Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
overigStaatscourant 2017, 71902Besluiten van algemene strekking

Financieringsreglement Stichting Brabant C Fonds 2018

Het Bestuur van de Stichting Brabant C Fonds;

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

Overwegende dat het bestuur een bijdrage wil leveren aan de ambities van de provincie Noord-Brabant rond een hoogwaardig leef-, vestigings- en verblijfsklimaat in Brabant met nationale of internationale uitstraling door middel van cultuur;

Overwegende dat het bestuur door het beschikbaar stellen van financieringen beoogt om het cultuursysteem van Noord-Brabant duurzaam te versterken door activiteiten van hoge culturele kwaliteit te ondersteunen, een divers samengesteld netwerk uit overheden, onderwijs, ondernemers, maatschappelijke organisaties en burgers sterker bij het cultuursysteem te betrekken en in het bijzonder innovatieve bedrijvigheid en duurzame verbreding van financieel draagvlak in de cultuursector te bevorderen;

Overwegende dat het bestuur daarbij een majeure investering in het cultuursysteem van Noord-Brabant wil bewerkstelligen door een multiplier van minimaal drie op het in projectbijdragen uit te keren vermogen van Brabant C te realiseren en de middelen zo veel mogelijk revolverend in te zetten;

Overwegende dat het bestuur ter rechtvaardiging van eventuele staatsteun gebruik wil maken van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening, Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën van steun van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB EU L 187);

Besluit vast te stellen de volgende beleidsregel:

§ 1 Algemene financieringsbepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. Algemene Groepsvrijstellingsverordening:

Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën van steun van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB EU L 187);

b. Awb:

Algemene wet bestuursrecht;

c. Brabant C:

bestuur van de Stichting Brabants C Fonds.

Artikel 1.2 Toepasselijkheid

  • 1. Titel 4.2 van de Awb is van toepassing op dit reglement.

  • 2. Brabant C past dit reglement toe op aanvragen om financiering.

Artikel 1.3 Weigeringsgronden algemeen

Brabant C weigert financiering indien:

  • a. de financieringsaanvrager een privaatrechtelijke rechtspersoon is die in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder c, van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening;

  • b. ten aanzien van de financieringsaanvrager een bevel tot terugvordering voor onrechtmatig verleende staatssteun uitstaat, als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, juncto b, van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening;

  • c. voor het project reeds financiering is verstrekt of zal worden verstrekt op grond van deze of een andere provinciale regeling die betrekking heeft op de cultuursector;

Artikel 1.4 Wet Bibob

Brabant C kan bepalen dat een financiering wordt geweigerd of wordt ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.

Artikel 1.5 Verplichtingen algemeen

  • 1. Brabant C verbindt aan de beschikking tot verlening van financiering in ieder geval de volgende verplichtingen:

    • a. de financieringsontvanger doet onverwijld schriftelijk melding aan Brabant C, zodra aannemelijk is dat:

      • 1°. de activiteiten waarvoor de financiering is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht; of

      • 2°. niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de beschikking tot financieringsverlening verbonden verplichtingen zal worden voldaan;

    • b. de financieringsontvanger overlegt aan Brabant C jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag;

    • c. het voortgangsverslag, bedoeld onder b, bevat de voorgeschreven bijlagen, genoemd in de tussen de aanvrager en Brabant C te sluiten overeenkomst;

    • d. de financieringsontvanger houdt een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Brabant C;

    • e. de financieringsontvanger verleent minimaal eenmaal per jaar medewerking aan uitwisseling van kennis en praktijkervaring met betrekking tot deze regeling;

    • f. de financieringsontvanger realiseert het project binnen 3 jaar na verlening van de financiering met een eenmalige verlengingsmogelijkheid van maximaal een jaar.

  • 2. Een verzoek tot verlenging als bedoeld in het eerste lid, onder f, kan door de financieringsontvanger gemotiveerd worden ingediend bij Brabant C uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van de termijn.

Artikel 1.6 Verplichtingen bij vermogensvorming

  • 1. Voor zover het verstrekken van de financiering heeft geleid tot vermogensvorming, brengt Brabant C in de gevallen, bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Awb, een vergoeding in rekening.

  • 2. De hoogte van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, wordt door Brabant C bepaald.

  • 3. Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, gaat Brabant C uit van de economische waarde van de eigendommen en de andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt.

  • 4. In afwijking van het derde lid wordt bij verlies of beschadiging van eigendommen uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de financieringsontvanger is ontvangen, vermeerderd met de restwaarde.

  • 5. De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, bedraagt niet meer dan het aandeel van Brabant C in de vermogensvorming.

  • 6. In afwijking van het eerste tot en met het vijfde lid kan Brabant C op een daartoe strekkend verzoek van de financieringsontvanger besluiten dat geen vergoeding is verschuldigd, indien door een rechtspersoon met een gelijke of nagenoeg gelijke doelstelling:

    • a. de activiteiten of werkzaamheden van de financieringsontvanger worden overgenomen en voortgezet;

    • b. de activa en passiva tegen boekwaarde worden overgenomen.

§ 2 Projecten van ten minste nationale betekenis

Artikel 2.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. adviescommissie:

adviescommissie Brabant C, ingesteld op grond van artikel 3:5 Awb;

b. Awb:

Algemene wet bestuursrecht;

c. Brabant C:

bestuur van de Stichting Brabant C Fonds;

d. Brabantse topsectoren:

door de provincie Noord-Brabant tot speerpunt van beleid benoemde sectoren op het gebied van innovatie en duurzaamheid;

e. cultureel ondernemerschap:

vermogen om door de combinatie van competenties, instrumenten en samenwerkende partijen optimaal kunstzinnig, cultureel, zakelijk en maatschappelijk rendement te halen uit culturele activiteiten;

f. culturele hotspots:

plaatsen of gebieden waar cultuur en ruimtelijke ontwikkeling elkaar duurzaam versterken en dat publiekelijk manifesteren;

g. cultuursysteem:

gehele infrastructuur van betrokken partijen bij kunstproducties, cultuurproducties, kunstbeoefening en kunstbeleving, in hun onderlinge samenhang;

h. financiering:

subsidie als bedoeld in artikel 4:21, eerste lid, van de Awb;

i. garantstelling:

financiering in de vorm van een garantstelling;

j. lening:

financiering in de vorm van een lening;

k. project:

activiteit of samenhangend geheel van activiteiten die afgebakend zijn in de tijd en gericht op een specifiek eindresultaat;

l. subsidie:

financiering in de vorm van een geldbedrag;

m. toptalent:

jongeren en volwassenen tot 35 jaar die beschikken over het potentieel om hun artistieke en creatieve talent naar een hoog niveau te ontwikkelen en uit te oefenen en daar professioneel mee bezig te zijn.

Artikel 2.2 Doelgroep

Financiering op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt aan privaatrechtelijke rechtspersonen.

Artikel 2.3 Financieringsvorm

  • 1. Brabant C verstrekt projectfinancieringen.

  • 2. Financieringen als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van:

    • a. een lening;

    • b. een lening en subsidie, of;

    • c. een garantstelling.

  • 3. De looptijd van de lening of het leningdeel, bedoeld in het tweede lid, onder a en b, eindigt maximaal 10 jaar na verlening.

  • 4. De looptijd van de garantstelling, bedoeld in het tweede lid, onder c, eindigt uiterlijk vier jaar na de financieringsbeschikking.

  • 5. Financieringen in de vorm van een garantstelling worden naar rato uitbetaald, indien de financieringsontvanger de investeringskosten niet of niet geheel kan terugverdienen en daardoor de van derden ontvangen geldlening niet kan aflossen, doordat zich gedurende de looptijd van de garantstelling, bedoeld in het vierde lid, een van de volgende omstandigheden voordoet:

    • a. lagere opbrengsten die de aanvrager, aantoonbaar middels een verslag van geleverde inspanningen, niet aangerekend kunnen worden;

    • b. faillissement of surséance van betaling van de aanvrager.

Artikel 2.4. Financierbare activiteiten

Financiering kan worden verstrekt voor projecten gericht op het stimuleren van cultuurproductie.

Artikel 2.5 Weigeringsgronden specifiek

Brabant C weigert financiering indien:

  • a. de aangevraagde financiering minder bedraagt dan € 65.000;

  • b. met het project reeds is gestart voor indiening van de financieringsaanvraag;

  • c. het project zal starten binnen 16 weken na indiening van de volledige financieringsaanvraag.

Artikel 2.6 Financieringsvereisten

Brabant C toetst aanvragen om financiering voor projecten als bedoeld in artikel 2.4 aan de volgende vereisten:

  • a. het project is van hoge culturele kwaliteit van ten minste nationale betekenis, tot uitdrukking komend in:

    • 1°. oorspronkelijkheid;

    • 2°. zeggingskracht; en

    • 3°. vakmanschap;

  • b. het project getuigt van cultureel ondernemerschap;

  • c. het project is gericht op duurzame versterking van het cultuursysteem van de provincie Noord-Brabant, ten minste blijkend uit:

    • 1°. creatie van nieuw, kwalitatief hoogstaand cultureel aanbod met een blijvend karakter; en

    • 2°. betekenis voor de ontwikkeling van toptalent in de provincie Noord-Brabant;

  • d. het project heeft draagvlak in de Brabantse samenleving, blijkend uit:;

    • 1°. cross-sectorale samenwerking met bedrijven en maatschappelijke organisaties; en

    • 2°. betrokkenheid van afnemers;

  • e. het project sluit aan bij de ambitie van de provincie Noord-Brabant om tot de top van de industriële kennis- en innovatieregio’s te komen, waaraan in ieder geval wordt voldaan indien het project een aantoonbare verbinding met de Brabantse topsectoren heeft;

  • f. het project wordt mondeling toegelicht;

  • g. de aanvraag om financiering in de vorm van een lening of een leningdeel als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, onder a en b, bedraagt ten minste 25 procent van de totale aangevraagde financiering.

  • h. aan het project ligt een projectplan ten grondslag waarin in ieder geval is opgenomen:

    • 1°. op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

    • 2°. een sluitende begroting.

Artikel 2.7 Financierbare kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de financiering, komen alle kosten voor financiering aanmerking.

Artikel 2.8 Niet financierbare kosten

In afwijking van artikel 2.7 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor financiering in aanmerking:

  • a. kosten voor reguliere activiteiten van de financieringsaanvrager;

  • b. structurele exploitatiekosten;

  • c. kosten van onroerende zaken;

  • d. afschrijvingskosten van duurzame materiële goederen die gedurende de looptijd van het project en ten behoeve van het project zijn aangeschaft en die ouder zijn dan 5 jaar;

  • e. afschrijvingskosten van software, die gedurende de looptijd van het project en ten behoeve van het project is aangeschaft en die ouder is dan 3 jaar;

  • f. BTW die op grond van de Wet op de Omzetbelasting 1968 kan worden verrekend;

  • g. BTW die op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds 2003 kan worden gecompenseerd;

  • h. kosten waarvoor de financieringsaanvrager reeds financiering heeft of zal ontvangen, in het geval het een financiering betreft als bedoeld in artikel 2.3, onder a of b;

Artikel 2.9 Vereisten financieringsaanvraag

Brabant C toetst een aanvraag om financiering als bedoeld in artikel 2.4 aan de volgende vereisten:

  • a. de financieringsaanvraag is ingediend bij Brabant C;

  • b. de financieringsaanvraag is ingediend tussen 1 februari 2018 en 31 december 2018.

  • c. de financieringsaanvraag is ingediend met gebruikmaking van het daartoe door Brabant C vastgestelde aanvraagformulier.

  • d. de financieringsaanvraag bevat ten minste het volledig ingevulde aanvraagformulier en de daarin voorgeschreven bijlagen.

Artikel 2.10 Financieringsplafond

Brabant C stelt het plafond voor financieringen als bedoeld in artikel 2.4, voor de periode, genoemd in artikel 2.9, onder b, vast op € 5.000.000.

Artikel 2.11 Financieringshoogte

  • 1. De hoogte van de financiering, bedoeld in artikel 2.4, bedraagt:

    • a. 30 procent van de financierbare kosten tot een maximum van 5.000.000, indien het een financiering betreft in de vorm van een lening of lening en subsidie als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, onder a of b;

    • b. 80 procent van een door derden verstrekte geldlening tot een maximum van 30 procent van de financierbare kosten en tot een maximum van € 5.000.000, indien het een financiering betreft in de vorm van een garantstelling als bedoeld in artikel 2.3, onder c.

  • 2. Indien toepassing van het eerste lid tot gevolg heeft dat de financiering minder bedraagt dan € 65.000 wordt de financiering niet verstrekt.

Artikel 2.12 Verdeelcriteria

  • 1. Financiering wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de financieringsaanvragen.

  • 2. Indien een financieringsaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de financiering de dag waarop de financieringsaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3. Dreigt het financieringsplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige financieringsaanvragen plaats door middel van loting.

  • 4. De loting vindt plaats middels trekking in aanwezigheid van een notaris en ten minste twee onafhankelijke waarnemers.

  • 5. De trekking wordt schriftelijk vastgelegd door de notaris.

  • 6. De eerst getrokken aanvraag wordt als hoogste gerangschikt.

  • 7. De hoogst gerangschikte aanvraag komt het eerste in aanmerking voor financiering.

  • 8. Financiering wordt verdeeld over aanvragen die volledig gehonoreerd kunnen worden.

Artikel 2.13 Externe adviescommissie

  • 1. Brabant C legt aanvragen om financiering als bedoeld in artikel 2.4 voor advies over artikel 2.6 voor aan de adviescommissie.

  • 2. De aanvrager wordt door Brabant C in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag om financiering mondeling toe te lichten bij de adviescommissie.

Artikel 2.14 Financieringsverlening

  • 1. Brabant C beslist op een aanvraag om financiering binnen 16 weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2. Brabant C verleent een aanvraag om financiering als bedoeld in artikel 2.3, onder de opschortende voorwaarde dat de aanvrager van de financiering binnen 26 weken na verlening een businessplan overlegt, dat voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • 1°. het businessplan beschrijft de inhoud van de plannen, de ambitie en de omgeving;

    • 2°. het businessplan geeft inzicht in wie de actoren zijn bij de plannen, de organisatie, het team en de juridische structuur;

    • 3°. het businessplan bevat de aanpak, de tussentijdse mijlpalen en de planning;

    • 4°. het businessplan bevat een commerciële paragraaf, waarin de doelgroep, de propositie, de stakeholdersanalyse en het marketingplan zijn uitgewerkt;

    • 5°. het businessplan bevat een voldoende financiële onderbouwing gedurende de looptijd van het project, een financiële doorkijk na de projectperiode, een projectbegroting, een exploitatiebegroting en een liquiditeitsbegroting, een recente jaarrekening, een toelichting op de financiële paragraaf en een risicoanalyse.

    • 6°. het business plan vormt voldoende onderbouwing voor de haalbaarheid van de plannen voor wat betreft de exploitatie, de benodigde financiering en de ontwikkeling van de terugbetaalcapaciteit;

    • 7°. de financiële haalbaarheid van het business plan is aannemelijk;

  • 3. Onverminderd het tweede lid, verleent Brabant C een aanvraag om financiering als bedoeld in artikel 2.3 onder de opschortende voorwaarde dat binnen vier weken nadat aan de opschortende voorwaarde, bedoeld in het tweede lid is voldaan, tussen de financieringsontvanger en Brabant C een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 4:36 Awb tot stand komt.

  • 4. In de uitvoeringsovereenkomst, bedoeld in het derde lid, en in de beschikking tot financiering wordt onder andere een regime voor betaling van rente en aflossing van de lening of afspraken met betrekking tot de garantstelling opgenomen.

Artikel 2.15 Verplichtingen specifiek

Onverminderd de artikelen 1.5 en 1.6 heeft de financieringsontvanger de verplichting de financiering in de vorm van een lening of leningsdeel, als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, onder a en b, binnen maximaal 10 jaar na verlening van de financiering terug te betalen, overeenkomstig het regime in de uitvoeringsovereenkomst, bedoeld in artikel 2.14, derde en vierde lid.

Artikel 2.16 Bevoorschotting en betaling

  • 1. Brabant C verstrekt een voorschot van 100 procent van de verleende financiering, indien het een aanvraag om financiering in de vorm van een lening of leningdeel betreft als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, onder a of b.

  • 2. Brabant C verstrekt een voorschot van 90 procent van de verleende financiering, indien het een aanvraag om financiering in de vorm van een geldbedrag betreft als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, onder b.

  • 3. Brabant C verstrekt geen voorschot op de verleende financiering, indien het een subsidie in de vorm van een garantstelling betreft als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, onder c.

  • 4. In afwijking van het tweede lid verstrekken Brabant C geen voorschot op het verleende financieringsbedrag, indien er sprake is van een gehele of gedeeltelijke omzetting naar een subsidie als bedoeld in artikel 2.3, vijfde lid.

  • 5. Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt in een keer betaald.

  • 6. Het voorschot, bedoeld in het tweede lid, wordt betaald in jaarlijkse termijnen, gedurende de looptijd van het project, afhankelijk van de liquiditeitsbehoefte zoals opgenomen in de financieringsaanvraag.

Artikel 2.17 Vaststelling financiering

  • 1. Brabant C toetst een aanvraag tot vaststelling van de financiering aan de volgende vereisten:

    • a. de aanvraag tot vaststelling van de financiering is ingediend bij Brabant C;

    • b. de aanvraag, bedoeld onder a, is ingediend binnen 13 weken na afloop van het project;

    • c. bij de aanvraag, bedoeld onder a, toont de aanvrager aan dat de activiteiten, waarvoor de financiering is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de financiering verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken:

      • 1°. een activiteitenverslag;

      • 2°. een reflectie op de realisatie van de vereisten, genoemd in artikel 2.6, overeenkomstig het daartoe door Brabant C opgestelde format reflectieverslag;

      • 3°. indien van toepassing foto- of videomateriaal van de situatie voor en na het project;

      • 4°. een financieel verslag dat aansluit bij de begroting;

      • 5°. een controleverklaring, inclusief een oordeel over de rechtmatigheid, overeenkomstig het daartoe door Brabant C opgestelde controleprotocol;

  • 2. Brabant C stelt binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling van de financiering de financiering vast.

§ 3 Ontwikkel- en innovatieprojecten

Artikel 3.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. adviescommissie:

adviescommissie Brabant C, ingesteld op grond van artikel 3:5 Awb;

b. Awb:

Algemene wet bestuursrecht;

c. Brabant C:

bestuur van de Stichting Brabant C Fonds;

d. cultuursysteem:

gehele infrastructuur van betrokken partijen bij kunstproducties, cultuurproducties, kunstbeoefening en kunstbeleving, in hun onderlinge samenhang;

e. financiering:

subsidie als bedoeld in artikel 4:21, eerste lid, van de Awb;

f. project:

activiteit of samenhangend geheel van activiteiten die afgebakend zijn in de tijd en gericht op een specifiek eindresultaat;

g. subsidie:

financiering in de vorm van een geldbedrag;

Artikel 3.2 Doelgroep

Subsidie kan worden verstrekt aan privaatrechtelijke rechtspersonen.

Artikel 3.3 Financieringsvorm

  • 1. Brabant C verstrekt projectfinancieringen.

  • 2. Financieringen als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een subsidie.

Artikel 3.4. Financierbare activiteiten

Financiering kan worden verstrekt voor ontwikkelprojecten of innovatieprojecten gericht op het stimuleren van cultuurproductie.

Artikel 3.5 Weigeringsgronden specifiek

Brabant C weigert financiering indien:

  • a. de aangevraagde financiering minder bedraagt dan € 25.000.

  • b. de aangevraagde financiering meer bedraagt dan € 64.999;

  • c. met het project reeds is gestart voor indiening van de financieringsaanvraag;

  • d. het project zal starten binnen 16 weken na indiening van de volledige financieringsaanvraag.

Artikel 3.6 Financieringsvereisten

Brabant C toetst aanvragen om financiering voor projecten als bedoeld in artikel 3.4 aan de volgende vereisten:

  • a. het project heeft het potentieel om uit te groeien tot een project van nationale of internationale betekenis als bedoeld in artikel 2.6, onder a tot en met e, in paragraaf 2 van deze regeling;

  • b. het project is gericht op:

    • 1°. ontwikkeling; of,

    • 2°. innovatie;

  • c. het project is gericht op:

    • 1°. voorbereiding;

    • 2°. onderzoek; of,

    • 3°. validatie;

  • d. de voorbereiding, het onderzoek of de validatie is gericht op het duurzaam versterken van het cultuursysteem van Noord-Brabant door:

    • 1°. activiteiten van hoge culturele kwaliteit te ondersteunen;

    • 2°. een divers samengesteld netwerk uit overheden, onderwijs, ondernemers, maatschappelijke organisaties en burgers sterker bij het cultuursysteem te betrekken;

    • 3°. innovatieve bedrijvigheid en duurzame verbreding van financieel draagvlak in de cultuursector te bevorderen;

  • e. aan het project ligt een projectplan ten grondslag waarin in ieder geval is opgenomen:

    • 1°. op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

    • 2°. een sluitende begroting.

Artikel 3.7 Financierbare kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de financiering komen alle kosten voor financiering in aanmerking.

Artikel 3.8 Niet financierbare kosten

In afwijking van artikel 3.7 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor financiering in aanmerking:

  • a. kosten voor reguliere activiteiten van de financieringsaanvrager;

  • b. structurele exploitatiekosten;

  • c. kosten van onroerende zaken;

  • d. afschrijvingskosten van duurzame materiële goederen die gedurende de looptijd van het project en ten behoeve van het project zijn aangeschaft en die ouder zijn dan 5 jaar;

  • e. afschrijvingskosten van software, die gedurende de looptijd van het project en ten behoeve van het project is aangeschaft en die ouder is dan 3 jaar;

  • f. BTW die op grond van de Wet op de Omzetbelasting 1968 kan worden verrekend;

  • g. BTW die op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds 2003 kan worden gecompenseerd;

  • h. kosten waarvoor de financieringsaanvrager reeds financiering heeft of zal ontvangen;

Artikel 3.9 Vereisten financieringsaanvraag

Brabant C toetst een aanvraag om financiering als bedoeld in artikel 2.4 aan de volgende vereisten:

  • a. de financieringsaanvraag is ingediend bij Brabant C;

  • b. de financieringsaanvraag is ingediend tussen 1 februari 2018 en 31 december 2018.

  • c. de financieringsaanvraag is ingediend met gebruikmaking van het daartoe door Brabant C vastgestelde aanvraagformulier.

  • d. de financieringsaanvraag bevat ten minste het volledig ingevulde aanvraagformulier en de daarin voorgeschreven bijlagen.

Artikel 3.10 Financieringsplafond

Brabant C stelt het plafond voor financieringen als bedoeld in artikel 3.4, voor de periode, genoemd in artikel 3.9, onder b, vast op € 1.000.000.

Artikel 3.11 Financieringshoogte

  • 1. De hoogte van de financiering, bedoeld in artikel 3.4, bedraagt 30 procent van de financierbare kosten tot een maximum van € 64.999.

  • 2. Indien toepassing van het eerste lid tot gevolg heeft dat de financiering minder bedraagt dan € 25.000, wordt deze niet verstrekt.

Artikel 3.12 Verdeelcriteria

  • 1. Financiering wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de financieringsaanvragen.

  • 2. Indien een financieringsaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de financiering de dag waarop de financieringsaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3. Dreigt het financieringsplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige financieringsaanvragen plaats door middel van loting.

  • 4. De loting vindt plaats middels trekking in aanwezigheid van een notaris en ten minste twee onafhankelijke waarnemers.

  • 5. De trekking wordt schriftelijk vastgelegd door de notaris.

  • 6. De eerst getrokken aanvraag wordt als hoogste gerangschikt.

  • 7. De hoogst gerangschikte aanvraag komt het eerste in aanmerking voor financiering.

  • 8. Financiering wordt verdeeld over aanvragen die volledig gehonoreerd kunnen worden.

Artikel 3.13 Externe adviescommissie

  • 1. Brabant C legt aanvragen om financiering als bedoeld in artikel 3.4 voor advies over artikel 3.6 voor aan de adviescommissie.

  • 2. De aanvrager wordt door Brabant C in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag om financiering mondeling toe te lichten bij de adviescommissie.

Artikel 3.14 Financieringsverlening

  • 1. Brabant C beslist op een financieringsaanvraag binnen 16 weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2. Brabant C verleent een financieringsaanvraag als bedoeld in artikel 3.3 onder de opschortende voorwaarde dat binnen vier weken na de financieringsverlening tussen de financieringsontvanger en Brabant C een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 4:36 Awb tot stand komt.

  • 3. In de uitvoeringsovereenkomst, bedoeld in het tweede lid, en in de beschikking tot financiering worden nadere afspraken met betrekking tot de financiering opgenomen.

Artikel 3.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1. Brabant C verstrekt een voorschot van 90 procent van de verleende financiering.

  • 2. Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt betaald in jaarlijkse termijnen, gedurende de looptijd van het project, afhankelijk van de liquiditeitsbehoefte zoals opgenomen in de financieringsaanvraag.

Artikel 3.16 Vaststelling financiering

  • 1. Brabant C toetst een aanvraag tot vaststelling van de financiering aan de volgende vereisten:

    • a. de aanvraag tot vaststelling van de financiering is ingediend bij Brabant C;

    • b. de aanvraag, bedoeld onder a, is ingediend binnen 13 weken na afloop van het project;

    • c. bij de aanvraag, bedoeld onder a, toont de aanvrager aan dat de activiteiten, waarvoor de financiering is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de financiering verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken;

      • 1°. een activiteitenverslag;

      • 2°. een reflectie op de realisatie van de vereisten, genoemd in artikel 3.6, overeenkomstig het daartoe door Brabant C opgestelde format reflectieverslag;

      • 3°. indien van toepassing foto- of videomateriaal van de situatie voor en na het project;

  • 2. een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten, met gebruikmaking van de daartoe door Brabant C vastgestelde modelverklaring. Brabant C stelt binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling van de financiering de financiering vast.

§ 4 Slotbepalingen

Artikel 4.1 Hardheidsclausule

Brabant C kan in individuele gevallen de bepalingen in de artikelen 2.3 tweede lid, onder a en b, 2.11, tweede lid en 3.11, tweede lid, buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van het duurzaam versterken van het cultuursysteem zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 4.2 Toezicht

Brabant C kan een of meer toezichthouders aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de naleving van de aan de aanvrager opgelegde voorwaarden en verplichtingen.

Artikel 4.3 Evaluatie

Brabant C evalueert jaarlijks de doeltreffendheid en de effecten van deze beleidsregel in de praktijk.

Artikel 4.4 Intrekking

Het Financieringsreglement Brabant C wordt ingetrokken.

Artikel 4.5 Overgangsrecht

Voor aanvragen die zijn ingediend voor 1 januari 2018 en waarover op die datum nog niet is beslist, blijft het Financieringsreglement Brabant C zijn werking behouden.

Artikel 4.6 Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking op 1 februari 2018.

Artikel 4.7 Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Financieringsreglement Stichting Brabant C Fonds 2018.

Tilburg, 6 december 2017

Het bestuur voornoemd, F.J.L. van Dooremalen, directeur-bestuurder

TOELICHTING BEHORENDE BIJ HET FINANCIERINGSREGLEMENT STICHTING BRABANT C FONDS 2018.

Algemeen

Dit financieringsreglement betreft het kader waarmee financieringen uit het Brabant C Fonds mogen worden verstrekt. Met toepassing van het reglement geeft het bestuur van de Stichting Brabant C Fonds (hierna te noemen: Brabant C) invulling aan zijn doelstellingen:

  • 1. beeldbepalende, toonaangevende kunst- en cultuurprojecten met nationale en internationale kwaliteit komen tot stand in Brabant;

  • 2. het Brabants cultuursysteem ontwikkelt zich mede door deze cultuurprojecten van kwetsbaar naar vitaal;

  • 3. (inter)nationale kunst- en cultuurprojecten worden in Brabant op ondernemende wijze benaderd en gefinancierd;

  • 4. kunst- en cultuurprojecten van (inter)nationaal niveau steunen in Brabant op samenwerkende partijen uit de op cultuur betrokken gemeenschap: initiatiefnemers, bedrijven, instellingen en gemeenten;

  • 5. cultuur in Brabant onderscheidt zich door haar onderzoekende en innovatieve karakter, passend bij het profiel van de regio.

Juridisch kader

De regels van de Algemene wet bestuursrecht zijn op deze beleidsregel van toepassing. In deze beleidsregel is er voor gekozen om projecten in twee categorieën te onderscheiden:

  • 1. Projecten van ten minste nationale betekenis, behandeld in paragraaf twee;

  • 2. Ontwikkel- en innovatieprojecten, behandeld in paragraaf drie.

Paragraaf een behandelt de algemene regels die voor aanvragen in beide categorieën van toepassing zijn.

Voor projecten in paragraaf een kan Brabant C financiering verstrekken in de vorm van een geldlening, al of niet in combinatie met een gift, of in de vorm van een garantstelling.

Projecten in paragraaf twee kunnen in aanmerking komen voor een bijdrage die geheel als gift wordt verstrekt.

Geldleningen en garantstellingen die door een bestuursorgaan worden verstrekt zijn, net als een gift, volgens de Algemene wet bestuursrecht vormen van subsidie omdat er een economisch voordeel wordt verschaft in de vorm van een aanspraak op geld.

Financiering en Europese staatssteunregels

In het kader van staatssteun is er voor gekozen om voor dit reglement aan te sluiten bij de vrijstellingsvereisten van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening van de EU, Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB EU L 187). In artikel 53 van deze Algemene Groepsvrijstellingsverordening is bepaald dat onder bepaalde voorwaarden steun voor cultuur en instandhouding van het erfgoed is toegestaan.

Artikelsgewijs

§1 Algemene financieringsbepalingen

Artikel 1.3 Weigeringsgronden algemeen
Onder a. Financiële moeilijkheden

Ingevolge de Algemene Groepsvrijstellingsverordening wordt een privaatrechtelijke rechtspersoon geacht in moeilijkheden te verkeren wanneer aan één van de voorwaarden wordt voldaan van artikel 2, achttiende lid, van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.

Onder c. Geen stapeling

Dekking in de financiering van het projectplan mag naast de gevraagde bijdrage van Brabant C, niet komen uit een andere provinciale (subsidie)regeling voor cultuur. Zo is stapeling met een bijdrage uit paragraaf 6 Impulsgelden in de Subsidieregeling hedendaagse cultuur Noord-Brabant, niet toegestaan. Ook kan geen bijdrage gevraagd worden voor hetzelfde project als waarvoor Brabant C al eerder een bijdrage verstrekte. Een (vervolg)aanvraag voor een project van ten minste nationale betekenis na verlening van een bijdrage voor een ontwikkelproject kan als nieuw project worden beschouwd en dan wel voor een bijdrage in aanmerking komen.

Van stapeling is geen sprake wanneer bkkc een bijdrage verstrekt in het kader van crowdfunding of een kennisvoucher.

Artikel 1.6 Verplichtingen bij vermogensvorming

De vergoedingsplicht ontstaat vanzelfsprekend slechts indien er een causaal verband bestaat tussen de financiering en de vermogensvorming. Er moet een vermogenstoename hebben plaatsgevonden waarvan vaststaat dat deze niet zou hebben plaatsgevonden indien de financiering niet zou zijn verleend. De voorzienbaarheid van de vermogenstoename is daarbij niet van belang; het gaat juist om een vermogenstoename die met de financiering niet werd beoogd. Er is een vergoeding verschuldigd in situaties waarbij de financieringsontvanger de voor de gefinancierde activiteiten gebruikte of bestemde goederen vervreemdt of bezwaart of de bestemming daarvan wijzigt, een schadevergoeding ontvangt voor verlies of beschadiging, de activiteiten heeft beëindigd, de subsidieverlening of vaststelling wordt ingetrokken of de rechtspersoon wordt ontbonden. Bij schadevergoeding kan alleen een vergoeding worden verlangd indien het ontvangen van de schadevergoeding ook inderdaad leidt tot vermogensvorming bij de ontvanger van de subsidie. Dit kan zich voordoen wanneer de bij wijze van schadevergoeding ontvangen gelden niet worden gebruikt voor vervanging van de verloren gegane of beschadigde goederen. De hoogte van de vergoeding wordt door Brabant C bepaald op de wijze zoals aangegeven in dit artikel.

§2 Projecten van ten minste nationale betekenis

Artikel 2.1 Begripsbepalingen
Onder i. Garantstelling

Van een garantstelling is sprake wanneer Brabant C aan een private derde financier de garantie geeft voor (een deel van) een financiering die deze derde financier voor het project wil verstrekken. Brabant C stelt zich dan garant voor maximaal 80% van het bedrag dat die derde partij wil opbrengen. Die 80% kan op zijn beurt niet méér bedragen dan 30% van de totale subsidiabele kosten in het project. Dus als een project subsidiabele kosten heeft ter hoogte van € 250.000,– en een derde wil daar € 125.000,– van financieren, dan kan Brabant C een garantie geven voor maximaal € 75.000,– (30% van € 250.000,–). Dat is weliswaar minder dan 80% van € 125.000,–, maar de regel dat Brabant C nooit méér dan 30% van de subsidiabele kosten bijdraagt, laat een hogere garantie niet toe.

De garantstelling is verder uitgewerkt in artikel 2.3, vierde en vijfde lid.

Art. 2.2 Doelgroep

Op het moment van indiening van de aanvraag dient de aanvrager over geregistreerde privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid te beschikken. Totdat de aanvrager als privaatrechtelijke rechtspersoon is ingeschreven in het register bij de Kamer van Koophandel is de aanvraag niet ontvankelijk. Dit kan gevolgen hebben voor de verplichte termijn van minimaal 16 weken tussen het indienen van een ontvankelijke aanvraag en de start van het project.

Als privaatrechtelijke rechtspersonen gelden de vormen vereniging, coöperatie, stichting, BV of NV. De eenmanszaak, VOF of CV zijn geen rechtspersonen. Ook publiekrechtelijke rechtspersonen en kerkgenootschappen kunnen geen aanvrager zijn.

Artikel 2.4 Financierbare activiteiten

Brabant C staat open voor een breed gamma aan culturele activiteit. Juist ook op het gebied van eigentijdse cultuurvormen als urban arts, design en creatieve industrie kent de provincie initiatieven en initiatiefnemers met betekenis van ten minste nationaal niveau of kansen daarvoor, naast de meer traditionele kunstvormen.

Cultureel erfgoed, amateurkunst en cultuureducatie hebben vaak primair een lokale of regionale scope, maar als de aard van het project die duidelijk overstijgt kunnen ook projecten in die sferen voor financiering in aanmerking komen.

Artikel 2.5 Weigeringsgronden specifiek
Onder c. 16 weken termijn

Brabant C hanteert een maximale behandeltermijn voor aanvragen van 16 weken. Projecten die na indiening binnen die termijn starten, zouden dat mogelijk doen zonder uitsluitsel over een bijdrage van Brabant C. Dat is ongewenst; het zou betekenen dat de aanvrager het project kennelijk ook zonder een bijdrage van Brabant C kan uitvoeren en daarmee de noodzaak van die bijdrage teniet doen.

Artikel 2.6 Financieringsvereisten
Onder a Hoge culturele kwaliteit

Hoge culturele kwaliteit wordt getoetst op de onderdelen oorspronkelijkheid, zeggingskracht en vakmanschap.

Bij oorspronkelijkheid gaat het om de mate waarin het project zich onderscheidt van het overige aanbod in de culturele sector. Hierbij is de visie van de maker bepalend.

Bij het onderdeel zeggingskracht gaat het om het vermogen van een culturele uiting om het publiek zo aan te spreken, dat de wijze van waarnemen en de verbeeldingskracht van dat publiek worden verrast en uitgedaagd. Zeggingskracht geeft aan in hoeverre een werk erin slaagt uitdrukking te geven aan een oorspronkelijk idee.

Vakmanschap wordt bepaald door de mate waarin de maker van het project beschikt over de vaardigheden en het inzicht om thema’s of repertoire zodanig vorm te geven, dat zijn persoonlijke fascinatie daarvoor, of zijn cultuurhistorisch inzicht daarover, voor anderen beleefbaar wordt. Het gevolgd hebben van een historische of kunstvakopleiding is daarbij niet doorslaggevend.

De balans tussen de drie genoemde elementen moet zodanig zijn dat gesproken kan worden van aanbod van ten minste nationale betekenis, dat leidt tot meer zichtbaarheid van cultuur in Brabant over de provinciegrenzen.

Onder b. Cultureel ondernemerschap

Cultureel ondernemerschap is ondernemerschap met een extra dimensie. Een ondernemer op cultureel gebied streeft naast culturele of artistieke doelstellingen ook financieel rendement en indien van toepassing continuïteit na. Dit kan middels het optimaal gebruik maken van de markt, het betrekken van stakeholders en het aangaan van samenwerkingen ook buiten het culturele domein, door het nemen van eigen verantwoordelijkheid en risico, het overtuigen van potentiële afnemers en financiers en een innovatieve instelling in de aanpak van het project en de financiering.

Cultureel ondernemerschap uit zich ook in het vormen van een competent team, het vormen van een gemeenschappelijke lange termijn visie, een deugdelijke bedrijfsvoering en een visie op publieksbereik en ‑ontwikkeling.

Een overtuigend onderbouwde bijdrage aan een sterkere vrijetijdseconomie, met name gericht op meerdaags verblijf in Brabant, geldt hier eveneens als blijk van goed ondernemerschap.

Onder c. Duurzame versterking van het cultuursysteem

Dit criterium veronderstelt een duurzame nieuwe impuls aan het cultuursysteem van Noord-Brabant. Hieraan wordt niet per definitie voldaan door uitsluitend ‘creatie van nieuw, kwalitatief hoogstaand cultureel aanbod met een blijvend karakter’, maar dat is wel een verplicht aspect, evenals betekenis voor ontwikkeling van toptalent in Brabant. Ook versterking van het netwerk rond Brabantse cultuur door bestendige verbreding (betrokkenheid van meer partijen) en verdichting (meer en nauwere relaties) van partijen die op enige wijze belang hebben bij cultuur, hoort bij versterking van het cultuursysteem.

Een stimulerende werking van het project op de ontwikkeling van culturele hotspots (plaatsen of gebieden waar cultuur en ruimtelijke ontwikkeling elkaar duurzaam versterken en dat publiekelijk manifesteren, zoals gebeurt in verschillende spoorzones, erfgoedcomplexen of cultuurplaatsen in het landelijk gebied) is eveneens een erkend aspect van duurzame versterking van het cultuursysteem.

Dit betekent dat het niet gaat om aanvragen voor incidentele en geïsoleerde activiteiten met een kortstondig effect, maar om activiteiten die bestendigheid in bijvoorbeeld kwaliteitsverhoging, vergroot draagvlak en samenwerking als effect hebben.

Duurzame verbinding met actoren uit andere domeinen dan het culturele (zoals sociaal, economisch, ruimtelijk) zowel op inhoud als financieel, is daarvoor bijvoorbeeld een indicator.

Onder d. Draagvlak in de Brabantse samenleving

Draagvlak blijkt onder meer uit het aantal betrokken vrijwilligers, onderbouwde verwachtingen omtrent bezoekers of deelnemers en de omvang van andere regionale of lokale betrokkenheid vanuit een diversiteit aan maatschappelijke geledingen uit de provincie Noord-Brabant. Ook positieve aandacht en betrokkenheid in sociale media kan hiervoor een indicator zijn.

Onder e. Ambitie van de provincie Noord-Brabant

De ambitie van Brabant is om tot de top van de (industriële) kennis- en innovatieregio’s in Europa te behoren. We kijken bij dit criterium of projecten dit profiel versterken en daarmee een bijdrage kunnen leveren aan toenemend welzijn voor zoveel mogelijk Brabanders.

Ook aantoonbare verbinding met de Brabantse topsectoren draagt bij aan invulling van dit criterium. Het gaat dan om de door de provincie Noord-Brabant tot speerpunt van beleid benoemde sectoren op het gebied van innovatie en duurzaamheid, te weten High Tech Systems and Materials inclusief Automotive en Solar, Life Sciences & Health, Food, Logistiek, Maintenance, Biobased economy.

Onder g. Lening

Brabant C verleent financiering aan projecten van ten minste nationaal belang niet voor 100% in de vorm van een gift. De aanvraag moet uitgaan van minstens 25% van de Brabant C-financiering als lening. Dus bij een omvang aan subsidiabele kosten van € 500.000,– bedraagt de maximale financiering van Brabant C € 150.000,– (30% van € 500.000,–) en daarvan dient minimaal € 37.500,– als lening gevraagd te worden (25% van € 150.000,–).

Artikel 2.14 Financieringsverlening
lid 2 Gevolg van de opschortende voorwaarde

Een bijzondere situatie geldt met het oog op artikel 2.5 onder c. Als de noodzaak van het maken van een businessplan meebrengt dat het voldoen aan de opschortende voorwaarde tot een langere behandeling dan 16 weken leidt, kan dit tot gevolg hebben voor de startdatum van het project. Mogelijk moet die opschuiven om te voorkomen dat het project start voordat duidelijkheid bestaat over voldoen aan de opschortende voorwaarde en het daaraan verbonden financieringsbesluit van Brabant C.

§3 Ontwikkel- en innovatieprojecten

Art. 3.2 Doelgroep

Op het moment van indiening van de aanvraag dient de aanvrager over geregistreerde privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid te beschikken. Totdat de aanvrager als privaatrechtelijke rechtspersoon is ingeschreven in het register bij de Kamer van Koophandel is de aanvraag niet ontvankelijk. Dit kan gevolgen hebben voor de verplichte termijn van minimaal 16 weken tussen het indienen van een ontvankelijke aanvraag en de start van het project.

Als privaatrechtelijke rechtspersonen gelden de vormen vereniging, coöperatie, stichting, BV of NV. De eenmanszaak, VOF of CV zijn geen rechtspersonen. Ook publiekrechtelijke rechtspersonen en kerkgenootschappen kunnen geen aanvrager zijn.

Artikel 3.4 Financierbare activiteiten

Brabant C staat open voor een breed gamma aan culturele activiteit. Juist ook op het gebied van eigentijdse cultuurvormen als urban arts, design en creatieve industrie heeft de provincie kansrijke sectoren waar activiteiten met betekenis van ten minste nationaal niveau uit kunnen voortkomen, naast de meer traditionele kunstvormen.

Projecten rond cultureel erfgoed, amateurkunst en cultuureducatie hebben vaak primair een lokale of regionale scope, maar als de aard van het project duidelijk gericht is op overstijgen daarvan, kunnen ook projecten in die sferen voor financiering in aanmerking komen.

Artikel 3.5 Weigeringsgronden specifiek
Onder d. 16 weken termijn

Brabant C hanteert een maximale behandeltermijn voor aanvragen van 16 weken. Projecten die na indiening binnen die termijn starten, zouden dat mogelijk doen zonder uitsluitsel over een bijdrage van Brabant C. Dat is ongewenst; het zou betekenen dat de aanvrager het project kennelijk ook zonder een bijdrage van Brabant C kan uitvoeren en daarmee de noodzaak van die bijdrage teniet doen.

Artikel 3.6 Financieringsvereisten

Ontwikkel- en innovatieprojecten zijn relatief kleine projecten, gericht op voorbereiding, onderzoek of validatie ten behoeve van activiteiten die bij de doelstellingen van Brabant C passen. Zij voorzien een uitkomst met het potentieel om tot een project van ten minste nationale betekenis uit te groeien. Een vervolgaanvraag daartoe ligt voor de hand, maar die intentie is niet op voorhand vereist.

Het bestuur van de Stichting Brabant C Fonds, F.J.L. van Dooremalen, directeur-bestuurder