Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
RijkswaterstaatStaatscourant 2018, 11292Onteigeningen

Besluit van 14 februari 2018, nr. 2018000262 tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Pekela krachtens artikel 72a van de onteigeningswet (onteigening voor de verbreding van de N366 tussen Alteveer en Stadskanaal, met bijkomende werken)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Ingevolge artikel 72a, eerste lid, van de onteigeningswet kan onteigening van onroerende zaken plaatsvinden onder meer voor de aanleg en verbetering van wegen, bruggen, spoorwegwerken en kanalen, alsmede daarop rustende zakelijke rechten. Daaronder wordt op grond van artikel 72a, tweede lid sub c, mede begrepen onteigening voor de aanleg en verbetering van de in het eerste lid bedoelde werken en rechtstreeks daaruit voortvloeiende bijkomende voorzieningen ter uitvoering van een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 van de Wet ruimtelijke ordening.

Het verzoek tot aanwijzing ter onteigening

Gedeputeerde staten van Groningen hebben Ons bij brief van 28 juni 2017, kenmerk 2017-059128 verzocht, om ten name van die provincie over te gaan tot het aanwijzen ter onteigening van onroerende zaken in de gemeente Pekela. De onteigening wordt verzocht om de verbreding mogelijk te maken van de provinciale weg N366 vanaf 280 meter vóór de kruising met de Poortmanswijk te Alteveer/Oud Alteveer te Nieuwe Pekela tot en met 215 meter vóór de kruising met N378 te Stadskanaal, met bijkomende werken in de gemeente Pekela.

Planologische grondslag

De onroerende zaken waarop het verzoek betrekking heeft, liggen in de gemeente Pekela. De grondslag voor de planologische uitvoerbaarheid van het werk waarin de ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken zijn gelegen wordt gevormd door het onherroepelijke Provinciaal Inpassingsplan (PIP) N366 Stadskanaal-Pekela-Veendam van de provincie Groningen.

Toepassing uniforme openbare voorbereidingsprocedure

Overeenkomstig artikel 63, tweede lid, van de onteigeningswet en artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hebben het ontwerp koninklijk besluit en de in artikel 63 van de onteigeningswet bedoelde stukken vanaf 17 augustus 2017 tot en met 27 september 2017 in de gemeente Pekela en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage gelegen.

Overeenkomstig artikel 3:12 van de Awb heeft Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, thans de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (Onze Minister) van het ontwerp koninklijk besluit en van de terinzagelegging van de onteigeningsstukken openbaar kennis gegeven in Het Streekblad en in de Staatscourant van 16 augustus 2017, nr. 45603.

Verder heeft Onze Minister het ontwerp koninklijk besluit overeenkomstig artikel 3:13 van de Awb, voorafgaand aan de terinzagelegging toegezonden aan belanghebbenden, waaronder de verzoeker. Daarbij zijn de belanghebbenden gewezen op de mogelijkheid om schriftelijk of mondeling zienswijzen over het ontwerpbesluit naar voren te brengen en op de mogelijkheid over de zienswijzen te worden gehoord.

Overwegingen

Noodzaak en urgentie

De N366 is een belangrijke verbinding die het zuidoosten van de provincie Groningen ontsluit en verder verbinding legt met Drenthe en Duitsland. De provincie Groningen is vanaf 2007 bezig met het veiliger maken van de N366. Op de weg gebeuren relatief veel ernstige ongelukken, reden om enkele jaren geleden het project “N366 Veilig” in gang te zetten. In het project “N366 Veilig” werkt de provincie Groningen samen met de gemeenten Veendam, Pekela, Stadskanaal en Vlagtwedde. Doelstelling is onder meer om na realisatie van de maatregelen het aantal ongevallen met circa 50% terug te dringen.

Gelet op de functie enerzijds en het wegbeeld met aansluitingen anderzijds, is in 2004 een studie naar het eindbeeld van de weg uitgevoerd. Daarin is geconstateerd dat opwaardering noodzakelijk is. In dat eindbeeld fungeert de N366 als hoogwaardige stroomweg. Daarbij is de weg verbreed naar 8,60 meter en zijn de aansluitingen op het onderlinge wegennet ongelijkvloers uitgevoerd. De eerste fasen van het project zijn inmiddels gerealiseerd in de vorm van een aantal ongelijkvloerse kruisingen, alsmede door de weg te verbreden en te voorzien van een groene middenstreep.

Op 25 september 2013 hebben provinciale staten door het nemen van een realisatiebesluit ingestemd met de realisering van de volgende projecten: wegverdubbeling Veendam-Pekela en reconstructie wegvak Pekela-Ter Apel. In het realisatiebesluit sluiten provinciale staten aan bij het voornoemde eindbeeld van de route van de N366. Op basis hiervan is een integraal routeontwerp tot stand gekomen, waarbij de weg verkeerskundig en landschappelijk evenwichtig wordt ingepast.

De huidige N366 tussen Alteveer en Stadskanaal voldoet niet aan de richtlijnen van een stroomweg. Daarom wordt rijbaan verbreed van 7,50 naar 8,60 meter. Daarnaast staan op zeer korte afstand van de weg bomen en bosschages. Hiermee wordt in de huidige situatie niet voldaan aan de eis van een obstakelvrije bermen. Overeenkomstig het rapport Landschappelijk en Verkeerskundig ontwerp N366 wordt daarnaast uitgegaan van de plaatsing van de bomen in de bermen op ruime afstand van de weg zelf. Bij de nieuwe aansluiting Pekela-Zuid zullen de bestaande groenvoorzieningen/bosschages gehandhaafd, dan wel versterkt worden. Voor de N366 (stroomweg met 100 km/u) is gekozen voor de minimale obstakelvrije zone van 8,00 meter vanaf binnenkant kantmarkering. Als daar de redresseerstrook van 0,80 meter van wordt afgetrokken blijft er een obstakelvrije berm over van 7,00 meter. Indien zich wel obstakels bevinden binnen deze minimale obstakelgrens van 8,00 meter, dan zullen er langs de N366 afschermingsvoorzieningen moeten worden geplaatst. Door de inrichting van de N366 als hoogwaardige stroomweg zal de veiligheid en de doorstroming van het verkeer verbeteren.

Om de werken en werkzaamheden tijdig te kunnen realiseren wenst de provincie Groningen de eigendom te verkrijgen, vrij van lasten en rechten, van de onroerende zaken die in het onteigeningsplan zijn begrepen.

De verzoeker heeft met de eigenaren overleg gevoerd om deze onroerende zaken minnelijk in eigendom te verkrijgen. Dit overleg heeft vooralsnog niet tot (volledige) overeenstemming geleid. Omdat het ten tijde van het verzoek naar het oordeel van de verzoeker niet aannemelijk was dat het overleg op afzienbare termijn tot vrijwillige eigendomsoverdracht zou leiden, hebben gedeputeerde staten van Groningen een verzoek ingediend tot aanwijzing ter onteigening van deze onroerende zaken, om de tijdige verwezenlijking van het plan van het werk zeker te stellen.

Uit de Ons bij het verzoek overgelegde zakelijke beschrijving en nadien verstrekte nadere informatie blijkt dat de start van de werkzaamheden voor het wegvak Alteveer – Stadskanaal is voorzien begin 2018. In de eerste helft van 2017 is het bestek opgesteld. De aanbestedingsprocedure zal op donderdag 30 november 2017 worden gestart. De start van de werkzaamheden zal rond 1 februari 2018 plaatsvinden. De oplevering van het werk is voorzien in oktober 2018. Na afloop van deze werkzaamheden zal de nieuwe bomenrij worden aangebracht. Daarmee is aannemelijk dat zal worden voldaan aan de door Ons voor de aanvang van de werken en werkzaamheden gehanteerde termijn van ten hoogste vijf jaar na de datum van dit aanwijzingsbesluit.

Zienswijzen

Binnen de termijn dat het ontwerp koninklijk besluit ter inzage heeft gelegen, is daarover een zienswijze naar voren gebracht door:

  • 1. ASR Levensverzekering N.V., eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 9, 10 en 11, verder te noemen: reclamante 1.

Overeenkomstig artikel 63, vierde lid, van de onteigeningswet heeft Onze Minister reclamanten in de gelegenheid gesteld te worden gehoord in een op 18 oktober 2017 te Pekela te houden hoorzitting. Reclamante heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

Overwegingen naar aanleiding van de zienswijzen

Wij hebben hetgeen reclamante in haar zienswijze naar voren brengt samengevat in de hierna volgende passages. Daarbij hebben wij tevens Onze overwegingen bij de zienswijze weergegeven.

De zienswijze van reclamante 1

1.1

Reclamante betoogt dat zij de voor het werk benodigde gronden in eigendom heeft. Bij brief van 28 april 2017 heeft reclamante toegestaan dat het recht van erfpacht dat op de gronden rust door de toenmalige erfpachter verkocht werd aan verzoeker. Dit onder de voorwaarden dat verzoeker in de rechten van de toenmalige erfpachter trad, verzoeker erfpachter werd van reclamante en dat verzoeker na ommekomst van de erfpachttermijn de blote eigendom voor een geïndexeerde hoofdsom van reclamante kon kopen. Reclamante betoogt dat deze voorwaarden zijn opgenomen in de akte van levering van 13 juli 2017 en dat verzoeker deze voorwaarden hiermee heeft geaccepteerd. Nu er tussen reclamante en verzoeker overeenstemming is over de verwerving van de blote eigendom, ontbreekt de noodzaak voor onteigening.

Ad 1.1

Wij kunnen reclamante niet volgen in haar stelling dat de noodzaak tot onteigening ontbreekt. Reclamante betoogt dat verzoeker door de verwerving van het erfpachtrecht in de rechten van de erfpachter trad en dat verzoeker hierdoor ermee heeft ingestemd dat zij na ommekomst van de erfpachttermijn in 2024 de blote eigendom voor een geïndexeerde hoofdsom van reclamante kan kopen. Uit de door reclamante overgelegde stukken blijkt dat verzoeker met reclamante en met de voormalig erfpachter in overleg is getreden over de aankoop van respectievelijk het blote eigendom van reclamante en het recht van erfpacht van de voormalige erfpachter, om het onderhavige plan van het werk te kunnen realiseren. Verzoeker heeft met de voormalige erfpachter overeenstemming bereikt over de aankoop van het erfpachtrecht. Reclamante heeft bij genoemde brief van 28 april 2017 toegestaan dat het recht van erfpacht dat op de gronden rust door de toenmalige erfpachter verkocht werd aan verzoeker, dat verzoeker daarmee in de rechten van de erfpachter trad en dat deze na ommekomst van de erfpachttermijn de blote eigendom voor een geïndexeerde hoofdsom van reclamante kan kopen. Verzoeker heeft bij brief van 31 mei 2017 gereageerd en kenbaar gemaakt dat de toestemming onverlet laat dat verzoeker onvoorwaardelijk en onbezwaard, vrij van rechten en beperkingen, over de volledige eigendom wil beschikken en niet pas in 2024 na ommekomst van de erfpachttermijn. In de door reclamante aangehaalde overeenkomst van 13 juli 2017, is opgenomen dat de benodigde toestemming tot verkoop en levering van het verkochte recht van erfpacht blijkt uit de door reclamante genoemde brief van 28 april 2017. Tussen partijen bestaat thans een meningsverschil over de vraag of verzoeker door de aankoop van het erfpachtrecht volledig in de rechten van de voormalige erfpachter treedt. Reclamante stelt zich hierbij op het standpunt dat verzoeker in 2024, na ommekomst van de erfpachttermijn de blote eigendom voor de geïndexeerde hoofdsom kan kopen. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de toestemming van reclamante uitsluitend ziet op de overdracht van het erfpachtdeel. Wat daar ook van zij, in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure kunnen Wij geen zelfstandige uitspraken doen over de door reclamante aangehaalde bepalingen in de overeenkomst omdat dit niet aan Ons niet ter beoordeling staat. Evenmin zijn wij bevoegd om deze procedure een oordeel te vellen over de vraag of verzoeker daadwerkelijk gehouden is om pas in 2024 de blote eigendom te kopen. Het is aan reclamante om dit aan de civiele rechter voor te leggen. Gelet op de geschetste gang van zaken moet worden onderkend dat verzoeker nog niet kan beschikken over de voor de realisering van het werk van reclamante benodigde onroerende zaken. Verder overwegen Wij dat tijdige eigendomsverkrijging van de blote eigendom van de onroerende zaken van reclamante niet alleen noodzakelijk is om het werk te kunnen uitvoeren, maar ook om de veilige en ongestoorde ligging van dit werk te waarborgen. Gelet op de urgentie van de uitvoering van het werk en de omstandigheid dat, zonder aanwijzing ter onteigening, de tijdige verkrijging door de verzoeker van de benodigde grond onzeker is, moet dan ook naar Ons oordeel onderkend worden dat aanwijzing ter onteigening noodzakelijk blijft

1.2

Reclamante betoogt dat er niet, of onvoldoende, met haar onderhandeld is. Verzoeker is een professionele partij en heeft de erfpachtbepalingen die zijn opgenomen in de akte van levering welbewust geaccepteerd. In het herhaalde aanbod dat verzoeker op 27 juni 2017 aan reclamante uitbracht, gaat verzoeker voorbij aan de wijzigende uitwerking van de voorwaarden en omstandigheden en wordt er geen splitsing gepresenteerd, terwijl deze voorwaarden en omstandigheden al geruime tijd voor de overdracht op 13 juli 2017 bij verzoeker bekend waren.

Ad 1.2

Het betoog van reclamante ten aanzien van het minnelijk overleg wordt ingegeven door een groot verschil van inzicht tussen partijen over de uitleg van de erfpachtbepalingen in de acte van levering en de wijze van taxeren van het bloot eigendom en heeft daarmee in feite betrekking op de hoogte en samenstelling van de schadeloosstelling.

Met betrekking tot de hoogte van de schadeloosstelling merken Wij op dat de onteigening ingevolge artikel 40 van de onteigeningswet plaatsvindt op basis van een volledige schadeloosstelling voor alle schade die de onteigende partij rechtstreeks en noodzakelijk lijdt door het verlies van zijn onroerende zaak. Artikel 41 van de onteigeningswet ziet daarnaast op de te vergoeden waardevermindering van het overblijvende. De hoogte en wijze van berekening van de schadeloosstelling staan Ons in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure niet ter beoordeling, maar komen bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming aan de orde in het kader van de gerechtelijke onteigeningsprocedure. In het kader van de administratieve onteigeningsprocedure wordt evenmin getreden in de vraag of alle schadecomponenten in de schadeloosstelling zijn opgenomen. Ook dit aspect komt bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming in de gerechtelijke onteigeningsprocedure aan de orde. Wel kan de geboden schadeloosstelling als onderdeel van de toetsing van de kwaliteit van het gevoerde minnelijk overleg bezien worden.

Met betrekking tot het gevoerde minnelijk overleg overwegen Wij in het algemeen dat artikel 17 van de onteigeningswet bepaalt dat de onteigenende partij dat wat onteigend moet worden eerst bij minnelijke overeenkomst in eigendom probeert te verkrijgen. Deze bepaling heeft betrekking op de gerechtelijke onteigeningsprocedure. Het minnelijk overleg in de daaraan voorafgaande administratieve onteigeningsprocedure is echter een van de vereisten waaraan door Ons wordt getoetst bij de beoordeling van de noodzaak tot onteigening. Omdat onteigening een uiterst middel is, zijn Wij van oordeel dat hiervan pas gebruik mag worden gemaakt als het minnelijk overleg voor het begin van de administratieve onteigeningsprocedure niet of niet in de gewenste vorm tot overeenstemming heeft geleid. Aan deze eis is naar Ons oordeel in het kader van onteigeningen op de voet van de titels II en IIa van de onteigeningswet in beginsel voldaan als voor de datum van het verzoek om onteigening met de onderhandelingen over de minnelijke eigendomsverkrijging tijdig een begin is gemaakt en het op het moment van het verzoek aannemelijk is dat die onderhandelingen tot een redelijk punt zijn voortgezet, maar dat deze voorlopig niet tot vrijwillige eigendomsoverdracht zullen leiden. Daarbij moet het gaan om een concreet en serieus minnelijk overleg. Uitgangspunt daarbij is dat ten tijde van het verzoek al een formeel schriftelijk aanbod is gedaan.

Uit de Ons overlegde stukken en verstrekte informatie blijkt dat partijen vanaf eind 2013 in overleg zijn. Op verzoek van reclamante is een nadere toelichting op de plannen uitgesteld. Bij brief van 26 mei 2016 heeft verzoeker de eerste onderbouwde schriftelijke bieding uitgebracht. Conform artikel 18 van de erfpachtvoorwaarden heeft daarna eerst tussen reclamante en de voormalige erfpachter en diens adviseur overleg plaatsgevonden over beëindiging van het erfpachtrecht. Van de ontwikkelingen en pogingen om nader tot elkaar te komen is verzoeker door de erfpachter en diens adviseur op de hoogte gehouden. Eind maart 2017 bleek dat tussen reclamante en de erfpachter een onoverbrugbaar verschil in prijs bleef bestaan. Verzoeker heeft vanaf dat moment weer zelf het minnelijk overleg gevoerd met reclamante voor de aankoop van het blote eigendom en met de erfpachter over de aankoop van het erfpachtrecht. Verzoeker heeft vervolgens op 12 april 2017 een bieding uitgebracht. Op 27 juni 2017 informeert verzoeker reclamante dat door de aanstaande verwerving van het erfpachtdeel de kadastrale percelen zijn opgedeeld in 6 nieuwe percelen waaraan nieuwe kadastrale nummers en voorlopige (administratieve) oppervlakten zijn toegekend en herhaalt haar bieding om de volledige en onbezwaarde eigendom te verwerven. Anders dan reclamante stelt, ontstond hiermee geen nieuwe situatie. Uit de overgelegde stukken blijkt immers dat de ter onteigening aan te wijzen oppervlakte niet is gewijzigd, maar dat de perceelnummers en oppervlakten van de gesplitste percelen die zijn ontstaan na de aankoop van het erfpachtrecht wel zijn gewijzigd. Vanwege het groot verschil van inzicht tussen partijen over de hoogte van de schadeloosstelling heeft verzoeker reclamante op 4 april 2017, 12 april 2017, 31 mei 2017 en 27 juni 2017 gevraagd om een onderbouwing en argumentatie te leveren voor de opbouw van het door reclamante geclaimde bedrag. Reclamante heeft deze onderbouwing niet gegeven. Verzoeker dient na het uitblijven van de gevraagde onderbouwing het verzoek tot het starten van de administratieve onteigeningsprocedure in.

Het vorenstaande in aanmerking nemend zijn Wij van oordeel dat de verzoeker voorafgaand aan de start van de administratieve onteigeningsprocedure voldoende pogingen heeft ondernomen om met reclamante tot overeenstemming te komen.

Aangezien het ten tijde van het onteigeningsverzoek aannemelijk was dat het minnelijk overleg voorlopig niet tot vrijwillige eigendomsoverdracht zou leiden, omdat er een groot verschil van inzicht tussen partijen is over de uitgangspunten en de hoogte van de schadeloosstelling, mocht worden overgegaan tot de start van de administratieve onteigeningsprocedure. In dit kader overwegen Wij verder dat hierbij in aanmerking moet worden genomen dat de verzoeker gebonden is aan zijn eigen, op de urgentie van het werk toegespitste planning

Het overleg met reclamante zal worden voortgezet. Dit overleg, dan wel het overleg dat op grond van artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke procedure vooraf moet gaan, kan alsnog tot een voor partijen aanvaardbare oplossing leiden.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamante 1 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Overige overwegingen

Uit de bij het verzoek overgelegde stukken blijkt, dat de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken bij de uitvoering van het overgelegde plan van het werk niet kunnen worden gemist.

Ons is niet gebleken van feiten en omstandigheden die overigens de toewijzing van het verzoek in de weg staan. Het moet in het belang van de verkeersveiligheid en een vlotte en veilige doorstroming van het verkeer, noodzakelijk worden geacht dat de provincie Groningen de vrije eigendom van de door Ons ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken verkrijgt.

Wij zullen, gelet op het hierboven gestelde, het verzoek van provinciale staten van Groningen tot het nemen van een besluit krachtens artikel 72a van de onteigeningswet toewijzen.

BESLISSING

Gelet op de onteigeningswet,

op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 16 november 2017, nr. RWS-2017/43373, Rijkswaterstaat Corporate Dienst;

gelezen het verzoek van gedeputeerde staten van Groningen bij brief van 28 juni 2017, kenmerk 2017-059128;

de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, advies van 24 januari 2018, no.W.17.17.0373/IV;

gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat 6 februari 2018, nr. RWS-2018/2904, Rijkswaterstaat Corporate Dienst;

Hebben Wij goedgevonden en verstaan:

Voor de verbreding van de provinciale weg N366, vanaf 280 meter vóór de kruising met de Poortmanswijk te Alteveer/Oud Alteveer te Nieuwe Pekela tot en met 215 meter vóór de kruising met N378 te Stadskanaal, met bijkomende werken in de gemeente Pekela, een en ander met bijkomende werken, in de gemeente Pekela, ten name van de provincie Groningen ter onteigening aan te wijzen de onroerende zaken in de gemeente Pekela aangeduid op de grondtekeningen die ingevolge artikel 63 van de onteigeningswet in de gemeente Pekela en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage hebben gelegen en die zijn vermeld op de bij dit besluit behorende lijst.

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Afdeling advisering van de Raad van State.

Wassenaar, 14 februari 2018

Willem-Alexander

DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga

LIJST VAN DE TE ONTEIGENEN ONROERENDE ZAKEN

ONTEIGENINGSPLAN: Verbreding N366 wegvak Alteveer-Stadskanaal

VERZOEKENDE INSTANTIE: Provincie Groningen.

 

Van de onroerende zaak, kadastraal bekend, gemeente Nieuwe Pekela

Grondplan

nr.

Te onteigenen

grootte

Als

Ter grootte

van

Sectie

en nr.

Ten name van

ha

a

ca

ha

a

ca

2

0

15

02

terrein (akkerbouw)

12

83

65

I 526

Johannes Kanning, gehuwd met Gerda Spieker, Nieuwe Pekela.

                   

3

0

17

30

terrein (akkerbouw)

14

43

05

I 525

Johannes Kanning, gehuwd met Gerda Spieker, Nieuwe Pekela.

                   

4

0

08

73

terrein (akkerbouw)

2

56

50

I 544

Johannes Kanning, gehuwd met Gerda Spieker, Nieuwe Pekela.

                   

5

0

08

66

terrein (akkerbouw)

3

01

05

I 543

Johannes Kanning, gehuwd met Gerda Spieker, Nieuwe Pekela.

                   

9

GEHEEL

terrein (akkerbouw)

0

09

79

I 1339

Eigendom belast met erfpacht: ASR Levensverzekering N.V., Utrecht;

               

Administratieve (voorlopige) kadastrale grens en oppervlakte

                   

10

GEHEEL

terrein (akkerbouw)

0

09

66

I 1334

Eigendom belast met erfpacht: ASR Levensverzekering N.V., Utrecht;

               

Administratieve (voorlopige) kadastrale grens en oppervlakte

               

11

GEHEEL

terrein (akkerbouw)

0

21

85

I 1337

Eigendom belast met erfpacht: ASR Levensverzekering N.V., Utrecht;

               

Administratieve (voorlopige) kadastrale grens en oppervlakte