Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en WaterstaatStaatscourant 2017, 74360Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 21 december 2017, nr. IENM/BSK-2017/313154, tot wijziging van de Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer in verband met de indexering voor het jaar 2018

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,

Gelet op artikel 81, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000;

BESLUIT:

ARTIKEL I

Artikel 1a van de Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt ‘€ 2,98’ vervangen door: € 3,02.

2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt ‘€ 2,19’ vervangen door: € 2,22.

3. In het eerste lid, onderdeel c, wordt ‘€ 0,36’ vervangen door: € 0,37.

4. In het tweede lid, onderdeel a, wordt ‘€ 6,06’ vervangen door: € 6,13.

5. In het tweede lid, onderdeel b, wordt ‘€ 2,76’ vervangen door: € 2,79.

6. In het tweede lid, onderdeel c, wordt ‘€ 0,41’ vervangen door: € 0,42.

7. In het derde lid wordt ‘€ 41,09’ vervangen door: € 41,55.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven voor 31 december 2017, treedt zij in werking op 1 januari 2018.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, S. van Veldhoven-van der Meer

TOELICHTING

Inleiding

Deze regeling strekt tot wijziging van de Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer (hierna: de regeling) in verband met de verwachte kostenontwikkeling. Hiertoe worden de in de regeling vastgestelde maximumtarieven aangepast.

Indexering tarieven

Sinds 2010 worden de maximumtarieven voor taxivervoer jaarlijks geïndexeerd. Per 1 januari 2017 gebeurt dit op basis van de Landelijke Tarievenindex (LTI). Aanleiding hiervoor is de evaluatie van de tariefstructuur in de taxisector, waarover de Tweede Kamer bij brief van 16 juni 2016 is geïnformeerd.1

Voor 2018 komt uit de berekening een LTI van 1,13%. Dit betekent dat de vaste bedragen, de bedragen per kilometer en de bedragen per minuut hiermee worden verhoogd (zie artikel I, eerste en tweede lid). Hetzelfde geldt voor het tarief dat de vervoerder, mits afgesproken met de consument, in rekening mag brengen voor de wachtperiode bij aanvang van de rit (zie artikel I, derde lid).

De tarieven zijn bepaald door de LTI toe te passen op de niet afgeronde maximumtarieven van 2017.2 Zodoende wordt voorkomen dat de maximumtarieven over de jaren heen feitelijk minder stijgen dan op grond van de index gerechtvaardigd zou zijn.

Nalevingslasten

Als taxiondernemers op basis van de nieuwe (geïndexeerde) maximumtarieven kiezen voor het aanpassen van hun tarieven, dan kan dit nalevingslasten tot gevolg hebben. Deze lasten hangen samen met de volgende handelingen:

  • het (laten) aanpassen van de taxameter;

  • het downloaden, printen en invullen van nieuwe tariefkaarten; en

  • het vervangen van tariefkaarten binnen en buiten het taxivoertuig.

De eenmalige lasten die samenhangen met de aanpassing van de taxameters zijn: 35.000 taxi’s x 0,25 uur x € 28 = € 245.000. De eenmalige lasten die samenhangen met de nieuwe tariefkaarten zijn: 35.000 taxi’s x 0,5 uur x € 28 = € 490.000. Als alle taxiondernemingen deze handelingen verrichten zijn de totale lasten € 735.000. Per taxivoertuig zou dit neerkomen op € 21,00. De feitelijke lasten zullen echter lager uitvallen. Niet alle taxi’s verrichten vervoer waarvoor de maximumtarieven gelden. Dit geldt voor contractvervoer en in het geval uitsluitend taxivervoer wordt verricht waarbij de prijs vooraf is overeengekomen. Bovendien is het mogelijk dat in de praktijk niet alle taxiondernemers de (geïndexeerde) maximumtarieven doorberekenen.

Consultatie

Het ontwerp van onderhavige regeling is conform artikel 106 van de Wet personenvervoer 2000 ter consultatie voorgelegd. Op de ontwerpregeling zijn drie reacties binnengekomen. De hoofdpunten hiervan worden, voor zover deze in relatie stonden met het hier geregelde onderwerp, hieronder weergegeven.

In één reactie wordt gepleit voor de afschaffing van de maximumtarieven. In een andere reactie worden de maximumtarieven als zeer hoog omschreven. Het zij benadrukt dat deze regeling enkel een jaarlijkse indexering van de tarieven regelt en geen wijzigingen in de bestaande tariefstructuur beoogt. In de voorgenoemde evaluatie is de opbouw van de maximumtarieven, als ook het bestaansrecht hiervan, aan de orde geweest.3 Hieruit bleek dat de tariefregulering een belangrijk middel blijft om met name kwetsbare consumenten, zoals ouderen en toeristen, te beschermen wanneer zij een taxi nemen op straat. De onderhandelingspositie van de consument is in dit segment zwak, zo blijkt uit de evaluatie. Eveneens werd geadviseerd om de huidige tariefopbouw, bestaande uit start-, kilometer- en tijdtarief, niet aan te passen.

Tot slot werd gewezen op de afschaffing van de BPM-teruggaaf op taxi’s, die in het regeerakkoord is aangekondigd. In één reactie werd aandacht gevraagd voor de relatie van deze maatregel met de gehanteerde index. De afschaffing van de BPM-teruggaaf wordt voorzien voor 2020. Op dit moment is er geen reden om de wijze van indexering te wijzigen. De uitwerking van de maatregel zal ter hand worden genomen door de Staatssecretaris van Financiën.

Inwerkingtreding

De regeling treedt begin januari 2018 in werking. De regeling wordt niet twee maanden voor inwerkingtreding gepubliceerd in de Staatscourant, zoals wordt voorgeschreven door het overheidsbeleid met betrekking tot de vaste verandermomenten. De reden hiervoor is dat het percentage waarmee de nieuwe tarieven worden berekend pas later in het jaar beschikbaar is en er vervolgens een consultatie plaats moet vinden. Door de nieuwe tarieven begin januari te laten gelden, worden aanmerkelijke ongewenste private nadelen voor de sector voorkomen.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, S. van Veldhoven-van der Meer


X Noot
1

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, 31 521, nr. 100.

X Noot
2

Dat wil zeggen de maximumtarieven van 2016 waarop de LTI van 2017 is toegepast.

X Noot
3

Kamerstukken II 2015/16, 31 521, nr. 100 en bijlage hierbij.