Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
RijkswaterstaatStaatscourant 2018, 18728Onteigeningen

Besluit van 21 maart 2018, nr. 2018000513 tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Dordrecht krachtens artikel 72a van de onteigeningswet (onteigening voor de reconstructie van de aansluiting van de rijksweg A16 op de rijksweg N3/Randweg en provinciale weg N217, bestaande uit de reconstructie van de A16 vanaf 900 meter ten noorden van de kruising met N3/Randweg tot 700 meter ten zuiden van de verzorgingsplaats De Zuidpunt, alsmede de reconstructie van de N3/Randweg en N217 vanaf de kruising van de N3/Randweg met de spoorlijn Rotterdam-Breda ten oosten van de A16 tot 50 meter na de aansluiting van de provinciale weg N217 met de Rijksstraatweg ten westen van de A16, met bijkomende werken)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Ingevolge artikel 72a, eerste lid, van de onteigeningswet kan onteigening van onroerende zaken plaatsvinden onder meer voor de aanleg en verbetering van wegen, bruggen, spoorwegwerken en kanalen, alsmede daarop rustende zakelijke rechten. Daaronder wordt op grond van artikel 72a, tweede lid sub a, mede begrepen onteigening voor de aanleg en verbetering van de in het eerste lid bedoelde werken en rechtstreeks daaruit voortvloeiende bijkomende voorzieningen ter uitvoering van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

Het verzoek tot aanwijzing ter onteigening

De Minister van Infrastructuur en Milieu (hierna: verzoeker) heeft Ons bij brief van 5 juli 2017 met kenmerk RWS-2017/23935 verzocht, om ten name van de Staat over te gaan tot het aanwijzen ter onteigening van de onroerende zaken in de gemeente Dordrecht. De onteigening wordt verzocht om de reconstructie mogelijk te maken van de aansluiting van de rijksweg A16 op de rijksweg N3/Randweg en provinciale weg N217, bestaande uit de reconstructie van de A16 vanaf 900 meter ten noorden van de kruising met N3/Randweg (A16 km. 37.550) tot 700 meter ten zuiden van de verzorgingsplaats De Zuidpunt (A16 km. 43.500) alsmede de reconstructie van de N3/Randweg en N217 vanaf de kruising van de N3/Randweg met de spoorlijn Rotterdam-Breda ten oosten van de A16 (N3 km. 9.325) tot 50 meter na de aansluiting van de provinciale weg N217 met de Rijksstraatweg ten westen van de A16 (N217 km. 29.900), met bijkomende werken, in de gemeente Dordrecht.

Planologische grondslag

De onroerende zaken waarop het verzoek betrekking heeft, liggen in de gemeente Dordrecht. De grondslag voor de planologische uitvoerbaarheid van het werk waarin de ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken zijn gelegen wordt gevormd door het bestemmingsplan A16-N3 van de gemeente Dordrecht. De gemeenteraad van Dordrecht heeft het bestemmingsplan bij besluit van 28 juni 2017 vastgesteld. Het bestemmingsplan is nog niet onherroepelijk.

Toepassing uniforme openbare voorbereidingsprocedure

Overeenkomstig artikel 63, tweede lid, van de onteigeningswet en artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hebben het ontwerp koninklijk besluit en de in artikel 63 van de onteigeningswet bedoelde stukken vanaf 5 september 2017 tot en met 16 oktober 2017 in de gemeente Dordrecht en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage gelegen.

Overeenkomstig artikel 3:12 van de Awb heeft Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van het ontwerp koninklijk besluit en van de terinzagelegging van de onteigeningsstukken openbaar kennis gegeven in Dordt Centraal en in de Staatscourant van 25 augustus 2017, nr. 47811.

Verder heeft Onze Minister van Infrastructuur en Milieu het ontwerp koninklijk besluit overeenkomstig artikel 3:13 van de Awb, voorafgaand aan de terinzagelegging toegezonden aan belanghebbenden, waaronder de verzoeker. Daarbij zijn de belanghebbenden gewezen op de mogelijkheid om schriftelijk of mondeling zienswijzen over het ontwerpbesluit naar voren te brengen en op de mogelijkheid over de zienswijzen te worden gehoord.

Overwegingen

Noodzaak en urgentie

Ten zuiden van Dordrecht sluiten de A16 en de N3/Randweg en provinciale weg N217 op elkaar aan. Hier is sprake van een kruising van belangrijke wegen. De A16 is de belangrijkste snelwegverbinding vanuit de Randstad en het Rotterdamse havengebied in het noorden naar West-Brabant en Zeeland in het zuiden/zuidwesten en verder in zuidelijke richting naar België (Antwerpen) en Frankrijk. De N3 functioneert als kortsluiting tussen de rijksweg A15 en de A16 en is als zodanig een belangrijke schakel in de verkeersverbinding tussen het midden van het land en zuidwest Nederland. Vanaf de aansluiting A16 – N3 loopt de weg verder als N217 in westelijke richting door. De weg zorgt voor de ontsluiting van de Hoeksche Waard.

Op en rond de aansluiting A16 – N3/N217 is er in de huidige vorm sprake van een bereikbaarheidsprobleem door een serieuze verstoring in de verkeersafwikkeling rond de aansluiting. Op de N3 treden in de spitsperioden regelmatig forse wachtrijen op, met name door verkeer dat de A16 op wil rijden richting de Moerdijkbrug. Daarnaast staat ook de bereikbaarheid van de bedrijventerreinen Dordtse Kil regelmatig onder druk. De verkeersafwikkeling op de A16 zelf wordt gehinderd door instromend verkeer vanaf de aansluiting. In de toekomst neemt de hoeveelheid verkeer naar verwachting nog aanzienlijk toe. De druk op de aansluiting wordt hiermee groter en de huidige problemen verergeren: wachtrijen worden langer, treden vaker op en zijn voor een langere tijd aanwezig.

Om de geschetste problemen op te lossen heeft Rijkswaterstaat het plan uitgewerkt om de aansluiting te reconstrueren. Ten oosten van de A16 wordt een vrije afrit (rechtsaf) voorzien vanaf de A16 naar de N3. Aan de westzijde van de A16 wordt de afrit van de A16 naar de N217 verlegd naar de Rijksstraatweg. Het verkeer vanaf de N3 krijgt aan die zijde een vrije toerit naar de A16 (kwart klaverblad-constructie) om vervolgens samen te voegen met de oorspronkelijke toerit en als parallelvoorziening naast de A16 mee te lopen. Uiteindelijk voegt deze parallelbaan in op de A16. Op de parallelbaan oostzijde van de A16 is een toe- en afrit voorzien voor het door de gemeente Dordrecht te ontwikkelen bedrijventerrein Dordtse Kil IV. De realisatie daarvan is gekoppeld aan de realisatie van deze nieuwe aansluiting.

De bedoelde werken zullen leiden tot een vlottere doorstroming van het verkeer op de A16/N3, waardoor ook het lokale verkeer tussen Papendrecht, Hoeksche Waard en Dordrecht beter kan doorrijden. Ook zullen de werken leiden tot een verbetering van de bereikbaarheid van de verschillende bedrijventerreinen rond de aansluiting en tot een verbetering van de verkeersveiligheid.

Om de werken en werkzaamheden tijdig te kunnen realiseren wenst de Staat de eigendom te verkrijgen, vrij van lasten en rechten, van de onroerende zaken die in het onteigeningsplan zijn begrepen.

De verzoeker heeft met de eigenaren overleg gevoerd om deze onroerende zaken minnelijk in eigendom te verkrijgen. Dit overleg heeft vooralsnog niet tot (volledige) overeenstemming geleid. Omdat het ten tijde van het verzoek naar het oordeel van de verzoeker niet aannemelijk was dat het overleg op afzienbare termijn tot vrijwillige eigendomsoverdracht zou leiden, heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu een verzoek ingediend tot aanwijzing ter onteigening van deze onroerende zaken, om de tijdige verwezenlijking van het plan van het werk zeker te stellen.

Uit de Ons bij het verzoek overgelegde zakelijke beschrijving blijkt dat de aanbesteding van het werk tussen maart 2017 en oktober 2017 zal plaatsvinden. Direct na de aanbesteding zullen de werkzaamheden van start gaan, waarna het werk in oktober 2019 opengesteld zal worden voor het verkeer. Daarmee is aannemelijk dat zal worden voldaan aan de door Ons voor de aanvang van de werken en werkzaamheden gehanteerde termijn van ten hoogste vijf jaar na de datum van dit aanwijzingsbesluit.

Zienswijzen

Binnen de termijn dat het ontwerp koninklijk besluit ter inzage heeft gelegen, zijn daarover twee zienswijzen naar voren gebracht door:

  • 1. J.M.C.G. Blanken van den Berg, eigenaar van de onroerende zaak met het grondplannummer 299, verder te noemen: reclamant 1;

  • 2. Herkon B.V., eigenaar van de onroerende zaak met het grondplannummer 716, verder te noemen: reclamante 2.

Overeenkomstig artikel 63, vierde lid, van de onteigeningswet heeft Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat (Onze Minister) reclamanten in de gelegenheid gesteld te worden gehoord in een op 1 november 2017 te Utrecht gehouden hoorzitting. Reclamant 1 heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Overwegingen naar aanleiding van de zienswijzen

Wij hebben hetgeen reclamanten in hun zienswijzen naar voren brengen samengevat in de hierna volgende passages. Daarbij hebben wij tevens Onze overwegingen bij de zienswijzen weergegeven.

De zienswijze van reclamant 1

1.1

Reclamant betoogt dat er onvoldoende met hem overlegd is. Verzoeker heeft reclamant tweemaal exact dezelfde financiële aanbieding gedaan. In de twee gesprekken die daarover zijn gevoerd, bleek er geen enkele speelruimte te zijn om tot een compromis te komen.

Ad 1.1

Dit onderdeel van de zienswijze ziet in hoofdzaak op de hoogte van de schadeloosstelling en het gevoerde minnelijk overleg en wordt ingegeven door een verschil van inzicht tussen partijen over de hoogte van de aangeboden schadeloosstelling.

Met betrekking tot het gevoerde minnelijk overleg overwegen Wij in het algemeen dat artikel 17 van de onteigeningswet bepaalt dat de onteigenende partij dat wat onteigend moet worden eerst bij minnelijke overeenkomst in eigendom probeert te verkrijgen. Deze bepaling heeft betrekking op de gerechtelijke onteigeningsprocedure. Het minnelijk overleg in de daaraan voorafgaande administratieve onteigeningsprocedure is echter een van de vereisten waaraan door Ons wordt getoetst bij de beoordeling van de noodzaak tot onteigening. Omdat onteigening een uiterste middel is, zijn Wij van oordeel dat hiervan pas gebruik mag worden gemaakt als het minnelijk overleg voor het begin van de administratieve onteigeningsprocedure niet of niet in de gewenste vorm tot overeenstemming heeft geleid. Aan deze eis is naar Ons oordeel in het kader van onteigeningen op basis van artikel 78 van de onteigeningswet in beginsel voldaan als voor de datum van het verzoekbesluit met de onderhandelingen over de minnelijke eigendomsverkrijging tijdig een begin is gemaakt en het op het moment van het verzoekbesluit aannemelijk is dat die onderhandelingen tot een redelijk punt zijn voortgezet, maar dat deze voorlopig niet tot vrijwillige eigendomsoverdracht zullen leiden. Daarbij moet het gaan om een concreet en serieus minnelijk overleg. Uitgangspunt daarbij is dat ten tijde van het verzoekbesluit al een formeel schriftelijk aanbod is gedaan.

De onteigening vindt ingevolge artikel 40 van de onteigeningswet plaats op basis van een volledige schadeloosstelling voor alle schade die de onteigende partij rechtstreeks en noodzakelijk lijdt door het verlies van zijn onroerende zaak. Artikel 41 van de onteigeningswet ziet daarnaast op de te vergoeden waardevermindering van het overblijvende. De samenstelling en de hoogte van de schadeloosstelling staan Ons in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure niet ter beoordeling, maar komen bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming aan de orde in het kader van de gerechtelijke onteigeningsprocedure. In het kader van de administratieve onteigeningsprocedure wordt evenmin getreden in de vraag of alle schadecomponenten in de schadeloosstelling zijn opgenomen. Dit aspect komt bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming in de gerechtelijke onteigeningsprocedure aan de orde. Wel kan de geboden schadeloosstelling als onderdeel van de toetsing van de kwaliteit van het gevoerde minnelijk overleg bezien worden.

In het bijzonder overwegen Wij het volgende. Partijen zijn sinds begin 2014 met elkaar in gesprek. Nadat het uitwerken van het ontwerp van de aanpassing van de A16 met milieukundige onderzoeken enige tijd in beslag nam, wordt na verschillende e-mailcontacten met de adviseur van reclamant, eind 2015 de aankoopgrens uitgezet en vindt er een taxatieopname plaats. De uitkomst van deze taxatieopname wordt op 25 februari 2016 met de adviseur van reclamant besproken. Nadat reclamant de onderhandelingen overneemt van zijn adviseur, neemt verzoeker in april 2016 contact op met reclamant. Op verzoek van reclamant brengt verzoeker op 25 april 2016 een schriftelijk aanbod uit, dat is gericht op de aankoop van de in de onteigening betrokken grond. Reclamant maakt bij brief van 6 mei 2016 kenbaar dat hij niet akkoord gaat met het aanbod. Als tegenvoorstel biedt reclamant zijn huis met de tuin aan verzoeker te koop aan. Tijdens gesprekken op 12 mei 2016 en 2 juni 2016 spreken verzoeker en reclamant over dit tegenvoorstel. Verzoeker maakt vervolgens bij brief van 19 juli 2016 gemotiveerd kenbaar geen reden te zien om het gehele perceel met de woning aan te kopen. Op 9 augustus 2016 reageert reclamant schriftelijk op deze brief. Reclamant houdt vast aan het voorstel en maakt daarnaast kenbaar dat de geboden (grond)prijs te laag is. Op 19 december 2016 voeren partijen opnieuw overleg. Verzoeker licht opnieuw gemotiveerd toe waarom er niet over gegaan wordt tot aankoop van de woning met tuin of alleen de woning (de stenen) en kondigt een tweede formele schriftelijke bieding aan. Reclamant stelt zich opnieuw op het standpunt dat de geboden schadeloosstelling te laag is en dat verzoeker over dient te gaan tot aankoop van de gehele woning. Op 22 februari 2017 brengt verzoeker een schriftelijk aanbod uit dat is gericht op de aankoop van de in de onteigening betrokken grond. Reclamant laat bij brief van 13 maart 2017 weten dat hij niet akkoord gaat met het aanbod. Ook een gesprek dat reclamant op 30 mei 2017 met de omgevingsmanager voert, leidt niet tot overeenstemming.

Gelet op de geschetste gang van zaken kunnen Wij reclamant niet volgen in zijn betoog dat er onvoldoende minnelijk overleg is gevoerd. Dat reclamant het niet eens is met de uitgangspunten die verzoeker hanteert bij de aankoop van de onroerende zaak van reclamant, maakt naar Ons oordeel nog niet dat de biedingen van verzoeker als onjuist moeten worden aangemerkt en dat er onvoldoende overleg is gevoerd. Naar Ons oordeel stond ten tijde van het verzoek om onteigening genoegzaam vast dat het minnelijk overleg voorlopig niet tot overeenstemming zou leiden en mocht worden overgegaan tot de start van de administratieve onteigeningsprocedure. Hierbij nemen Wij in aanmerking dat verzoeker gehouden is aan zijn eigen, op de urgentie van de aanleg van het werk, toegesneden planning.

Wij merken op dat partijen het overleg na het verzoekbesluit hebben voortgezet. Het voortgezette overleg heeft nog niet tot overeenstemming geleid. Dit overleg dan wel het overleg dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke onteigeningsprocedure vooraf moet gaan, kan wellicht alsnog tot een voor partijen aanvaardbare oplossing leiden.

1.2

Reclamant betoogt dat de omschrijving van zijn kadastrale object op de lijst van ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken onjuist is. Op deze lijst staat de omschrijving Wonen terrein (grasland), terwijl het in werkelijkheid gaat om zijn tuin.

Ad 1.2

Met betrekking tot dit onderdeel van de zienswijze, merken Wij op dat in de bij de onteigeningsstukken gevoegde lijst van te onteigenen onroerende zaken, de onroerende zaak met het grondplannummer 299 wordt omschreven als ‘Wonen terrein (grasland)’. Deze omschrijving is gelijk aan de omschrijving in het kadastrale uittreksel, zoals opgenomen in de openbare registers van het kadaster. Ingevolge de onteigeningswet dienen deze registers als grondslag voor de administratieve onteigeningsprocedure.

Tijdens de hoorzitting heeft reclamant zijn zorg uitgesproken over de gevolgen van deze omschrijving voor de taxatieopname. Verzoeker heeft deze zorg weggenomen door te bevestigen dat dat de taxatiecommissie de waarde heeft bepaald op basis van de werkelijke situatie ter plaatse, en niet op basis van de kadastrale omschrijving.

1.3

Uit een kaart van Rijkswaterstaat (Combinatievariant Nieuwe aansluiting A16/N3) lijkt te blijken dat er meer grond nodig is, dan de 227 m2 die op de lijst van ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken is vermeld.

Ad 1.3

Met betrekking tot dit onderdeel van de zienswijze constateren Wij dat reclamant in zijn zienswijze ten onrechte vermeld dat de te onteigenen grootte 227 m2 betreft. De oppervlakte die is opgenomen in de lijst van ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken, bedraagt 272 m2. Reclamant heeft tijdens de hoorzitting bevestigd dat de oppervlakte die in zijn zienswijze is vermeld een typefout is.

Met betrekking tot de kaart waar reclamant naar verwijst, overwegen Wij dat de onteigeningstukken leidend zijn. Deze kaart heeft niet de status van een situatie- of grondtekening en behoort ook niet tot de ter inzage gelegde onteigeningstukken. De door reclamant genoemde kaart geeft slechts in grote lijnen en schetsmatig inzicht in de zogenaamde combinatievariant van de nieuwe aansluiting van de A16/N3. De te onteigenen oppervlakte van 272 m2 is aangeduid op de bij de onteigeningstukken gevoegde grondtekening. Op de situatietekening is dezelfde oppervlakte aangeduid en is inzicht gegeven in de te realiseren werkzaamheden op de grond van reclamant. Wij kunnen reclamant dan ook niet volgen in zijn betoog.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamant 1 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

De zienswijze van reclamante 2

2.1

Reclamante betoogt dat er meer grond van haar onteigend wordt voor open water, dan noodzakelijk is. In de zakelijke beschrijving is vermeld dat 10% van de toename van verhard oppervlak gecompenseerd moet worden in de vorm van open water in het peilgebied waar de toename van verharding plaatsvindt. Uit paragraaf 4.12 van de toelichting van het bestemmingsplan Rijksweg A16-N3 blijkt dat de toename van het bergend wateroppervlak 14,3% bedraagt van de toename van verhard oppervlak. Nu de grond van reclamante onteigend wordt voor de aanleg van een wegsloot en er dus meer bergend wateroppervlak wordt aangelegd dan noodzakelijk is, betoogt reclamante dat de noodzaak voor onteigening ontbreekt. Reclamante verwijst daarbij naar de Handreiking Administratieve Onteigeningsprocedure van 16 januari 2016.

Ad 2.1

Wij kunnen reclamante niet volgen in haar betoog dat de noodzaak voor onteigening ontbreekt. Wij wijzen op hetgeen over watercompensatie is opgenomen in de door reclamante in haar zienswijze aangehaalde paragraaf 4.12 van de toelichting van het bestemmingsplan Rijksweg A16-N3. Daaruit blijkt in de eerste plaats dat binnen ieder peilgebied de toename van verharding in dat peilgebied gecompenseerd wordt, door de aanleg van extra bergend wateroppervlak in dat peilgebied, ter grootte van ten minste 10% van de toename van het verhard oppervlak. In de tweede plaats wordt daarnaast, de demping van oppervlaktewater 1:1 gecompenseerd door vervangend nieuw oppervlaktewater te graven. De omvang van de watergang die op de grond van reclamante gerealiseerd wordt, is in eerste instantie nodig om de toename van de verharding binnen het desbetreffende peilgebied te compenseren. Naast toename van verharding is er binnen het peilgebied ook sprake van demping van oppervlaktewater. Deze demping wordt overeenkomstig de toelichting op het bestemmingsplan Rijksweg A16-N3 1:1 gecompenseerd. De omvang van de op de grond van reclamante te realiseren watergang is derhalve tevens noodzakelijk om de demping van oppervlaktewater binnen het peilgebied te compenseren.

Wij constateren dat de toelichting met betrekking tot het 1:1 compenseren van gedempt oppervlaktewater niet in de zakelijke beschrijving is opgenomen, waar het voor de hand had gelegen dit wel te doen. Wat daar ook van zij, de omvang van de watergang is noodzakelijk om binnen het peilgebied aan de door het Waterschap Hollandse Delta genoemde normen te voldoen. Verzoeker heeft daarmee niet gehandeld in strijd met hetgeen hierover in de Handreiking Administratieve Onteigeningsprocedure van 16 januari 2016 is opgenomen.

2.2

Reclamante betoogt dat het schriftelijke aanbod van verzoeker ten tijde van de indiening van het onteigeningsverzoek op 5 juli 2017 niet actueel was. Het tijdsverloop tussen de aanbieding van 22 februari 2017 en de start van de procedure is te groot. Reclamante verwijst daarbij naar de Handreiking Administratieve Onteigeningsprocedure van 16 januari 2016.

Ad 2.2

Naar aanleiding van het gestelde over de periode tussen de bieding van verzoeker van 22 februari 2017 en de indiening van het verzoek om onteigening op 5 juli 2017 merken Wij op dat het bod voldoende actueel is. Er is weliswaar een periode van ongeveer vier maanden tussen de biedingen verstreken, maar partijen hebben in deze periode op verschillende momenten overleg gevoerd en er was geen aanleiding voor verzoeker om een nieuwe of aangepaste bieding uit te brengen. In de schriftelijke bieding die verzoeker op 22 februari 2017 uitbracht is gemotiveerd ingegaan op een aantal door reclamante aangedragen referentietransacties. Verzoeker maakt kenbaar dat deze referentietransacties geen aanleiding geven om te komen tot een andere waardering van de grond, ten opzichte van het eerder uitgebrachte schriftelijke aanbod van 18 januari 2016. Hierna vond op 19 april 2017 een telefonisch overleg plaats tussen verzoeker en de adviseur van reclamante, waaruit bleek dat er voor beide partijen geen nieuwe aanknopingspunten of referenties waren en dat de standpunten ongewijzigd zijn. Partijen constateren dat verder overleg zonder gewijzigde standpunten of referenties, geen zin heeft en reclamante laat weten dat zij zich zal verzetten tegen een mogelijke onteigening. Tijdens een telefonisch overleg op 7 juni 2017 blijkt dat de wederzijdse standpunten niet gewijzigd zijn en kondigt verzoeker de start van de onteigeningsprocedure aan. Gelet op de geschetste gang van zaken kunnen Wij reclamante niet volgen in haar betoog dat er ten tijde van de start van de onteigeningsprocedure geen sprake was van een actueel bod. Naar Ons oordeel was er geen aanleiding om kort voor de start van de onteigeningsprocedure opnieuw een bod uit te brengen.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamante 2 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Overige overwegingen

Uit de bij het verzoek overgelegde stukken blijkt, dat de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken bij de uitvoering van het overgelegde plan van het werk niet kunnen worden gemist.

Ons is niet gebleken van feiten en omstandigheden die overigens de toewijzing van het verzoek in de weg staan. Het moet in het belang van een vlotte en veilige doorstroming van het verkeer en de verbetering van de infrastructuur noodzakelijk worden geacht dat de Staat de vrije eigendom van de door Ons ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken verkrijgt.

Wij zullen, gelet op het hierboven gestelde, het verzoek van de Minister van Infrastructuur en Milieu tot het nemen van een besluit krachtens artikel 72a van de onteigeningswet toewijzen.

BESLISSING

Gelet op de onteigeningswet,

op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 11 december 2017, nr. RWS-2017/46521, Rijkswaterstaat Corporate Dienst;

gelezen het verzoek van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu bij brief van 5 juli 2017, kenmerk RWS-2017/23935;

de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, advies van 7 maart 2018, no.W17.17.0392/IV;

gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 16 maart 2018, nr. RWS-2018/8728, Rijkswaterstaat Corporate Dienst;

Hebben Wij goedgevonden en verstaan:

Voor de reconstructie van de aansluiting van de rijksweg A16 op de rijksweg N3/Randweg en provinciale weg N217, bestaande uit de reconstructie van de A16 vanaf 900 meter ten noorden van de kruising met N3/Randweg (A16 km. 37.550) tot 700 meter ten zuiden van de verzorgingsplaats De Zuidpunt (A16 km. 43.500) alsmede de reconstructie van de N3/Randweg en N217 vanaf de kruising van de N3/Randweg met de spoorlijn Rotterdam-Breda ten oosten van de A16 (N3 km. 9.325) tot 50 meter na de aansluiting van de provinciale weg N217 met de Rijksstraatweg ten westen van de A16 (N217 km. 29.900), een en ander met bijkomende werken, in de gemeente Dordrecht, ten name van de Staat ter onteigening aan te wijzen de onroerende zaken in de gemeente Dordrecht aangeduid op de grondtekeningen die ingevolge artikel 63 van de onteigeningswet in de gemeente Dordrecht en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage hebben gelegen en die zijn vermeld op de bij dit besluit behorende lijst.

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Afdeling advisering van de Raad van State.

Wassenaar, 21 maart 2018

Willem-Alexander

DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga

LIJST VAN DE TE ONTEIGENEN ONROERENDE ZAKEN

ONTEIGENINGSPLAN: RECONSTRUCTIE A16-N3/N217

VERZOEKENDE INSTANTIE: MINISTERIE VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

 

Van de onroerende zaak, kadastraal bekend, gemeente Dordrecht

Grondplan nr.

Te onteigenen grootte

Als

Ter grootte van

Sectie en nr.

Ten name van

ha

a

ca

ha

a

ca

299

0

02

72

Wonen terrein (grasland)

1

38

80

V 299

Jan Marie Cornelis Gerrit Blanken van den Berg, IJzendoorn.

                   

716

0

49

53

Terrein (akkerbouw)

2

66

05

V 716

Herkon B.V., Hardinxveld-Giessendam.

                   

1804

0

06

59

Wonen erf – tuin

1

18

50

V 1804

Eigendom belast met gebruik en bewoning:

Pleun Cornelis Baks, gehuwd met Maria Frederica Janssen, Dordrecht.

Gebruik en bewoning:

Adrianus Elisabeth Cornelis Maria Baks (overleden), Dordrecht.