Volmacht- en machtigingsbesluit roerende zaken Rijksvastgoedbedrijf 2018

De secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

gelet op het besluit van de Minister van Financiën van 30 november 2017, kenmerk 2017-230670, houdende volmacht en machtiging aan de secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

gelet op afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 3.4 van het Mandaatbesluit BZK 2016;

BESLUIT vast te stellen het navolgende volmacht- en machtigingsbesluit:

Artikel 1 Volmacht

Aan de directeur-generaal van het Rijksvastgoedbedrijf wordt volmacht verleend om namens de Minister van Financiën:

  • a. bodemmaterialen, zoals zand, grind en schelpen, afkomstig uit de onroerende zaken van de Staat, te vervreemden;

  • b. privaatrechtelijke rechtshandelingen die voortvloeien uit het zijn van eigenaar te verrichten bij het bevorderen van de afwikkeling van onbeheerde nalatenschappen en de afwikkeling van nalatenschappen waarvoor de Staat als erfgenaam is benoemd, als daarmee (ook) roerende zaken of geldwaarden gemoeid zijn; en

  • c. alle privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten, die voortvloeien uit de positie van de Staat als eigenaar van scheepswrakken en ladingen van de voormalige Verenigde Oost-Indische Compagnie, West-Indische Compagnie en Admiraliteit.

Artikel 2 Machtiging

Aan de directeur-generaal van het Rijksvastgoedbedrijf wordt machtiging verleend om namens de Minister van Financiën alle feitelijke handelingen te verrichten die samenhangen met het eventuele gebruik van de volmacht als bedoeld in artikel 1.

Artikel 3 Specifieke bepalingen

  • 1. Op de volmacht en machtiging bedoeld in de artikelen 1 en 2 is het mandaatbesluit van BZK van overeenkomstige toepassing.

  • 2. De directeur-generaal van het Rijksvastgoedbedrijf is bevoegd tot het doorverlenen van de in artikelen 1 en 2 bedoelde volmacht en machtiging aan onder hem ressorterende functionarissen. Hierop is het mandaatbesluit van het Rijksvastgoedbedrijf van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4 Ondertekening

Ondertekening van documenten waarmee een bevoegdheid op grond van dit besluit wordt uitgeoefend, vindt plaats op de volgende wijze:

Namens de Staat der Nederlanden,

de Minister van Financiën,

namens deze,

(handtekening, naam en functie)

Artikel 5 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2018.

Artikel 6 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Volmacht- en machtigingsbesluit roerende zaken Rijksvastgoedbedrijf 2018.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, namens deze, M.R. Schurink secretaris-generaal

TOELICHTING

Algemeen

Met dit besluit wordt geregeld dat de directeur-generaal van het Rijksvastgoedbedrijf een aantal bevoegdheden van de Minister van Financiën met betrekking tot roerende zaken van het Rijk, namens de Minister van Financiën, uit kan oefenen.

De hierboven bedoelde bevoegdheden van de Minister van Financiën vloeien voort uit artikel 4.19, eerste en tweede lid van de Comptabiliteitswet 2016. In deze bepalingen is geregeld dat de Minister van Financiën verantwoordelijk is voor het materieelbeheer van de overtollige roerende zaken van het Rijk en belast is met het afstoten van de overtollige roerende zaken van het Rijk.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is bij koninklijk besluit van 5 november 2012 (Stcrt. 2012, 23045) verantwoordelijk gesteld voor de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van de onroerende zaken van het Rijk. Deze verdeling van de ministeriële verantwoordelijkheden heeft in de praktijk aanleiding gegeven om een aantal aan de Minister van Financiën verleende bevoegdheden ten aanzien van roerende zaken aan het Rijksvastgoedbedrijf te verlenen.

Met het besluit van de Minister van Financiën van 30 november 2017, (Stct. 2017 nr. 72589) heeft de Minister van Financiën aan de secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties volmacht en machtiging verleend voor het verrichten van de privaatrechtelijke rechtshandelingen en feitelijke handelingen die met de bovenstaande bevoegdheden samenhangen. Met dit besluit worden deze bevoegdheden doorverleend door de secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de directeur-generaal van het Rijksvastgoedbedrijf.

Artikelsgewijs

Artikel 1, onderdeel b

Op grond van artikel 4:189 van het Burgerlijk Wetboek worden, voor zover een erflater geen erfgenamen heeft, de goederen van de nalatenschap op het ogenblik van zijn overlijden door de Staat onder algemene titel verkregen. De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor de afwikkeling van onbeheerde nalatenschappen, voor zover het daarbij gaat om roerende zaken en geldswaarden. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is verantwoordelijk voor de afwikkeling van onbeheerde nalatenschappen, voor zover het daarbij gaat om onroerende zaken. De afwikkeling van een onbeheerde nalatenschap wordt altijd voorafgegaan door een onderzoek om vast te stellen of die nalatenschap daadwerkelijk onbeheerd is. Dat onderzoek valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën, voor zover het daarbij gaat om roerende zaken en geldswaarden, en onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, voor zover het daarbij gaat om onroerende zaken. Als blijkt dat een nalatenschap onbeheerd is en roerende zaken omvat, worden deze roerende zaken verkocht. De opbrengst wordt in de consignatiekas gestort. Hetzelfde geldt wanneer de nalatenschap onroerende zaken bevat. Geldswaarden worden zo mogelijk direct in de consignatiekas gestort. Behalve voor de afwikkeling van onbeheerde nalatenschappen zijn de Ministers van Financiën en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ook verantwoordelijk voor de afwikkeling van nalatenschappen waarvoor de Staat als erfgenaam is benoemd. De Minister van Financiën voor zover het daarbij gaat om roerende zaken en geldswaarden; de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor zover het daarbij gaat om onroerende zaken. Zowel roerende als onroerende zaken worden verkocht. Verkopen is een voorbeeld van het verrichten van een privaatrechtelijke rechtshandeling.

Artikel 1, onderdeel c

De Staat is, als rechtsopvolger van de Bataafsche Republiek, eigenaar van de roerende zaken van de voormalige Verenigde Oost-Indische Compagnie, die verspreid over de wereld in de vorm van scheepswrakken en lading her en der op de zeebodem liggen. Het eigendomsrecht van de Bataafsche Republiek is gebaseerd op artikel 247 van de Staatsregeling voor het Bataafsche Volk van 1778. Ook de rechten van de Staat op admiraliteitsschepen zijn op deze staatsregeling terug te voeren. Of de Staat ook de rechtsopvolger van de West-Indische Compagnie is, is niet duidelijk. Er is wel gesteld dat door het op 31 december 1791 aflopen van het aan de West-Indische Compagnie verleende octrooi en het niet verlengen daarvan, door de Staat alle rechten van de West-Indische Compagnie zijn verworven, voor de voldoeningen en overneming van de schulden van de West-Indische Compagnie.

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor het verrichten van eventuele privaatrechtelijke rechtshandelingen die voortvloeien uit de positie van de Staat als eigenaar van de scheepswrakken en lading. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zet zich in voor het behoud van scheepswrakken en lading in de staat waarin en op de plaats waar zij zich bevinden (behoud vondstcomplex). Hij probeert hierover afspraken te maken met andere landen. In uitzonderingsgevallen kan op basis van het onderhavige artikel onderdeel vervreemding of het in bruikleen geven aan derden van delen van wrakken en/of lading (artefacten) door het Rijksvastgoedbedrijf aan de orde komen. Hierover vindt altijd afstemming plaats met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Vervreemding en in bruikleen geven zijn voorbeelden van het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen.

Artikel 3

Hiermee worden de binnen het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het Rijksvastgoedbedrijf van toepassing zijnde bepalingen met betrekking tot de uitoefening van middels ondermandaat verkregen bevoegdheden van overeenkomstige toepassing verklaard.

M.R. Schurink secretaris-generaal

Naar boven