-d komen voort uit de artikelen 12 en 13 van het Klimaatakkoord (zie toelichting bij Overwegingen).

(Lid e) Onderdeel e is opgenomen op verzoek van het bedrijfsleven.

Artikel 3.2

In het kader van het Duurzaamheidsakkoord is afgesproken dat de intensivering van de MJA het sectorakkoord met de industrie is (zie ook overweging 4). De afspraken in de MJA hebben alleen betrekking op energie-efficiëntieverbetering en daarvan afgeleid CO2 reductie. De reikwijdte van de afspraken in het Duurzaamheidakkoord evenals de doelstellingen van het kabinetsprogramma Schoon en Zuinig is echter breder en omvat ook de reductie van overige broeikasgassen. Relevant voor de afspraken met de industrie is in dit verband de emissie van gefluoreerde broeikasgassen (HFK) door koelinstallaties, airconditioning en warmtepompen.

Artikel 3.2 lid 1 bepaalt dat bedrijven met koelinstallaties/airconditioning en warmtepompen het klimaateffect van het koudemiddel in overweging nemen op het moment dat zij aanpassingen doen aan hun koelinstallatie (airco of warmtepomp) of bij de vervanging van deze systemen en dat niet enkel wordt gekeken naar mogelijkheden voor energie-efficiëntieverbetering. Bedrijven zullen dit in het EEP verantwoorden om te stimuleren dat de beste keuze voor het klimaat wordt gemaakt.

Een groot aantal koelinstallaties gebruiken HCFK (ozonlaagafbrekende stoffen) als koudemiddel. Volgens EG regelgeving zullen deze stoffen worden uitgefaseerd. Vanaf 2010 mogen alleen nog gerecyclede HCFKs worden gebruikt voor koeling en klimaatregeling. Na 2015 mogen HCFK helemaal niet meer worden gebruikt. Een groot aantal bedrijven zal hun installaties in de komende jaren aanpassen of vervangen en op een ander koudemiddel overstappen. Dit is tegelijkertijd een natuurlijk moment om te kiezen voor een systeem dat energie- efficiënter is dan het huidige systeem. In eerste instantie ligt een overstap naar systemen die HFKs (zeer sterke broeikasgassen) gebruiken voor de hand en soms zijn deze systemen ook energie-efficiënter. Afhankelijk van de toepassing kan het gebruik van natuurlijke koelmiddelen (CO2 en/of NH3) ook grote energie- efficiëntie voordelen hebben en is sprake van een win-win situatie. Vanuit het programma Reductie Overige Broeikasgassen (ROB) zijn er daarnaast verschillende mogelijkheden om bedrijven bij hun keuze te ondersteunen o.a. middels haalbaarheidsstudies en informatie.

Artikel 3.4

(Lid 3 en 4) Indien het bevoegd gezag akkoord is met het concept van het Energie-efficiëntieplan zijn geen aanpassingen meer nodig en kan dit plan als definitief worden beschouwd. Dit betekent dat het opnieuw voorleggen van een aangepast Energie-efficiëntieplan dan niet nodig is.

(Lid 4) Het gaat om de integrale afweging, die het bevoegd gezag moet maken. Een voorbeeld zijn milieumaatregelen die een negatief effect kunnen hebben op het energiegebruik.

(Lid 5) Hoewel het bevoegd gezag zijn oordeel niet aan SenterNovem mag overlaten, zal het advies van SenterNovem wel als zwaarwichtig aanmerken.

(Lid 6) In de MJA2 werd nog uitgegaan van het alara-beginsel, maar inmiddels gaat de Wet milieubeheer (art. 8.11, lid 3) uit van de aan de IPPC-richtlijn ontleende term beste beschikbare technieken. De tekst van de MJA3 is daarop aangepast.

(Lid 7) Het enkele feit van een Energie-efficiëntieplan betekent nog niet dat een mededeling, melding of veranderingsvergunning noodzakelijk is. Het Bevoegd gezag informeert de Onderneming daarover. Aangezien het hier niet meer dan een uitleg van de wettelijke bepalingen betreft, waaraan geen rechtsgevolg is verbonden, is geen sprake van een besluit op basis van de Algemene wet bestuursrecht.

Zowel de Wet milieubeheer als de Europese IPPC-richtlijn schrijven een integrale afweging van milieugevolgen voor. Als het echter slechts om energie-efficiëntie gaat, kan volstaan worden met een beoordeling daarvan, waarna zo nodig energievoorschriften in de milieuvergunning kunnen worden opgenomen. Praktisch kan daarmee als volgt worden omgegaan:

  • Als uitvoering van de maatregelen waarvoor een veranderingsvergunning is vereist, niet leidt tot andere milieugevolgen dan energiebesparing, kunnen aan de milieuvergunning energievoorschriften worden verbonden op basis van het advies van SenterNovem. Daarbij zal het bevoegd gezag rekening houden met de Circulaire Energie in de milieuvergunning en het advies van SenterNovem naar aanleiding van het Energie-efficiëntieplan.

  • Als uitvoering van de maatregelen waarvoor een veranderingsvergunning is vereist tevens leidt tot andere milieugevolgen dan energiebesparing, beoordeelt het bevoegd gezag ook deze gevolgen en verbindt naar aanleiding daarvan zo nodig voorschriften aan die vergunning.

De Circulaire energie in de milieuvergunning is te vinden op www.infomil.nl. [Voor meer informatie over energiebeleid en handhaving zie ook de handreiking Wegen naar preventie bij bedrijven].

Artikel 3.5

De MJA3 staat ook open voor broeikasgasinrichtingen. Op basis van de Wet milieubeheer mag het Bevoegd gezag aan de milieuvergunning van een dergelijke inrichting geen voorschriften verbinden inhoudende een emissiegrenswaarde voor de directe emissie van broeikasgassen, tenzij zulks noodzakelijk is om te verzekeren dat geen significante gevolgen voor het milieu in de onmiddellijke omgeving van de inrichting worden veroorzaakt. Eveneens verboden zijn voorschriften ter bevordering van een zuinig gebruik van energie in de inrichting (art. 8.13a, lid 2 Wet milieubeheer). Broeikasgasinrichtingen die partij zijn bij de MJA3 behoeven de Energie-efficiëntieplannen en de monitoring van deze plannen volgens artikel 15 niet aan het Bevoegd gezag te overleggen.

Artikel 3.6

(Lid 2) De in dit lid aangegeven grenzen houden verband met de (kosten)effectiviteit van deze meerjarenafspraak voor de overheid. Indien de dekkingsgraad minder dan 80 procent is, maar het energiegebruik aanzienlijk meer is dan 1 PJ/jaar, of indien de dekkingsgraad aanzienlijk meer is dan 80 procent, maar het energiegebruik minder is dan 1 PJ/jaar, kan de betrokken Minister op verzoek van een brancheorganisatie of productschap afwijken van de in lid 2 gestelde criteria.

(Lid 4) Energie-efficiëntie-verbetering (EEV) is de maat voor de verbetering van de energie-efficiëntie door energiebesparing, overige factoren, duurzame energie en ketenprojecten van (Ondernemingen) in een sector, inclusief de daaruit voortvloeiende vermijding van CO2-emissie. Onder overige factoren vallen factoren binnen en buiten de inrichting die de ontwikkeling van het werkelijke energiegebruik van de inrichting beïnvloeden, zoals schaalgrootte / capaciteitsbezetting, grondstofsamenstelling, productspecificaties, wet- en regelgeving, klimaat e.d. Voor de berekening van de energie- efficiëntieverbetering wordt 2005 als referentiejaar genomen (index is 100 voor 1998), zoals nader uitgewerkt in Bijlage MJA3, hoofdstuk 3. In de rapportages kan de EEV ook worden uitgedrukt ten opzichte van het jaar 1989, omdat dit het referentiejaar is van de eerste generatie meerjarenafspraken. Hiermee wordt de energie-efficiëntieverbetering vanaf 1989 inzichtelijk.

(Lid 7) Het advies van SenterNovem is zwaarwegend bij de goedkeuring door de desbetreffende Minister.

(Lid 8) Met name de kwantitatieve doelstellingen van de Brancheorganisatie en/of het Productschap zijn gebaseerd op de doelstellingen van de betrokken Ondernemingen – met inachtneming van lid 2 – zoals vastgelegd in hun Energie- efficiëntieplannen. Dit betekent dat het Meerjarenplan pas in concept kan worden opgesteld, nadat de Energie-efficiëntieplannen zijn gemaakt.

Artikel 3.7 en 3.8

Bij de totstandkoming van voorstudies en routekaarten vindt op cruciale momenten overleg plaats met het betrokken Ministerie. De voorstudies en routekaarten zijn bij voorkeur geen eenmalige activiteit. SenterNovem faciliteert het proces van totstandkoming van de voorstudies en routekaarten.

Artikel 5.1

Ad lid 1 en lid 2. Indien een Onderneming tevens deelneemt aan een milieuconvenant, zal worden gestreefd naar integrale monitoring van dat milieuconvenant en deze meerjarenafspraak. Overweging daarbij is het minimaliseren van de administratieve lasten voor de Onderneming. Met het oog daarop is het aanleveren van monitoringgegevens voor 1 april gewenst.

Ad lid 5. SenterNovem koppelt de resultaten van de monitoring aan de Onderneming terug in de vorm van een bedrijfsrapport. Dit overeenkomstig Bijlage MJA3, hoofdstuk 3. De scorekaart vormt een vast onderdeel van het bedrijfsrapport. De scorekaart is een instrument dat een overzicht geeft van de mate waarin Ondernemingen hun in hun EEP opgenomen inspanningen hebben gerealiseerd. Dat overzicht is tevens van belang voor het Bevoegd gezag waar het gaat om controle en handhaving van de naleving van energievoorschriften bij voorrang bij niet deelnemers aan deze meerjarenafspraak dan wel bij verwijtbaar achterblijvende deelnemers. De elementen van de scorekaart zijn:

  • a. het niveau van Energiezorg

  • b. de bereikte energiebesparing door maatregelen procesefficiency, ketenefficiency en duurzame energie afgezet tegen de geplande besparing door maatregelen.

  • c. de gerealiseerde energie-efficiëntieverbetering door procesefficiency, ketenefficiency en duurzame energie

    • o ten opzichte van het voorgaande monitoringjaar

    • o ten opzichte van het referentiejaar 2005

  • d. de als gevolg van de energie-efficiëntieverbetering vermeden CO2-emissies

Artikel 6.1

De Ondernemingen in de categorie ‘Overige Industrie’ worden geacht in onderling overleg een Overleggroep Energie-efficiëntie in te stellen en een voorzitter aan te wijzen.

Artikel 6.4

(Lid g) Het gaat daarbij niet over de opdrachtverstrekking zelf door het Ministerie van Economische Zaken aan SenterNovem.

Artikel 7.1

(Lid 1) Een onderneming kan pas ondertekenen of toetreden als zijn betrokken

Brancheorganisatie of Productschap deze meerjarenafspraak heeft ondertekend of tot deze meerjarenafspraak is toegetreden. Ondernemingen waarvoor geen Brancheorganisatie of Productschap in Nederland bestaat, waarvan de betrokken Brancheorganisatie of het betrokken Productschap deze meerjarenafspraak niet heeft ondertekend of die geen lid zijn van een Brancheorganisatie die c.q. niet vallen onder een Productschap dat deze meerjarenafspraak heeft ondertekend, kunnen via SenterNovem de Minister van Economische Zaken c.q. de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit c.q. de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie c.q. de Minister van Verkeer en Waterstaat vragen om te mogen toetreden tot deze meerjarenafspraak onder de categorie ‘Overige Industrie’.

Ondernemingen die reeds partij waren bij de MJA2 blijven Partij, tenzij zij opzeggen.

Artikel 7.2

(Lid 1) Brancheorganisaties die reeds partij waren bij de MJA2 blijven Partij, tenzij zij opzeggen.

(Lid 2) Ondernemingen waarvoor geen Brancheorganisatie of Productschap in Nederland bestaat, waarvan de betrokken Brancheorganisatie deze meerjarenafspraak niet heeft ondertekend of die geen lid zijn van de Brancheorganisatie die deze meerjarenafspraak heeft ondertekend en die niet vallen onder de categorie ‘Overige industrie’, kunnen een cluster vormen en als cluster tot deze meerjarenafspraak toetreden. Zij kunnen uit hun midden een penvoerder kiezen die de plaats van de Brancheorganisatie inneemt.

Artikel 7.3

Partijen hechten eraan dat meer dan tot en met het jaar 2007 het geval is geweest, gemeenten waarbinnen Ondernemingen zijn gevestigd, tot de meerjarenafspraak toetreden. Dit komt onder meer tot uiting in het Klimaatinitiatief tussen Rijk en gemeenten waarin beide Partijen ‘bevorderen dat de gemeenten waarbinnen MJA bedrijven zijn gevestigd, het MJA-convenant ondertekenen’. VNG zal zich, daarin zo nodig ondersteund door SenterNovem, maximaal inspannen om gemeenten waarbinnen Ondernemingen zijn gevestigd, te bewegen tot deze meerjarenafspraak toe te treden.

Artikel 7.4

(Lid 1) Na ondertekening van of toetreding tot deze meerjarenafspraak is het maken van een Energie-efficiëntieplan verplicht (artikel 6). Aanleidingen om toch geen eerste Energie-efficiëntieplan te maken kunnen bijvoorbeeld een overname of faillissement zijn. De Onderneming kan deze meerjarenafspraak dan opzeggen. Als zij deze meerjarenafspraak ondanks het niet maken van een Energie- efficiëntieplan niet opzegt, is artikel 8.3 van toepassing.

(Lid 3) Een Onderneming mag deze meerjarenafspraak gemotiveerd en met onmiddellijke ingang ten aanzien van een of meer inrichtingen opzeggen als zij het niet eens is met bepaalde wijzigingen. Om te voorkomen dat lange tijd onzekerheid blijft bestaan of een Onderneming van dit recht gebruik wil maken, vervalt het na 6 weken.

Artikel 7.5

De Wet milieubeheer verbiedt het bevoegd gezag om in de milieuvergunning van Ondernemingen die moeten deelnemen aan de Europese handel in CO2- emissierechten voorschriften op te nemen ten aanzien van energie-efficiënte. Om die reden is artikel 2.1, lid 1, onder b niet van toepassing. Overigens staat in lid 1, onder a, dat elke Onderneming verplicht is een EEP op te stellen en uit te voeren

Artikel 8.4

(Lid 2, onder b) Deze evaluatie vindt plaats in het kader van de herijking van het Duurzaamheidsakkoord. Daarbij worden externe ontwikkelingen die van invloed zijn op de gemaakte afspraken, in de evaluatie meegenomen. Partijen zullen, op basis van deze evaluatie, met elkaar in overleg treden over de gevolgen daarvan voor de meerjarenafspraak en de met dit instrument bereikte energie- efficiëntieverbetering. De evaluatie zal zich in het bijzonder richten op de mate waarin de energie-efficiëntieverbetering binnen en buiten de inrichting wordt bereikt. Vooral ook de effectiviteit van de ingezette mix van stimulerende en faciliterende instrumenten is daarbij onderwerp van overleg.

Artikel 8.8

De bij deze meerjarenafspraak gevoegde Bijlage MJA3 (waarin protocollen en werkafspraken zijn opgenomen) en toelichting maken onlosmakelijk deel uit van deze meerjarenafspraak en hebben dus dezelfde status als de artikelen daarin. Deelnemen aan de meerjarenafspraak betekent dus ook, dat wordt ingestemd met de bijlage, protocollen en toelichting.

BIJLAGE MJA3

Hoofdstuk 1 Algemeen

De bijlage MJA3 bevat een uitwerking van de afspraken zoals vastgelegd en toegelicht in MJA3.

Hoofdstuk 2 Protocol Energie-efficiëntieplan

De totstandkoming en voortgangsbewaking van het energie-efficiëntieplan (EEP) wordt beschreven in hoofdstuk 2 (Protocol Energie-efficiëntieplan).

Hoofdstuk 3:

3A Protocol Monitoring, procedure

3B Protocol Monitoring, methodiek

De wijze van monitoring wordt beschreven in de hoofdstukken 3A en B.

Hoofdstuk 4 Protocol Energiezorg

Het Protocol Energiezorg staat beschreven in hoofdstuk 4.

Dit protocol moet nog nader worden uitgewerkt in het kader van MJA3.

Hoofdstuk 5 Concernaanpak

De Concernaanpak staat beschreven in hoofdstuk 5.

Hoofdstuk 6 Werkafspraak ‘Integrale beoordeling ketenprojecten

In dit protocol wordt de de werkafspraak ‘Integrale beoordeling ketenprojecten’ beschreven.

Hoofdstuk 7 Werkafspraak ‘Openbaarheid en geheimhouding

In dit protocol wordt de werkafspraak over ‘Openbaarheid en geheimhouding’ beschreven.

Onderstaande personen onderschrijven namens hun respectievelijke organisaties het MJA3 - convenant.

Aldus overeengekomen en ondertekend in zesvoud te Den Haag op dinsdag 1 juli 2008.

Namens het Ministerie van Economische Zaken, Minister M.J.A. van der Hoeven

Namens het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Minister J.M. Cramer

Namens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Minister G. Verburg

Namens het Ministerie van Financiën, Staatssecretaris J.C. de Jager

Namens Vereniging Interprovinciaal Overleg, Gedeputeerde A.E. Bliek-de Jong

Namens de deelnemende sectoren:

AKSV, Algemene Kokswaren en Snack-producenten Vereniging R. van der Kruijk

Commissie ex art. 88 wet BO voor de Vleeswarenindustrie R. van der Kruijk

VNB, Vereniging van Nederlandse Baconfabrikanten R. van der Kruijk

VNV, Vereniging van Nederlandse Vleeswarenindustrie R. van der Kruijk

VNV, Vereniging voor de Nederlandse Vleeswarenindustrie R. van der Kruijk

AVA, Algemene Vereniging voor de Nederlandse Aardewerkindustrie E.L.J. van Hal

AVNEG, Algemene Vereniging van Nederlandse Gieterijen G.A. Duit

Bedrijven MJA Overige industrie [Ondertekend door Daf Trucks N.V.] P.G. de Grauw

COV, Centrale Organisatie voor de Vleesgroothandel H.W.A. Swinkels

Federatie NRK, Federatie Nederlandse Rubber- en Kunststofindustrie C. van Oostenrijk

Federatie NRK, Federatie Nederlandse Rubber- en Kunststofindustrie J. Adrian

FTN, Federatie Textielbeheer Nederland M. Nieuwland

KNB, Koninklijk Verbond van Nederlandse Baksteenfabrikanten P.J.M. Wijman

KNS, Koninklijke Nederlandse Slagersorganisatie W. van den Brink

Kalkzandsteen- en Cellenbetonindustrie, VNK, Vereniging Nederlands Kalkzandsteenplatform R.H.W.W.M. Hermans

Nedaco, Nederlandse Dakpannenfabrikanten Corporatie H. Wijdeven

Nedsmelt, Nederlandse Vereniging van Kaassmelters G.A.H. Kasbergen

NEKOVRI, Vereniging van Nederlandse Koel- en Vrieshuizen J. Blokland

Nepluvi, Vereniging voor de Nederlandse Pluimveeverwerkende Industrie B.J. Odink

NOGEPA, Netherlands Oil and Gas Exploration and Production Association H. Versteeg

NVM, Nederlandse Vereniging van Meelfabrikanten J.Ph. van Straaten

NZO, Nederlandse Zuivel Organisatie C.H. Wantenaar

Productschap Margarine,Vetten en Oliën F.A.G.M. Claassen

SVMB, Sectorvereniging van Metaalconserveringsbedrijven R. Veraart

Unie van Waterschappen voor Zuiveringsbeheer G. Verwolf, Dijkgraaf Waterschap Veluwe, bestuurslid Unie van Waterschappen

Unie van Waterschappen voor Zuiveringsbeheer H. Kraaij, Secretaris Unie van Waterschappen

VAVI, Vereniging voor de Aardappelverwerkende Industrie P.R.H.M. van der Linden

VIGEF, Vereniging van de Nederlandse Groenten- en Fruitverwerkende Industrie P.R.H.M. van der Linden

VBW Asfalt, Vereniging tot Bevordering van Werken in Asfalt H. Beerda

VNKT, Vereniging van Nederlandse Koffiebranders en Theepakkers M.B. Römer

VNTF, Vereniging van Nederlandse Tapijt Fabrikanten A.H.M. Schouten

VTN, Vereniging Textielindustrie Nederland A.H.M. Schouten

VOM, Vereniging voor Oppervlaktebehandeling van Metalen F. van der Weij

VOTOB, Vereniging van Onafhankelijke Tank Opslag Bedrijven H. Standaar