Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
HengeloStaatscourant 2018, 28069Instelling gemeenschappelijke regelingen



Vaststelling gewijzigde Gemeenschappelijke Regeling Sociaal Werkleerbedrijf “Midden Twente” 2018

Logo Hengelo

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Borne, Hengelo en Hof van Twente hebben met toestemming van hun gemeenteraden

besloten

de Gemeenschappelijke regeling SWB Midden Twente te wijzigen zodat deze per 1 mei 2018 als onderstaand komt te luiden:

 

Begrippen

Artikel 1.1  

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    de regeling: de gemeenschappelijke regeling SWB Midden Twente;

  • b.

    SWB: het rechtspersoonlijkheid bezittende openbaar lichaam, bedoeld in artikel 2 van de regeling;

  • c.

    openbaar lichaam: openbaar lichaam in de zin van artikel 8, lid 1 van de wet;

  • d.

    deelnemer: een aan deze regeling deelnemend college;

  • e.

    college: college van burgemeester en wethouders;

  • f.

    deelnemende gemeente: de gemeente van een deelnemend college;

  • g.

    algemeen bestuur: het algemeen bestuur van de regeling;

  • h.

    dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de regeling;

  • i.

    voorzitter: de voorzitter van de regeling;

  • j.

    raad: gemeenteraad van een deelnemende gemeente;

  • k.

    wet: Wet gemeenschappelijke regelingen;

  • l.

    Wsw: Wet sociale werkvoorziening;

  • m.

    bedrijfsonderdeel: organisatie-eenheid, dat activiteiten uitvoert ten behoeve van personen met een achterstand tot de reguliere arbeidsmarkt en/of voor een gemeente uitvoeringstaken verricht ten behoeve van beheer en onderhoud van de openbare ruimte;

  • n.

    personeel: degenen die al dan niet krachtens een aanstelling dan wel een arbeidsovereenkomst werkzaamheden verricht voor het openbaar lichaam; en

  • o.

    beleidsregiegroep: overleggroep bestaande uit medewerkers van de sociale en fysieke organisatieonderdelen van de deelnemende gemeenten en de directie van het openbaar lichaam, die het dagelijks en algemeen bestuur adviseert.

 

Artikel 1.2  

Waar in de regeling artikelen van enige wet of wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing worden verklaard, treden in die artikelen in de plaats van gemeente (1), de raad (2), burgemeester en wethouders (3) en de burgemeester (4) respectievelijk: het openbaar lichaam (1), het algemeen bestuur (2) het dagelijks bestuur (3) en de voorzitter (4).

 

Openbaar Lichaam

Artikel 2  

  • 1.

    Er is een openbaar lichaam, genaamd SWB Midden Twente.

  • 2.

    Het openbaar lichaam stelt zich ten doel om mensen met een (tijdelijke) afstand tot de arbeidsmarkt te ontwikkelen tot waardevolle medewerkers, het bieden van mogelijkheden voor passende arbeid en/of beschut werk, en om ten behoeve van de deelnemende gemeenten uitvoeringstaken te verrichten ten behoeve van het beheer en onderhoud van de openbare ruimte.

 

Belangen en bevoegdheden

Artikel 3  

De belangen als bedoeld in artikel 10, lid 1 van de Wgr, ter behartiging waarvan de regeling is getroffen, omvat:

  • 1.

    het beheer en een doelmatige exploitatie van het openbaar lichaam met de in artikel 2, lid 2 van deze regeling genoemde doelstellingen;

  • 2.

    uitvoering geven aan de Wsw voor personen die op 31 december 2014 een dienstverband hadden op grond van de Wsw en het begeleiden van personen waarvan een deelnemer heeft vastgesteld dat deze uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;

  • 3.

    op grond van de Participatiewet uitvoering geven aan arbeidsontwikkeling en arbeidsre-integratie; en

  • 4.

    het verrichten van uitvoeringstaken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een deelnemende gemeente.

  • 5.

    het verrichten van overige uitvoeringstaken ten behoeve van een deelnemende gemeente.

 

Artikel 4  

  • 1.

    De deelnemers dragen aan het openbaar lichaam over:

    • a.

      de bevoegdheden die hen met betrekking tot de in artikel 3 genoemde belangen toekomen, voor zover daarvan in deze regeling niet wordt afgeweken, nader te specificeren in prestatiecontracten dan wel dienstverleningsovereenkomsten;

    • b.

      alle bevoegdheden en verplichtingen die zij ingevolge de Wsw ten aanzien van de dienstbetrekking van Wsw-medewerkers kunnen uitoefenen;

    • c.

      de bevoegdheid tot het oprichten van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 160 van de Gemeentewet, indien dat aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van de belangen als bedoeld in artikel 3 van deze regeling.

  • 2.

    De deelnemers behouden, indien zulks naar hun oordeel onvermijdelijk is, de bevoegdheid om:

    • a.

      in hun gemeenten werkverbanden in te stellen voor plaatsing van inwoners uit hun gemeente, voor zover zij niet kunnen deelnemen in een gemeenschappelijke regeling die een zodanig werkverband beheert;

    • b.

      inwoners uit hun gemeenten voor te dragen bij en te doen plaatsen in werkverbanden niet vallend onder deze regeling.

 

Bestuursorganen

Artikel 5  

De bestuursorganen van de regeling zijn:

  • a.

    het algemeen bestuur;

  • b.

    het dagelijks bestuur; en

  • c.

    de voorzitter.

 

Algemeen bestuur

Artikel 6  

  • 1.

    Het algemeen bestuur bestaat uit zes leden, waarvan er twee leden uit en door elk van de deelnemers worden aangewezen.

  • 2.

    Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt op de dag waarop de zittingsperiode van de gemeenteraden afloopt. De aftredende leden blijven hun functie waarnemen tot het tijdstip waarop de raden der deelnemende gemeenten de nieuwe wethouders hebben benoemd en deelnemers de nieuwe leden vervolgens hebben aangewezen.

  • 3.

    De deelnemers beslissen binnen twee maanden na de benoeming als bedoeld in het vorige lid over de aanwijzing van de nieuwe leden van het algemeen bestuur.

  • 4.

    De voorziening in een tussentijdse vacature geschiedt binnen twee maanden.

  • 5.

    De leden van het algemeen bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen. Van dit ontslag stellen zij de voorzitter, alsmede de deelnemer die hen heeft aangewezen en de raad van de gemeente waaruit ze afkomstig zijn, schriftelijk in kennis.

  • 6.

    Voor elk bestuurslid wijst de deelnemer een plaatsvervanger aan.

  • 7.

    De stemverhouding van de gezamenlijke bestuursleden per deelnemer is verdeeld naar rato van het aantal inwoners uit de gemeente dat wordt begeleid en/of in dienst is van het openbaar lichaam. De stemverhouding wordt jaarlijks vastgesteld op basis van de actuele personele situatie op 1 januari van het betreffende kalenderjaar.

  • 8.

    Het algemeen bestuur streeft naar unanieme besluitvorming. Bij een afwijkend standpunt van meer dan één gemeente van dat van de gemeente Hengelo wordt de besluitvorming doorgeschoven naar de eerstvolgende bestuursvergadering.

 

 

Adviseurs

Artikel 7  

  • 1.

    1.Het algemeen bestuur benoemt voor een periode van vier jaren een adviseur uit werkgeverskringen en een adviseur uit werknemerskringen.

  • 2.

    De adviseurs worden op dezelfde wijze geïnformeerd als het algemeen en dagelijks bestuur en uitgenodigd voor alle algemene en dagelijkse bestuursvergaderingen.

  • 3.

    De adviseurs hebben spreekrecht in het algemeen en dagelijks bestuur en kunnen gevraagd en ongevraagd advies uitbrengen.

  • 4.

    De benoeming van de adviseur uit werknemerskringen gebeurt op voordracht door de Ondernemingsraad van ten minste 1 kandidaat.

  • 5.

    De adviseurs kunnen voor ten hoogste 1 periode worden herbenoemd.

  • 6.

    Het adviseurschap is onverenigbaar met een ambtelijke functie, gerelateerd aan een van de deelnemende gemeenten, een daarmee vergelijkbare functie of het lidmaatschap van een van de Colleges en/of raden van de deelnemende gemeenten.

 

De werkwijze

Artikel 8  

  • 1.

    Het algemeen bestuur vergadert jaarlijks ten minste tweemaal en voorts zo dikwijls als de voorzitter of een lid van het bestuur of een adviseur hier schriftelijk onder opgaaf van redenen om vragen. De artikelen 16, 17, 19, 20, 26 en 28 t/m 33, van de Gemeentewet zijn, voor zover daarvan niet is afgeweken, van overeenkomstige toepassing op de vergaderingen van het algemeen bestuur, met dien verstande dat de openbare kennisgeving op verzoek van de voorzitter door de deelnemende gemeenten op de aldaar gebruikelijke wijze geschiedt.

  • 2.

    De voorzitter draagt er tevens zorg voor – bijzondere omstandigheden uitgezonderd – dat het tijdstip van de vergadering wordt bekend gemaakt op de daartoe voorgeschreven wijze.

  • 3.

    De deuren worden gesloten indien een vijfde deel van het aantal aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd.

  • 4.

    In de besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd, noch een besluit worden genomen over:

    • a.

      het vaststellen of wijzigen van de begroting;

    • b.

      het vaststellen van de jaarrekening; en

    • c.

      een voorgenomen besluit tot aanpassing van deze regeling.

 

Artikel 9  

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt voor haar vergaderingen een reglement van orde vast.

  • 2.

    Het algemeen bestuur brengt dit reglement en eventueel daarin aan te brengen wijzigingen zo spoedig mogelijk ter kennis van de raden van de deelnemende gemeenten.

 

Het dagelijks bestuur

Artikel 10  

  • 1.

    Het dagelijks bestuur bestaat uit drie leden, waaronder de voorzitter.

  • 2.

    De leden van het dagelijks bestuur worden benoemd door het algemeen bestuur en bestaat uit één vertegenwoordiger van elk van de deelnemende gemeenten.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur stelt voor haar vergaderingen een reglement van orde vast.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur brengt dit reglement en eventueel daarin aan te brengen wijzigingen zo spoedig mogelijk ter kennis van het algemeen bestuur.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur wordt bijgestaan door een secretaris.

 

Artikel 11  

Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls de voorzitter het nodig oordeelt of indien een lid of adviseur de voorzitter hierom vraagt, schriftelijk met redenen omkleed.

 

Artikel 12  

  • 1.

    Het dagelijks bestuur is belast met de dagelijkse leiding van het openbaar lichaam. Behoudens het bepaalde in artikel 33b van de wet behoort hiertoe:

    • a.

      het beheer van activa en passiva van het openbaar lichaam;

    • b.

      de zorg, voor zover die niet aan anderen toekomt, voor de controle op het geldelijke beheer en de

    • c.

      boekhouding;

    • d.

      het houden van een gedurig toezicht op al wat het openbaar lichaam aangaat;

    • e.

      het beheren en onderhouden van de gebouwen, werken en inrichtingen welke het openbaar lichaam in bezit of op enigerlei wijze onder zich heeft; en

    • f.

      het vaststellen van de plannen en voorwaarden van aanbesteding van werken en leveranties ten behoeve van het openbaar lichaam.

  • 2.

    Indien gewenst kan het algemeen bestuur in een aanvullende verdeling van taken en bevoegdheden voorzien door middel van een delegatiebesluit. Van deze besluiten worden de deelnemers geïnformeerd.

 

Artikel 13  

Het dagelijks bestuur is belast met het jaarlijks organiseren van algemene bijeenkomsten ten behoeve van de raden van de deelnemende gemeenten.

 

De voorzitter

Artikel 14  

De voorzitter wordt in de eerste vergadering van het algemeen bestuur door en uit zijn midden gekozen en benoemd. De benoemingsperiode is gelijk aan de zittingsperiode van het algemeen bestuur als omschreven in artikel 7, lid 1.

  • 1.

    Bij verhindering of ontstentenis wordt hij vervangen door een ander lid van het algemeen bestuur.

  • 2.

    Indien en voor zover het algemeen bestuur nog niet in de vervanging heeft voorzien, is het algemeen bestuur bevoegd uit zijn midden een lid aan te wijzen dat tijdelijk in de vervanging voorziet.

  • 3.

    Het voorzitterschap eindigt indien betrokkene ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn. Het algemeen bestuur voorziet dan onmiddellijk in de vervanging.

 

Artikel 15  

  • 1.

    De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen en het dagelijks bestuur.

  • 2.

    De voorzitter ondertekent met de secretaris alle stukken welke van het algemeen en dagelijks bestuur uitgaan.

  • 3.

    De voorzitter vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte. Hij kan de vertegenwoordiging aan een door hem gemachtigde opdragen.

 

Informatie- en verantwoordingsplicht

Artikel 16  

Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken de raad ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door hem gevoerd en te voeren bestuur nodig is.

 

Artikel 17  

  • 1.

    Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken aan de raad de door één of meer leden daarvan overeenkomstig het reglement van orde van die raad verlangde inlichtingen, een en ander voor zover zulks niet in strijd is met het openbaar belang.

  • 2.

    Een verzoek om inlichtingen kan schriftelijk of mondeling worden ingediend bij het betreffende orgaan.

  • 3.

    Het betreffende orgaan verstrekt de gevraagde inlichtingen binnen een maand na ontvangst van het verzoek.

 

Artikel 18  

  • 1.

    Een lid van het algemeen bestuur voorziet de raad van zijn gemeente van alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het lid in het algemeen bestuur gevoerde en te voeren bestuur noodzakelijk is.

  • 2.

    Het college verleent daartoe de nodige medewerking door onder meer tijdig de agenda’s van vergaderingen van het algemeen bestuur, ter inzage te leggen voor de raad.

  • 3.

    Een lid van het algemeen bestuur geeft de raad van zijn gemeente de door één of meer leden daarvan, overeenkomstig het reglement van orde van die raad verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het openbaar belang.

 

Artikel 19  

  • 1.

    Een lid van het algemeen bestuur is aan de raad van zijn gemeente verantwoording verschuldigd voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde bestuur.

  • 2.

    Een raadslid heeft het recht de raad te verzoeken om het lid van het algemeen bestuur te interpelleren of vragen te stellen tijdens een raadsvergadering.

  • 3.

    De interpellatie of vragenstelling als bedoeld in lid 2 vindt plaats op de wijze, geregeld in het reglement van orde voor de vergaderingen van de betreffende raad.

 

Artikel 20  

  • 1.

    Het college kan een door hem aangewezen (plaatsvervangend) lid van het algemeen bestuur ontslag verlenen indien deze het vertrouwen van het college niet meer bezit.

  • 2.

    Op het ontslag is artikel 50 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing, doch artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

 

Personeel

Artikel 21  

  • 1.

    Het openbaar lichaam heeft een ambtelijk apparaat, aan het hoofd waarvan een directeur staat.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur benoemt, schorst en ontslaat de directeur en de controller.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur stelt in een statuut nadere regels over de verantwoordelijkheden en de bevoegdheden van de directeur en de controller vast.

  • 4.

    De directeur vervult in het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur de functie van secretaris.

  • 5.

    De directeur is bestuurder in de zin van de Wet op de Ondernemingsraden.

  • 6.

    De directeur en de controller zijn is verantwoording verschuldigd aan het dagelijks bestuur.

  • 7.

    Het dagelijks bestuur regelt de vervanging van de directeur in geval van diens afwezigheid.

  • 8.

    Alle stukken van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur worden door de directeur mede ondertekend.

 

Artikel 22  

Voor het openbaar lichaam zijn verder onder meer werkzaam ambtelijk medewerkers en functionarissen met een vast of tijdelijk dienstverband met het openbaar lichaam,

SW-medewerkers, medewerkers die een dienstverband hebben met een aan het openbaar lichaam gelieerde rechtspersonen en overig dienstdoende mensen.

 

Rechtspositie medewerkers

Artikel 23  

  • 1.

    Op de ambtelijk medewerkers is de cao-gemeenteambtenaren van toepassing.

  • 2.

    Op de medewerkers die krachtens de WSW werkzaam zijn gesteld, is de cao-WSW van toepassing.

  • 3.

    Op verzoek van een deelnemer worden zo mogelijk ook in of bij het openbaar lichaam andere medewerkers dan die bedoeld in 1 en 2 toegelaten, die een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht van toepassing is.

  • 4.

    Op verzoek kunnen Wsw-medewerkers, wonend in niet aan deze regeling deelnemende gemeenten, in het openbaar lichaam worden toegelaten.

  • 5.

    Toelating als bedoeld in lid 3 en 4 vindt plaats onder nader te stellen voorwaarden en tegen betaling van een door het algemeen bestuur vast te stellen bijdrage.

  • 6.

    Medewerkers met een dienstverband bij een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4 lid 1 sub c van deze regeling worden begeleid door het openbaar lichaam .

 

Taak directeur/secretaris en controller

Artikel 24  

  • 1.

    De dagelijkse leiding van het openbaar lichaam berust bij de directeur.

  • 2.

    De directeur treedt tevens op als secretaris van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur en van door het algemeen bestuur ingestelde commissies.

  • 3.

    De directeur woont de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur bij en heeft in de vergadering een adviserende stem.

  • 4.

    De directeur staat het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur, de voorzitter en de voorzitter van de door het algemeen bestuur ingestelde commissies terzijde in alles wat de hun opgedragen taken aangaat.

  • 5.

    De directeur is voor zijn beleid verantwoording verschuldigd aan het dagelijks bestuur.

  • 6.

    Alle bescheiden die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan, worden door de directeur in zijn hoedanigheid van secretaris mede ondertekend.

  • 7.

    De directeur wordt bij verhindering of ontstentenis vervangen door de controller.

  • 8.

    De controller is belast met de administratie en financiële verantwoording van het openbaar lichaam.

  • 9.

    De verantwoordingsplicht van de controller wordt nader geregeld in een reglement.

  • 10.

    De taken en bevoegdheden van de directeur en van de controller worden in een door het algemeen bestuur vast te stellen taakomschrijving vastgelegd.

  • 11.

    Het dagelijks algemeen bestuur stelt voor de directeur en de controller een instructie (mandaatregeling) vast.

 

Artikel 25  

  • 1.

    De directeur en de controller van het openbaar lichaam worden benoemd door het dagelijks bestuur.

  • 2.

    In geval van schorsing en ontslag van de directeur en de controller informeert het dagelijks bestuur het algemeen bestuur.

  • 3.

    De overige medewerkers worden door de directeur benoemd, geschorst en ontslagen.

 

Financiën en beheer

Artikel 26  

Het dagelijks bestuur stelt regels vast betreffende de organisatie van de financiële administratie en het geldelijk beheer. In deze regels worden o.a. bepalingen opgenomen over:

  • a.

    het verzekeren van de gelden en andere eigendommen en bezittingen van het openbaar lichaam en van derden, voor zover deze worden beheerd door personeel van het openbaar lichaam, tegen benadeling door het personeel of door anderen;

  • b.

    de inrichting van de financiële administratie;

  • c.

    de wijze waarop de invordering der inkomsten plaats heeft en de wijze waarop de betalingen geschieden.

 

Artikel 27  

Ten aanzien van de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding zijn de voorschriften ingevolge de Gemeentewet en het Besluit Begroting en Verantwoording van overeenkomstige toepassing.

 

 

Jaarrekening

Artikel 28  

  • 1.

    Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten.

  • 3.

    Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft.

  • 4.

    In de rekening wordt het door elk van de deelnemende gemeenten over het desbetreffende jaar verschuldigde bedrag per regeling opgenomen.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten.

 

Artikel 29  

De ingevolge artikel 186, tweede lid, aanhef en onder b, en derde lid, van de Gemeentewet gestelde regels, alsmede het vierde tot en met het achtste lid van dat artikel, zijn van overeenkomstige toepassing op het openbaar lichaam, met dien verstande dat voor het college wordt gelezen: het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam.

 

Artikel 30  

Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam zendt vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten, aan de deelnemers en aan de adviseurs.

 

Artikel 31  

  • 1.

    Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam zendt de ontwerpbegroting – na advisering door de beleidsregiegroep - acht weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten, aan de deelnemers en aan de adviseurs.

  • 2.

    In de ontwerpbegroting wordt de verschuldigde totale bijdrage aangegeven voor elke gemeente.

  • 3.

    De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de besturen van de deelnemende gemeenten voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.

  • 4.

    De raden van de deelnemende gemeenten, de deelnemers en de adviseurs, kunnen bij het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

  • 5.

    Nadat deze is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur van het openbaar lichaam, zo nodig, de begroting aan de raden van de deelnemende gemeenten, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen. De vastgestelde begroting wordt tegelijk met de toezending aan de raden, toegezonden aan de deelnemers en de adviseurs.

  • 6.

    Het eerste, derde en vierde lid zijn van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting. In de gemeenschappelijke regeling kan worden bepaald ten aanzien van welke categorieën begrotingswijzigingen hiervan kan worden afgeweken.

  • 7.

    De artikelen 186 tot en met 213 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan bij of krachtens deze wet niet is afgeweken.

 

Artikel 32  

  • 1.

    De gemeenten betalen bij wijze van voorschot in maandelijkse termijnen na facturering uiterlijk 10 werkdagen voor het eind van de kalendermaand de in de goedgekeurde begroting vastgestelde bijdrage uit aan het openbaar lichaam.

  • 2.

    Indien van toepassing wordt de rijksbijdrage Wsw, zijnde het SW-deel van de Participatiewet, inclusief de eventuele aanpassingen daarvan van rijkswege binnen 4 werkdagen na ontvangst door de gemeenten ongekort overgemaakt aan het openbaar lichaam.

  • 3.

    Bij niet-tijdige betaling is de wettelijke rente verschuldigd.

  • 4.

    Verrekening van het verschil van het op grond van lid 1 betaalde bedrag en het werkelijk verschuldigde bedrag vindt plaats terstond na de mededeling aan de raden over de vaststelling van de rekening.

 

Archief

Artikel 33  

  • 1.

    Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de bestuursorganen ingesteld bij de gemeenschappelijke regeling overeenkomstig de geldende regelgeving waaronder de Archiefwet 1995.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten oefenen toezicht uit op de in het eerste lid aan het dagelijks bestuur opgedragen zorg voor de archiefbescheiden.

  • 3.

    De directeur is belast met het beheer van de archiefbescheiden.

  • 4.

    Voor de bewaring van de op grond van de artikelen 12 en 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de in deze regeling genoemde bestuursorganen wijst het dagelijks bestuur een archiefbewaarplaats aan.

 

Toetreding

Artikel 34  

  • 1.

    Tot de regeling kunnen uitsluitend colleges van gemeenten toetreden.

  • 2.

    De deelname gaat in met ingang van een nader te bepalen datum, vastgesteld door het algemeen bestuur en het bevoegde bestuursorgaan van de toetredende deelnemer.

  • 3.

    Het algemeen bestuur stelt voor de nieuwe deelnemer een toetredingsvergoeding vast gerelateerd aan de stand van het weerstandsvermogen van het openbaar lichaam en andere voorwaarden waaraan de nieuwe deelnemer moet voldoen.

 

Uittreding

Artikel 35  

  • 1.

    Indien een deelnemer na verkregen toestemming van zijn raad heeft besloten uit de regeling te willen treden, doet deze van het voornemen hiertoe mededeling aan het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur zendt het voorgenomen besluit onverwijld aan de andere deelnemers.

  • 2.

    Na mededeling aan de overige deelnemers van het voorgenomen besluit tot uittreding wordt over de financiële gevolgen overleg gevoerd tussen de deelnemer en het openbaar lichaam over de totale financiële vergoeding die de uittredende deelnemer moet betalen.

  • 3.

     

    • i.

      Indien een deelnemer wil uittreden, zal in het kader van de afwikkeling van de financiële gevolgen daarvan:

      • a.

        een toewijzing van personeel verbonden het openbaar lichaam aan deze deelnemer plaatsvinden voor zover het betreft WSW-medewerkers, beschut werk-medewerkers en re-integratie-medewerkers die afkomstig zijn uit de gemeente van de deelnemer, en

      • b.

        voor zover het gaat om medewerkers die krachtens de cao-gemeenten of een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn, zal door het bestuur een toedeling worden gemaakt aan de uittredende deelnemer en/of kan tussen de deelnemers worden overeengekomen dat er een vergoeding zal worden betaald door de uittredende deelnemer voor het in dienst houden van betreffende medewerkers bij het openbaar lichaam.

    • ii.

      De hoogte van de totale financiële vergoeding die de uittredende deelnemer moet betalen wordt mede bepaald door de rechten en verplichtingen die het openbaar lichaam voor de uitvoering van taken voor de uittredende deelnemer is aangegaan.

    • iii.

      De hoogte van de totale financiële vergoeding wordt voorts mede bepaald door het algemeen bestuur op basis van de begroting van het openbaar lichaam over het jaar waarin de mededeling van het verzoek tot uittreding is kenbaar gemaakt aan het algemeen bestuur .

    • iv.

      De hoogte van de totale financiële vergoeding wordt verder mede bepaald op basis van het takenpakket dat de uittredende/opzeggende deelnemer afnam van het openbaar lichaam over het jaar waarin de mededeling van het verzoek tot uittreding is kenbaar gemaakt aan het algemeen bestuur waarbij:

      • a.

        personeelskosten (direct en indirect) in verband met de medewerkers als bedoeld in artikel 22 worden voor de duur van 2 jaar berekend vanaf het moment van uittreding;

      • b.

        overige exploitatiekosten met een structureel karakter voor de duur van 2 jaar worden berekend vanaf het moment van uittreding.

    • v.

      Een uittredende deelnemer kan geen recht doen gelden op de overdracht van enig eigendom van het openbaar lichaam.

    • vi.

      De uittredende partij kan met instemming van het openbaar lichaam besluiten personeel in dienst te nemen.

    • vii.

      Het hiervoor onder lid 3 tot en met 6 bedoelde is gericht op het verkrijgen van overeenstemming over de totale financiële vergoeding.

    • viii.

      Indien er geen overeenstemming wordt bereikt zal een commissie van een drietal onafhankelijke deskundigen worden belast met de opdracht de totale financiële vergoeding te bepalen met inachtneming van dit artikel. Het algemeen bestuur wijst de leden van de commissie aan.

    • ix.

      Op basis van de vastgestelde totale financiële vergoeding neemt de betreffende deelnemer een definitief besluit over uittreding uit de regeling. Hij zendt het definitieve besluit aan het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur zendt het definitieve besluit van de deelnemer onverwijld aan de andere deelnemers.

    • x.

      De uittreding uit de regeling treedt in werking met inachtneming van een termijn van een jaar, te rekenen vanaf 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin het uittredingsbesluit, zoals bedoeld in het negende lid, is toegezonden.

    • xi.

      Na uittreding wordt een eventuele dienstverleningsovereenkomst ontbonden, tenzij anders wordt overeengekomen.

 

Wijziging

Artikel 36  

  • 1.

    Deze regeling kan op voorstel van het algemeen bestuur of van een deelnemer worden gewijzigd door een daartoe strekkend besluit van alle deelnemende colleges met toestemming van hun raden.

  • 2.

    Indien het algemeen bestuur een wijziging van deze regeling wenselijk acht, zendt het dagelijks bestuur de door het algemeen bestuur vastgestelde ontwerpwijziging met een toelichting aan de colleges.

  • 3.

    De colleges hebben de gelegenheid binnen acht weken na dagtekening hun zienswijzen naar voren te brengen dan wel toestemming als bedoeld in artikel 1 van de wet te vragen aan hun gemeenteraden en een besluit te nemen.

  • 4.

    Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op een wijziging van de regeling die uitsluitend betrekking heeft op aanpassingen aan veranderde wettelijke bepalingen. Tot dergelijke wijziging kan worden besloten door middel van een besluit van het algemeen bestuur met gewone meerderheid van stemmen.

 

Artikel 37  

  • 1.

    De gemeenten zullen er steeds zorg voor dragen dat het openbaar lichaam te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al haar verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.

  • 2.

    Indien aan het algemeen bestuur blijkt dat een deelnemende gemeente weigert deze uitgaven op haar begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan Gedeputeerde Staten het verzoek over te gaan tot toepassing van artikel 194 en 195 Gemeentewet.

 

Artikel 38  

  • 1.

    De regeling kan op voorstel van het algemeen bestuur worden opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van tenminste twee-derde van de deelnemers en niet dan nadat de raden van de deelnemende gemeenten een ontwerpbesluit is toegezonden en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.

  • 2.

    In geval van opheffing van de regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt daarvoor de nodige regels. Hierbij kan van de bepalingen van deze regelingen worden afgewerkt.

  • 3.

    Het liquiditatieplan voorziet in de financiële gevolgen van de opheffing, inclusief de aflossing van aangegane leningen, de verdeling van de verplichtingen over de deelnemende gemeenten en in de gevolgen voor het personeel en de archieven.

  • 4.

    Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, de deelnemers en de raden van de deelnemende gemeenten gehoord hebbende, vastgesteld.

  • 5.

    De gemeenten verbinden zich in geval van opheffing van de regeling tot uitvoering van dit liquidatieplan.

  • 6.

    De organen van de regeling blijven, zo nodig, na de beëindiging van de regeling in functie, totdat de liquidatie is voltooid.

  • 7.

    De opheffing gaat in op de eerste dag van de maand volgende op de datum van doorhaling in de registers.

 

Slotbepaling

Artikel 39  

In alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het algemeen bestuur.

 

Duur en inwerkingtreding

Artikel 40  

Deze regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

 

Artikel 41  

  • 1.

    Deze wijziging treedt in werking met ingang van 1 mei 2018. De gemeente Hengelo draagt zorg dat op de wettelijke voorgeschreven wijze hieraan bekendheid wordt gegeven.

  • 2.

    De in de artikelen 26 van de Wgr voorgeschreven toezending van de regeling aan Gedeputeerde Staten zal geschieden door de zorg van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hengelo.

 

Artikel 42  

Deze regeling kan worden aangehaald als: ‘Regeling SWB Midden Twente’.

 

 

Aldus vastgesteld door:

 

Burgemeester en wethouders van Borne d.d. 24 april 2018 ,

de secretaris, G.J. Rozendom

de burgemeester, m r. drs. R.G. Welten

 

Burgemeester en wethouders van Hengelo d.d. 16 januari 2018 ,

de secretaris, mr. ing. J. Eshuis

de burgemeester, drs. S.W.J.G. Schelberg

 

Burgemeester en wethouders van Hof van Twente d.d. 6 maart 2018 ,

de secretaris, drs. D. Lacroix

de burgemeester, drs. H.A.M. Nauta-van Moorsel MPM