Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Stichting Fonds voor CultuurparticipatieStaatscourant 2018, 2416Besluiten van algemene strekking

Regeling versterking Cultuureducatie in het vmbo, vso en praktijkonderwijs 2018–2020

Het bestuur van stichting Fonds voor Cultuurparticipatie,

gelet op artikel 10, vierde lid van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;

gelet op artikel 4:23, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht;

gelet op het Algemeen Subsidiereglement van het Fonds voor Cultuurparticipatie;

met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 22 december 2017;

besluit:

vast te stellen de Regeling versterking Cultuureducatie in het vmbo, vso en praktijkonderwijs 2018–2020.

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Definities

a. Adviescommissie:

een externe adviescommissie als bedoeld in artikel 8 van het Huishoudelijk Reglement van stichting Fonds voor Cultuurparticipatie;

b. Algemeen Subsidiereglement:

het Algemeen Subsidiereglement van stichting Fonds voor Cultuurparticipatie;

c. Bestuur:

het bestuur van stichting Fonds voor Cultuurparticipatie;

d. Cultuureducatie:

activiteiten die gericht zijn op de kerndoelen en eindtermen van het leergebied kunst en cultuur, kunstvakken 1 (ckv) en die als zodanig ook terugkomen bij vakken binnen de beroepsgerichte profielen;

e. Curriculum:

een leer- en onderwijsprogramma; het beschrijft de inhoud en doelen van een opleiding of schoolloopbaan;

f. Fonds:

stichting Fonds voor Cultuurparticipatie;

g. Praktijkonderwijs:

door het Ministerie van OCW bekostigd praktijkonderwijs;

h. Vmbo:

door het Ministerie van OCW bekostigd voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs;

i. Vso:

voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra;

j. Nederland:

het koninkrijk der Nederlanden, inclusief de bijzondere gemeenten Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 2. Doel

Het in samenwerking met een culturele instelling versterken en verankeren van cultuureducatie in het curriculum op scholen voor vmbo, voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs ten dienste van de culturele ontwikkeling van de leerling.

Artikel 3. Wie kan aanvragen

Subsidie kan uitsluitend worden aangevraagd door het bestuur van een in Nederland gevestigde school of vestiging van een school voor vmbo en/of praktijkonderwijs en/of voortgezet speciaal onderwijs.

Artikel 4. Waarvoor kan worden aangevraagd

  • 1. De aanvrager kan subsidie aanvragen voor het (door)ontwikkelen, uitvoeren en verankeren van een project in co-creatie met een culturele instelling waarbij de culturele ontwikkeling van de leerlingen wordt bevorderd.

  • 2. Het project heeft een looptijd van minimaal twee en maximaal drie schooljaren, waarbij er in minstens twee schooljaren activiteiten plaatsvinden met leerlingen.

  • 3. Het project start uiterlijk in het schooljaar volgend op de toekenning van de subsidie.

  • 4. Het project start niet eerder dan 13 weken na indiening van de aanvraag.

  • 5. Wanneer het bestuur van een school reeds heeft deelgenomen aan een project waarvoor subsidie is verleend op grond van de voorgaande regelingen van het Fonds ten behoeve van cultuuronderwijs in het vmbo en het praktijkonderwijs, kan een aanvraag uitsluitend ingediend worden als het plan een vervolgplan is, waarbij de uitkomsten van het eerder uitgevoerde plan het beginpunt zijn.

Artikel 5. Aanvraagrondes

De subsidie wordt verdeeld in drie aanvraagrondes, namelijk 2018, 2019 en 2020.

Artikel 6. Subsidieplafond

  • 1. Het subsidieplafond bedraagt € 5.800.000 en wordt als volgt verdeeld:

    • a. € 2.000.000 voor de aanvraagronde van 2018;

    • b. € 2.000.000 voor de aanvraagronde van 2019;

    • c. € 1.800.000 voor de aanvraagronde van 2020.

  • 2. Het bestuur kan de hoogte van de subsidieplafonds voor de verschillende aanvraagrondes wijzigen.

Artikel 7. Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie bedraagt minimaal € 10.000,– en maximaal € 50.000,– per project.

  • 2. De subsidieontvanger draagt aan de kosten van het project minimaal hetzelfde bedrag bij als het gevraagde subsidiebedrag, hetzij uit eigen middelen, hetzij door bijdragen van andere financiers.

Artikel 8. Weigeringsgronden

  • 1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:5 en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt subsidie geweigerd als:

    • a. voor dezelfde activiteiten reeds subsidie is of zal worden verleend door het Fonds of door één van de andere publieke cultuurfondsen;

    • b. de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd ten tijde van de aanvraag reeds worden uitgevoerd behalve als het plan een andere aanpak bevat dan wel een vervolgplan is, waarbij de uitkomsten van het eerder uitgevoerde plan het beginpunt zijn.

  • 2. Het bestuur kan subsidie weigeren als een aanvrager in voorgaande jaren subsidie van het Fonds heeft ontvangen en niet of niet geheel heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

  • 3. Subsidie kan tevens worden geweigerd als het plan niet, of niet voldoende aansluit bij het doel van de regeling.

Artikel 9. Voorwaarden en beperkingen

  • 1. Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover:

    • a. er sprake is van een begrotingstekort en de behoefte aan ondersteuning door het Fonds wordt aangetoond, en;

    • b. de aanvrager aannemelijk maakt dat de beschikbare financiële middelen, met inbegrip van de subsidie van het Fonds, voldoende zijn om het project uit te voeren.

  • 2. De subsidie bedraagt niet meer dan 50% van de totale voor subsidie in aanmerking komende projectkosten.

  • 3. De hoogte van de subsidie dient in redelijke verhouding te staan tot de activiteiten waarvoor wordt aangevraagd.

  • 4. Slechts direct aan het project gerelateerde kosten komen voor subsidie in aanmerking.

  • 5. De post onvoorzien op de begroting mag niet meer bedragen dan 7% van de totale kosten van het project.

  • 6. Maximaal 10% van de subsidie van het Fonds mag worden ingezet voor materiële investeringen die benodigd zijn voor het project.

Artikel 10 Bijzondere verplichtingen

De subsidieontvanger is verplicht:

  • a. tot kennisdeling van de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt;

  • b. deel te nemen aan een monitoring- en evaluatietraject.

HOOFDSTUK 2. AANVRAAGPROCEDURES

Artikel 11. Indieningstermijnen

Aanvragen kunnen worden ingediend:

  • a. voor de aanvraagronde van 2018: van maandag 5 maart 2018 tot en met vrijdag 26 oktober 2018;

  • b. voor de aanvraagronde van 2019: van maandag 7 januari 2019 tot en met vrijdag 1 november 2019;

  • c. voor de aanvraagronde van 2020: van maandag 6 januari 2020 tot en met vrijdag 30 oktober 2020.

Artikel 12. Indieningsvereisten

  • 1. Een aanvraag wordt ingediend via de website van het Fonds middels een digitaal aanvraagformulier.

  • 2. De aanvraag gaat ten minste vergezeld van een projectplan, een begroting en een samenwerkingsovereenkomst met de culturele partner binnen het project.

  • 3. Een onvolledige aanvraag wordt niet in behandeling genomen.

Artikel 13. Beoordelingscriteria

  • 1. Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

    • a. Inhoudelijke kwaliteit van het project in relatie tot het doel van de regeling;

    • b. Samenwerking met de culturele instelling;

    • c. Verankering van cultuureducatie in de school en in het curriculum;

    • d. Organisatorische kwaliteit.

  • 2. Om voor subsidie in aanmerking te komen, dient een aanvraag op alle criteria als voldoende te zijn beoordeeld.

Artikel 14. Adviescommissie

Het bestuur legt de aanvragen boven € 25.000,– die voldoen aan de indieningsvereisten ter advisering voor aan een externe adviescommissie.

Artikel 15. Beoordelingswijze

Aanvragen worden behandeld op volgorde van binnenkomst.

Artikel 16. Beslistermijn

Het bestuur beslist binnen 13 weken nadat een aanvraag is ontvangen.

HOOFDSTUK 3. SLOTBEPALINGEN

Artikel 17. Hardheidsclausule

Het bestuur kan in uitzonderlijke gevallen ten gunste van een aanvrager van bepalingen in deze regeling afwijken indien toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

Artikel 18. Algemeen Subsidiereglement

De bepalingen in het Algemeen Subsidiereglement zijn van toepassing, tenzij in deze regeling anders is bepaald.

Artikel 19. Begrotingsvoorbehoud

Subsidie wordt verleend onder voorbehoud van verstrekking van de bijbehorende middelen door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Artikel 20. Inwerkingtreding en vervaldatum

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij is geplaatst.

  • 2. Deze regeling vervalt met ingang 1 januari 2025. Op bezwaar- en beroepsprocedures die op dat moment nog niet zijn afgerond blijft het bepaalde in deze regeling van toepassing.

Artikel 21. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling versterking Cultuureducatie in het vmbo, vso en praktijkonderwijs 2018–2020.

Het bestuur van stichting Fonds voor Cultuurparticipatie, namens deze, J.J.K. Knol directeur-bestuurder

TOELICHTING REGELING VERSTERKING CULTUUREDUCATIE IN HET VMBO, VSO EN PRAKTIJKONDERWIJS 2018–2020

1 ALGEMEEN

Het Fonds voor Cultuurparticipatie wil meer scholen en leerlingen bereiken om in samenwerking met een culturele instelling talentontwikkeling en persoonlijke ontwikkeling met cultuureducatie vanzelfsprekend te maken voor de leerlingen in vmbo, praktijkonderwijs en vso. Daarmee worden projecten ondersteund waarmee de school een volgende stap zet om cultuureducatie te verankeren in het curriculum.

In de periode 2013–2017 hebben het Fonds voor Cultuurparticipatie en het Prins Bernhard Cultuurfonds projecten kunnen ondersteunen die ervoor gezorgd hebben dat er kwalitatief hoogwaardige activiteiten op het gebied van cultuureducatie voor het vmbo zijn ontwikkeld en uitgevoerd.

Hoewel er vele aanvragen zijn gedaan en gerealiseerd in de periode 2013–2017 blijkt dat er nog meer nodig is om cultuureducatie voor deze groep leerlingen verder en blijvend te verbeteren, zodat hun culturele ontwikkeling blijvend wordt gestimuleerd. Uit het Berenschot rapport 20171 in opdracht van het Fonds blijkt dat de behoefte bij vmbo scholen voor gericht aanbod groot is maar dat er nog relatief weinig aandacht is voor de verankering van kunst en cultuur in de organisatie. Ondanks dat er mooie culturele activiteiten worden gerealiseerd blijft het aanbod van culturele instellingen voor vmbo nog achter op het aanbod dat er voor havo en vwo is, terwijl de helft van de leerlingen in het voortgezet onderwijs op het vmbo zitten.

Ook is gebleken dat het openstellen van de regeling voor het praktijkonderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs in een behoefte voorziet. In aansluiting op de Gelijke Kansen Alliantie2 zal het mogelijk blijven dat ook deze leerlingen stappen kunnen zetten in hun culturele ontwikkeling.

Door te stimuleren dat culturele instellingen en onderwijsinstellingen in co-creatie werken aan kwalitatief hoogwaardige cultuureducatieve activiteiten wordt gewerkt aan een optimale aansluiting bij de doelgroep die past bij de ontwikkelingen in het onderwijs. Verder biedt de vernieuwing van de beroepsgerichte programma’s, inclusief de introductie van de keuzevakken in het vmbo, kansen om de positie van cultuureducatie hier te verstevigen. In bovengenoemd rapport van Berenschot wordt bevestigd dat leerlingen op het vmbo minder dan op havo en vwo vanuit huis in aanraking komen met kunst en cultuur. Het aanbieden van kunst en cultuur op school en het bevorderen van cultuurparticipatie in de vrije tijd is daarom belangrijk om te stimuleren.

Het Fonds voor Cultuurparticipatie wil conform het beleidsplan voor 2017–2020 de inzet voortzetten en meer leerlingen in het vmbo de kans geven zich persoonlijk te ontwikkelen door cultuureducatie. Bij de regeling is meer samenhang tussen de activiteiten en een intensieve samenwerking tussen school en culturele partners van belang. Hierbij kan samenwerking worden gezocht met lerarenopleidingen. De regeling richt zich op een groter bereik van scholen en leerlingen, waarbij verankering een belangrijk onderdeel vormt in samenwerking met een culturele instelling.

II ARTIKELSGEWIJS

Artikel 4. Waarvoor kan worden aangevraagd

De aanvraag laat duidelijk een volgende stap zien in de uitvoering en de verankering van cultuureducatie op de school. Doorontwikkeling van cultuureducatie op school in samenwerking met een culturele instelling staat hierin centraal.

Activiteiten en de voorbereidingen daarop starten in het schooljaar waarin wordt aangevraagd met dien verstande dat de uitvoering van de activiteiten met leerlingen niet later start dan het schooljaar volgend op toekenning.

Artikel 5 en 6.

Er zijn drie aanvraagrondes. Voor de aanvragen uit de eerste ronde is een budget van € 2.000.000 beschikbaar. Voor de aanvragen uit de tweede ronde is € 2.000.000 beschikbaar en voor de derde ronde € 1.800.000. Als er onvoldoende kwalitatief goede aanvragen worden ontvangen in de verschillende rondes, dan kan het bestuur besluiten om het resterende budget toe te voegen aan het budget van een volgende ronde.

Artikel 9

Voor subsidie komen alleen projectkosten in aanmerking die relevant zijn in het licht van het doel van deze regeling. Tot deze projectkosten behoren alleen de investeringen die direct op de realisatie van het project zijn gericht, zoals de inzet van artistiek en organisatorisch personeel en de huur van repetitieruimte of podiumvoorzieningen om de projectactiviteiten te realiseren. Lasten die op enigerlei wijze tot de normale exploitatiekosten kunnen worden gerekend, zoals vaste huur, aanschaf van inventaris en investeringen die niet direct op de realisatie van de activiteiten zijn gericht komen niet voor ondersteuning in aanmerking.

Maximaal 10% van de subsidie van het Fonds mag worden besteed aan materiaalkosten, zoals aanschaf van apparatuur of instrumenten.

Artikel 12. Indieningsvereisten

De subsidieaanvraag bestaat uit drie documenten:

  • 1. een volledig ingevuld digitaal aanvraagformulier

  • 2. een projectplan

  • 3. samenwerkingsovereenkomst

  • 4. een volledig ingevulde (model)begroting.

Aanvraagformulier

Via ons digitaal aanvraagsysteem Mijn Fonds dient het aanvraagformulier te worden ingevuld.

Projectplan

Het projectplan van maximaal 5.000 woorden dient in ieder geval de volgende onderdelen te bevatten:

Startpunt, eindresultaat en benodigde stappen van het project:

Beschrijf de inhoud, de doelstelling(en) en de opzet van het project.

  • Beschrijf de inhoud, de doelstelling(en) en de opzet van het project;

  • Beschrijf de doelgroep(en) die aan het project gaan deelnemen (op leerlingen van welke leerwegen en profielen richten de activiteiten zich);

  • Geef aan wat de uitgangspositie en het concrete eindresultaat van het project is;

  • Beschrijf hoe het project in de school wordt verankerd en hoe ervoor wordt gezorgd dat het ook na de subsidieperiode doorgang zal vinden;

  • Beschrijf beknopt het gerelateerde curriculum (zowel voor cultuureducatie als gerelateerde andere vakken) en geef aan hoe het project hierop aansluit en hier een aanvulling op is.

Organisatorische werkwijze

  • Beschrijf de projectstructuur en de taak- en rolverdeling tussen culturele instelling en onderwijsinstelling;

  • Geef aan wat de planning is van het project;

  • Geef een toelichting op de begroting (de begroting is een bijlage bij de aanvraag). Geef een overzicht van de inkomsten en uitgaven en maak een verbinding met de activiteiten in het projectplan;

  • Geef aan op welke wijze het project wordt gemonitord en geëvalueerd.

Samenwerkingsovereenkomst

In de samenwerkingsovereenkomst worden afspraken vastgelegd tussen de culturele instelling(en) en de school. Hierin staat in ieder geval: het doel van de samenwerking, de projectduur, de prestaties van elke samenwerkingspartner en het inzetten van tijd en financiële middelen. Voor de samenwerkingsovereenkomst wordt het ter beschikking gestelde format gebruikt.

Begroting

Aanvragers kunnen een eigen begroting indienen. We verzoeken om de modelbegroting te gebruiken. De begroting moet sluitend zijn.

Artikel 13. Beoordelingscriteria

Aanvragen worden getoetst aan de volgende criteria.

  • a. Inhoudelijke kwaliteit van het project in relatie tot het doel van de regeling: bij dit criterium staat de leerling centraal. Binnen dit criterium wordt beoordeeld of de culturele ontwikkeling van de leerling bevorderd wordt door het project. Hierbij wordt gekeken naar de ontwikkeling van de verschillende culturele competenties, de meerwaarde van het project voor het curriculum van de school en of er verbinding wordt gemaakt met de leefwereld van de leerling.

  • b. Samenwerking met de culturele instelling: binnen dit criterium wordt beoordeeld of er sprake is van co-creatie en een gelijkwaardige samenwerking tussen de partners. Hierbij wordt gekeken of er een gezamenlijk doel is; of er in alle fases van het project (planvorming, ontwikkeling, voorbereiding en uitvoering) een substantiële inbreng is van beide partijen; of de taken en rollen duidelijk zijn verdeeld; en of de wederzijdse kwaliteiten en expertises worden benut.

  • c. Verankering van cultuureducatie in de school en in het curriculum: binnen dit criterium wordt beoordeeld of het project voldoende wordt verankerd en duurzaam is opgezet om ook na de subsidieperiode te worden voortgezet. Hierbij wordt gekeken of er voldoende aandacht is voor draagvlak binnen de school en instelling; of het project wordt verankerd in het curriculum van de school; en of er inhoudelijk, organisatorisch en financieel is beschreven hoe de aanvrager het project wil voortzetten.

  • d. Organisatorische kwaliteit: binnen dit criterium wordt beoordeeld of het projectplan helder, concreet en realistisch is, inclusief duidelijke doelstelling met activiteiten en een haalbare planning. Tevens wordt getoetst of er een realistische begroting is die aansluit bij de activiteiten en het doel van de regeling. Verder wordt er beoordeeld of de monitoring en evaluatie voldoende inzicht geeft voor de bijsturing van het project.

Alleen aanvragen die op alle vier beoordelingscriteria minimaal als voldoende zijn beoordeeld, komen in aanmerking voor subsidie. Indien het subsidieplafond nog niet is bereikt, wordt de subsidie toegewezen. Aanvragen die niet op alle beoordelingscriteria als voldoende zijn beoordeeld, worden afgewezen.

Artikel 15.

De aanvragen worden beoordeeld op volgorde van ontvangst. Op basis van volgorde van binnenkomst (datum en tijdstip) worden de aanvragen opgenomen in een lijst. Een onvolledige aanvraag kan binnen een redelijke termijn worden aangevuld. De datum van aanvulling geldt als de datum van binnenkomst van de aanvraag.

Artikel 18.

In het Algemeen Subsidiereglement zijn regels opgenomen die van toepassing zijn op alle subsidies die het Fonds verstrekt. Deze regels gaan bijvoorbeeld over de subsidieverlening, verantwoording en bevoorschotting.


X Noot
1

Berenschot rapport 2017, Cultuureducatie in het vmbo, bevindingen voor het Fonds voor Cultuurparticipatie.