Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2018
Nr. 40847

Gepubliceerd op 20 juli 2018 09:00



Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 12 juli 2018, kenmerk 1379613-177691-S, houdende regels voor de subsidiëring van gemeentelijke uitgaven aan sport (Regeling specifieke uitkering stimulering)

De Minister voor Medische Zorg,

Gelet op artikel 3 en 5 van de Kaderwet VWS-subsidies;

Besluit:

Artikel 1 Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

minister:

Minister voor Medische Zorg;

sport:

activiteiten die worden gekenmerkt door een niet te verwaarlozen lichamelijk component.

Artikel 2 Activiteiten die in aanmerking komen voor specifieke uitkering

  • 1. De minister kan aan een gemeente jaarlijks een specifieke uitkering verstrekken voor de gerealiseerde bestedingen in verband met activiteiten in het kader van sport.

  • 2. Op grond van deze regeling wordt geen specifieke uitkering verstrekt indien voor de kosten van activiteiten op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968 recht op aftrek van omzetbelasting bestaat, dan wel recht bestaat op compensatie op grond van de Wet op het btw-compensatiefonds.

  • 3. Een activiteit komt slechts eenmaal voor een uitkering op grond van de onderhavige regeling of een subsidie op grond van de Subsidieregeling stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties in aanmerking.

Artikel 3 Toepasselijkheid Kaderregeling en Awb

  • 1. Op deze regeling is de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS niet van toepassing, met uitzondering van hoofdstuk 5.

  • 2. Op deze regeling zijn de artikelen 4:35, 4:46, 4:48, 4:50 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4 Hoogte van de uitkering

De specifieke uitkering bedraagt ten hoogste 17,5% van het begrote bedrag voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, in enig jaar.

Artikel 5 Voorwaarden voor uitkering

  • 1. Een specifieke uitkering wordt voor ten hoogste een jaar verleend.

  • 2. Een uitkering ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 6 Uitkeringsplafond

  • 1. Het uitkeringsplafond bedraagt voor het jaar 2019 € 152.000.000.

  • 2. Het uit hoofde van het plafond beschikbare bedrag wordt naar rato verdeeld indien het totaal aangevraagde bedrag het plafond overschrijdt.

Artikel 7 Aanvraag tot verlening

  • 1. Een specifieke uitkering wordt op aanvraag verstrekt.

  • 2. De aanvraag tot verlening van een specifieke uitkering wordt ingediend voor 1 december voorafgaand aan het boekjaar waarvoor de specifieke uitkering wordt aangevraagd.

  • 3. De aanvraag gaat vergezeld van een begroting.

  • 4. Voor de aanvraag tot verlening van de uitkering wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.

Artikel 8 Verlening

  • 1. De minister neemt binnen 13 weken na 1 december van het voorafgaande jaar waarvoor de specifieke uitkering wordt aangevraagd een besluit omtrent de verlening van de specifieke uitkering.

  • 2. Het besluit tot verlening vermeldt in elk geval de activiteiten waarvoor de uitkering wordt verleend, het bedrag van de uitkering, de wijze van verantwoording, de periode waarvoor de uitkering wordt verleend en de wijze waarop kan worden aangetoond dat de activiteiten zijn verricht.

Artikel 9 Aanvullende verplichtingen

  • 1. De ontvanger van een specifieke uitkering draagt er zorg voor dat gedurende 10 jaren na afloop van de uitkeringsperiodeperiode voor de activiteiten waarvoor uitkering is ontvangen geen recht op aftrek van omzet op grond van de Wet omzetbelasting 1968, dan wel recht op compensatie op grond van de Wet op het btw-compensatiefonds, ontstaat.

  • 2. Indien niet aan de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan doet de ontvanger van de uitkering onverwijld melding daarvan aan de minister.

  • 3. Aan een uitkering kunnen nadere verplichtingen worden verbonden.

Artikel 10 Bevoorschotting en betaling

  • 1. De minister verleent bij het besluit tot verlening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, een voorschot van 100%.

  • 2. De minister verleent bij het besluit tot verlening van een uitkering een voorschot dat gelijkmatig zal worden betaald over het aantal maanden waarvoor de uitkering wordt verleend.

Artikel 11 Eindrapportage

  • 1. Een ontvanger van een specifieke uitkering verstrekt jaarlijks uiterlijk op 15 juli van het jaar volgend op de verlening van de specifieke uitkering de verantwoordingsinformatie overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Besluit financiële verhouding 2001.

  • 2. De bijlage bij de jaarrekening over het jaar waarvoor uitkering wordt verstrekt, bevat de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 58a van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

Artikel 12 Herziening verlening

  • 1. Het besluit tot verlening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, wordt, indien de gerealiseerde bestedingen in verband met de activiteiten van de aanvrager lager zijn dan het bedrag van de verleende uitkering, overeenkomstig herzien.

  • 2. Indien uitvoering is gegeven aan het bepaalde in artikel 6, tweede lid, kan de uitkering worden herzien tot maximaal het bedrag zoals opgenomen in de aanvraag tot verlening als bedoeld in artikel 7.

Artikel 13 Verdeling niet-uitgeputte middelen

  • 1. Het besluit tot verlening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, wordt tevens herzien indien het uitkeringsplafond, bedoeld in artikel 6, eerste lid, blijkens de verantwoordingsinformatie als bedoeld in artikel 11 niet volledig is uitgeput en blijkens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 11, andere activiteiten in het kader van sport zijn verricht dan waarvoor de specifieke uitkering was verleend.

  • 2. Indien het uitkeringsplafond niet volledig wordt uitgeput, wordt het resterende deel naar rato verdeeld over de gemeenten die naast de activiteiten waarvoor de uitkering, bedoeld in artikel 8, is verleend blijkens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 11, aanvullende activiteiten in het kader van sport hebben verricht.

  • 3. De verdeling naar rato, bedoeld in het tweede lid, geschiedt op basis van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 11.

  • 4. In afwijking van artikel 4 bedraagt de specifieke uitkering, indien toepassing wordt gegeven aan dit artikel, ten hoogste 17,5% van de totale gerealiseerde bestedingen in verband met de aanvullende activiteiten, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 14 Vaststelling van de specifieke uitkering

  • 1. Indien de activiteiten waarvoor de uitkering is verleend geheel zijn verricht en daarnaast volledig is voldaan aan de verplichtingen die verbonden zijn aan de uitkering, wordt de uitkering vastgesteld op het bedrag dat is bepaald in de verlening dan wel herziene verlening van de uitkering.

  • 2. De minister besluit uiterlijk op 31 januari in het jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 11, over de vaststelling van de uitkering.

Artikel 15 Inwerkingtreding en vervaldatum

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2024.

Artikel 16 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering stimulering sport.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Medische Zorg, B.J. Bruins

TOELICHTING

Algemeen

Sporten en bewegen zijn goed voor de lichamelijke en mentale gezondheid en de sociale contacten. Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: het Ministerie van VWS) wil mensen daarom stimuleren meer te sporten en bewegen. Om mensen hierin te stimuleren is het van belang dat de accommodaties waar zij dit kunnen doen van goede kwaliteit en goed onderhouden zijn om zo kwalitatief hoogwaardige sport aan te kunnen bieden.

Onder voorwaarden kunnen gemeenten, sportverenigingen en sportstichtingen tot 2019 de btw die aan hen in rekening wordt gebracht bij investeringen in sportaccommodaties en sportmaterialen in aftrek brengen. Door een uitspraak van het Hof van Justitie van de EU (in de zaak C-495/12, Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs tegen Bridport and West Dorset Golf Club Limited) is de btw-vrijstelling voor sport verbreed en moet bovenstaande mogelijkheid tot aftrek worden aangepast. Daardoor vervalt in de meeste gevallen ook de mogelijkheid om btw te verrekenen. Voor de schatkist leidt dit tot een extra lastenrelevante opbrengst van 241 miljoen euro in 2019. Voor gemeenten, sportverenigingen en sportstichtingen leidt dit tot een financieel nadeel van dezelfde omvang. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister) wil de ontwikkeling en instandhouding van sportaccommodaties echter blijven stimuleren.

Onderhavige regeling beoogt daarom de ontwikkeling en instandhouding van sportaccommodaties en de aanschaf van sportmaterialen door gemeenten te stimuleren, waar de mogelijkheid tot btw aftrek is vervallen.

De regeling is dan ook gestoeld op de uitgangswaarden van de mogelijkheden die er tot 1 januari 2019 zijn om de btw af te trekken.

Sportverenigingen en sportstichtingen zullen met de Subsidieregeling stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties worden gestimuleerd om sportaccommodaties in stand te houden en sportmaterialen aan te schaffen.

Staatssteun

Er is sprake van staatssteun als aan de volgende vijf cumulatieve criteria is voldaan:

  • De steun wordt verleend aan een onderneming die een economische activiteit verricht

  • De steun wordt met staatsmiddelen bekostigd.

  • De staatsmiddelen verschaffen een economisch voordeel dat niet via de normale commerciële weg zou zijn verkregen

  • De maatregel is selectief

  • De maatregel vervalst (potentieel) de mededinging en (dreigt te) leiden tot een ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer in de EU.

In dit geval wordt het eerste criterium niet vervuld. De gemeenten kunnen een specifieke uitkering krijgen voor de uitvoering van hun publieke taken en zijn daarvoor geen ondernemingen in de zin van de staatssteunregels. Logischerwijs dienen de gemeenten bij het invullen van deze publieke taken zelf ook rekening te houden met de staatssteunregels.

Regeldrukgevolgen

De Specifieke uitkering is vormgegeven in de voor gemeenten bekende methodiek van het gemeentefonds en de SiSa verantwoording. Dit leidt tot de meest minimale uitvoeringslasten voor zowel de gemeenten als voor de rijksoverheid.

Verwacht wordt dat de gemeente voor de aanvraag 1 tot 2 uur nodig heeft. Zij dienen een aanvraag in bij het digitale portaal van DUS-I voor 1 december T-1 (1). Hierbij leveren zij de begroting in en geven zij aan welke posten relevant zijn voor de compensatie uitkering. Voor 15 juli T+1 dienen de gemeenten op basis van de afrekening de werkelijke kosten in (2) ook hierbij is de verwachting dat zij hier 1–2 uur voor nodig hebben. Dit brengt de totale bestuurlijke lasten op maximaal 4 uur (€ 60 per uur), € 240 per gemeente wat resulteert in € 91.200 in totaal. Dit is minder dan 1% van het totale uitkeringsbudget van € 152 miljoen.

Artikelsgewijs

Artikel 1 Definities

Daarnaast wordt een definitie gegeven van sport. Voor deze definitie van sport wordt aangehaakt bij de definities uit de btw-regelgeving. Deze zullen binnenkort worden aangepast naar aanleiding van het arrestvan het Hof van Justitie van de EU op 26 oktober 2017 in de zaak C-90/16, The English Bridge Union. In de regeling wordt daarom vast de definitie gehanteerd zoals deze volgt uit dit arrest.

Artikel 2 Activiteiten die in aanmerking komen voor specifieke uitkering

In artikel 2 is omschreven voor welke activiteiten een specifieke uitkering kan worden versterkt.

Het gaat hier om activiteiten van gemeenten in het kader van sport. Uit de monitor Gemeentelijke uitgaven van het Mulier instituut zijn de volgende hoofd activiteiten te rangschikken

  • Investeringen in hardware; Hierbij kan gedacht worden aan activiteiten in bouw en onderhoud van accommodaties. Dit kan zijn het aanleggen van een kunstgrasveld of de bouw van een sporthal.

  • Exploitatie van sportaccommodaties; Hierbij moet gedacht worden aan het beheer van de accommodatie. Het kan gaan om gebruikskosten als energielasten en ook kunnen ingehuurde krachten zoals Buurtsportcoaches en andere beheerders van accommodaties voor zover deze BTW-belast zijn in gebracht worden.

De gemeenten hebben zelf de verantwoordelijkheid alleen de activiteiten voor uitkering in te dienen die vallen onder de verruiming van de btw-sportvrijstelling.

Bij de aanvraag zullen gemeenten moeten aangeven welke reeksen uit de begroting zij inbrengen voor uitkering. Hierbij zullen zij moeten verklaren dat de gehele aanvraag activiteiten betreft die vallen onder de definitie van sport.

Geen uitkering wordt verstrekt voor de bouw en het onderhoud van sportaccommodaties en de kosten van de aanschaf van sportmaterialen waarvoor bij de aanvrager op grond van de bepalingen uit de Wet op de omzetbelasting 1968 recht op aftrek van omzetbelasting bestaat, dan wel recht bestaat op compensatie op grond van de Wet op het btw-compensatiefonds. Deze regeling strekt ertoe het wegvallen van het recht op btw-aftrek te compenseren. Wanneer er dus wel een recht op btw-aftrek bestaat zal er geen uitkering worden verstrekt.

Een activiteit komt slechts eenmaal voor een specifieke uitkering of subsidie in aanmerking. Deze bepaling is met name van belang voor de samenloop van deze regeling met de Subsidieregeling stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties. In het geval dat bijvoorbeeld een gemeente en een vereniging co-eigenaar van een sportaccommodatie zijn, kan er voor een renovatie van die sportaccommodatie ofwel een subsidie op grond van de Subsidieregeling stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties worden aangevraagd, ofwel een uitkering op grond van de onderhavige regeling. Daarbij wordt aangehouden dat alleen de organisatie op wiens naam de offerte en factuur staan een aanvraag kan indienen.

In de verantwoordingsinformatie zullen afzonderlijke indicatoren worden opgenomen voor de bestedingen voor de bij de begroting voorgenomen activiteiten en bestedingen voor aanvullende activiteiten. Deze zullen beide vallen onder de rechtmatigheidscontrole van de gemeentelijke accountant.

Artikel 3 Toepasselijkheid Kaderregeling en Awb

Op de uitkeringen op grond van onderhavige regeling is de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS niet van toepassing, met uitzondering van hoofdstuk 5. In hoofdstuk 5 van deze Kaderregeling staan enkele algemene verplichtingen voor de ontvanger zoals een meldingsplicht en de verplichting mee te werken tot onderzoek dat van belang is voor het nemen van een besluit of het ontwikkelen van beleid van de minister.

Verder zijn de artikelen 4:35, 4:46, 4:48, 4:50 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing op deze regeling.

Artikel 4 Hoogte van de uitkering

De specifieke uitkering bedraagt ten hoogste 17,5% van het begrote bedrag voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, in enig jaar.

Voor een percentage van 17,5% is gekozen om zo veel mogelijk aan te sluiten bij de eerdere mogelijkheid tot aftrek van btw. Dit percentage kan lager uitvallen wanneer het uitkeringsplafond wordt overschreden en het uit hoofde van het uit het plafond beschikbare bedrag naar rato wordt verdeeld.

Bij de hoogte van de uitkering wordt uitgegaan van de begroting die wordt ingediend.

Artikel 5 Voorwaarden voor uitkering

Een specifieke uitkering wordt voor ten hoogste een jaar verleend, omdat er wordt uitgegaan van het begroot bedrag. Een bepaald project waarvoor een gemeente een uitkering aanvraagt kan dus een langere tijdsduur hebben dan een jaar, maar de uitkering zal altijd voor ten hoogste worden verleend omdat alleen rekening wordt gehouden met het begroot bedrag van het komende jaar.

Artikel 6 Uitkeringsplafond

In 2019 is € 152 miljoen beschikbaar voor specifieke uitkeringen op grond van deze regeling. Dit bedrag is tot stand gekomen op basis van de beschikbare informatie uit de uitvoering van de fiscale regelingen is hiertoe gekomen.

Wanneer het totale voor uitkering geclaimde bedrag hoger is dan € 152 miljoen zal de verdeling naar rato van de aangevraagde bedragen plaatsvinden. Hiervoor is gekozen omdat alle aanvragers de aanvraag vóór 1 december in moeten dienen, maar de volgorde waarin zij dit doen geen gevolgen heeft voor de eventuele uitkering van middelen. Dit om de gemeenten waar de begroting eerder door de gemeenteraad is goed gekeurd niet te bevoordelen ten opzichte van anderen waar de begroting later geagendeerd staat bij de raad.

Artikel 7, 8, 10 en 11 Verlening en verantwoording, herziening en vaststelling

Artikelen 7, 8 en 10 en 11 hebben betrekking op de wijze waarop verlening en verantwoording van de specifieke uitkering geschiedt.

Specifieke uitkeringen worden alleen op aanvraag verstrekt. Deze aanvragen worden ingediend voor 1 december voorafgaand aan het boekjaar waarvoor de specifieke uitkering wordt verstrekt. In deze aanvraag wordt aangegeven welke activiteiten op het gebied van sport het komende jaar zullen plaatsvinden en hoeveel daarvoor begroot is. Dit volgt ook uit de bijgevoegde begroting. Wanneer de aanvraag voldoet aan de voorwaarden in deze regeling wordt een specifieke uitkering verstrekt. Wanneer het totale begrote bedrag voor subsidiabele activiteiten het uitkeringsplafond, bedoeld in artikel 6, overschrijdt dan wordt de uitkering naar rato verdeeld over de aanvragers. Binnen 13 weken na 1 december neemt de minister een besluit omtrent de verlening.

Gemeenten ontvangen na het besluit omtrent de verlening een voorschot van 100%, dat gelijkmatig zal worden betaald over het aantal maanden waarvoor de uitkering wordt verleend.

Op 15 juli in het jaar na de verlening van de specifieke uitkering verstrekt de ontvanger van een specifieke uitkering de verantwoordingsinformatie.

Artikel 9 Aanvullende verplichtingen

Op grond van artikel 9, eerste lid, rust op de ontvanger van de uitkering de verplichting om er zorg voor te dragen dat gedurende de perioden genoemd in artikel 13, tweede en derde lid van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (de zogenaamde btw herzieningstermijn voor de activiteiten waarvoor een uitkering wordt ontvangen geen recht op aftrek van omzet op grond van de Wet omzetbelasting 1968 of recht op compensatie op grond van de Wet op het btw-compensatiefonds ontstaat).

Dit recht op aftrek ontstaat wanneer de betreffende activiteiten waarvoor een uitkering is ontvangen weer gebruikt worden voor btw belaste prestaties. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen als onroerende zaken niet langer gebruikt worden voor vrijgestelde sportbeoefening, maar belast worden verhuurd voor andere activiteiten. Ook kan het recht op aftrek van btw “herleven” door overdracht aan een winstbeogende entiteit. Op grond van artikel 9, tweede lid, rust op de ontvanger van de uitkering ook de verplichting om melding te doen wanneer er toch een recht op aftrek van btw op grond van de Wet omzetbelasting 1968 of recht op compensatie op grond van de Wet op het btw-compensatiefonds ontstaat. De melding kan leiden tot het intrekken van de vaststelling van de uitkering of wijzigen van de vaststelling ten nadele van de ontvanger van de uitkering: het is immers niet de bedoeling dat zowel een uitkering als btw teruggaaf wordt verkregen.

Artikel 12 Herziening verlening

Na het verstrekken van de verantwoordingsinformatie vindt herziening van de verlening plaats. Indien het besteed bedrag van de aanvrager lager blijkt te zijn dan het aangevraagde bedrag, wordt de uitkering omlaag bijgesteld. Het totale gerealiseerde bedrag kan lager uitvallen dan het aangevraagde bedrag. In het geval het uitkeringsplafond in het jaar van verlening is overschreden en de uitkeringen naar rato is verdeeld, kan het verschil tussen het (hogere) aangevraagde bedrag en de lagere daadwerkelijk gerealiseerde kosten worden gebruikt om het besluit tot verlening te herzien tot ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 4.

Onderstaand een hypothetisch voorbeeld dient als illustratie over hoe een dergelijke situatie uit zou kunnen vallen:

  • Gemeente X vraagt € 100 aan specifieke uitkering op grond van deze regeling aan. Dit is 17,5% van het begrote bedrag voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2, eerste lid.

  • Aangezien het uitkeringsplafond wordt overschreden ontvangt de gemeente maar € 90.

  • Uit de verantwoordingsinformatie die wordt ingediend op 15 juli van het opvolgende jaar blijkt dat gemeente X inderdaad precies de aangevraagde activiteiten hebben gerealiseerd.

  • Een aantal andere gemeenten heeft echter minder van deze activiteiten gerealiseerd. In totaal bedragen de daadwerkelijke kosten € 10.000 minder dan het uitkeringsplafond.

  • Deze € 10.000 kan dan worden gebruikt om voor het besteed bedrag van de gemeenten, waarvan het besteed bedrag hoger of gelijk is aan het aangevraagde bedrag, een uitkering te verstrekken.

  • Dit kan dus betekenen dat de uitkering van gemeente X wordt aangevuld.

  • Dit bedrag kan echter niet de normen van artikel 4 overschrijden en daarom nooit hoger zijn dan 17,5% van het begrote bedrag voor de activiteiten van de aanvraag. Gemeente X kan dus niet meer ontvangen dan € 100.

  • Deze aanvulling wordt meegenomen in de herziene verleningsbeschikking.

Artikel 13 Verdeling niet-uitgeputte middelen

In het geval dat het uitkeringsplafond in het jaar van verlening niet volledig is uitgeput, wordt het resterende bedrag van het uitkeringsplafond gebruikt voor gemeenten die aanvullende activiteiten hebben verricht in het kader van sport. Hoewel de meeste activiteiten in het kader van sport gewoon begroot zullen zijn, zullen er soms ook aanvullende activiteiten plaatsvinden die niet begroot zijn, bijvoorbeeld in het geval van onvoorziene kosten aan reparaties. Normaal gesproken kunnen deze niet bij de herziene verlening worden meegenomen. In het geval het uitkeringsplafond in het jaar van verlening niet is overschreden kan dit echter wel. Het resterende deel van het uitkeringsplafond wordt dan naar rato verdeeld over de gemeenten waar aanvullende activiteiten plaats hebben gevonden op het gebied van sport. Zij krijgen daarvoor een specifieke uitkering tot ten hoogste het bedrag van 17,5% van de totale gerealiseerde bestedingen in verband met de aanvullende activiteiten. Dit is in afwijking van artikel 4, waar een bedrag van ten hoogste 17,5% van het begroot bedrag wordt aangehouden. De aanvullende activiteiten zullen echter nog niet in de begroting hebben gestaan, anders hadden de gemeenten hiervoor al een aanvraag kunnen indienen.

Onderstaand een voorbeeld dat dient ter illustratie:

  • Gemeente X vraagt € 100 aan specifieke uitkering op grond van deze regeling aan. Dit is 17,5% van het begrote bedrag voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2, eerste lid.

  • In totaal wordt er voor € 500 minder dan het uitkeringsplafond aangevraagd.

  • Aangezien het uitkeringsplafond niet wordt overschreden ontvangt de gemeente het aangevraagde bedrag.

  • Uit de verantwoordingsinformatie die wordt ingediend op 15 juli van het opvolgende jaar blijkt dat gemeente X meer dan € 100 heeft uitgegeven aan activiteiten in het kader van sport. Omdat het dak van de gemeentelijke sportzaal het begaf is er € 100 extra uitgegeven.

  • De resterende € 500 van het uitkeringsplafond wordt over de gemeenten verdeeld die aanvullende (niet-begrote) activiteiten hebben uitgevoerd in het kader van sport.

  • Dit bedrag wordt naar rato verdeeld. Gemeente X ontvangt daardoor, afhankelijk van de gerealiseerde bestedingen van andere gemeenten nog een bedrag voor de reparatie van het dak van de sportzaal.

  • Deze aanvulling wordt meegenomen in de herziene verleningsbeschikking.

Artikel 14 Vaststelling van de specifieke uitkering

Na de eventuele herziene verlening volgt de uiteindelijke vaststelling van de uitkering. De minister beslist uiterlijk voor 31 januari van het volgende jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie overde vaststelling van de specifieke uitkering.

Artikel 15 Inwerkingtreding en vervaldatum

De regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Hiermee wordt afgeweken van het beleid inzake vaste verandermomenten, zoals opgenomen in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Deze afwijking is gerechtvaardigd, omdat de specifieke doelgroep gebaat is bij een spoedige inwerkingtreding.

De regeling vervalt met ingang van 1 januari 2024 met dien verstande dat deze regeling van toepassing blijft op een uitkering die krachtens deze regeling is verstrekt.

De Minister voor Medische Zorg, B.J. Bruins


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl