Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
EindhovenStaatscourant 2018, 26241Instelling gemeenschappelijke regelingen



GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING WERKVOORZIENINGSCHAP REGIO EINDHOVEN

Logo Eindhoven

 

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Eindhoven, Veldhoven, Waalre, Valkenswaard en Heeze-Leende;

 

Gelet op de Gemeentewet, de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen, de Wet sociale werkvoorziening;

 

Gelet op de besluiten van de raden van deze gemeenten in 1999 ter vaststelling van de gemeenschappelijke regeling Werkvoorzieningschap Regio Eindhoven en

 

Gelet op de besluiten van de colleges van deze gemeenten in 2006 om deze gemeenschappelijke regeling om te zetten naar een zuivere collegeregeling;

 

Gelet op de taken uit Participatiewet en bijbehorend wet- en regelgeving die de GRWRE voor de gemeenten gaat uitoefenen waarvoor de GRWRE moet worden gewijzigd;

 

 

Besluiten:

 

De navolgende gewijzigde gemeenschappelijke regeling Werkvoorzieningschap regio Eindhoven vast te stellen

Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen

Begripsomschrijving Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. de regeling: de gemeenschappelijke regeling Werkvoorzieningschap regio Eindhoven;

b. het openbaar lichaam: het Werkvoorzieningschap regio Eindhoven

c. de (deelnemende) gemeenten: de gemeenten die deze regeling hebben vastgesteld, te weten Eindhoven, Heeze-Leende, Valkenswaard, Veldhoven en Waalre;

d. het college: het college van burgemeester en wethouders als bedoeld in artikel 34 Gemeentewet;

e. Gedeputeerde Staten: het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant.

 

Instelling Openbaar lichaam Artikel 2

1. Er is een openbaar lichaam genaamd Werkvoorzieningschap regio Eindhoven (), gevestigd in Eindhoven.

2. Het openbaar lichaam kan uitvoeringsorganisaties instellen.

 

Bestuursorganen Artikel 3

Het bestuur van het openbaar lichaam bestaat uit het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de Voorzitter.

Hoofdstuk 2 Belangen, taken en bevoegdheden

Artikel 4  

1. Het openbaar lichaam behartigt de gemeenschappelijke belangen van de deelnemende gemeenten op het gebied van de sociale werkvoorziening.

2. Het openbaar lichaam kan de gemeenschappelijke belangen van de deelnemende gemeenten op het gebied van andere vormen van al dan niet gesubsidieerde arbeid anders dan op het gebied van sociale werkvoorziening behartigen.

 

Artikel 5  

1. Ter verwezenlijking van de in artikel 4, eerste lid genoemde gemeenschappelijke belangen dragen de deelnemende gemeenten de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening en van de uit dezewet voortvloeiende uitvoeringsregelingen over aan het openbaar lichaam.

2. De deelnemende gemeenten kunnen individueel aan het openbaar lichaam ter verwezenlijking van de in artikel 4, tweede lid genoemde gemeenschappelijke belangen, de uitvoering van wetten betreffende andere vormen van, al dan niet, gesubsidieerde arbeid en uit deze wetgeving voortvloeiende uitvoeringsregelingen overdragen, voor zover de wetgeving daartoe de mogelijkheid biedt.

 

Artikel 6  

Voor zover hiervan in deze regeling niet is afgeweken, komen aan de bestuursorganen van het openbaar lichaam ter uitvoering van de in artikel 5 eerste lid genoemde taken de bevoegdheden toe die aan de colleges van de deelnemende gemeenten behoren.

Hoofdstuk 3 Het Algemeen Bestuur

 

Samenstelling Artikel 7

1. De leden van het Algemeen Bestuur zijn altijd leden van de colleges van de deelnemende gemeenten

2. Het Algemeen Bestuur bestaat uit tien leden, aangewezen door en uit elk van de colleges van de deelnemende gemeenten, de voorzitter inbegrepen. Elk college wijst twee leden uit zijn midden aan.

 

Zittingsduur Artikel 8

Het lidmaatschap van het Algemeen Bestuur eindigt onverminderd het bepaalde in artikel 9 derde lid, op de dag waarop de zittingsperiode van de colleges van de gemeenten afloopt.

 

Benoeming en ontslag Artikel 9

1. In de eerste vergadering van de colleges in de nieuwe zittingsperiode wijzen zij de nieuwe leden van het Algemeen Bestuur aan. Aftredende leden kunnen opnieuw worden aangewezen.

2. Totdat de colleges in hun opvolging hebben voorzien, blijven de eerder aangewezen leden, die op grond van artikel 8 hadden moeten aftreden, als zodanig functioneren.

3. Het college van een gemeente kan de aanwijzing van een door hem aangewezen lid van het Algemeen Bestuur te allen tijde intrekken. Hiervan wordt onmiddellijk mededeling gedaan aan de voorzitter van het Algemeen Bestuur.

4. Indien tussentijds een plaats van een lid van het Algemeen Bestuur ter beschikking komt, wijst het betreffende college in zijn eerstvolgende vergadering of, zo dit niet mogelijk mocht zijn, ten spoedigste een nieuw lid aan.

5. In het geval dat het gaat om een tussentijdse ontslagname, stelt het lid de voorzitter van het Algemeen Bestuur en het desbetreffende college hiervan op de hoogte. De tussentijdse ontslagname is onherroepelijk. De leden, die tussentijds ontslag hebben genomen, behouden hun lidmaatschap, totdat onherroepelijk in hun opvolging is voorzien.

6. Elke aanwijzing tot lid van het Algemeen Bestuur delen de deelnemende gemeenten binnen 8 dagen na de datum van aanwijzing schriftelijk mede aan de voorzitter van het Algemeen Bestuur.

 

Werkwijze Artikel 10

1. Het Algemeen Bestuur vergadert tenminste twee maal per jaar en verder zo vaak de voorzitter dit bepaalt.

2. De vergadering wordt tevens gehouden, wanneer tenminste vier leden van het Algemeen Bestuur dit, onder opgaaf van redenen aan de voorzitter, schriftelijk verlangen.

3. De vergaderingen van het Algemeen Bestuur worden in het openbaar gehouden.

4. De vergadering vindt doorgang, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is opgekomen.

5. De deuren worden gesloten, wanneer tenminste vier leden daarom verzoeken, of de voorzitter het nodig oordeelt.

6. Het Algemeen Bestuur beslist vervolgens, of met gesloten deuren zal worden vergaderd.

7. Van een vergadering met gesloten deuren wordt een afzonderlijk verslag opgemaakt, dat niet openbaar mag worden gemaakt, tenzij het Algemeen Bestuur anders beslist.

8. Het Algemeen Bestuur kan conform artikel 23 Wet Gemeenschappelijke Regelingen geheimhouding opleggen omtrent het in een besloten vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken.

9. In een besloten vergadering van het Algemeen Bestuur kan niet worden beraadslaagd of besloten over:

a. de vaststelling en wijziging van het Strategisch Plan met inbegrip van de begroting en de vaststelling van de jaarrekening;

b. de benoeming en ontslag van de voorzitter en van de leden van het Dagelijks Bestuur.

 

Reglement van orde Artikel 11

1. Het Algemeen Bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast.

 

Stemming Artikel 12

1. Ieder lid van het Algemeen Bestuur brengt een stem uit.

2. Een besluit komt tot stand wanneer meer dan de helft van het aantal stemmen die meer dan de helft van het totaal aantal inwoners van de gemeenten die deelnemen in deze gemeenschappelijke regeling vertegenwoordigen, zich voor het voorstel heeft verklaard.

3. Bij het staken der stemmen beslist de stem van de voorzitter.

 

Oprichten van en deelnemen in rechtspersonen Artikel 13

1. Het Algemeen Bestuur kan ingevolge artikel 31a van de Wet Gemeenschappelijke Regelingen besluiten tot oprichting van dan wel deelneming in rechtspersonen ten behoeve van de realisering van in de Wet sociale werkvoorziening opgedragen taken.

2. Het Algemeen Bestuur kan met in achtname van artikel 31a van de Wet Gemeenschappelijke Regelingen besluiten tot oprichting van en tot deelneming in rechtspersonen, ter realisering van taken die voortvloeien uit andere wetten in het kader van gesubsidieerde arbeid.

 

Hoofdstuk 4 Het Dagelijks Bestuur

Artikel 14  

1. Het Dagelijks Bestuur bestaat, met inbegrip van de voorzitter, uit drie leden van het Algemeen Bestuur.

2. De leden van het Dagelijks Bestuur treden af op de datum, waarop de zittingsperiode van het Algemeen Bestuur eindigt.

3. De aftredende leden van het Dagelijks Bestuur blijven hun functie vervullen, totdat hun opvolgers hun lidmaatschap hebben aanvaard.

4. Het Dagelijks Bestuur vergadert minimaal zes keer per jaar.

5. De voorzitter stelt dag en plaats van de vergaderingen van het Dagelijks Bestuur vast, en tevens het tijdstip van opening.

6. Artikel 9 tweede tot en met zesde lid en artikel 10 tweede tot en met negende lid van deze regeling zijn van overeenkomstige toepassing.

 

Hoofdstuk 5 De voorzitter

Artikel 15  

1. Het Algemeen Bestuur benoemt uit zijn midden een voorzitter van het Algemeen Bestuur die tevens voorzitter is van het Dagelijks Bestuur.

2. Het Algemeen Bestuur benoemt uit zijn midden een lid tot plaatsvervangend voorzitter.

 

Artikel 16  

1. De voorzitter bevordert een goede behartiging van de zaken van het openbaar lichaam.

2. De voorzitter vertegenwoordigt het openbaar lichaam in- en buiten rechte. Hij kan deze vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aangewezen gemachtigde.

 

Hoofdstuk 6 De commissies

Artikel 17  

Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter kunnen, met inachtneming van artikel 24 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, commissies van advies instellen voorzover zij daartoe bevoegd zijn.

 

Hoofdstuk 7 Inlichtingen en verantwoording

Artikel 18  

1. Het Algemeen en het Dagelijks Bestuur geven aan de colleges en raden van de deelnemende gemeenten alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid noodzakelijk is.

2. Het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur verstrekken aan de colleges en raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen die door deze colleges worden verlangd.

 

Artikel 19  

1. Een lid van het Algemeen Bestuur verstrekt het college dat dit lid heeft aangewezen alle inlichtingen die door dit college worden verlangd.

2. Een lid van het Algemeen Bestuur is aan het college dat hem/haar heeft aangewezen verantwoording verschuldigd voor het door hem/haar in dat bestuur gevoerde beleid.

 

Hoofdstuk 8 Personeel en organisatie

Algemeen directeur Artikel 20

1. Het openbaar lichaam kent een algemeen directeur.

2. De algemeen directeur wordt aangesteld, geschorst en ontslagen door het Dagelijks Bestuur, gehoord hebbende het Algemeen Bestuur.

3 De arbeidsvoorwaarden en bezoldiging van de algemeen directeur genoemd in lid 1worden vastgesteld door het Dagelijks Bestuur.

4. De bevoegdheden van de algemeen directeur worden vastgelegd in een Mandaatbesluit.

5 De taken van de algemeen directeur worden vastgelegd in een directiereglement.

6. De algemeen directeur is de eerste adviseur van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur en is daarom in alle vergaderingen aanwezig.

7 Bij langdurige afwezigheid van de algemeen directeur wordt deze functie waargenomen door een door het dagelijks Bestuur aan te wijzen waarnemend algemeen directeur.

 

Concerncontroller Artikel 21

1. Het openbaar lichaam heeft een concerncontroller, die lid is van het managementteam.

2. De concerncontroller draagt zorg voor ontwikkeling, invoering, beheer en toepassing van adequate analyse- en besturingssystemen welke ten dienste staan van de bestuursorganen en het openbaar lichaam en die gericht zijn op het effectief en efficiënt ontwikkelen en realiseren van bestuurlijke doelstellingen.

3. In een controllersreglement, vervat in de verordening zoals bedoeld in artikel 28 van deze regeling, dat op voorstel van de algemeen directeur wordt vastgesteld door het Algemeen Bestuur, worden de taken en bevoegdheden van de controller nader geregeld.

 

Secretariaat Artikel 22

1. Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur, de voorzitter en de commissies worden secretarieel ondersteund bij de uitoefening van hun taak. De vergaderingen van het Algemeen Bestuur, Dagelijks Bestuur en de commissies als bedoeld in artikel 17 van deze regeling worden voorzien van een adequate verslaglegging van hetgeen is besloten.

2. De algemeen directeur draagt in overleg met de voorzitter zorg voor een adequate vervulling van het secretariaat.

 

Managementteam Artikel 23

1. Het openbaar lichaam kent een managementteam onder leiding van de algemeen directeur.

2. Het managementteam adviseert de algemeen directeur.

3. De algemeen directeur is verantwoordelijk voor de samenstelling en taken van het managementteam, waarbij het aanstellen, schorsen of beëindigen van arbeidsovereenkomsten van leden van dit team geschiedt nadat hij het gevoelen van het Dagelijks Bestuur heeft ingewonnen en –ingeval van beëindiging– betrokkene heeft gehoord.

 

Benoeming, schorsing, ontslag van de overige medewerkers Artikel 24

1. Het openbaar lichaam kent:

a. medewerkers met een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht die behoren tot de doelgroep van de Wet sociale werkvoorziening;

b. medewerkers met een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht en

c. medewerkers met een ambtelijke aanstelling.

2. Op de medewerkers bedoeld onder lid 1a zijn met in achtneming van Wet de arbeidsvoorwaarden van de Collectieve arbeidsovereenkomst sociale werkvoorziening van toepassing.

3. Op de medewerkers bedoeld onder lid 1. b zijn de arbeidsvoorwaarden van toepassing waarmee de arbeidsovereenkomst is aangegaan.

4. Op de medewerkers bedoeld onder lid 1 c zijn de arbeidsvoorwaarden van de gemeente Eindhoven van toepassing.

5. Aanstelling, schorsing en ontslag van medewerkers in dienst van het openbaar lichaam en andere rechtspersonen zoals bedoeld in artikel 13 geschiedt op basis van mandaat door de algemeen directeur danwel daarvoor door hem of daartoe bevoegde organen gemandateerde personen.

 

Organisatieverordening Artikel 25

Het Algemeen Bestuur stelt bij verordening de organisatie van het openbaar lichaam en bijbehorende uitvoeringsorganisaties vast, en regelt de verhouding met de privaatrechtelijke rechtspersonen als bedoeld in artikel 13.

 

Archief Artikel 26

1. Het Algemeen Bestuur stelt een verordening vast op de zorg voor het archief van het openbaarlichaam en bijbehorende uitvoeringsorganisaties, alsmede op het beheer en toezicht.

2. Het Dagelijks Bestuur is belast met de zorg voor en het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam en bijbehorende uitvoeringsorganisaties, overeenkomstig de door het Algemeen Bestuur, met inachtneming van de Archiefwet vast te stellen regelen.

 

Hoofdstuk 9 Het Strategisch Plan

Artikel 27  

1. Het Dagelijks Bestuur zendt jaarlijks, procedureel overeenkomstig artikel 35 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, een concept Strategisch Plan voor een periode van vier jaar naar de raden, waarin een samenhangend geheel van op elkaar afgestemde keuzen is opgenomen omtrent te verrichten handelingen teneinde de doelstellingen van het openbaar lichaam te bereiken.

2. Het Algemeen Bestuur stelt dit Strategisch Plan jaarlijks vast.

3. Het Strategisch Plan bevat ten behoeve van het volgende kalenderjaar een beleidsplan en begroting.

 

Hoofdstuk 10 Financiële bepalingen

Verordeningen Artikel 28

Het Algemeen Bestuur stelt, overeenkomstig artikel 212 van de Gemeentewet, bij verordening de uitgangspunten voor het financieel beleid, alsmede voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie van het openbaar lichaam vast. Deze verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan.

 

Artikel 29  

 

Het Algemeen Bestuur stelt, overeenkomstig artikel 213 van de Gemeentewet, bij verordening regels vast voor de controle op het financiële beheer en op de inrichting van de financiële organisatie van het openbaar lichaam. Deze verordening waarborgt dat de rechtmatigheid van het financiële beheer en van de inrichting van de financiële organisatie wordt getoetst.

 

Begroting, jaarrekening en jaarverslag Artikel 30

1. Het begrotings- en boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

2.Het Dagelijks Bestuur zendt conform de Wet Gemeenschappelijke Regelingen in ieder geval vóór 15 april van het jaar voorafgaand aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van deelnemende gemeenten.

3. Het Dagelijks Bestuur zendt de ontwerpbegroting acht weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden toe aan de raden van de deelnemende gemeenten, waarop de raden desgewenst hun zienswijzen kenbaar kunnen maken.

4. Het Dagelijks Bestuur zendt de begroting en de meerjarenraming binnen twee weken na vaststelling, doch uiterlijk 1 augustus voor het jaar waarvoor zij dienen, aan Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant.

 

Artikel 31  

1. Het Dagelijks Bestuur legt aan het Algemeen Bestuur over elk begrotingsjaar verantwoording af van het gevoerde beheer onder overlegging van jaarrekening en het jaarverslag.

2. De in lid 1 bedoelde stukken worden aan het Algemeen Bestuur en de raden van de deelnemende gemeenten toegezonden, uiterlijk op 1 april volgende op het jaar waarop zij betrekking hebben.

3. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen binnen twee maanden, nadat de in lid 2 bedoelde stukken zijn toegezonden aan het Algemeen Bestuur van hun zienswijze ter zake doen blijken.

4. Het Algemeen Bestuur stelt de jaarrekening vast voor 1 juli in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft.

5. Het Dagelijks Bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli van het jaar volgende op het jaar, waarop de jaarrekening betrekking heeft aan Gedeputeerde Staten.

6. Behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden, ontlast het besluit tot vaststelling van de jaarrekening de leden van het Dagelijks Bestuur, de algemeen directeur, de concerncontroller en de in de in de artikelen 28 en 29 bedoelde verordeningen genoemde werknemers ten aanzien van het daarin verantwoorde financieel beheer.

 

Bekostiging Artikel 32

1. De kosten van de uitvoeringsorganisatie worden, voor zover zij niet op andere wijze worden gedekt, door de deelnemende gemeenten gedragen door een mogelijk exploitatietekort voor de helft naar rato van het aantal inwoners en voor de helft naar rato van het aantal geplaatste werknemers te verdelen over de deelnemende gemeenten.

2. Indien er sprake is van andere kosten, die niet reeds op enige wijze worden gedekt, zal in de jaarlijkse begroting een voorstel voor dekking van deze kosten worden opgenomen.

3. De deelnemende gemeenten zullen er steeds zorg voor dragen dat het openbaar lichaam te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.

4. Indien aan het Algemeen Bestuur van openbaar lichaam blijkt dat een gemeente weigert deze uitgave op de begroting te zetten, doet het Algemeen Bestuur onverwijld aan Gedeputeerde Staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de Gemeentewet.

 

Hoofdstuk 11 Vergoedingen

Artikel 33  

Het Algemeen Bestuur kan met inachtneming van artikel 24 lid 4 van de Wet gemeenschappelijke regelingen aan de leden van de in artikel 16 bedoelde commissies die geen burgemeester, wethouder of lid van de gemeenteraad zijn een vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van de commissies toekennen.

Hoofdstuk 12 Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing Toetreding

Artikel 34  

1. Het college van een gemeente die wenst toe te treden, richt ter zake een verzoek aan het Algemeen Bestuur.

2. Het Algemeen Bestuur stelt na overleg met de betrokken gemeente, de voorwaarden voor die toetreding vast.

3. Het Dagelijks Bestuur zendt vervolgens het verzoek tot toetreding met de door het Algemeen Bestuur vastgestelde voorwaarden naar de colleges van de gemeenten.

4. Toetreding vindt eerst plaats, nadat de colleges van drie deelnemende gemeenten daarin met toestemming van hun gemeenteraden hebben bewilligd. Het Algemeen Bestuur stelt vast wanneer deze voorwaarde is vervuld.

5. De toetreding gaat in op de eerste dag van de maand, volgend op die van opname in het register, bedoeld in artikel 26, vierde lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen, tenzij het Algemeen Bestuur, na overleg met de betreffende gemeente, een andere datum heeft bepaald.

 

Uittreding Artikel 35

1. Uittreding van een gemeente die deelneemt aan deze regeling kan geschieden bij besluit van het college en met toestemming van de gemeenteraad van de betreffende gemeente.

2. Een besluit tot uittreding treedt in werking per 31 december van het jaar volgend op het jaar waarin het besluit tot uittreding is genomen en na opname in de registers als bedoeld in artikel 27, tweede lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

3. Het Dagelijks Bestuur zendt een besluit tot uittreding van een gemeente aan de raden van de gemeenten.

4. Een uittredende gemeente is gehouden na uittreding bij te dragen in het mogelijke exploitatietekort en in de als gevolg van de uittreding mogelijk ontstane desintegratiekosten van het laatste jaar van deelname, en wel in het eerste kalenderjaar na uittreding het volle aandeel, in het tweede jaar na uittreding 75 procent van het aandeel, in het derde jaar na uittreding 50 procent van het aandeel en in het vierde jaar na uittreding 25 procent van het aandeel. De bijdrage van de uittredende gemeente wordt vastgesteld door het Algemeen Bestuur.

 

Wijziging Artikel 36

1 . Zowel het Dagelijks Bestuur als het college van een gemeente kunnen aan het Algemeen Bestuur voorstellen doen tot wijziging van de regeling.

2. Indien het Algemeen Bestuur wijziging van de regeling wenselijk acht, doet het Dagelijks Bestuur het door het Algemeen Bestuur vastgestelde voorstel toekomen ter besluitvorming aan de colleges van de gemeenten. De colleges besluiten tot wijziging na hiervoor toestemming te hebben verkregen van hun raad.

3. Een wijziging komt tot stand wanneer de colleges van drie deelnemende gemeenten zich daar voor hebben verklaard.

4. Van de wijziging wordt het college van Gedeputeerde Staten in kennis gesteld.

5. De wijziging van de regeling gaat in op de dag nadat deze conform artikel 26 Wet Gemeenschappelijke Regeling bekend is gemaakt.

 

Opheffing Artikel 37

1. De regeling wordt opgeheven, wanneer de colleges van drie deelnemende gemeenten daartoe besluiten.

2. Van de opheffing wordt het college van Gedeputeerde Staten in kennis gesteld.

3. De opheffing gaat niet eerder in dan op de dag volgende op die waarop is voldaan aan de vereisten genoemd in artikel 26 vierde lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

4. In geval van opheffing van de regeling besluit het Algemeen Bestuur tegelijkertijd tot liquidatie en stelt daarvoor direct de nodige regelen. Hierbij kan van de bepalingen van deze regeling worden afgeweken.

5. Het Algemeen Bestuur stelt, gehoord de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten, het liquidatieplan vast, dat voorziet in de verplichtingen van de deelnemende gemeenten in de financiële gevolgen van de opheffing. Het college van Gedeputeerde Staten wordt van het liquidatieplan in kennis gesteld.

6. De gemeenten verbinden zich in geval van opheffing van het openbaar lichaam aan alle rechten en verplichtingen van het openbaar lichaam zoals die over de gemeenten worden verdeeld in het onder lid 5 bedoelde plan.

7. Het Dagelijks Bestuur is belast met de liquidatie.

8. Zo nodig blijven de overige organen van het openbaar lichaam ook na het tijdstip van opheffing in functie totdat de liquidatie is vervuld.

 

Hoofdstuk 13 Overgangs- en slotbepalingen

De duur en inwerkingtreding van de regeling Artikel 38

1. De regeling is voor onbepaalde tijd aangegaan.

 

Naam Artikel 39

Deze regeling kan worden aangehaald als 'GRWRE '.