Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
WestervoortStaatscourant 2017, 66475Instelling gemeenschappelijke regelingen



Besluit van de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van de gemeenten Duiven en Westervoort houdende een instellingsbesluit van een gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijke regeling 1Stroom

Logo Westervoort

De colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van Duiven en

Westervoort, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft;

gelet op:

- de toestemmingsbesluiten van de gemeenteraden van Duiven en Westervoort van 12 juli 2017 respectievelijk 11 juli 2017 en

- de toepasselijke bepalingen uit de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Gemeentewet, de

Algemene wet bestuursrecht en de Archiefwet 1995;

besluiten:

de navolgende gemeenschappelijke regeling vast te stellen:

 

Gemeenschappelijke regeling 1Stroom

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1: Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    college: het college van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten;

  • b.

    gemeente: een van de deelnemende gemeenten (Duiven of Westervoort), waaronder zowel de rechtspersoon als de daartoe behorende bestuursorganen kunnen zijn begrepen.

  • c.

    gedeputeerde staten: het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland;

  • d.

    openbaar lichaam: het rechtspersoonlijkheid bezittende openbaar lichaam als bedoeld in art. 2 van deze regeling;

  • e.

    raad: de gemeenteraad van de deelnemende gemeenten;

  • f.

    regeling: deze gemeenschappelijke regeling.

  • g.

    wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen.

  • h.

    directeuren: de directeuren van 1Stroom, als bedoeld in artikel 17.

  • i.

    burgemeester: de burgemeester van de deelnemende gemeenten

  • j.

    begroting: de begroting als bedoeld in artikel 34 van de wet;

  • k.

    dienstjaar: het dienstjaar loopt van 1 januari tot en met 31 december.

Artikel 2: Openbaar lichaam

  • 1.

    Er is een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet, genaamd: 1Stroom.

  • 2.

    Het openbaar lichaam is gevestigd te Westervoort.

  • 3.

    Het bestuur van het openbaar lichaam bestaat uit het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.

  • 4.

    Waar in deze regeling artikelen van de Gemeentewet of van enige andere wet of wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing worden verklaard, treden het openbaar lichaam, het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter in de plaats van respectievelijk de gemeente, de raad, het college en de burgemeester.

Hoofdstuk 2. Belang, taken en bevoegdheden

Artikel 3: Belang

Het belang waarvoor de regeling wordt getroffen, is het bewerkstelligen van een kwalitatief goede en doelmatige uitvoering door het openbaar lichaam van de door de gemeenten aan het openbaar lichaam overgedragen of gemandateerde taken.

Artikel 4: Taken

  • 1.

    Het openbaar lichaam verricht alle gemeentelijke taken voor zover deze niet op grond van de wet of op grond van andere bindende afspraken bij derden berusten.

    De uitvoering bevat in ieder geval:

    • a.

      beleidsontwikkeling en beleidsvoorbereiding;

    • b.

      uitvoering van vastgesteld beleid;

    • c.

      toezicht op aan derden uitbesteed werk,

    • d.

      handhaving van de hiervoor genoemde uitvoering;

    • e.

      het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen voor zover het openbaar lichaam hiertoe bevoegd is dan wel hiervoor is gemachtigd.

    • f.

      het verrichten van feitelijke handelingen;

    • g.

      het verrichten van bedrijfsvoeringstaken op het gebied van personeel, informatie, archivering, juridische zaken, organisatie, financiën, administratie, communicatie en huisvestinginkoop en aanbesteding van opdrachten;

  • 2.

    Het openbaar lichaam voert in beginsel uitsluitend taken uit voor de gemeenten. Uitvoering voor derden is slechts toegestaan na besluitvorming van het algemeen bestuur, met dien verstande dat de voor de uitvoering van deze werkzaamheden vereiste kosten niet meer mogen bedragen dan 10% van de totale begroting.

Artikel 5: Bevoegdheidstoedeling

De gemeenten mandateren alle bevoegdheden die samenhangen met de taakgebieden zoals vermeld in artikel 4 van de regeling in algemene dan wel afzonderlijke mandaat- en volmachtbesluiten aan de directie of medewerkers van het openbaar lichaam.

Artikel 6: Heffings- en invorderingsambtenaar

  • 1.

    Het openbaar lichaam heeft een heffings- en een invorderingsambtenaar.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur wijst één of meer ambtenaren van het openbaar lichaam aan als heffingsambtenaar en één of meer ambtenaren als invorderingsambtenaar.

  • 3.

    De heffingsambtenaar oefent de bevoegdheden en verplichtingen uit die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Wet waardering onroerende zaken, de Gemeentewet en de Wet milieubeheer toegekend zijn aan de inspecteur respectievelijk de ambtenaar belast met de heffing.

  • 4.

    De invorderingsambtenaar oefent de bevoegdheden en verplichtingen uit die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet en de Wet milieubeheer toegekend zijn aan de inspecteur respectievelijk de ambtenaar belast met de invordering.

  • 5.

    De ambtenaar van het openbaar lichaam oefent de bevoegdheden en verplichtingen uit die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Wet waardering onroerende zaken, de Gemeentewet en de Wet milieubeheer toegekend zijn aan de ambtenaren van de rijksbelastingdienst respectievelijk de ambtenaar belast met de heffing of invordering als bedoeld in artikel 231, tweede lid, onder b, c en d van de Gemeentewet.

Hoofdstuk 3. Het algemeen bestuur

Artikel 7: Samenstelling

  • 1.

    Het algemeen bestuur bestaat uit de voltallige colleges en de burgemeesters van de gemeenten.

  • 2.

    De zittingsduur van de leden van het algemeen bestuur is gelijk aan die van de colleges van de gemeenten. De leden van het algemeen bestuur blijven na het verstrijken van de in de vorige zin genoemde termijn hun functie waarnemen tot het tijdstip dat de leden van de nieuwe colleges door hun raden zodanig zijn benoemd.

  • 3.

    Als een lid van een college van een van de gemeenten binnen de zittingstermijn als bedoeld in de eerste volzin van het tweede lid aftreedt of wordt ontslagen, vervalt met gelijke ingang daarvan het lidmaatschap van het algemeen bestuur. Het college van de betreffende gemeente vervult de vacature zo spoedig mogelijk.

Artikel 8: Werkwijze algemeen bestuur

  • 1.

    Het algemeen bestuur vergadert zo vaak als het daartoe besluit, maar ten minste tweemaal per jaar en verder als de voorzitter of één college dit onder schriftelijke opgave van de te behandelen onderwerpen verzoekt; een verzoek van een college dient te worden gericht aan de voorzitter.

  • 2.

    De artikelen 16, 17, 19, 20, 22, 25, 26, 28 tot en met 33 van de Gemeentewet zijn op het houden en de orde van de vergaderingen van het algemeen bestuur van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan niet bij wet of in de regeling is afgeweken.

  • 3.

    Bij de stemming van het algemeen bestuur heeft ieder college één stem.

  • 4.

    Besluiten van het algemeen bestuur worden genomen bij unanimiteit/consensus. Wordt geen unanimiteit/consensus bereikt dan treden de colleges van burgemeester en wethouders terstond met elkaar in overleg, teneinde zo mogelijk tot een oplossing te komen. Per situatie wordt bezien welke oplossingswijze het best bij het probleem past.

  • 5.

    In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd of besloten over:

    • a.

      de organisatie-inrichting;

    • b.

      de begroting, dan wel wijzigingen daarvan;

    • c.

      het vaststellen van de rekening;

    • d.

      het wijzigen, dan wel opheffen van de regeling.

  • 6.

    De stukken die van het algemeen bestuur uitgaan worden door de voorzitter ondertekend en door de directie mede ondertekend.

  • 7.

    De leden van het algemeen bestuur ontvangen voor hun werkzaamheden geen vergoeding in welke vorm dan ook.

Artikel 9: Bevoegdheden algemeen bestuur

  • 1.

    Voor zover in de regeling niet anders is bepaald, deze daar niet in voorziet of een wettelijk voorschrift zich daartegen verzet, draagt het algemeen bestuur alle aan hem toekomende bevoegdheden van het openbaar lichaam over aan het dagelijks bestuur, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.

  • 2.

    Het algemeen bestuur kan in ieder geval niet overdragen de bevoegdheid tot:

    • a.

      het vaststellen dan wel wijziging van de begroting van het openbaar lichaam of van de jaarrekening;

    • b.

      het vaststellen van de financiële beheer- en de controleverordening, zoals omschreven in de artikelen 212 en 213 van de Gemeentewet;

Artikel 10 Verantwoording- en inlichtingenplicht

  • 1.

    Het algemeen bestuur geeft zo spoedig mogelijk maar in ieder geval binnen twee maanden aan de raden van de deelnemende gemeenten de door een of meer leden van die raden schriftelijk gevraagde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het openbaar belang.

  • 2.

    Het algemeen bestuur geeft aan de raden ongevraagd alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het algemeen bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig zijn.

  • 3.

    De colleges zijn gehouden het algemeen bestuur in kennis te stellen van de bij hen in voorbereiding zijnde plannen en maatregelen met betrekking tot de in artikel 4 bedoelde taakgebieden en taakaspecten daarbinnen, voor zover deze redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor het functioneren van het openbaar lichaam.

Hoofdstuk 4. Het dagelijks bestuur

Artikel 11: Samenstelling, benoeming dagelijks bestuur

  • 1.

    Met inachtneming van het tweede lid wijst het algemeen bestuur in de eerste vergadering van elke zittingsperiode die gelijk is aan de zittingsperiode van de gemeenteraden uit zijn midden een dagelijks bestuur aan.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur bestaat uit vier leden, twee van elke gemeente, te weten één wethouder en de burgemeester.

  • 3.

    Voor elk lid van het dagelijks bestuur wijst het algemeen bestuur een plaatsvervangend lid uit de afzonderlijke gemeenten aan.

  • 4.

    Een lid van het dagelijks bestuur kan, met uitzonding van de burgermeesters, te allen tijde ontslag nemen.

  • 5.

    Degene die tussentijds ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt tevens op lid van het dagelijks bestuur te zijn.

  • 6.

    Indien tussentijds een vacature ontstaat in het dagelijks bestuur benoemt het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid.

Artikel 12: Werkwijze dagelijks bestuur

  • 1.

    Het dagelijks bestuur kan zijn werkzaamheden verdelen over de leden. Deze portefeuilleverdeling wordt schriftelijk vastgelegd en aan het algemeen bestuur ter kennisneming voorgelegd.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur vergadert in beginsel eens per maand, maar kan naar eigen believen van deze frequentie afwijken.

  • 3.

    Op de vergaderingen van het dagelijks bestuur zijn de artikelen 54 tot en met 59 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    De stukken die van het dagelijks bestuur uitgaan worden door de voorzitter ondertekend en door het directielid dat is aangewezen als secretaris mede ondertekend.

Artikel 13: Besluitvorming dagelijks bestuur

Het dagelijks bestuur streeft naar consensus in de besluitvorming. Ieder lid van het dagelijks bestuur heeft één stem. Bij staken van de stemmen beslist de voorzitter.

Artikel 14: Bevoegdheden dagelijks bestuur

Naast de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van het elders in deze regeling bepaalde is het dagelijks bestuur in ieder geval belast met en bevoegd tot:

  • a.

    het dagelijks beheer van het openbaar lichaam;

  • b.

    de voorbereiding van alles waarover in de vergadering van het algemeen bestuur zal worden beraadslaagd en besloten;

  • c.

    de uitvoering van de besluiten van het algemeen bestuur;

  • d.

    het toezicht op het beheren van de financiën van het openbaar lichaam;

  • e.

    het toezicht en beheren van de eigendommen van het openbaar lichaam;

  • f.

    het nemen van conservatoire maatregelen, het voeren van rechtsgedingen, het instellen van bezwaar en beroep alsmede het vragen om een voorlopige voorziening;

  • g.

    het aanstellen, schorsen en ontslaan van personeel, waaronder de directie;

  • h.

    het vaststellen van de voor het personeel geldende rechtspositieregeling overeenkomstig de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst van de sector gemeenten, welke regeling overigens wordt gevolgd bij toekomstige wijzigingen, waarbij voor zover daartoe de bevoegdheid bestaat aanvullende lokale regelingen worden vastgesteld;

  • i.

    het sluiten van overeenkomsten ten behoeve van de bedrijfsvoering van de organisatie van het openbaar lichaam, met uitzondering van het aankopen, vervreemden of bezwaren van registergoederen. Het huren van registergoederen ten behoeve van de bedrijfsvoering is wel toegestaan.

Artikel 15: Inlichtingenplicht aan het algemeen bestuur

  • 1.

    De leden van het dagelijks bestuur zijn samen en afzonderlijk aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur.

  • 2.

    De leden van het dagelijks bestuur geven, samen en afzonderlijk, aan het algemeen bestuur ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het gevoerde en te voeren beleid noodzakelijk is.

  • 3.

    De leden van het dagelijks bestuur geven samen dan wel afzonderlijk aan het algemeen bestuur indien dit bestuur dan wel een of meer leden daarom verzoeken binnen dertig dagen alle gevraagde inlichtingen een en ander voor zover dit niet in strijd is met het openbaar belang.

Hoofdstuk 5. De voorzitter

Artikel 16: De voorzitter

  • 1.

    Het algemeen bestuur benoemt uit zijn midden een voorzitter en plaatsvervangend voorzitter. De voorzitter en plaatsvervangend voorzitter zijn beiden burgemeester.

  • 2.

    De voorzitter vervult zijn functie voor één jaar. Het voorzitterschap rouleert jaarlijks op 1 januari tussen de deelnemende gemeenten, tenzij het algemeen bestuur anders besluit. 3. De voorzitter van het algemeen bestuur is tevens voorzitter van het dagelijks bestuur.

  • 4.

    De voorzitter vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte. Hij kan deze bevoegdheid aan een ander overdragen.

Hoofdstuk 6. Directeuren en personeel

Artikel 17: De directeuren

  • 1.

    De directeuren van het openbaar lichaam zijn belast met de dagelijkse leiding van het openbaar lichaam.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur stelt een directiestatuut vast. Hierin worden de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de directeuren op hoofdlijnen vastgelegd.

  • 3.

    De directeuren worden elk om niet gedetacheerd bij één van de deelnemende gemeenten voor de functie van gemeentesecretaris en zijn loco-secretaris in de andere deelnemende gemeente.

  • 4.

    Een van de directeuren fungeert als secretaris van het openbaar lichaam. Het secretarisschap rouleert in principe jaarlijks.

Artikel 18: Taken directeuren

  • 1.

    De directeuren zijn voor het dagelijks bestuur ambtelijk opdrachtnemer en zijn gezamenlijk functioneel verantwoordelijk voor de uitvoering van de taken van het openbaar lichaam.

  • 2.

    De directeuren dragen zorg voor de kwaliteit van personeel en organisatie, beheer en bedrijfsvoering.

  • 3.

    De directeuren zijn bestuurders in de zin van de Wet op de Ondernemingsraden.

Artikel 19: Personeel

Het openbaar lichaam sluit ten behoeve van het personeel aan bij de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling-Uitwerkingsovereenkomst (CAR UWO) voor gemeenteambtenaren.

Hoofdstuk 7. Financiële bepalingen

Artikel 20: Financiële verdeelsleutel

  • 1.

    Financiering van de uitvoering van de taken vindt plaats via een jaarlijkse bijdrage van de gemeenten aan de werkorganisatie conform de begroting van de werkorganisatie. Deze begroting wordt opgesteld aan de hand van een door de gemeenten vastgestelde verdeelsleutel: 63% voor de gemeente Duiven en 37% voor de gemeente Westervoort, minus de kosten voor de grondexploitaties en het afvalaanbiedstation van Duiven.

  • 2.

    Deze verdeelsleutel wordt iedere drie jaar heroverwogen.

Artikel 21: Financiële administratie en controle

  • 1.

    Op het financieel beleid, het financiële beheer, de inrichting van de financiële organisatie en de controle daarop zijn de artikelen 212 en 213 Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    Het algemeen bestuur stelt de financiële regels vast die vereist zijn om aan het in het eerste lid bepaalde te kunnen voldoen.

Artikel 21a: Financiële verplichtingen jegens derde

  • 1.

    De gemeenten zullen er steeds voor zorgdragen dat het openbaar lichaam te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.

  • 2.

    Indien aan het algemeen bestuur van het openbaar lichaam blijkt dat een van de deelnemende gemeenten weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet.

  • 3.

    De gemeenten verbinden zich in geval van opheffing van het openbaar lichaam een liquidatieplan op te stellen dat voorziet in de verplichting van de gemeenten alle rechten en verplichtingen van het openbaar lichaam over de gemeenten te verdelen op een in het plan te bepalen wijze.

Artikel 22: Begroting

  • 1.

    Het dagelijks bestuur stelt jaarlijks een ontwerpbegroting en een meerjarenbegroting op. Uiterlijk 15 april voorafgaand aan het jaar waarop de ontwerpbegroting betrekking heeft, zendt het dagelijks bestuur de ontwerpbegroting en de meerjarenbegroting aan de raden van de deelnemende gemeenten.

  • 2.

    De ontwerpbegroting is gebaseerd op de begrotingen die de deelnemende gemeenten voor het lopende dienstjaar hebben vastgesteld.

  • 3.

    De meerjarenbegroting en de ontwerpbegroting worden door de zorg van de gemeenten voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen ter beschikking gesteld. De terinzagelegging en het verkrijgen van de stukken wordt openbaar bekend gemaakt.

  • 4.

    De raden van Duiven en Westervoort kunnen binnen acht weken na toezending van de ontwerpbegroting het dagelijks bestuur van hun zienswijze(n) daarop schriftelijk laten blijken.

  • 5.

    Het algemeen bestuur stelt de begroting en de meerjarenbegroting uiterlijk 1 juli voorafgaand aan het jaar waarop de ontwerpbegroting ziet, vast.

  • 6.

    Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 juli van het jaar voorafgaand aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten.

  • 7.

    De begroting en de meerjarenbegroting worden binnen twee weken na vaststelling door het algemeen bestuur aan de colleges en de raden van Duiven en Westervoort toegezonden.

  • 8.

    Op wijzigingen van de begroting zijn de voorafgaande bepalingen van dit artikel – met uitzondering van de genoemde data - van overeenkomstige toepassing. Wijzigingen in de vastgestelde begroting welke geen effect hebben op het begrote financiële resultaat van het openbaar lichaam, worden hiervan uitgezonderd. Deze wijzigingen worden door het algemeen bestuur vastgesteld.

Artikel 23: Jaarrekening

  • 1.

    Het dagelijks bestuur maakt elk jaar de jaarrekening van baten en lasten van het voorgaande begrotingsjaar op. Het dagelijks bestuur zendt op uiterlijk 1 april de voorlopige jaarrekening met de daarbij behorende bescheiden aan het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur zendt de ontwerprekening ter controle naar de door het algemeen bestuur daartoe aangewezen accountant, met het verzoek zo spoedig mogelijk het controlerapport uit te brengen.

  • 2.

    Het algemeen bestuur zendt de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten.

  • 3.

    Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening uiterlijk 1 juli vast.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten.

  • 6.

    Het besluit van het algemeen bestuur, houdende vaststelling van de rekening, strekt voor zover het daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft, het dagelijks bestuur tot décharge, behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden.

Artikel 24: Reserves en voorzieningen

  • 1.

    Reserves en voorzieningen kunnen overeenkomstig richtlijnen van het algemeen bestuur worden gevormd.

  • 2.

    De richtlijnen behoeven voorafgaande instemming van de raden van Duiven en Westervoort.

Hoofdstuk 8 Overige bepalingen: archief, geschillen, klachten

Artikel 25: Archiefbeheer

  • 1.

    Het dagelijks bestuur is belast met de zorg voor de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam en zijn bestuursorganen, voor zover niet overgebracht naar een archiefbewaarplaats/ e-depot met inachtneming van de Archiefwet 1995 en overeenkomstig door het dagelijks bestuur vast te stellen nadere regels.

  • 2.

    De directie is belast met de bewaring van de archiefbescheiden als bedoeld in het vorige lid.

  • 3.

    De kosten, verbonden aan de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde zorg, komen ten laste van het openbaar lichaam.

  • 5.

    Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13, eerste lid, van de Archiefwet 1995, over te brengen archiefbescheiden van het openbaar lichaam wijst het dagelijks bestuur de archiefbewaarplaats aan.

Artikel 26: Geschilbeslechting

  • 1.

    Mocht er tussen het openbaar lichaam en een van de deelnemende gemeenten dan wel tussen de gemeenten onderling een geschil ontstaan over genomen besluiten of de uitvoering van de taken door het openbaar lichaam, dan treden het dagelijks bestuur en het desbetreffende college van burgemeester en wethouders terstond met elkaar in overleg, teneinde het geschil verder te verkennen en zo mogelijk op te lossen. Per situatie wordt bezien welke oplossingswijze het best bij het probleem past.

  • 2.

    Met betrekking tot geschillen tussen de gemeenten onderling dan wel tussen de gemeenten en het openbaar lichaam omtrent de toepassing in de ruimste zin van de regeling, beslist, conform artikel 28 van de Wet, gedeputeerde staten.

Artikel 27: Klachtenregeling

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt, met inachtneming van titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht, een interne klachtenregeling vast.

  • 2.

    De Nationale Ombudsman is, onverminderd het bepaalde in artikel 1a, eerste lid van de Wet Nationale ombudsman, bevoegd tot behandeling van klaagschriften als bedoeld in titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 10 Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing.

Artikel 28: Toetreding

  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester van een gemeente die wenst toe treden tot het openbaar lichaam, richten het verzoek ter zake aan het algemeen bestuur van het openbaar lichaam.

  • 2.

    Toetreding vindt plaats indien het algemeen bestuur van het openbaar lichaam daar na goedkeuring van de beide gemeenteraden, mee instemt.

  • 3.

    Aan de toetreding kan het algemeen bestuur voorwaarden verbinden.

  • 4.

    Het besluit van de gemeenten als bedoeld in het tweede lid geeft de datum van toetreding aan.

  • 5.

    Van elk bericht van toetreding van een gemeente wordt gedeputeerde staten in kennis gesteld.

Artikel 29: Uittreding

  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester kunnen, na vooraf verkregen instemming van hun raad, besluiten dat deze regeling wordt opgezegd.

  • 2.

    Een dergelijk besluit kan voor de eerste keer worden genomen vier jaar na de inwerkingtreding van deze regeling met inachtneming van een opzegtermijn van twee kalenderjaren.

  • 3.

    Het besluit als bedoeld in het eerste lid wordt terstond ter kennis gebracht van het algemeen bestuur.

  • 4.

    Voor de vergoeding van de kosten van uittreding sluiten we aan bij de op het moment van uitreden geldende jurisprudentie. Op het moment van oprichting stelt de jurisprudentie dat de reële schade vergoed moet worden die de ene gemeente ondervindt als gevolg van de uittreding van de ander.

Artikel 30: Opheffing

  • 1.

    Op voorstel van het algemeen bestuur kunnen de colleges van burgemeester en wethouders/burgemeesters besluiten tot opheffing van de regeling.

  • 2.

    Het algemeen bestuur stelt een liquidatieplan op om tot opheffing van de regeling te komen.

  • 3.

    Bij ontbinding van de regeling in verband met de opheffing van de regeling of anderszins blijft het openbaar lichaam voortbestaan voor zover dat voor de vereffening van het vermogen noodzakelijk is. Vereffening van het vermogen geschiedt naar rato van bijdrage aan het vermogen.

  • 4.

    Van het besluit tot uittreding of opheffing van een gemeente wordt terstond kennis gegeven aan gedeputeerde staten.

Artikel 31: Wijziging

  • 1.

    De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

  • 2.

    Wijziging van de regeling vindt plaats indien de colleges van burgemeesters en wethouders en de burgemeesters daar gezamenlijk, unaniem, toe besluiten, na verkregen toestemming van de raden.

  • 3.

    Indien het algemeen bestuur wijziging van de regeling wenselijk acht, doet het dagelijks bestuur het daartoe strekkende voorstel aan de gemeenten.

Hoofdstuk 11 Overgangs – en slotbepalingen

Artikel 32: Bestaande samenwerkingen en deelnemingen

De op het moment van inwerkingtreding van deze regeling bestaande privaatrechtelijke, dan wel publiekrechtelijke samenwerkingsverbanden van de deelnemende gemeenten afzonderlijk of gezamenlijk met derden, blijven bestaan tot het moment waarop ieder van de colleges en de burgemeesters van de deelnemende gemeenten na een gezamenlijke inventarisatie daarvan met het dagelijks bestuur, besloten heeft welke van de per deelnemer geïnventariseerde samenwerkingsverbanden door desbetreffende gemeente gehandhaafd dan wel opgezegd dient te worden. In geval van opzegging kunnen een college en een burgemeester besluiten de betreffende taken te laten uitoefenen door het openbaar lichaam.

Artikel 33: Inwerkingtreding

  • 1.

    De regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2018 en kan worden aangehaald onder de titel “ Gemeenschappelijke regeling 1Stroom”

  • 2.

    De regeling wordt tijdig bekendgemaakt door kennisgeving van de inhoud daarvan in de Staatscourant.

  • 3.

    Het gemeentebestuur van de gemeente Westervoort (vestigingsplaats van het openbaar lichaam) is aangewezen als het gemeentebestuur als bedoeld in artikel 26 van de wet.

Artikel 34: Onvoorzienbaarheden

In alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet beslist het algemeen bestuur, gehoord de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van de deelnemende gemeenten.

Duiven,

Burgemeester en wethouders

Burgemeester

Westervoort,

Burgemeester en wethouders

Burgemeester

Toelichting op de gemeenschappelijke regeling werkorganisatie 1Stroom

 

Inleiding

De gemeenten Duiven en Westervoort hebben gekozen voor een intensivering van de

samenwerking en deze vorm te geven in één ambtelijke organisatie per 1 januari 2018. De ambtelijke organisatie moet ertoe leiden dat de organisatie(s):

  • 1.

    Robuuster (minder kwetsbaar) wordt;

  • 2.

    Voldoende flexibel kan zijn om twee zelfstandige gemeenten te bedienen en om mee te bewegen met veranderende taken en rollen van de overheid (kracht);

  • 3.

    Optimale dienstverlening biedt aan inwoners, organisaties en bedrijven alsook aan de raden en colleges (kwaliteit);

  • 4.

    Interessante loopbaanperspectieven biedt aan medewerkers en door zijn robuustheid in staat is om strategische kansen te benutten (kansen);

  • 5.

    Niet duurder en zo mogelijk goedkoper is dan de twee huidige organisaties gezamenlijk (kosten).

Gekozen is voor het aangaan van een gemeenschappelijke regeling op grond van artikel 1 lid 2 Wet gemeenschappelijke regeling (Wgr) door de colleges en de burgemeesters van Duiven en Westervoort. De raden van Duiven en Westervoort hebben daarvoor op 6 juli 2016 toestemming verleend.

Bij de keuze voor de vorm van de gemeenschappelijke regeling is van belang dat deze

rechtspersoonlijkheid moet bezitten om overeenkomsten te kunnen sluiten, bijvoorbeeld om personeel in dienst te kunnen nemen. Dit is mogelijk bij twee vormen: de

bedrijfsvoeringsorganisatie en het openbaar lichaam. De bedrijfsvoeringsorganisatie valt af omdat in deze vorm op grond van de wet geen burgemeesterstaken ondergebracht kunnen worden. Gekozen is daarom voor een openbaar lichaam. Het openbaar lichaam heeft rechtspersoonlijkheid en kan fungeren als publiekrechtelijk werkgever voor het personeel.

Het openbaar lichaam is verantwoordelijk voor het beheer van de werkorganisatie 1Stroom.

Het bestuur voert geen eigen inhoudelijk beleid, dat is en blijft de verantwoordelijkheid van de afzonderlijke gemeentebesturen.

In de gemeenschappelijke regeling worden onder andere de gemeenschappelijke belangen, doelen, taken bevoegdheden inrichting van het bestuur en werkwijze van het openbaar lichaam beschreven. Ook zijn bepalingen opgenomen over de wijziging, toe- en uittreding en opheffing van de regeling.

 

Artikel 1: Begripsbepalingen

In het eerste lid is een aantal relevante begrippen beschreven die in de tekst van de

gemeenschappelijke regeling regelmatig voorkomen.

 

Artikel 2:

In deze bepaling wordt een openbaar lichaam met rechtspersoonlijkheid ingesteld genaamd 1Stroom. Deze keuze betekent dat het openbaar lichaam zelfstandig aan het rechtsverkeer kan deelnemen: medewerkers in dienst nemen en overeenkomsten sluiten.

Het openbaar lichaam zal worden gevestigd in Westervoort. De keuze van de

vestigingsplaats heeft niet tot gevolg dat het totaal aantal arbeidsplaatsen van 1Stroom wordt toegerekend aan de gemeente van de vestigingsplaats. De keuze voor een vestigingsplaats laat onverlet de mogelijkheid op andere locaties te werken. Gekeken wordt waar de medewerkers hun vaste werkplek hebben en op basis daarvan worden gegevens voor de statistieken per gemeente aangeleverd. De keuze voor de vestigingsplaats is eigenlijk alleen relevant bij provinciegrensoverschrijdende samenwerking (in verband met toezicht door de provincie) en/of indien de keuze voor een bepaalde vestigingsplaats van belang is voor de vraag welke rechtbank bevoegd is van geschillen tegen besluiten van de bestuursorganen van het openbaar lichaam kennis te nemen. Zowel Duiven als Westervoort zijn echter gelegen in Gelderland en vallen onder de rechtbank Gelderland.

De regeling kent, ingevolge de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: Wgr), drie

bestuursorganen: naast het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur geldt ook de

voorzitter als een apart bestuursorgaan.

 

Artikel 3: Belang

 

Dit artikel noemt het belang van de regeling (art. 10 lid 1 Wgr).

 

Artikel 4: Taken

De gemeenten laten alle gemeentelijke taken door het openbaar lichaam uitvoeren, voor

zover deze niet aan derden zijn of worden opgedragen. In het laatste geval moet

bijvoorbeeld worden gedacht aan de taken die bij de Samenwerking de Liemers (SDL),

waaronder de Regionale Sociale Dienst de Liemers, of de Omgevingsdienst Regio Arnhem

(ODRA) zijn belegd. De intentie is dat de gemeenten de ambtelijke taken (met uitzondering van de functie(s) van gemeentesecretaris en raadsgriffier) door het openbaar lichaam laten uitvoeren.

Het openbaar lichaam kan taken uitvoeren voor derden maar op basis van

regels/jurisprudentie uit het aanbestedingsrecht geldt de beperking dat de werkzaamheden voor derden niet meer mogen bedragen dan 10% van de totale begroting.

 

Artikel 5: Bevoegdheidstoedeling

De colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters houden de

bevoegdheden die ze voorafgaand aan de nieuwe ambtelijke organisatie hebben. Er wordt dus niet gekozen voor delegatie van de bevoegdheden maar voor mandatering.. De colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters zullen de bevoegdheden die samenhangen met de taakgebieden zoals vermeld in artikel 4 mandateren aan de (nieuwe) ambtelijke organisatie. Er zal een mandaat- en volmachtbesluit opgesteld worden waarin de te mandateren bevoegdheden worden opgenomen.

 

Artikel 6: Heffings- en invorderingsambtenaar

Dit artikel regelt de aanwijzing van de heffings- en invorderingsambtenaar. Deze ambtenaar heeft een aparte status op basis van artikel 232 lid 4 van de Gemeentewet. Het is mogelijk voor iedere deelnemende gemeente apart een heffingsambtenaar en een

invorderingsambtenaar aan te wijzen maar dit hoeft. Het is wenselijk om voor beide functies aparte ambtenaren aan te wijzen.

 

Artikel 7: Samenstelling algemeen bestuur

Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam bestaat uit de colleges van burgemeester en wethouders van Duiven en Westervoort. Op deze wijze hebben alle collegeleden binding met de werkorganisatie. De zittingsduur van de leden van het algemeen bestuur is gelijk aan die van de colleges. Tot het moment dat een nieuw college van burgemeester en wethouders is benoemd door de raad, blijven de huidige leden hun functie waarnemen. Bij tussentijds vertrek van een lid vervult het college van de betreffende gemeente de vacature zo spoedig mogelijk.

 

Artikel 8: Werkwijze algemeen bestuur

Gelet op de aanwezige belangen is het noodzakelijk dat de minimale vergaderfrequentie van het algemeen bestuur ten minste tweemaal per jaar is. Indien wenselijk kan de voorzitter of één college verzoeken om te vergaderen. Een aantal artikelen van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing. Hierin is onder andere geregeld dat de vergaderingen van algemeen bestuur openbaar zijn. Voor wat betreft de stemverhoudingen zijn verschillende voorbeelden te vinden. Wij hebben ervoor gekozen dat elk college van burgemeester en wethouders één stem heeft. Het artikel bevat een regeling hoe besluitvorming plaatsvindt.

 

 

Artikel 9: Bevoegdheden algemeen bestuur

In deze bepaling is opgenomen dat het algemeen bestuur, voor zover in de regeling niet

anders is bepaald, deze daar niet in voorziet of een wettelijk voorschrift zich daartegen

verzet, alle eigen bevoegdheden overdraagt aan het dagelijks bestuur, tenzij de aard van de bevoegdheden zich daartegen verzet. In ieder geval kan niet worden overgedragen het vaststellen dan wel wijzigen van de begroting of jaarrekening van het openbaar lichaam en het vaststellen van de financiële beheer- en controleverordening.

 

Artikel 10: Verantwoording- en inlichtingenplicht

Deze bepaling regelt onder andere wanneer en op welke wijze het algemeen bestuur

inlichtingen verstrekt aan de raden van de deelnemende gemeenten of aan

gemeenteraadsleden afzonderlijk. Op grond van de artikelen 16 tot en met 18 van de Wgr bestaat de verplichting om hierover een artikel op te nemen in de regeling.

 

Artikel 11: Samenstelling, benoeming dagelijks bestuur

Het dagelijks bestuur wordt benoemd door het algemeen bestuur. De samenstelling is

zodanig, dat uit iedere gemeente één wethouder en de burgemeester worden afgevaardigd in het dagelijks bestuur. Het algemeen bestuur wijst voor elk lid van het dagelijks bestuur een plaatsvervanger uit de afzonderlijke gemeente aan. Verder zijn bepalingen opgenomen over zittingsduur, (tussentijds) aftreden en ontslag.

 

Artikel 12: Werkwijze dagelijks bestuur

Het dagelijks bestuur kan zijn werkzaamheden over zijn leden verdelen, tenzij de regeling anders bepaald. Verder is er de beginselplicht dat het dagelijks bestuur eens per 14 dagen vergadert. Op de vergaderingen van het Dagelijks Bestuur zijn de artikelen 54 tot en met 59 Gemeentewet van overeenkomstige toepassing. Dat wil onder andere zeggen dat de vergaderingen van dagelijks bestuur achter gesloten deuren plaatsvinden.

 

Artikel 13: Besluitvorming dagelijks bestuur

Ook voor het dagelijks bestuur geldt, dat met betrekking tot de besluitvorming verschillende varianten denkbaar zijn. In de vergadering heeft ieder lid één stem (er zijn 4 leden). Bij eventuele staking van de stemmen beslist de voorzitter.

 

Artikel 14: Bevoegdheden dagelijks bestuur

Dit artikel regelt de bevoegdheden van het dagelijks bestuur.

 

Artikel 15: Inlichtingenplicht aan het algemeen bestuur

Dit artikel regelt de inlichtingenplicht van het dagelijks bestuur aan het algemeen bestuur.

 

Artikel 16: De voorzitter

Dit artikel regelt de benoeming van de voorzitter van het algemeen bestuur (en tevens

dagelijks bestuur). De voorzitter is een van beide burgemeesters. Er is voor gekozen het

voorzitterschap per jaar (per 1 januari) te laten rouleren, tenzij het algemeen bestuur anders beslist. De voorzitter vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte. Met deze zinsnede wordt bedoeld dat de bevoegdheid zowel betrekking heeft op de formele procesvertegenwoordiging (in rechte) als op vertegenwoordiging bij het verrichten van privaatrechtelijke handelingen (buiten rechte). De procesvertegenwoor-diging ziet op civiele rechtsgedingen, strafzaken en administratieve geschillen waarin het openbaar lichaam als rechtspersoon partij is.

 

Artikel 17: De directeuren

De directeuren zijn belast met de dagelijkse leiding van het openbaar lichaam en bestaat uit de beide gemeentesecretarissen van de deelnemende gemeenten.

 

Artikel 18: Taken directeuren

In dit artikel zijn de taken van de directeuren opgenomen.

 

Artikel 19: Personeel

Het volgende is in het sociaal statuut geregeld: Het personeel van de gemeenten treedt in dienst van het openbaar lichaam, met uitzondering van de griffiemedewerkers. Bij de overgang van het personeel van de gemeenten naar het openbaar lichaam zullen het algemeen en dagelijks bestuur, voor zover op hen van toepassing, zorg dragen voor verdere toepassing en uitvoering van het sociaal statuut van de gemeenten.

 

Artikel 20: Financiële verdeelsleutel

Bij het besluit om een ambtelijke fusie aan te gaan is door de raden de verdeelsleutel 63% Duiven-37% Westervoort afgesproken, met uitzondering van de kosten van de grondexploitatie en het afvalaanbiedstation van Duiven. Deze verdeelsleutel wordt iedere drie jaar heroverwogen.

 

Artikel 21: Financiële administratie en controle

De artikelen 212 en 213 Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing op het financieel beleid en beheer en op de inrichting van de financiële organisatie en de controle daarop. Het algemeen bestuur stelt regels vast om de vereisten zoals opgenomen in het eerste lid en het bepaalde in de artikelen 212 en 213 te kunnen voldoen.

 

Artikel 21a: Financiële verplichtingen jegens derde

De basis van deze bepaling is gelegen in een nog steeds geldende circulaire van toenmalig minister Binnenlandse Zaken Bram Peper waarin staat dat deze bepaling in de regeling moet worden om het openbaar lichaam als klant met een krediet in rekening- courant bij BNG Bank te kunnen accepteren.

 

Artikel 22 tot en met 24:

Deze artikelen houden bepalingen in over het dienstjaar, de begroting, de jaarrekening, respectievelijk de reserves en voorzieningen.

 

Artikel 25: Archiefbeheer

Dit artikel regelt het archiefbeheer van het openbaar lichaam. Het openbaar lichaam heeft niet de zorg voor archiefbescheiden op grond van gedelegeerde taken.

 

Artikel 26: Geschilbeslechting

Gekozen is voor een geschillenregeling waarin het dagelijks bestuur en het betreffende college van burgemeester en wethouders bij een geschil over genomen besluiten of de uitvoering van taken door het openbaar lichaam terstond met elkaar in overleg treden teneinde het geschil op te lossen. Per situatie wordt bekeken welke oplossingswijze het best bij het probleem past. Bij geschillen Bij geschillen over de toepassing in de ruimste zin van de regeling beslist conform artikel 28 van de Wet gedeputeerde staten.

 

Artikel 27: Klachtenregeling

Deze bepaling ziet op de interne klachtenregeling en de ombudsvoorziening.

 

Artikel 28: Toetreding

Indien een andere gemeente wenst toe te treden tot het openbaar lichaam, dienen het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester van die gemeente daartoe een verzoek te richten aan de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van de deelnemers en aan het algemeen bestuur van het openbaar lichaam. De verdere procedure wordt beschreven in deze bepaling.

 

Artikel 29: Uittreding

Uittreding is voor het eerst mogelijk vier jaar na de inwerkingtreding van deze regeling en met een opzegtermijn van twee kalenderjaren. Het artikel regelt verder welke procedure gevolgd wordt bij uittreding. De keuze wordt gemaakt om geen inhoudelijke regeling op te nemen over de financiële consequenties van uittreding. Als er geen inhoudelijke regels zijn opgesteld dan zal de jurisprudentie bepalend zijn bij uittreding van een van de deelnemers. Op grond van de huidige jurisprudentie moet de reële schade vergoed worden die ondervonden wordt als gevolg van de uittreding. Vaak wordt voor het berekenen van de schade aansluiting gezocht bij de betaalde jaarbijdrage die gedurende een periode van 5 jaar wordt betaald met inachtneming van een afbouwsystematiek.

 

Artikel 30: Opheffing

Dit artikel regelt welke procedure gevolgd wordt indien de wens bestaat de regeling op te

heffen.

 

Artikel 31 Wijziging

De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. Indien het algemeen bestuur het

wenselijk acht om tot een wijziging van de regeling te komen, zal het dagelijks bestuur een daartoe strekkend voorstel doen aan de gemeenten. De colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters dienen gezamenlijk, unaniem, tot wijziging van de regeling te besluiten. Ingevolge artikel 1 lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen dient is er een toestemmingsbesluit nodig van de raden om de regeling te wijzigen.

 

Artikel 32: Bestaande samenwerkingen en deelnemingen

Alle bestaande samenwerkingsverbanden blijven bestaan bij inwerkingtreding van deze

regeling. Er zal een inventarisatie volgen van welke samenwerkingsverbanden gehandhaafd dan wel opgezegd dienen te worden. In geval van opzegging kunnen een college en een burgemeester besluiten om de betreffende taken te laten uitvoeren door het openbaar lichaam.

 

Artikel 33: Inwerkingtreding

De regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2018 en kan worden aangehaald als “Gemeenschappelijke regeling 1Stroom”. De gemeente van de plaats van vestiging is aangewezen om zorg te dragen voor bekendmaking van de regeling in de deelnemende gemeenten door kennisgeving van de inhoud daarvan in de Staatscourant. De gemeente van de plaats van vestiging is tevens aangewezen om conform artikel 26 van de wet de regeling toe te zenden aan gedeputeerde staten.

 

Artikel 34: Onvoorzienbaarheden

In de gevallen waarin de regeling niet voorziet, beslist het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur doet dit niet eerder dan na de colleges van burgemeester en wethouders te hebben gehoord over het onvoorziene geval.