Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
RijkswaterstaatStaatscourant 2018, 22111Onteigeningen

Besluit van 28 maart 2018, nr. 2018000573 tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Haren krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan EHS Paterswoldsemeer).

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Ingevolge de artikelen 77 en 78 van de onteigeningswet kan worden onteigend voor de uitvoering van een bestemmingsplan.

Het verzoek tot aanwijzing ter onteigening

Provinciale staten van Groningen (hierna verzoeker) heeft Ons bij besluit van 31 mei 2017, nummer 4.d/14/2017, verzocht, om ten name van de provincie Groningen over te gaan tot het aanwijzen ter onteigening van de onroerende zaken in de gemeente Haren, begrepen in het onteigeningsplan EHS Paterswoldsemeer. De onroerende zaken zijn nodig voor de uitvoering van het bestemmingsplan EHS en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer.

Gedeputeerde staten van Groningen hebben bij brief van 14 juni 2017, kenmerk 2017-051715, het verzoek aan Ons ter besluitvorming voorgedragen.

Bij brieven van 22 augustus 2017, kenmerk 2017-079645, en van 27 september 2017, kenmerk 2017-087423 hebben gedeputeerde staten van Groningen Ons te kennen gegeven wegens minnelijke eigendomsverkrijging niet langer prijs te stellen op voortzetting van de onteigeningsprocedure voor de onroerende zaken met de grondplannummers 5 en 6. Omdat de noodzaak van onteigening voor deze grondplannummers hiermee is komen te vervallen, zullen Wij deze niet ter onteigening aanwijzen. In de bij dit besluit behorende lijst van te onteigenen onroerende zaken is hiermee rekening gehouden.

Planologische grondslag

De onroerende zaken die in het onteigeningsplan zijn begrepen, zijn gelegen in het bestemmingsplan EHS en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer, verder te noemen: het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is op 28 april 2015 vastgesteld door de raad van de gemeente Haren en is vanaf 6 juli 2016 onherroepelijk.

Aan de onroerende zaken is de bestemming Natuur toegekend.

Toepassing uniforme openbare voorbereidingsprocedure

Overeenkomstig artikel 78, tweede lid, van de onteigeningswet en artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hebben het ontwerp koninklijk besluit en de in artikel 79 van de onteigeningswet bedoelde stukken vanaf 14 september 2017 tot en met 25 oktober 2017 in de gemeente Haren en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage gelegen.

Overeenkomstig artikel 3:12 van de Awb heeft de burgemeester van Haren van het ontwerp koninklijk besluit en van de terinzagelegging van de onteigeningsstukken op 13 september 2017 openbaar kennis gegeven in het Harener Weekblad. De Minister van Infrastructuur en Milieu (Onze Minister) heeft van het ontwerp koninklijk besluit en van de terinzagelegging van de onteigeningsstukken openbaar kennis gegeven in de Staatscourant van 13 september 2017, nr. 50238.

Verder heeft Onze Minister het ontwerp koninklijk besluit overeenkomstig artikel 3:13 van de Awb, voorafgaand aan de terinzagelegging toegezonden aan belanghebbenden, waaronder de verzoeker. Daarbij zijn de belanghebbenden gewezen op de mogelijkheid om schriftelijk of mondeling zienswijzen over het ontwerpbesluit naar voren te brengen en op de mogelijkheid over de zienswijzen te worden gehoord.

Overwegingen

Noodzaak en urgentie

De gemeente Haren heeft in overleg met de provincie het bestemmingsplan EHS en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer vastgesteld. Bij verwezenlijking van het bestemmingsplan wordt bijgedragen aan de verbinding tussen de Eelderwolderpolder aan de westzijde van het Paterswoldsemeer en polder Oosterland/Lappenvoort aan de zuidzijde van de Meerweg. De realisatie van deze robuuste Ecologische Verbindings Zone (REVZ) draagt bij aan een groter habitat en betere migratiemogelijkheden van enkele beschermde diersoorten, waaronder de bever en de otter. Ter realisering van de REVZ is onder meer voorzien in de aanleg van enkele waterstaatkundige bouwwerken, waaronder een brug ter plaatse van de Meerweg en een inlaatvoorziening ten zuiden van deze weg.

In de door de verzoeker om onteigening gewenste wijze van planuitvoering wordt inzicht verschaft door het bestemmingsplan met de daarbij behorende planregels, toelichting en verbeelding, als ook door de zakelijke beschrijving behorende bij het onteigeningsplan. Nader inzicht wordt tevens verkregen door de (voorlopige) inrichtingsschets robuuste Ecologische Verbindingszone Meerweg-Paterswoldsemeer van april 2015.

De aanleg van de EHS Paterswoldsemeer vindt plaats in opdracht van en voor rekening van de provincie Groningen.

Om de werken en werkzaamheden ter uitvoering van het bestemmingsplan tijdig te kunnen realiseren, wenst de provincie Groningen de eigendom, vrij van lasten en rechten, te verkrijgen van de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken.

De verzoeker heeft met de eigenaren overleg gevoerd om deze onroerende zaken minnelijk in eigendom te verkrijgen. Dit overleg heeft vooralsnog niet tot (volledige) overeenstemming geleid. Omdat het ten tijde van het verzoek naar het oordeel van de verzoeker niet aannemelijk was dat het overleg op afzienbare termijn tot vrijwillige eigendomsoverdracht zou leiden, hebben provinciale staten van Groningen tot het onteigeningsverzoek besloten, om de tijdige verwezenlijking van het bestemmingsplan zeker te stellen.

Uit de Ons bij het verzoek overgelegde zakelijke beschrijving blijkt dat uiterlijk 1 juli 2018 met de werkzaamheden een aanvang zal worden genomen. Het totale project zal naar verwachting eind 2019 afgerond zijn. Daarmee is aannemelijk dat zal worden voldaan aan de door Ons voor de aanvang van de werken en werkzaamheden gehanteerde termijn van ten hoogste vijf jaar na de datum van dit aanwijzingsbesluit.

Zienswijzen

Binnen de termijn dat het ontwerp koninklijk besluit ter inzage heeft gelegen is daarover een zienswijze naar voren gebracht door:

Hendrik Woldring, eigenaar van de onroerende zaken met grondplannummers 7, 8 en 9, verder te noemen: reclamant.

Overeenkomstig artikel 78, vierde lid, van de onteigeningswet heeft Onze Minister reclamant in de gelegenheid gesteld te worden gehoord in een op 13 november 2017 te Haren te houden hoorzitting. Reclamant heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Overwegingen naar aanleiding van de zienswijzen

Wij hebben hetgeen reclamant in zijn zienswijze naar voren brengt samengevat in de hierna volgende passages. Daarbij hebben wij tevens per onderdeel Onze overwegingen weergegeven.

De zienswijze van reclamant

1.1

Reclamant geeft aan dat hij een melkveebedrijf met zoogkoeientak, een fouragehandel en een loonwerkbedrijf heeft aan de Hoornsedijk te Haren. De huiskavel grenst aan het Paterswoldsemeer. Daarnaast heeft reclamant gronden in eigendom en in pacht in de polder Oosterland. De polder Oosterland is onderdeel van de ecologische hoofdstructuur. Het waterschap Hunze en Aa’s heeft voor Oosterland een peilbesluit vastgesteld waardoor de gronden aldaar vernat zijn. Deze vernatting heeft tot gevolg dat landbouwkundig gebruik niet meer mogelijk is. Reclamant wijst op een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 14 juli 2016 waarin vermeld wordt dat het gebied zich in een impasse bevindt. Het waterschap is opgedragen een nieuw peilbesluit te nemen. Op het moment van het schrijven van de zienswijze was er nog geen nieuw peilbesluit. Volgens reclamant komt dat doordat het waterschap wijst op de rol hieromtrent van de provincie.

Ad 1.1

In het kader van onderhavige onteigeningsprocedure staan uitsluitend de kadastrale percelen ter beoordeling waarvoor verzoeker Ons om onteigening verzocht heeft. Dit onderdeel van de zienswijze gaat over gronden gelegen in de polder Oosterland, waarop het verzoek evenwel geen betrekking heeft. Dit onderdeel van de zienswijze laten wij derhalve buiten beschouwing.

1.2

Reclamant verwijst naar het onherroepelijke bestemmingsplan, op basis waarvan verzoeker om onteigening van enkele percelen die onderdeel uitmaken van de huiskavel heeft verzocht. Reclamant betwist dat verzoeker met hem overleg heeft gevoerd ten aanzien van de aankoop van alleen (delen van) de huiskavel. Hij wijst er op dat verzoeker met hem wel sinds jaar en dag overleg voert over een totaaldeal waarin verzoeker de gronden van reclamant gelegen in de polder Oosterland en de totale huiskavel zou overnemen. Daarbij is tevens vergeefs gekeken naar een alternatieve vestigingslocatie. Reclamant wijst tevens op correspondentie tussen hem en een gedeputeerde. In de brief van de provincie van 18 oktober 2017 geeft de provincie aan dat zij getracht heeft zowel de gronden in de polder Oosterland als die van de huiskavel middels een (eind)bod te verwerven. Maar nu dit tot geen enkel resultaat heeft geleid hebben provinciale staten de Kroon verzocht de benodigde gronden voor onteigening aan te wijzen. Reclamant is van mening dat het niet zo kan zijn dat jarenlang over een totaaloplossing is gesproken, maar dat thans enkel en alleen verzocht wordt om onteigening van (delen van) de huiskavel. Reclamant betwist verder dat er een totaal aanbod gedaan is.

Ad 1.2

Met betrekking tot het gevoerde minnelijk overleg overwegen Wij in het algemeen dat artikel 17 van de onteigeningswet bepaalt dat de onteigenende partij dat wat onteigend moet worden eerst bij minnelijke overeenkomst in eigendom probeert te verkrijgen. Deze bepaling heeft betrekking op de gerechtelijke onteigeningsprocedure. Het minnelijk overleg in de daaraan voorafgaande administratieve onteigeningsprocedure is echter een van de vereisten waaraan door Ons wordt getoetst bij de beoordeling van de noodzaak tot onteigening. Omdat onteigening een uiterste middel is, zijn Wij van oordeel dat hiervan pas gebruik mag worden gemaakt als het minnelijk overleg voor het begin van de administratieve onteigeningsprocedure niet of niet in de gewenste vorm tot overeenstemming heeft geleid.

Aan deze eis is naar Ons oordeel in het kader van onteigeningen op basis van artikel 78 van de onteigeningswet in beginsel voldaan als voor de datum van het verzoekbesluit met de onderhandelingen over de minnelijke eigendomsverkrijging tijdig een begin is gemaakt en het op het moment van het verzoekbesluit aannemelijk is dat die onderhandelingen tot een redelijk punt zijn voortgezet, maar dat deze voorlopig niet tot vrijwillige eigendomsoverdracht zullen leiden. Daarbij moet het gaan om een concreet en serieus minnelijk overleg. Uitgangspunt daarbij is dat ten tijde van het verzoekbesluit al een formeel schriftelijk aanbod is gedaan.

In het bijzonder overwegen Wij dat in het kader van deze onteigeningsprocedure er door verzoeker concrete biedingen zijn om de kadastrale percelen waarvan de onteigening verzocht wordt op minnelijke wijze aan te kopen. Dat is voor het eerst gebeurd in de brief van verzoeker van 9 december 2015. In de brief van 21 januari 2016 is deze bieding op verzoek van reclamant nader gespecificeerd. Vervolgens zijn de biedingen in de brieven van 1 november 2016, 1 februari 2017 en 18 mei 2017 herhaald. In de biedingsbrieven is door verzoeker gewezen op de gesprekken die tussen haar en reclamant gevoerd worden over een oplossing die het totale bedrijf aangaat (onder andere over de door reclamant aangedragen oplossing onder de naam Woldring 2.0). Daarbij is benadrukt dat beide sporen (aankoop totale bedrijf of aankoop te onteigenen percelen) naast elkaar kunnen bestaan.

Op basis van het logboek en de daarin opgenomen correspondentie stellen Wij vast dat met het minnelijk overleg over verwerving van de te onteigenen gronden tijdig een begin is gemaakt en dat het op het moment van het verzoekbesluit aannemelijk was dat die onderhandelingen tot een redelijk punt zijn voortgezet, maar dat deze voorlopig niet tot vrijwillige eigendomsoverdracht zullen leiden. Daarmee is voldaan aan de eis van een voldoende minnelijk overleg over de te onteigenen gronden. De gesprekken over een oplossing van het totale bedrijf vinden nog steeds plaats, ook na indiening van het verzoekbesluit. Wij merken op dat dit overleg dan wel het overleg dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke onteigeningsprocedure vooraf moet gaan, alsnog tot een voor partijen aanvaardbare oplossing kan leiden.

1.3

Reclamant stelt dat er altijd van is uitgegaan, ook door de provincie, dat partijen tot een totale deal zouden komen. Pas in februari 2017 is voor het eerst een bod gedaan ten aanzien van aankoop van delen van de huiskavel. Het aangeboden totaalbedrag als volledige schadeloosstelling acht hij niet realistisch. Daarbij is niet inzichtelijk op welke wijze verzoeker tot dit aanbod komt. Inzicht in waardevermindering van het overblijvende en inkomensschade ontbreken. Niet is duidelijk of de verzochte onteigening tevens betrekking heeft op het gedeelte van het perceel (grondplannummer 9) dat nu in gebruik is als water.

Ad 1.3

De onteigening vindt ingevolge artikel 40 van de onteigeningswet plaats op basis van een volledige schadeloosstelling voor alle schade die de onteigende partij rechtstreeks en noodzakelijk lijdt door het verlies van zijn onroerende zaak. Artikel 41 van de onteigeningswet ziet daarnaast op de te vergoeden waardevermindering van het overblijvende. De samenstelling en de hoogte van de schadeloosstelling staan Ons in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure niet ter beoordeling, maar komen bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming aan de orde in het kader van de gerechtelijke onteigeningsprocedure. In het kader van de administratieve onteigeningsprocedure wordt evenmin getreden in de vraag of alle schadecomponenten in de schadeloosstelling zijn opgenomen. Ook dit aspect komt bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming in de gerechtelijke onteigeningsprocedure aan de orde. Wel kan de geboden schadeloosstelling als onderdeel van de toetsing van de kwaliteit van het gevoerde minnelijk overleg bezien worden.

In het bijzonder overwegen Wij dat uit het logboek met bijlagen blijkt dat verzoeker herhaaldelijk met reclamant heeft gecommuniceerd, zowel mondeling als schriftelijk, over een oplossing die het totale bedrijf aangaat als over verwerving van de percelen waarvoor onteigening verzocht zou worden. Voor verwerving van laatstgenoemde percelen zijn door verzoeker meerdere biedingen uitgebracht. Daarbij is in de brief van 21 januari 2016 een specificatie van de bieding opgenomen. Voor het overige verwijzen Wij naar hetgeen hiervoor onder Ad 1.2 is opgenomen.

1.4

Vanwege de jarenlange gesprekken tussen reclamant en verzoeker over een totaaloplossing stelt reclamant zich op het standpunt dat hij er op zou mogen vertrouwen dat hij nu niet opeens geconfronteerd zou worden met onteigening van zijn huiskavel. Om die reden is reclamant van mening dat verzoeker handelt in strijd met het vertrouwensbeginsel.

Ad 1.4

De onteigeningswet verplicht de verzoeker om onteigening niet tot schadeloosstelling in de vorm van compensatiegrond of andere oplossingen. Uitgangspunt is dat de onteigeningswet de belanghebbenden een volledige schadeloosstelling in geld waarborgt, voor de te onteigenen gronden. Desondanks kunnen vragen om compensatiegrond of andere oplossingen, zoals in dit geval onderhandelingen over een totaaldeal, aan de orde komen in het kader van de toetsing van het gevoerde minnelijk overleg over de verwerving van de te onteigenen gronden. Indien een belanghebbende in het minnelijk overleg immers duidelijk maakt de voorkeur te geven aan vervangende grond of een andere oplossing, moet de verzoeker nagaan of hieraan tegemoet gekomen kan worden. Omdat onteigening een uiterste middel is, is de noodzaak tot onteigening immers ook afhankelijk van de wijze waarop dat minnelijk overleg is en zal verlopen. Hierbij geldt wel dat de verzoeker gehouden en gerechtigd is aan zijn eigen, op de urgentie van de aanleg van het werk, toegesneden planning.

Zoals Wij hiervoor reeds onder Ad 1.2 en Ad 1.3 hebben overwogen heeft verzoeker herhaaldelijk met reclamant onderhandeld over een oplossing die het totale bedrijf aangaat als over verwerving van de percelen waarvoor onteigening verzocht zou worden. Voor verwerving van laatstgenoemde percelen zijn door verzoeker meerdere biedingen uitgebracht. De opmerking van reclamant dat hij zich opeens geconfronteerd voelde met onteigening van zijn huiskavel kunnen wij dan ook niet plaatsen. Op basis daarvan kunnen Wij reclamant niet volgen in haar standpunt dat sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel.

1.5

Reclamant stelt dat het onteigeningsplan onduidelijk is omdat daaruit niet blijkt op welke wijze de plannen gerealiseerd dienen te worden. Ook zijn de maten en kadastrale grenzen onduidelijk volgens reclamant.

Ad 1.5

Op basis van de onteigeningsstukken zijn Wij van oordeel dat verzoeker voldoende inzicht heeft gegeven in de wijze van uitvoering, onder andere door de voorlopige inrichtingsschets. Wij verwijzen verder naar hetgeen Wij hiervoor hebben opgemerkt bij noodzaak en urgentie.Wat betreft de maten en kadastrale grenzen merken Wij op dat uit het logboek, de biedingen en de grondtekeningen Ons inziens voldoende duidelijk blijkt wat die maten en de kadastrale grenzen zijn.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamant Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Overige overwegingen

Uit de bij het verzoek overgelegde stukken blijkt, dat de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken bij de uitvoering van het bestemmingsplan niet kunnen worden gemist.

Ons is niet gebleken van feiten en omstandigheden die overigens de toewijzing van het verzoek in de weg staan. Het moet in het belang van een goede ruimtelijke ontwikkeling worden geacht dat de provincie Groningen de vrije eigendom van de door Ons ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken verkrijgt.

Wij zullen, gelet op het hierboven gestelde, het verzoek van de provincie Groningen tot het nemen van een besluit krachtens artikel 78, eerste lid, van de onteigeningswet toewijzen.

BESLISSING

Gelet op de onteigeningswet,

op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 december 2017, nr. RWS-2017/48810, Rijkswaterstaat Corporate Dienst;

gelezen het besluit van provinciale staten van Groningen van 31 mei 2017, nummer 4.d/14/2017;

gelezen de voordracht van gedeputeerde staten van Groningen van 14 juni 2017, kenmerk 2017-051715;

gelezen de brieven van gedeputeerde staten van Groningen van 22 augustus 2017, kenmerk 2017-079645, en van 27 september 2017, kenmerk 2017-087423;

de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, advies van 28 februari 2018, no. W04.17.0407/I;

gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 26 maart 2018, nr. RWS-2018/9209, Rijkswaterstaat Corporate Dienst.

Hebben Wij goedgevonden en verstaan:

Voor de uitvoering van het bestemmingsplan EHS en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer van de gemeente Haren ten name van de provincie Groningen ter onteigening aan te wijzen de onroerende zaken, aangeduid op de grondtekening die ingevolge artikel 78 van de onteigeningswet in de gemeente Haren en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage heeft gelegen en die zijn vermeld op de bij dit besluit behorende lijst.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Afdeling advisering van de Raad van State.

Wassenaar, 28 maart 2018

Willem-Alexander

DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES, K.H. Ollongren

LIJST VAN DE TE ONTEIGENEN ONROERENDE ZAKEN

ONTEIGENINGSPLAN: Bestemmingsplan EHS en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer

VERZOEKENDE INSTANTIE: Provincie Groningen

 

Van de onroerende zaak, kadastraal bekend, gemeente Haren

Grondplan

nr.

Te onteigenen

grootte

Als

Ter grootte

van

Sectie

en nr.

Ten name van

ha

a

ca

ha

a

ca

1-1

0

06

39

bedrijvigheid (horeca) erf – tuin

0

35

65

I 2556

Harko Felix Theodorus Dubois, gehuwd, Haren;

1-2

0

00

76

           
                   

7

0

16

90

wonen terrein (grasland)

2

59

05

N 226

Hendrik Woldring, gehuwd met Anja Froukje Bakker, Haren;

Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder B, van de Belemmeringenwet Privaatrecht: gemeente Haren, Haren;

                   

8

0

19

36

terrein (grasland)

1

91

00

N 702

Hendrik Woldring, gehuwd met Anja Froukje Bakker, Haren;

                   

9

2

19

92

terrein (grasland)

3

06

90

N 193

Hendrik Woldring, gehuwd met Anja Froukje Bakker, Haren;

                 

Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder B, van de Belemmeringenwet Privaatrecht: Meerschap Paterswolde, Haren;