Beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, houdende ontheffing voor ZeelandAir B.V. van het verbod VFR-vluchten uit te voeren beneden de minimum VFR-vlieghoogte boven het water

Datum: 13 november 2017

Nummer: ILT-2017/88194

DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie;

Gezien het verzoek om ontheffing van 4 oktober 2017 van ZeelandAir B.V., adres: Bessestraat 5, 4462 CK Goes; telefoonnummer: +31 6 53 37 09 90; e-mail: info@zeelandair.com;

Overwegende dat de vereiste relevantie blijkt uit de opdracht voor het uitvoeren van VFR-vluchten boven de Westerschelde, Oosterschelde, Voordelta, Waddenzee en Noordzee voor het uitvoeren van waarnemingsvluchten en onderzoeksvluchten naar zeezoogdieren en zeevogels;

Gelet op paragraaf SERA.3105 en artikel 19, derde lid, van het Besluit luchtverkeer 2014;

BESLUIT:

Artikel 1

Deze beschikking is van toepassing op het vliegtuig van het type Cessna 172N met registratie PH-ADE, Partenavia P-68C met registratie PH-DKI, of een vergelijkbaar vervangend vliegtuig in gebruik bij ZeelandAir B.V., waarmee de VFR-vluchten op een hoogte van minimaal 250 ft AGL boven de Westerschelde, Oosterschelde, Voordelta, Waddenzee en Noordzee worden uitgevoerd in het gebied voor zover het gaat om de FIR Amsterdam.

Artikel 2

Aan de gezagvoerder van het in artikel 1 bedoelde luchtvaartuig wordt van 1 december 2017 tot en met 30 november 2018 ontheffing verleend van het verbod, genoemd in paragraaf SERA.5005, onderdeel (f), van verordening (EU) nr. 923/2012, om VFR-vluchten uit te voeren boven water, beneden de minimum VFR-vlieghoogte, gedurende de daglichtperiode, zoals gepubliceerd in de in artikel 26, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van het Besluit luchtverkeer 2014, bedoelde luchtvaartgids met inachtneming van de volgende voorschriften en beperkingen:

  • a. de gezagvoerder is in het bezit van een geldig CPL of ATPL;

  • b. de minimum toegestane vlieghoogte bedraagt 250 ft AGL, doch ten minste 100 ft boven de hoogste hindernis gelegen binnen een afstand van 600 m van het luchtvaartuig;

  • c. voordat er lager dan de minimum toegestane vlieghoogte mag worden gevlogen boven de Waddenzee, dient er eerst toestemming te zijn verleend door de Provincie Friesland;

  • d. de vliegroute, vlieghoogte en vliegsnelheid worden zodanig gekozen dat:

    • 1°. overlast aan derden zoveel mogelijk wordt vermeden;

    • 2°. ingeval van een noodlanding het risico voor inzittenden en derden zoveel mogelijk wordt beperkt;

  • e. er wordt niet bij voortduring laaggevlogen, doch slechts gedurende de periode dat dit voor het daadwerkelijk uitvoeren van de onderzoeksvluchten noodzakelijk is;

  • f. vóór en ná de vlucht is de opdracht van de opdrachtgever ter inzage aanwezig zodat deze kan worden gecontroleerd door de Landelijke eenheid, afdeling Luchtvaart, of de Inspectie Leefomgeving en Transport;

  • g. er worden geen passagiers vervoerd tijdens de vlucht, anders dan benodigd voor het onderzoek naar vogels;

  • h. voor de inzittenden zijn voldoende zwemvesten en reddingsmiddelen aanwezig;

  • i. tijdens het uitvoeren van de vlucht is een tweezijdige radioverbinding tot stand gebracht met de betrokken luchtverkeersleidingsdienst en wordt voortdurend op de aangewezen radiofrequentie geluisterd;

  • j. vóór de aanvang van de vlucht worden ingelicht:

    de meldkamer van de Landelijke eenheid, afdeling Luchtvaart (telefoon: 088 – 662 36 16 of fax: 020 – 502 56 99 of e-mail: dlvplvt@klpd.politie.nl) en ILT (e-mail: aviation-approvals@ilent.nl), waarbij de volgende gegevens worden verstrekt:

    • 1°. naam gezagvoerder(s), registratie en model/type;

    • 2°. route en periode van de voorgenomen vlucht;

    • 3°. het nummer van deze beschikking;

  • k. één uur vóór aanvang van de vlucht wordt gecoördineerd met de Operationele Helpdesk; telefoon: 020 – 406 22 01; fax: 020 – 406 36 72; e-mail: ops_helpdesk@lvnl.nl; aan de voorwaarden door hen gesteld wordt strikt de hand gehouden.

Artikel 3

De aanvrager draagt er zorg voor dat de gezagvoerder en de cameraman of dierenexpert bekend zijn met de inhoud van deze ontheffing.

Artikel 4

De aanvrager voert bij de voorbereiding van elk project een veiligheidsanalyse uit. Daarbij wordt in kaart gebracht welke risico’s er zijn als gevolg van het uitvoeren van VFR-vluchten beneden de minimum VFR-vlieghoogte boven het water. Vervolgens worden risicobeperkende maatregelen in kaart gebracht en toegepast, zodanig dat de vlucht op een verantwoorde wijze kan worden uitgevoerd.

Artikel 5

Bij het niet of niet volledig nakomen van de voorschriften of beperkingen kan deze ontheffing worden ingetrokken.

Artikel 6

Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 december 2017 en vervalt met ingang van 1 december 2018, tenzij deze voortijdig wordt ingetrokken.

DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT, namens deze, DE INSPECTEUR ILT/LUCHTVAART, M. van Velzen Senior Inspecteur

Bezwaarmogelijkheid

Tegen dit besluit kunt u binnen een termijn van zes weken na dagtekening, ingaande de dag na verzending van deze brief, bezwaar indienen. Het bezwaar moet minimaal bevatten:

  • de naam en het adres van de indiener;

  • de dagtekening;

  • een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht;

  • de gronden van het bezwaar;

  • uw handtekening.

Het bezwaar kan onder vermelding van ‘bezwaar’ en het kenmerk van deze brief gestuurd worden naar het volgende adres:

Inspectie Leefomgeving en Transport

Postbus 16191

2500 BD Den Haag

Is er sprake van onverwijlde spoed? Dan kunt u de rechtbank in het rechtsgebied van uw woonplaats verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen.

Meer informatie over de voorlopige voorziening vindt u op www.rechtspraak.nl.

TOELICHTING

Paragraaf SERA.5005, onderdeel (f), van verordening (EU) nr. 923/2012, geeft de minimum vlieghoogte voor VFR-verkeer. Op basis van artikel 19, derde lid, van het Besluit luchtverkeer 2014 en paragraaf SERA.3105 kan ontheffing worden verleend van de voorgeschreven minimum vlieghoogten voor VFR-verkeer.

Door Rijkswaterstaat is aan verschillende onderzoeksbureaus opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de gevolgen van de aanleg van de tweede Maasvlakte op zeezoogdieren en zeevogels. Om te kunnen beoordelen wat de effecten zijn van de realisatie van de tweede Maasvlakte op zeezoogdieren en zeevogels dienen er langs de gehele Nederlandse kust waarnemings- en onderzoeksvluchten te worden uitgevoerd. Om een representatief beeld te krijgen dienen er gedurende het jaar verschillende waarnemings- en onderzoeksvluchten te worden uitgevoerd. Omdat er gedurende het gehele jaar vluchten worden uitgevoerd waarbij de uiteindelijke opdracht tot het uitvoeren van de vlucht relatief kort voor aanvang van de vlucht wordt verstrekt, is de Inspectie van mening dat het gerechtvaardigd is om een jaarvergunning af te geven.

Aangezien de Inspectie niet bevoegd is om ontheffing te verlenen voor het uitvoeren van vluchten beneden de minimale vlieghoogte boven de Waddenzee, is in de ontheffing de aanvullende beperkende voorwaarde, artikel 2, onderdeel c, opgenomen dat de ontheffinghouder bij het bevoegd gezag een aanvullende toestemming moet aanvragen.

Bij het niet of niet volledig nakomen van de voorschriften of beperkingen kan deze ontheffing worden ingetrokken.

Naar boven