Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en SportStaatscourant 2018, 37304Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 juni 2018, kenmerk 1358163-177565-BPZ, houdende regels voor de bezoldiging en beheerskosten van bestuursorganen volksgezondheid (Regeling bezoldiging en beheerskosten zelfstandige bestuursorganen VWS 2018)

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Gelet op de artikelen 14 en 32 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, artikel 14 van de Wet marktordening gezondheidszorg, de artikelen 20 en 26 van de Wet toelating zorginstellingen, de artikelen 59a en 75 van de Zorgverzekeringswet en de artikelen 6.2.5 en 7.2.3 van de Wet langdurige zorg;

Besluit:

HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN

Artikel 1. Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. de Minister:

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

b. het College sanering:

het College sanering zorginstellingen, genoemd in artikel 19, eerste lid, van de Wet toelating zorginstellingen;

c. het Zorginstituut:

het Zorginstituut Nederland, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet;

d. de zorgautoriteit:

de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in artikel 3, eerste lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg;

e. het CAK:

het CAK, genoemd in artikel 6.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg;

f. het CIZ:

het CIZ, genoemd in artikel 7.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg;

g. het ARAR:

het Algemeen Rijksambtenarenreglement;

h. het BBRA 1984:

het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984;

i. de Kaderwet:

de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.

HOOFDSTUK 2. BEZOLDIGING, VERGOEDING EN RECHTSPOSITIE

Artikel 2. Reikwijdte hoofdstuk 2

Dit hoofdstuk is, voor zover niet anders is bepaald en voor zover niet bij beschikking is afgeweken, van toepassing op de bestuursleden van:

  • a. het College sanering;

  • b. het Zorginstituut;

  • c. de zorgautoriteit;

  • d. het CAK;

  • e. het CIZ.

Artikel 3. Bezoldiging, vakantie- en eindejaarsuitkering, pensioen

  • 1. De bezoldiging van de voorzitter bedraagt maximaal de bezoldiging van een lid van de topmanagementgroep van een departement van algemeen bestuur als bedoeld in bijlage A van het BBRA 1984 met dien verstande dat deze bezoldiging geldt voor een veertigurige werkweek.

  • 2. De bezoldiging van een lid bedraagt maximaal schaal 18 van het BBRA 1984, met dien verstande dat deze bezoldiging geldt voor een veertigurige werkweek.

  • 3. De bestuursleden hebben recht op een vakantie-uitkering overeenkomstig de artikelen 21 en 22 van het BBRA 1984. De opbouw van vakantie-uren, de opname en het overboeken daarvan naar een volgend jaar vinden plaats overeenkomstig de artikelen 22 en 23 van het ARAR.

  • 4. De bestuursleden hebben recht op een eindejaarsuitkering overeenkomstig artikel 20a van het BBRA 1984.

  • 5. De bezoldiging wordt uitbetaald in gelijke maandelijkse termijnen. De vakantie- en eindejaarsuitkering worden uitbetaald in de maanden mei respectievelijk december van ieder jaar.

  • 6. De bestuursleden worden aangemeld als volwaardig deelnemer bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds.

Artikel 4. Reis- en verblijfkosten

  • 1. De bestuursleden hebben ten behoeve van de werkzaamheden voor het bestuursorgaan recht op een vergoeding van reis- en verblijfkosten overeenkomstig het Reisbesluit binnenland en het Reisbesluit buitenland.

  • 2. De bestuursleden ontvangen een representatievergoeding overeenkomstig artikel 68a van het ARAR.

  • 3. De voorzitter kan voor het vervoer tussen zijn standplaats en zijn woonplaats en voor het vervoer ten behoeve van dienstreizen aanspraak maken op dienstvervoer per auto.

  • 4. Een lid kan voor het vervoer tussen de standplaats en de woonplaats en voor het vervoer ten behoeve van dienstreizen aanspraak maken op een jaarkaart openbaar vervoer eerste klasse.

Artikel 5. Verloffaciliteiten

De bestuursleden hebben aanspraak op de verloffaciliteiten die gelden voor de sector Rijk. De verlofbepalingen van het ARAR zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6. Arbeidsongeschiktheid

In geval van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling zijn de bepalingen ten aanzien van doorbetaling van de bezoldiging van het ARAR van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7. Bovenwettelijke uitkering bij werkloosheid

  • 1. In geval van tussentijds ontslag, anders dan op eigen verzoek en anders dan ten gevolge van eigen schuld of toedoen, hebben de bestuursleden, in aanvulling op de reguliere aanspraak op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, aanspraak op een bovenwettelijke uitkering.

  • 2. De hoogte en duur van deze uitkering worden vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk.

Artikel 8. Onpartijdigheid en integriteit

  • 1. De bestuursleden onthouden zich van het openbaren van gedachten of gevoelens, indien daardoor de goede vervulling van hun functie of het goede functioneren van de openbare dienst, voorzover deze in verband staat met hun functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.

  • 2. Het is de bestuursleden in hun ambt verboden vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te verzoeken of aan te nemen.

Artikel 9. Speciale bepaling voor College sanering

De artikelen 13 en 14, vierde lid, van de Kaderwet zijn van overeenkomstige toepassing op de bestuursleden van het College sanering.

Artikel 10. Speciale bepaling met betrekking tot de Adviescommissie Pakket en de Adviescommissie Kwaliteit

  • 1. De voorzitter van de commissie, bedoeld in artikel 59a, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, die niet tevens lid is van het Zorginstituut Nederland, en de voorzitter van de commissie, genoemd in artikel 59b, eerste lid, van die wet ontvangen een vaste vergoeding per maand, afgeleid van het maximum van schaal 18 van het BBRA 1984, vermenigvuldigd met een arbeidsduurfactor van 20,77 procent.

  • 2. De andere leden van de commissie, bedoeld in artikel 59a, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, die niet tevens lid zijn van het Zorginstituut Nederland, en de andere leden van de commissie, genoemd in artikel 59b, eerste lid, van die wet, ontvangen een vaste vergoeding per maand, afgeleid van het maximum van schaal 17 van het BBRA 1984, vermenigvuldigd met een arbeidsduurfactor van 6,92 procent.

HOOFDSTUK 3. BEHEERSKOSTEN EN JAARSTUKKEN

Artikel 11. Reikwijdte hoofdstuk 3

  • 1. Dit hoofdstuk is, voor zover niet anders is bepaald, van toepassing op:

    • a. het College sanering;

    • b. het Zorginstituut;

    • c. de zorgautoriteit;

    • d. het CAK.

  • 2. Dit hoofdstuk is, met inachtneming van de tussen de Minister en het CIZ gemaakte afspraken over de concretisering van de juridische status van het CIZ tot 2020, waar mogelijk van overeenkomstige toepassing op het CIZ.

Artikel 12. Budget

  • 1. Het budget wordt vastgesteld op grond van de ingediende begroting, waarbij de begroting is gebaseerd op het prijspeil van het lopende jaar en het door de Minister aan het bestuursorgaan bekend gemaakte financiële kader.

  • 2. In de loop van het begrotingsjaar kan besloten worden tot verhoging of verlaging van het budget op grond van gestegen of gedaalde kosten.

  • 3. Indien de begroting hoger is dan het bekend gemaakte financiële kader, doet het bestuursorgaan een voorstel aan de Minister hoe dit verschil gedekt kan worden.

Artikel 13. Bevoorschotting budget

De Minister houdt bij de bevoorschotting van het budget een zodanige frequentie en hoogte aan dat deze in voldoende mate aansluit op de in het vijfde lid van artikel 15 bedoelde liquiditeitsbehoefte van het bestuursorgaan.

Artikel 14. Inrichting werkprogramma

Het werkprogramma en het meerjarenplan bevatten een duidelijke beschrijving van de voorgenomen organisatorische, bedrijfsmatige en inhoudelijke doelen. Alsmede bevat het werkprogramma een meerjarenbegroting. De doelen worden zoveel mogelijk meetbaar geformuleerd. In het werkprogramma wordt een duidelijke koppeling gemaakt tussen deze doelen en de benodigde (financiële) middelen. In het werkprogramma is ook een risicoparagraaf opgenomen. Het werkprogramma gaat in op de aandachtspunten zoals die door de Minister worden aangegeven.

Artikel 15. Inrichting begroting

  • 1. In de begroting en de meerjarenraming die onderdeel uitmaken van het werkprogramma worden de volgende kostensoorten en baten onderscheiden:

    • a. personele kosten;

    • b. huisvestingskosten;

    • c. automatiseringskosten;

    • d. bureaukosten;

    • e. overige kosten;

    • f. baten.

    Indien van toepassing en door de eigenaar verzocht, worden ook de verwachte kosten van programma’s en projecten opgenomen en toegelicht.

  • 2. De in het eerste lid genoemde groepen van kostensoorten en baten worden in de begroting zodanig uitgesplitst dat een goed beeld ontstaat van de samenstelling daarvan.

  • 3. In de begroting wordt het vermoedelijk beloop in het lopende jaar opgenomen.

  • 4. De meerjarenraming geeft inzicht in de verwachte financiële gevolgen voor de komende vijf jaar van hetgeen ten grondslag ligt aan de bedragen die zijn opgenomen in de begroting. Deze worden voorzien van een korte toelichting.

  • 5. De begroting bevat een raming van de maandelijkse liquiditeitsbehoefte voor het desbetreffende begrotingsjaar.

Artikel 16. Inrichting toelichting bij de begroting

De begroting gaat vergezeld van een toelichting waarin:

  • a. wordt ingegaan op de voorgenomen doelen en bijbehorende werkzaamheden die leiden tot een wijziging van de hoogte van de beheerskosten ten opzichte van het voorafgaande jaar;

  • b. per begrotingspost, voor zover mogelijk, een cijfermatige specificatie en onderbouwing wordt gegeven, waarbij kosten van afschrijvingen, rentelasten en dotaties aan voorzieningen worden toegelicht;

  • c. de gevolgen voor de beheerskosten worden aangegeven ten aanzien van de doelen en werkzaamheden die vervallen ten opzichte van het voorafgaande jaar;

  • d. nieuwe dan wel gewijzigde werkzaamheden worden toegelicht op de inzet van financiële middelen en personele inzet;

  • e. de investeringsplannen voor het begrotingsjaar en de vier daaropvolgende jaren worden vermeld, waarbij per investering het afschrijvingsbedrag, de afschrijvingsmethode en de afschrijvingstermijn worden aangegeven;

  • f. de gronden worden vermeld waarop de meerjarenraming is gebaseerd, waaronder een meerjarig overzicht van de geraamde ontwikkeling van de personeelsformatie, welke zoveel mogelijk is uitgesplitst naar de doelen, bedoeld in artikel 14;

  • g. substantiële schommelingen in de meerjarenraming worden toegelicht.

Artikel 17. Inrichting jaarverslag en jaarrekening

  • 1. De inrichting van het jaarverslag sluit aan bij de inrichting van het werkprogramma. In het jaarverslag wordt zodoende aangegeven in hoeverre doelen gerealiseerd zijn en risico’s beheerst.

  • 2. Het jaarverslag bevat een bedrijfsvoeringsparagraaf, waarin wordt gerapporteerd over de rechtmatigheid alsook de uitkomsten van de begrotingsuitvoering.

  • 3. De jaarrekening bestaat uit de balans en de exploitatierekening, alsmede uit de toelichting op beide.

  • 4. De inrichting van de exploitatierekening sluit aan bij de inrichting van de begroting.

  • 5. Indien in de jaarrekening een begrote groep van kostensoorten of baten is over- of onderschreden, wordt dit per groep van kostensoorten of baten nader toegelicht.

  • 6. Onverminderd het bepaalde in artikel 14 van de Kaderwet wordt in de toelichting op de jaarrekening de bezoldiging van iedere individuele bestuurder opgenomen.

  • 7. In het jaarverslag bedoeld in artikel 18 van de Kaderwet doet het bestuursorgaan verslag van hetgeen tot uitvoering van artikel 41 van de Kaderwet is verricht en van het gevoerde risicomanagement.

  • 8. De accountantscontrole geschiedt met inachtneming van een door de Minister vastgesteld protocol dat geacht wordt deel uit te maken van deze regeling.

Artikel 18. Egalisatiereserve

  • 1. De egalisatiereserve bedoeld in artikel 33 van de Kaderwet bedraagt ten hoogste vijf procent van het budget bedoeld in artikel 12.

  • 2. Het totaal van de egalisatiereserve en de verplichte reserve bedraagt aan het einde van het begrotingsjaar niet minder dan nul.

  • 3. Het onverdeeld resultaat wordt, na vaststelling van de jaarrekening, in zijn geheel toegevoegd aan de egalisatiereserve. Indien en voor zover dit leidt tot overschrijding van het in het eerste lid gestelde maximum dan wordt het meerdere teruggevorderd.

  • 4. Dotatie en onttrekking aan en vrijval van reserves en voorzieningen worden afzonderlijk vermeld en toegelicht in de jaarrekening.

  • 5. Artikel 33 van de Kaderwet is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de egalisatiereserve van het College sanering.

Artikel 19. Toestemming verrichten van handelingen

Het CAK, het CIZ, het Zorginstituut en de zorgautoriteit behoeven voorafgaande toestemming van de Minister voor het verrichten van handelingen als bedoeld in artikel 32, onderdelen a en d tot en met g, van de Kaderwet.

HOOFDSTUK 4. SLOTBEPALINGEN

Artikel 20. Intrekkings- en overgangsbepaling

  • 1. De Regeling bezoldiging en beheerskosten zelfstandige bestuursorganen VWS wordt ingetrokken.

  • 2. Artikel 7, eerste lid, van de Regeling bezoldiging en beheerskosten zelfstandige bestuursorganen VWS zoals dat luidde onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking, blijft van toepassing ten aanzien van die bestuursleden waarvan de benoeming voor dat tijdstip plaatsvond.

  • 3. Artikel 15, zesde lid, en artikel 17a van de Regeling bezoldiging en beheerskosten zelfstandige bestuursorganen VWS zoals dat luidde onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking, blijft voor het CAK van toepassing tot en met het begrotings- en verantwoordingsjaar 2020.

  • 4. De accountantscontrole bij het CAK geschiedt, in aanvulling op het achtste lid van artikel 17, met inachtneming van een specifiek voor het CAK door de Minister en de zorgautoriteit vastgesteld Protocol Accountantsonderzoek Bestuurlijke Verantwoording CAK.

  • 5. In de jaarrekening van het CIZ wordt onderscheid gemaakt tussen de kosten verbonden aan het nemen van indicatiebesluiten als bedoeld in artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg, de kosten verbonden aan het nemen van indicatiebesluiten als bedoeld in artikel 5.2.1 en het nemen van besluiten als bedoeld in artikel 5.2.2 van het Besluit langdurige zorg, en de kosten verbonden aan de uitvoering van het Besluit uitvoering kinderbijslag.

  • 6. De Regeling bezoldiging en beheerskosten zelfstandige bestuursorganen VWS, zoals die luidde onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking, blijft van toepassing op de in die regeling bedoelde jaarverantwoording over het jaar 2018 en de begroting, het werkprogramma en de jaarverantwoording over het jaar 2019.

Artikel 21. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling bezoldiging en beheerskosten zelfstandige bestuursorganen VWS 2018.

Artikel 22. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op 1 september 2018.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge

TOELICHTING

A. Algemeen

1. Inleiding

Gebleken is dat de Regeling bezoldiging en beheerskosten zelfstandige bestuursorganen VWS niet meer in lijn is met, onder andere, de handreiking Sturing Semi Publieke Sector (mei 2016) en het eerder opgestelde gemeenschappelijk normenkader voor goed financieel beheer en de kaderstelling voor extern financieel toezicht. Bovendien is op onderdelen een andere praktijk ontstaan. Daarom wordt deze regeling geactualiseerd naar 2018.

2. Bezoldiging, vergoeding en overige rechtspositie

Deze regeling bevat nadere regels voor de vaststelling van de bezoldiging van individuele bestuurders. De bezoldigings- en rechtspositionele regelingen uit de Regeling bezoldiging en beheerskosten zelfstandige bestuursorganen VWS zijn inhoudelijk nagenoeg onveranderd gebleven. De bepalingen over de bezoldiging en de overige onderdelen van de rechtspositie van de bestuurders sluiten aan bij hetgeen geregeld is voor functionarissen binnen het Rijk.

De bezoldiging is onderwerp van de arbeidsvoorwaardengesprekken tussen de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister) en het beoogde bestuurslid. Deskundigheid en ervaring moeten de beloning rechtvaardigen. Artikel 2 geeft de minister de mogelijkheid om ten aanzien van de bezoldiging en andere rechtspositionele regelingen bij beschikking af te wijken. Beoogde bestuurders hebben, door de formulering van het eerste en tweede lid van artikel 3, niet automatisch aanspraak op de daar genoemde bezoldiging. De ontwikkeling van de bezoldiging is, door de koppeling aan het BBRA 1984, dezelfde als die in het BBRA 1984 optreedt door afspraken in het arbeidsvoorwaardenoverleg voor de sector Rijk.

De bezoldiging van elke individuele bestuurder wordt in de toelichting op de jaarrekening opgenomen.

3. Beheerskosten en jaarstukken

De beheerskosten van de bestuursorganen komen ten laste van ’s Rijks kas. Dit betekent dat zij ten laste van de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden gefinancierd.

Verantwoordingsdocumenten

Het werkprogramma, het meerjarenplan, de begroting, het jaarverslag en de jaarrekening zijn zogenoemde verantwoordingsdocumenten. De verantwoordingsdocumenten vormen een belangrijk element in de sturingsrelatie tussen de minister en het zelfstandige bestuursorgaan. Door middel van deze documenten geven de bestuursorganen aan op welke wijze zij de aan hen opgedragen taken denken te vervullen en welke middelen daarvoor nodig zijn en wordt achteraf verantwoording daarover afgelegd.

Bij het stellen van regels die betrekking hebben op het functioneren van zelfstandige bestuursorganen, dient er steeds rekening te worden gehouden met de autonomie van de bestuursorganen. Het accent in deze regeling ligt daarom op de informatievoorziening. Door een juiste en volledige informatievoorziening over het financieel beheer vooraf (begroting) en achteraf (jaarrekening) te waarborgen, kan in de regelgeving een gedetailleerde sturing van het beheer door de minister achterwege blijven.

Begroting en werkprogramma

De begroting vormt de financiële vertaling van het werkprogramma. De begroting geeft inzicht in de baten en lasten van de onderscheiden werkzaamheden in het lopende jaar en de komende vijf jaar. Door werkzaamheden en middelen meer aan elkaar te koppelen wordt antwoord gegeven op de vraag: ‘wat gaan we doen en wat mag dat kosten?’.

Het beschikbare budget kan worden beschouwd als een historisch budget. Het is gebaseerd op de aan de bestuursorganen opgedragen taken en werkzaamheden en is in de loop der tijd aangepast aan de ontwikkelingen daarin. Vertrekpunt is dat dit budget, bij een onveranderde taakinhoud, toereikend is voor een adequate taakvervulling.

Het bestuursorgaan dient aan te geven hoe de middelen worden aangewend voor de verschillende werkzaamheden. Hierdoor worden werkzaamheden en geld aan elkaar gekoppeld. Daardoor kunnen vergelijkingen in de tijd worden gemaakt, maar ook vergelijkingen met organisaties die soortgelijke prestaties leveren. Ook kan deze informatie bijdragen aan een betere onderbouwing van voorgestelde wijzigingen in het budget in verband met veranderende werkzaamheden en aan de verantwoording daarover. Daarom is in de regeling de verplichting opgenomen om naast de gebruikelijke indeling naar groepen van kostensoorten ook inzicht te geven in de meerjarenraming (de baten en lasten van voorgenomen werkzaamheden).

Jaarlijks vóór 1 oktober of 1 november dienen de bestuursorganen het werkprogramma en de begroting voor het volgende kalenderjaar in. Deze documenten zijn gebaseerd op het prijspeil van het lopende jaar en het door de minister afgegeven (meerjarig) financieel kader. Het bestuursorgaan legt tussen het werkprogramma en de begroting een duidelijke koppeling door de taken en de inzet van middelen (fte en geld) aan elkaar te koppelen. De begroting en de meerjarenbegroting kennen een uitsplitsing naar kostensoorten en baten.

De egalisatiereserve is bedoeld om schommelingen in kostenniveaus en eventuele onverwachte extra werkzaamheden op te vangen. Hierdoor hoeft het bestuursorgaan niet voor het minste of geringste een aanvullende begroting in te dienen, maar aanvullende begrotingen blijven uiteraard wel mogelijk. De omvang van de egalisatiereserve is maximaal vijf procent van het totale beheerskostenbudget van het bestuursorgaan. Donaties en onttrekkingen aan en vrijval van reserves en voorzieningen worden afzonderlijk gemeld en toegelicht.

Het is wel belangrijk dat het bestuursorgaan de minister onmiddellijk op de hoogte stelt wanneer gedurende het lopende boekjaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen het totaal van de werkelijke baten en lasten en hetgeen begroot is.

De bestuursorganen stellen ook een liquiditeitsbegroting op. In deze liquiditeitsbegroting legt het bestuursorgaan voor het gehele jaar per maand de omvang van de maandelijkse liquiditeitsbehoefte vast. Op basis van deze prognose zal de bevoorschotting van het beheerskostenbudget worden afgestemd. Hiermee wordt aangesloten bij de feitelijke vermogensbehoefte van het bestuursorgaan en wordt voorkomen dat begrotingsgeld bij de bestuursorganen wordt geparkeerd.

Jaarrekening en jaarverslag

De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen (hierna: Kaderwet) geeft de minister het goedkeuringsrecht op de jaarrekening van het zelfstandig bestuursorgaan. De bestuursorganen dienen jaarlijks vóór 15 maart het jaarverslag en de jaarrekening in. De jaarrekening moet vergezeld gaan van een controleverklaring van de accountant omtrent de getrouwheid van de jaarrekening en de rechtmatigheidsverantwoording, en van een rapport van de accountant over de ordelijkheid en controleerbaarheid van het gevoerde financieel beheer. Deze verantwoording sluit aan op het werkprogramma en de begroting.

De jaarrekening bestaat uit de exploitatierekening en de balans, beide voorzien van een toelichting.

Risicomanagement

Een gedegen bedrijfsvoering omvat tevens het voeren van een adequaat structureel risicomanagement. Het risicomanagement beoogt relevante risico’s vooraf te identificeren, prioriteren en maatregelen ten aanzien van de geprioriteerde risico’s vast te leggen. Bij deze maatregelen kan gedacht worden aan mitigeren, accepteren, overdragen of uitschakelen van de risico’s. Het bestuursorgaan draagt zorg voor een goede monitoring van de risico’s. In het werkplan geeft het bestuursorgaan de voorziene risico’s en bijbehorende beheersmaatregelen aan. In het jaarverslag rapporteert het bestuursorgaan over het gevoerde risicomanagement en de werking ervan. Een en ander sluit aan op bij het bepaalde in de artikelen 19 en 41 van de Kaderwet.

B. Artikelsgewijs

Reikwijdte hoofdstuk 2 (artikel 2)

Hoofdstuk 2 betreft de bezoldiging, vergoeding en overige arbeidsvoorwaarden voor de bestuursleden van het College sanering, het Zorginstituut, de zorgautoriteit, het CAK en het CIZ op gelijke wijze, tenzij uit het bepaalde in dit hoofdstuk blijkt dat het slechts bestuursleden van één of meer met name genoemde bestuursorganen betreft. Bovendien bevat dit hoofdstuk regels ten aanzien van de vergoedingen van de leden van de Adviescommissie Pakket en de Adviescommissie Kwaliteit bij het Zorginstituut.

Ingevolge artikel 2 kan de minister, gemotiveerd, in een beschikking afwijkende arbeidsvoorwaarden vaststellen.

Waar wordt gesproken over bestuursleden worden zowel de voorzitter als de eventuele overige leden van het bestuursorgaan bedoeld.

Bezoldiging, vakantie- en eindejaarsuitkering, pensioen (artikel 3)

In artikel 14 van de Kaderwet wordt bepaald dat aan het lidmaatschap van een zelfstandig bestuursorgaan een bezoldiging dan wel een schadeloosstelling is verbonden. Voor de bezoldiging en de overige onderdelen van de rechtspositie sluit ik aan bij hetgeen geregeld is voor topfunctionarissen binnen het Rijk. Kortheidshalve verwijs ik naar de passage over de bezoldiging in het algemene deel van deze toelichting.

Door de formulering van het eerste en tweede lid hebben beoogde bestuursleden niet automatisch aanspraak op de daar genoemde bezoldiging. De bezoldiging is onderwerp van de arbeidsvoorwaardengesprekken tussen de minister en het beoogde bestuurslid. Deskundigheid en ervaring moeten de beloning rechtvaardigen.

Overige rechtspositionele onderwerpen (artikelen 4 tot en met 8)

In aanvulling op de bezoldiging is ook voor de overige onderdelen van de rechtspositie voor bestuurders van de betrokken organen aangesloten bij hetgeen voor ambtenaren van het Rijk is geregeld. De artikelen 4 tot en met 8 bevatten bepalingen over reis- en verblijfkosten, representatievergoeding, vervoersvoorziening, verlof, rechtspositie bij arbeidsongeschiktheid, wachtgeld en integriteit.

Speciale bepaling voor College sanering (artikel 9)

Dit artikel verklaart de artikelen 13 en 14, vierde lid, van de Kaderwet van overeenkomstige toepassing op de bestuursleden van het College sanering. Dit artikel is tot dit college beperkt, omdat voor het Zorginstituut, de zorgautoriteit, het CAK en het CIZ een en ander al geregeld is omdat zij bij Aanpassingswet rechtstreeks onder de Kaderwet zijn gebracht.

Volgens artikel 13 van de Kaderwet mag een bestuurslid geen nevenfuncties vervullen die ongewenst zijn met het oog op een goede vervulling van zijn functie of handhaving van zijn onafhankelijkheid of het vertrouwen daarin. Ook dient een bestuurslid het voornemen tot het aanvaarden van een nevenfunctie anders dan uit hoofde van zijn functie te melden aan de minister. Ten slotte bepaalt artikel 13 Kaderwet dat nevenfuncties openbaar moeten worden gemaakt en op welke wijze dat moet gebeuren. Artikel 14, vierde lid, van de Kaderwet regelt de wijze van openbaarmaking van de bezoldiging van de bestuursleden.

Speciale bepalingen met betrekking tot Pakketadviescommissie en Kwaliteitadviescommissie bij Zorginstituut (artikel 10)

Dit artikel heeft alleen betrekking op de Pakketadviescommissie en de Kwaliteitadviescommissie bij het Zorginstituut. Het regelt de hoogte van de vergoeding per maand voor de voorzitter en de andere leden van de Pakketadviescommissie, die niet tevens lid zijn van het bestuur van het Zorginstituut, en de voorzitter en andere leden van de Kwaliteitadviescommissie. De Pakketadviescommissie bestaat uit maximaal negen commissieleden, onder wie de drie leden van het bestuur van het Zorginstituut. De Kwaliteitadviescommissie bestaat uit maximaal vijftien commissieleden, die niet tevens lid zijn van het Zorginstituut of de Pakketadviescommissie. De leden van de Pakketadviescommissie, niet zijnde de drie bestuursleden, en de Kwaliteitadviescommissie zijn niet in dienst van het College zorgverzekeringen en worden derhalve niet uit dien hoofde bezoldigd.

Reikwijdte hoofdstuk 3 (artikel 11)

Hoofdstuk 3 betreft de beheerskosten en jaarstukken van het College sanering, het Zorginstituut, de zorgautoriteit, het CAK en waar mogelijk het CIZ op gelijke wijze. Tussen de minister en het CIZ zijn afspraken gemaakt over de concretisering van de juridische status van het CIZ tot 2020. Het tweede lid van artikel 11 bepaalt daarom dat met inachtneming van die afspraken hoofdstuk 3 waar mogelijk van overeenkomstige toepassing is op het CIZ.

Budget (artikel 12)

De Kaderwet (art. 26) schrijft voor dat het bestuursorgaan jaarlijks vóór een door de minister vast te stellen datum de begroting voor het daaropvolgende jaar indient. In de instellingswetten (Zvw, WMG, WTZi en Wlz) is bepaald dat de bestuursorganen dit jaarlijks vóór 1 oktober (het College sanering, het Zorginstituut en de zorgautoriteit) of 1 november (het CAK en het CIZ) doen. De begroting maakt onderdeel uit van en is de financiële vertaling van het werkprogramma dat zodoende gelijktijdig wordt ingediend. Zowel het werkprogramma als de begroting behoeven de goedkeuring van de minister.

Artikel 12 geeft regels omtrent de vaststelling van het budget. Het eerste lid bepaalt dat de ingediende begroting is gebaseerd op het prijspeil van het lopende jaar (dat is: het jaar voorafgaande aan het begrotingsjaar) en het door de minister aan het bestuursorgaan bekend gemaakte financieel kader. In de budgetsystematiek van het Rijk worden eventuele aanpassingen in het prijspeil lopende het uitvoeringsjaar gedaan. Het eerste lid zorgt ervoor dat de vaststelling van het budget binnen het in december voor het volgende kalenderjaar beschikbare kader plaatsvindt.

Het tweede lid regelt dat het budget in de loop van het kalenderjaar kan worden aangepast. Dit kan naar aanleiding van aanpassingen in het prijspeil of vanwege andere redenen die een verhoging van het budget noodzakelijk maken.

Het derde lid regelt dat in situaties waarin de ingediende begroting het financieel kader overstijgt, het bestuursorgaan een voorstel doet hoe dit verschil kan worden gedekt.

Bevoorschotting en liquiditeitsbehoefte (artikelen 13 en 15, vijfde lid)

Om zo goed mogelijk tegemoet te kunnen komen aan eventuele schommelingen in de liquiditeitsbehoefte van het bestuursorgaan, raamt het bestuursorgaan in de begroting de maandelijkse liquiditeitsbehoefte in het betreffende begrotingsjaar. De minister zal bij de bevoorschotting rekening houden met de door het bestuursorgaan geprognosticeerde maandelijkse liquiditeitsbehoefte.

De Kaderwet (art. 30) bepaalt dat het bestuursorgaan bij het (dreigen van het) ontstaan van aanmerkelijke verschillen tussen de werkelijke en de begrote baten en lasten dan wel inkomsten en uitgaven, onverwijld mededeling doet aan de minister. Het ligt voor de hand dat een bestuursorgaan ook een melding doet aan de minister bij onverwachte substantiële afwijkingen in het ritme van de liquiditeitsbehoefte. Hierdoor kan de minister indien gewenst de bevoorschotting aanpassen aan de behoefte van het bestuursorgaan.

Inrichting werkprogramma (artikel 14)

Door middel van artikel 14 wordt een koppeling gelegd tussen voorgenomen organisatorische, bedrijfsmatige en inhoudelijke doelen en benodigde (financiële) middelen, waarbij de inrichting van het werkprogramma en het meerjarenplan aan het bestuursorgaan zelf wordt overgelaten. Dit borgt de zelfstandigheid ten opzichte van de minister. Wel dient inzicht te worden gegeven in de inzet van de benodigde middelen. Tevens wordt ingegaan op de aandachtspunten die door de minister worden aangegeven. In het werkprogramma wordt apart ingegaan op (beheersing van) voorziene risico’s.

Inrichting begroting (artikel 15)

Door voor de bestuursorganen dezelfde indeling naar groepen van kostensoorten voor te schrijven wordt het mogelijk om de verschillende organen en/of de verschillende jaren met elkaar te vergelijken. Alle structurele en incidentele baten en lasten die in de begroting zijn opgenomen, dienen naar deze groepen van kostensoorten te worden ingedeeld.

Onder personele kosten wordt onder andere verstaan loonkosten, sociale lasten, wachtgelden, de kosten van uitzendkrachten en overige personele kosten (dit zijn alle overige kosten die verband houden met het hebben en werven van personeel met een dienstverband). Bureaukosten houden verband met verwerving en gebruik van inventaris, kantoorbehoeften, telefoon, drukwerk, porto en dergelijke. Onder overige kosten vallen ondermeer de kosten van publiekscampagnes.

De kosten van inschakeling van externe personen valt onder personele kosten, behalve wanneer deze betrekking hebben op een van de groepen van kostensoorten, genoemd onder b tot en met e. In dat geval worden de kosten van de inschakeling van externen onder een van deze groepen van kostensoorten verantwoord. Het bestuursorgaan kan door de eigenaar worden verzocht om nadere specificatie naar kostensoorten.

In aanvulling op artikel 27, vierde lid, Kaderwet wordt naast de begroting van de komende vijf jaar tevens het vermoedelijk beloop van het lopende jaar opgenomen (per kostensoort / activiteit en indien van toepassing ook voor programma’s en projecten).

Inrichting toelichting bij de begroting (artikel 16)

Bij de onderdelen van het werkprogramma die leiden tot een wijziging van de hoogte van de beheerskosten (onderdeel a), valt te denken aan beleidswijzigingen, nieuwe, gewijzigde of vervallen werkzaamheden en organisatiewijzigingen. Het gaat daarbij zowel om extern als om intern geïnitieerde onderdelen van het werkprogramma.

Onder ‘substantieel’ in onderdeel g wordt verstaan dat het om opvallende verschillen moet gaan. Dit is niet in een percentage aan te geven, omdat dit van geval tot geval, afhankelijk van de situatie, verschilt. Bijvoorbeeld als een post lange tijd zeer stabiel is, kan een verhoging of verlaging eerder als substantieel beschouwd worden dan als er sprake is van een minder stabiele post.

Inrichting jaarverslag en jaarrekening (artikel 17)

Het eerste lid van artikel 17 voorziet erin dat het werkprogramma en het jaarverslag op elkaar aansluiten zodat inzicht kan worden verkregen in de uitvoering van het ingediende werkprogramma, waarbij wordt aangegeven in hoeverre doelen zijn gerealiseerd en risico’s beheerst.

Het tweede lid regelt dat het jaarverslag een bedrijfsvoeringsparagraaf bevat, met als onderdeel een rechtmatigheidsverantwoording, waarin wordt gerapporteerd over de rechtmatigheid alsook de uitkomsten van de begrotingsuitvoering.

Het vierde lid regelt dat de exploitatierekening aansluit op de in de begroting voorgeschreven groepen van kostensoorten, zodat een goede vergelijking tussen ingediende begroting en de realisatie van de verschillende kostensoorten verkregen kan worden.

Het vijfde lid strekt ertoe dat er een toelichting wordt gegeven op over- of onderschrijdingen op het aggregatieniveau van de groepen van kostensoorten en baten genoemd in artikel 15. Het is niet nodig dat iedere over- of onderschrijding van elke individuele begrotingspost wordt toegelicht, tenzij het naar de aard van de over- of onderschrijding noodzakelijk is.

Het zesde lid schrijft voor dat de bezoldiging van elke individuele bestuurder in de toelichting op de jaarrekening wordt opgenomen. Dit in aanvulling op artikel 14 van de Kaderwet, als gevolg waarvan het totaal van de bezoldiging van de bestuurders in het jaarverslag van het bestuursorgaan dient te worden vermeld.

Het zevende lid in combinatie met het bepaalde in artikel 19 van de Kaderwet voorziet erin dat het bestuursorgaan zich uitdrukkelijk rekenschap geeft van en verantwoordt over het gevoerde risicomanagement.

Egalisatiereserve (artikel 18)

Een egalisatiereserve is een niet bestemde algemene reserve die tot doel heeft schommelingen in de beheerskosten van jaar op jaar zoveel mogelijk op te vangen.

De vorming van reserves door de bestuursorganen wordt beoordeeld in het kader van de goedkeuring van de begroting en de jaarrekening door de minister. De besteding van de reserves wordt beoordeeld in het kader van de goedkeuring van het werkprogramma, de begroting en de jaarrekening. Dotatie en onttrekking aan en vrijval van reserves en voorzieningen worden afzonderlijk vermeld en toegelicht in de jaarrekening.

Eventuele overschotten die niet aan de egalisatiereserve worden toegevoegd, bijvoorbeeld omdat de vijf procentnorm dan zou worden overschreden, vloeien terug in ’s Rijks kas.

Omdat de Kaderwet niet rechtstreeks van toepassing is op het College sanering, wordt via het vijfde lid verzekerd dat de bepalingen inzake de egalisatiereserve ook betrekking hebben op dat college. Uiteraard gelden ook de overige leden van dit artikel voor het College sanering.

Toestemming verrichten van handelingen (artikel 19)

Artikel 19 regelt dat het CAK, het CIZ, het Zorginstituut en de zorgautoriteit voorafgaande toestemming nodig hebben van de minister voor een aantal rechtshandelingen die, gezien hun taak, niet gebruikelijk zijn voor die bestuursorganen. Het gaat in artikel 32 Kaderwet om:

  • het oprichten van of deelnemen in een rechtspersoon (onderdeel a),

  • het aangaan van kredietovereenkomsten of overeenkomsten van geldlening (onderdeel d),

  • het aangaan van overeenkomsten waarbij het bestuursorgaan zich verbindt tot zekerheidstelling of waarbij hij zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt of voor een derde sterk maakt (onderdeel e),

  • het vormen van andere fondsen en reserveringen dan de egalisatiereserve (onderdeel f) en

  • het doen van aangifte tot zijn faillissement of het aanvragen van zijn surseance van betaling (onderdeel g).

Intrekkings- en overgangsbepaling (artikel 20)

Het eerste lid van artikel 20 bepaalt dat de huidige Regeling bezoldiging en beheerskosten zelfstandige bestuursorganen VWS wordt ingetrokken. Het tweede tot en met zesde lid strekt ertoe de overgang van de huidige regeling naar de nieuwe regeling soepel te laten verlopen.

Zo verlengt het derde lid de aanvullende bepaling begroting en bestuurlijke verantwoording CAK tot en met het jaar 2020, vanwege doorloop van het secundair proces bezwaar en beroep en het uitbetalen van de tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten.

In het vierde lid wordt verduidelijkt dat de accountantscontrole voor de in de bestuurlijke verantwoording van het CAK opgenomen geldstromen die onder het toezicht van VWS vallen daarnaast behoeft te geschieden met inachtneming van een specifiek voor het CAK door de minister en de zorgautoriteit vastgesteld protocol. De zorgautoriteit kan op grond van de artikelen 27 en 31 van de WMG een dergelijk protocol vaststellen.

In het vijfde lid is geregeld dat het CIZ in zijn jaarrekening de kosten voor de uitvoering van zijn Wlz-taken, zijn in het Blz geregelde neventaken en zijn taken in het kader van het Besluit uitvoering kinderbijslag afzonderlijk moet verantwoorden.

In het zesde lid wordt bepaald dat de huidige regeling zoals die van toepassing blijft op de jaarverantwoording voor het jaar 2018 en de begroting, werkprogramma’s en jaarverantwoording voor het jaar 2019. Voor 2019 volgt dit uit het feit dat in de instellingswetten van de verschillende zelfstandige bestuursorganen is bepaald dat deze de werkprogramma’s, begroting en meerjarenramingen voor het daaropvolgende jaar (in casu 2019) voor 1 oktober respectievelijk 1 november (in casu 2018) van het daaraan voorafgaande jaar bij de minister moeten worden ingediend en de minister voor 1 december het budget vaststelt.

Inwerkingtreding (artikel 22)

Deze regeling treedt in werking op 1 september 2018.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge