Bekendmaking Gemeenschappelijke regeling Intergemeentelijke Sociale Dienst Brabantse Wal

Logo Steenbergen

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Steenbergen, Woensdrecht en Bergen op Zoom, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft,

overwegende dat:

voor een doelmatige uitvoering van de gemeenschappelijke taken en verantwoordelijkheden op het gebied van Sociale Zaken en ter versterking van de kwaliteit, continuïteit, effectiviteit en efficiency, intergemeentelijke samenwerking wenselijk is;

gelet op:

  • -

    de inhoud van de hiertoe door de gemeenteraden goedgekeurde businesscase 'Intergemeentelijke Sociale Dienst Bergen op Zoom, Steenbergen, Woensdrecht' van 27 april 2011;

  • -

    de toepasselijke bepalingen van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

  • -

    de kadernota verbonden partijen;

besluiten:

met toestemming van de raad van de gemeente Woensdrecht van 6 juli 2011, de raad van de gemeente Steenbergen van 14 juni 2011 en de raad van de gemeente Bergen op Zoom van 14 juni 2011, voor onbepaalde tijd aan te gaan de 'Gemeenschappelijke regeling Intergemeentelijke Sociale Dienst Brabantse Wal'.

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

Artikel 1: Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    de regeling : de gemeenschappelijke regeling Intergemeentelijke Sociale Dienst Brabantse Wal

  • b.

    gemeenschappelijk orgaan:het gemeenschappelijk orgaan als bedoeld in artikel 2 van deze regeling;

  • c.

    deelnemende gemeente; de gemeenten Woensdrecht, Steenbergen en Bergen op Zoom;

  • d.

    uitvoeringsorganisatie; de gemeente Bergen op Zoom, waar de uitvoering van de in deze regeling beschreven taken organisatorisch is ondergebracht bij de afdeling Sociale Zaken;

  • e.

    Gedeputeerde Staten: het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant;

  • f.

    afdelingshoofd uitvoeringsorganisatie: Het hoofd van de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Bergen op Zoom

Artikel 2: Gemeenschappelijk orgaan

  • 1.

    Voor de uitvoering van deze regeling is een gemeenschappelijk orgaan ingesteld als bedoeld in artikel 8 lid 2 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

  • 2.

    Het gemeenschappelijk orgaan is gevestigd te Bergen op Zoom.

Hoofdstuk 2: Belang, doel, taken en bevoegdheden

Artikel 3: Belang

De regeling wordt getroffen ter behartiging van het belang van een goede uitvoering van de gemeenschappelijke taken op het gebied van sociale zaken.

Artikel 4: Doel

  • 1.

    De regeling heeft ten doel de gezamenlijk uitvoering van de in artikel 6 genoemde taken en het afstemmen van beleid terzake van de uitvoering van de in deze regeling benoemde wet en regelgeving en het bevorderen van de kwaliteit en continuïteit van de dienstverlening.

  • 2.

    Het gemeenschappelijk belang betreft de uitvoering van de primaire en secundaire processen van de in artikel 6 genoemde regelingen.

Artikel 5: Uitvoeringsorganisatie

  • 1.

    De uitvoeringsorganisatie van deze regeling wordt gevormd door de gemeente Bergen op Zoom, afdeling Sociale Zaken.

  • 2.

    De medewerkers van de uitvoeringsorganisatie zijn in dienst van de gemeente Bergen op Zoom en werkzaam onder verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom. De rechtspositie van de gemeente Bergen op Zoom is van toepassing.

  • 3.

    De bedrijfsvoering en de aan deze taak gerelateerde inzet van samenhangende instrumenten op het gebied van personeel, informatievoorziening, organisatie, financiën, automatisering/administratie en huisvesting valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Bergen op Zoom.

  • 4.

    De uitvoeringsorganisatie wordt aangestuurd door een afdelingshoofd die daar door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom toe is aangewezen.

  • 5.

    De dagelijkse leiding van de uitvoeringsorganisatie berust bij het hoofd van de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Bergen op Zoom.

  • 6.

    Het afdelingshoofd is verantwoordelijk voor het minstens één keer per zes maanden verstrekken van informatie aan het Gemeenschappelijk Orgaan om het functioneren en de bedrijfsvoering van de werkorganisatie te kunnen beoordelen.

Artikel 6: Taken uitvoeringsorganisatie

  • 1.

    De deelnemende gemeenten laten overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van deze regeling door de uitvoeringsorganisatie het takenpakket van een afdeling Sociale Zaken van een gemeente uitvoeren.

  • 2.

    Dit takenpakket strekt zich uit tot de volgende deelgebieden:

    a. Sociale Zaken: de Wet werk en bijstand, Bijstandsbesluit zelfstandigen, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, Wet sociale werkvoorziening en alle overige daarop gebaseerde regelingen;

    b. Flankerend beleid: bijzondere bijstand, minimabeleid, Wet inburgering, schuldhulpverlening;

    c. De uitvoering van andere wetten, besluiten en regelingen op het gebied van Sociale Zaken, waarvan de uitvoering door de deelnemende gemeenten is opgedragen of in de toekomst in dit kader wordt opgedragen aan het gemeenschappelijk orgaan.

  • 3.

    Onder uitvoeren wordt in ieder geval begrepen:

    • a.

      Het behandelen van aanvragen op basis van de wetten en regelingen als genoemd in lid 2 en het verrichten van hercontroles en beëindigingsonderzoeken ingevolge deze regelingen;

    • b.

      Het op grond van een te formuleren intern controleplan uitvoeren van (interne)controles en rapportage op de uitvoering;

    • c.

      De volledige administratieve verwerking van de wetten en regelingen zoals genoemd in lid 2;

    • d.

      Alle juridische uitvoerende werkzaamheden voor bezwaar en beroep inzake de in lid 2 genoemde wetten en regelingen. Het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente neemt het besluit op een ingediend bezwaarschrift.

    • e.

      Alle werkzaamheden inzake terugvordering en verhaal op grond van de in lid 2 genoemde wetten en regelingen, inclusief besluitvorming en administratieve afwikkeling daarvan;

    • f.

      Alle werkzaamheden inzake planning en control, accountantscontrole, interne controle en andere financiële zaken op grond de in lid 2 genoemde wetten en regelingen, inclusief besluitvorming en administratieve afwikkeling daarvan;

    • g.

      Alle uitvoering van algemene maatregelen van bestuur, uitvoeringsregelingen, vastgesteld op basis van de in lid 2 genoemde regelgeving;

    • h.

      Alle werkzaamheden inzake periodiek management- en financiële rapportages en voorbereiding rapportages ten behoeve van het Ministerie;

    • i.

      Voorbereidende werkzaamheden inzake het opstellen van beleid, verordeningen en contracten met derden die voortkomen uit de in lid 2 genoemde wetten en regelingen.

    • j.

      Opstellen ontwerp begroting, meerjarenbegroting en de jaarrekening

  • 4.

    De beleidsbepalende bevoegdheden behoren toe aan de afzonderlijke gemeenteraden respectievelijk colleges van burgemeester en wethouders, ieder voor zover het zijn bevoegdheid betreft, van de deelnemende gemeenten.

Artikel 7: Algemene bevoegdheidstoedeling

De colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten zullen bij mandaatbesluit bepalen welke bevoegdheden die samenhangen met de taakvelden zoals vermeld in artikel 6 van de regeling, gemandateerd worden aan het afdelingshoofd van de uitvoeringsorganisatie voor zover dat binnen de Algemene wet bestuursrecht is toegestaan.

Artikel 8: Opdrachtovereenkomsten

  • 1.

    Voor de uitvoering van het takenpakket op de taakvelden zoals bedoeld in artikel 6 van deze regeling en met inachtneming van het bepaald in artikel 9 sluit de uitvoeringsorganisatie opdrachtovereenkomsten met ieder van de deelnemende gemeenten.

  • 2.

    Deze opdrachtovereenkomsten zijn voor de deelnemende gemeenten onderdeel van de reguliere planning en controlcyclus met betrekking tot de in artikel 6 genoemde taken.

Artikel 9: Kwaliteitsborging

  • 1.

    De uitvoeringsorganisatie draagt zorg voor een zorgvuldige en hoogwaardige uitvoering van de taken zoals vermeld in artikel 6 van deze regeling.

  • 2.

    De kwaliteitscriteria worden opgenomen in de in artikel 8 genoemde opdrachtovereenkomsten.

  • 3.

    Indien desondanks sprake is van onvoldoende kwalitatief of onzorgvuldig handelen van de uitvoeringsorganisatie ten aanzien van één of meer deelnemende gemeenten als gevolg waarvan schade is ontstaan of dreigt te ontstaan, meldt het betreffende college respectievelijk melden de colleges dit zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen drie maanden na het constateren van de geleden of dreigende schade bij het Gemeenschappelijk Orgaan. Gemeenschappelijk Orgaan draagt zorg voor beperking en zo nodig tot herstel van geleden schade.

Artikel 10: Regievoering

  • 1.

    Onverminderd hun afzonderlijke autonome verantwoordelijkheden voeren de deelnemende gemeenten gezamenlijk regie over de (kwaliteit van de) bedrijfsvoering en taakuitvoering van de uitvoeringsorganisatie.

  • 2.

    Hiertoe vindt een periodiek regie-overleg plaats tussen vertegenwoordigers (budgethouders en/of regiefunctionarissen) van de deelnemende gemeenten en het hoofd van de uitvoeringsorganisatie.

  • 3.

    De regievoering vindt in principe plaats op basis van de (periodieke rapportage over de) in artikel 8 genoemde opdrachtovereenkomsten.

Hoofdstuk 3: Het gemeenschappelijk orgaan

Artikel 11: Samenstelling

  • 1.

    Het gemeenschappelijk orgaan bestaat uit de door de deelnemende colleges van burgemeester en wethouders aangewezen wethouder van de deelnemende gemeente. Zij benoemen uit hun midden een voorzitter.

  • 2.

    De leden van het gemeenschappelijk orgaan hebben zitting gedurende de zittingsperiode van de colleges.

  • 3.

    Een lid dat tussentijds ophoudt lid van het college te zijn, houdt daarmee tevens op lid te zijn van het gemeenschappelijk orgaan. Dit geldt ook voor de voorzitter.

  • 4.

    Een lid dat ter vervulling van een tussentijdse vacature als lid van het gemeenschappelijk orgaan wordt benoemd, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats dit lid is benoemd, zou hebben moeten aftreden.

  • 5.

    Een lid dat tussentijds ontslag neemt, stelt de voorzitter van het gemeenschappelijk orgaan alsmede het college dat hem heeft aangewezen, hiervan op de hoogte.

  • 6.

    Leden van het gemeenschappelijk orgaan die ontslag hebben genomen, behouden hun lidmaatschap totdat in hun opvolging is voorzien.

  • 7.

    De aanwijzing voor de vervulling van plaatsen die zijn opengevallen, vindt binnen twee maanden plaats door het college die het aangaat.

Artikel 12: Werkwijze van het gemeenschappelijk orgaan

  • 1.

    Het gemeenschappelijk orgaan vergadert zo vaak als het daartoe heeft besloten, maar tenminste tweemaal per jaar en verder als de voorzitter of twee leden onder schriftelijke opgave van de te behandelen onderwerpen dit verzoeken.

  • 2.

    Besluiten van het gemeenschappelijk orgaan worden bij gewone meerderheid van stemmen genomen. De leden uit de gemeenten Woensdrecht en Steenbergen hebben beide één stem, het lid van de gemeente Bergen op Zoom heeft 2 stemmen.

  • 3.

    De voorzitter roept de leden schriftelijk op tot de vergadering.

Artikel 13: Bevoegdheden en taken van het gemeenschappelijk orgaan

  • 1.

    Het gemeenschappelijk orgaan is bevoegd om beslissingen te nemen omtrent:

    - vaststellen van de begroting;

    - vaststellen van de jaarrekening

  • 2.

    Tevens is het gemeenschappelijk orgaan gehouden de volgende de zaken te monitoren:

    - algemene gang van zaken rond de samenwerking.

    -het functioneren van de uitvoeringsorganisatie en de bedrijfsvoering.

  • 3.

    Het gemeenschappelijk orgaan is voorts betrokken bij de werving en selectieprocedure van het afdelingshoofd van de uitvoeringsorganisatie.

  • 4.

    Het afdelingshoofd van de uitvoeringsorganisatie staat het gemeenschappelijk orgaan bij de uitoefening van hun taak terzijde. Hij roept de vergadering bijeen, stelt de agenda op en is verantwoordelijk voor de verslaglegging.

Artikel 14: Inlichtingen, verantwoording en ontslag

  • 1.

    Het gemeenschappelijk orgaan geeft zo spoedig mogelijk aan de raden en de colleges van de deelnemende gemeenten de door één of meer leden van die raden of colleges schriftelijk gevraagde inlichtingen, waarvan het verstrekken niet strijdig is met het algemeen belang.

  • 2.

    Een lid van het gemeenschappelijk orgaan is verantwoording verschuldigd aan het college dat hem heeft aangewezen, dan wel aan de raad van die gemeente, voor het door hem in het gemeenschappelijk orgaan gevoerde beleid en wel binnen drie maanden nadat dit is gevraagd door het betrokken college dan wel door de raad op de wijze zoals dit wordt verlangd.

  • 3.

    Een verzoek om inlichtingen te verschaffen en/of verantwoording af te leggen kan uitsluitend worden geweigerd indien dit in strijd zal zijn met de belangen genoemd in artikel 16 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

  • 4.

    Een lid van het gemeenschappelijk orgaan dan niet langer het vertrouwen geniet van het college dat hem heeft aangewezen, kan door het college worden ontslagen. In dat geval draagt het college er zorg voor dat zo spoedig mogelijk een nieuw lid wordt aangewezen.

Hoofdstuk 4: Financiële bepalingen

Artikel 15: Financiering

  • 1.

    In de begroting wordt aangegeven welke bijdrage iedere deelnemende gemeente verschuldigd is voor de uitvoering van de taken en de organisatiekosten daarvan door de uitvoeringsorganisatie overeenkomstig het bepaalde in artikel 6 van de regeling. Uitgangspunt voor de verdeling van de kosten over de deelnemende gemeenten is het aantal klanten per deelnemende gemeente per 1 januari van het jaar voorafgaande aan het begrotingsjaar.

  • 2.

    De additionele kosten verbonden aan de uitvoering van de door de uitvoeringsorganisatie uitgevoerde taken zijn vastgesteld in de begroting 2012 en worden gedurende de eerste drie jaar jaarlijks bij de begroting met 1 % geïndexeerd. Onder additionele kosten wordt verstaan de doorbelasting van de ondernemingsraad, ondersteuning personeel en organisatie, financiën, DIV, bezwaarschriften, huisvesting, archief en werplekken automatisering. Na de periode van drie jaar wordt de kostprijs en het indexpercentage opnieuw door de uitvoeringsorganisatie vastgesteld.

  • 3.

    De algemene bedrijfsvoeringskosten die uit deze regeling voortvloeien worden jaarlijks in de begroting opgenomen.

  • 4.

    De uitvoeringsorganisatie voert een zodanige administratie dat daaruit de kosten van elke deelnemende gemeente kunnen worden herleid.

  • 5.

    De deelnemende gemeenten betalen bij wijze van voorschot op basis van facturering jaarlijks vóór 16 januari, vóór 16 april, vóór 16 juli en vóór 16 oktober telkens een kwart van de in het eerste lid bedoelde bijdrage.

  • 6.

    De deelnemende gemeenten dragen zorg voor maandelijkse bevoorschotting van het gemeenschappelijk orgaan op basis van 1/12 deel van de bij de deelnemende gemeente begrootte uitvoeringsbudgetten (directe kosten producten).

  • 7.

    Een bij de jaarrekening vastgesteld batig saldo zal via de verdeelsleutel zoals bepaald in het eerste lid worden verrekend met nieuwe voorschotten.

  • 8.

    De overschotten op de wettelijke verplichtingen worden terugbetaald aan de deelnemende gemeenten.

Artikel 16: Begroting

  • 1.

    Uiterlijk op 1 april voorafgaand aan het begrotingsjaar doet het gemeenschappelijk orgaan de deelnemende gemeenteraden een meerjarenbegroting toekomen en een ontwerpbegroting van inkomsten en uitgaven voor het komend dienstjaar, voorzien van de nodige toelichting en specificaties.

  • 2.

    De raden van de deelnemende gemeenten kunnen bij het gemeenschappelijk orgaan hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het gemeenschappelijk orgaan voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting.

  • 3.

    De begroting wordt uiterlijk 15 juni voorafgaan aan het jaar waarvoor deze geldt door het gemeenschappelijk orgaan vastgesteld.

  • 4.

    Nadat deze is vastgesteld, zendt het gemeenschappelijk orgaan, de begroting toe aan de raden van de deelnemende gemeente die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen.

  • 5.

    Het gemeenschappelijk orgaan zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten.

  • 6.

    Het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid is mede van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting

  • 7.

    Het bepaalde in lid 5 is niet van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting waarbij in de bijdrage van de deelnemers geen wijziging wordt gebracht.

Artikel 17: Jaarrekening

  • 1.

    Het gemeenschappelijk orgaan stelt jaarlijks, voor 1 april na afloop van het kalenderjaar de rekening van baten en lasten (inclusief de balans) van het voorgaande jaar vast.

  • 2.

    Het gemeenschappelijk orgaan zendt zo spoedig mogelijk, docht uiterlijk 1 mei, de rekening vergezeld van de daarbij horende verantwoording alsmede een verslag van het onderzoek naar deugdelijkheid, opgemaakt door een buiten het gemeenschappelijk orgaan staande deskundige, ter kennisneming toe aan de raden der deelnemende gemeenten;

  • 3.

    Het gemeenschappelijk orgaan zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten.

Hoofdstuk 5: Archief

Artikel 18: Archiefbeheer

  • 1.

    Het college van de gemeente Bergen op Zoom is belast met de zorg op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van de uitvoeringsorganisatie.

  • 2.

    De uitvoeringsorganisatie is belast met de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, bedoeld in het vorige lid, overeenkomstig door het gemeenschappelijk orgaan vast te stellen nadere regels.

  • 3.

    Bij opheffing van de regeling worden de archiefbescheiden geplaatst in een door het gemeenschappelijk orgaan aan te wijzen archiefbewaarplaats.

Hoofdstuk 6: Geschillen

Artikel 19: Geschillen

  • 1.

    Indien er tussen de uitvoeringsorganisatie en één van de deelnemende gemeenten een geschil ontstaat over de uitvoering van de taken als opgenomen in de artikelen 4 tot en met 6 van deze regeling, treden het gemeenschappelijk orgaan en het betreffende college terstond in overleg met elkaar ten einde het geschil verder te verkennen en zo mogelijk op te lossen.

  • 2.

    Indien dit overleg niet binnen twee maanden na de begindatum ervan tot een oplossing heeft geleid, zullen betrokken partijen een mediator inschakelen ten einde hun geschil te beslechten. In bijzondere omstandigheden of indien de spoedeisendheid dit verlangt, zijn partijen bevoegd het geschil aan de daartoe bevoegde rechter voor te leggen.

  • 3.

    Met betrekking tot geschillen tussen de deelnemende gemeenten onderling dan wel tussen de deelnemende gemeenten en de uitvoeringsorganisatie omtrent de toepassing in de ruimste zin van de regeling is artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen van toepassing.

Hoofdstuk 7: Toetreding, uittreding, wijziging, opheffing

Artikel 20: Toetreding

  • 1.

    Toetreding door een niet aan deze regeling deelnemende gemeente kan bij besluiten van het college van burgemeester en wethouders van die gemeente plaatsvinden, wanneer de deelnemende gemeenten in het gemeenschappelijk orgaan unaniem positief instemmen.

  • 2.

    Aan de toetreding kunnen deelnemende gemeenten voorwaarden verbinden.

  • 3.

    Bij toetreding tot de gemeenschappelijke regeling vindt een financiële verrekening met de toetreder plaats van de extra kosten c.q. lagere voordelen die de overblijvende deelnemers moeten maken c.q. behalen om de samenwerking uit te breiden gedurende een periode van 1 jaar.

  • 4.

    De toetreding gaat in op de eerste dag van de maand, volgende op die van opname van het besluit in de registers, tenzij het besluit een latere datum van ingang vermeldt.

Artikel 21: Uittreding

  • 1.

    Het college van elke deelnemende gemeente kan, na vooraf verkregen instemming van de raad van die gemeente, besluiten dat de deelneming aan deze regeling wordt opgezegd. De raad van de andere gemeenten wordt over de besluiten geïnformeerd. Een dergelijk besluit tot uittreding kan niet plaatsvinden binnen vijfjaar na inwerkingtreding van deze regeling.

  • 2.

    Een uittreding kan slechts plaatsvinden met ingang van de eerste januari van enig jaar, met dien verstande dat tenminste een opzegperiode van 18 maanden in acht wordt genomen.

  • 3.

    Alvorens de deelnemende gemeente tot besluitvorming komt, als bedoeld in het eerste lid, wordt eerst over het voornemen overleg gevoerd met de andere deelnemende gemeenten.

  • 4.

    In het voornemen als bedoeld in het eerste en derde lid worden de motieven gegeven op grond waarvan de deelnemende gemeente wenst uit te treden.

  • 5.

    De deelnemende gemeenten regelen in alle billijkheid de gevolgen van de uittreding. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de uittredende gemeente de kosten draagt die het rechtstreekse gevolg zijn van de uittreding en dat de overige gemeenten geen financieel nadeel van de uittreding ondervinden.

Artikel 22: Wijziging en opheffing

  • 1.

    De regeling kan worden gewijzigd, dan wel worden opgeheven na een daartoe strekkend gelijkluidend besluit van de raden en de colleges van de deelnemende gemeenten, ieder voor zover het hun bevoegdheid betreft.

  • 2.

    Een besluit tot opheffing van de regeling gaat vergezeld van een liquidatieplan, vast te stellen door de colleges van de deelnemende gemeenten. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemende gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing, in de gevolgen voor het personeel en in de gevolgen van het door de gemeenten wederom zelfstandig uitvoeren van de van toepassing zijnde regelgeving.

  • 3.

    Alle rechten en verplichtingen van de regeling die resteren na uitvoering van het liquidatieplan gaan bij vereffening over naar de gemeenten, naar evenredigheid van de grootte van hun bijdrage aan de regeling in het jaar voorafgaande van de opheffing.

Artikel 23: Evaluatie

Het samenwerkingsverband wordt vier jaar na inwerkingtreding van deze regeling geëvalueerd, waarbij in ieder geval wordt beoordeeld of de regeling voldoet aan de geformuleerde doelstellingen.

Hoofdstuk 8: Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 24: Inwerkingtreding en overige bepalingen

  • 1.

    De regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2012 en kan worden aangehaald onder de titel 'Gemeenschappelijke Regeling Intergemeentelijke Sociale Dienst Brabantse Wal.

  • 2.

    De deelnemende gemeenten dragen zorg voor de bekendmaking van deze regeling op een in de desbetreffende gemeente gebruikelijke wijze.

  • 3.

    Het gemeentebestuur van de gemeente Bergen op Zoom is aangewezen als het gemeentebestuur bedoeld in artikel 26 van de Wet Gemeenschappelijke Regelingen.

Naar boven