Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatscourant 2017, 65868Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 20 november 2017, nr. IENM/BSK-2017/249142, tot wijziging van de Activiteitenregeling milieubeheer ten behoeve van de implementatie van Richtlijn (EU) 2015/2193 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties (PbEU 2015, L 313)

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,

Gelet op richtlijn (EU) 2015/2193 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties (PbEU 2015, L 313) en de artikelen 1.7, eerste lid, onderdeel a, 3.10j, derde lid, en 3.10p van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

BESLUIT:

ARTIKEL I

De Activiteitenregeling milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:

A

Het opschrift van § 3.2.1 komt te luiden:

§ 3.2.1. Het in werking hebben van een middelgrote stookinstallatie als bedoeld in § 3.2.1 en § 5.1.5 van het besluit

B

Artikel 3.5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘de artikelen 3.10 en 3.10a’ vervangen door: artikel 3.10b.

2. In het tweede lid wordt ‘de artikelen 3.10a en 3.10b’ vervangen door ‘artikel 3.10b’ en ‘de emissie-eisen in artikel 3.10a of 3.10b’ vervangen door: de emissie-eis in artikel 3.10b.

3. In het derde lid wordt ‘de artikelen 3.10a en 3.10b’ vervangen door ‘artikel 3.10b’ en ‘artikel 3.10a of 3.10b opgenomen emissiegrenswaarden’ vervangen door: artikel 3.10b opgenomen emissiegrenswaarde.

4. In het vierde lid wordt in de aanhef ‘houtpellets voor zover het geen biomassa betreft’ vervangen door ‘houtpellets geproduceerd uit biomassa, in een installatie tot 400kW’ en in onderdeel b ‘houtpellets voor zover het geen biomassa betreft’ vervangen door: houtpellets geproduceerd uit biomassa.

C

In artikel 3.6, eerste lid, vervalt: en de artikelen 3.7o en 3.7p.

D

Artikel 3.7, tweede en derde lid, komen te luiden:

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt de concentratie aan stikstofoxiden (NOx), zwaveldioxide (SO2), totaal stof en onverbrande koolwaterstoffen (CxHy, uitgedrukt in C) in het rookgas bepaald door continue meting, indien ter bestrijding van de uitworp rookgasreiniging of andere emissiereductietechnieken worden toegepast.

  • 3. In afwijking van het tweede lid kan worden volstaan met afzonderlijke metingen, indien een logboek van registraties wordt bijgehouden waaruit met een voldoende mate van zekerheid blijkt dat de rookgasreiniging of andere emissiereductietechnieken continu in bedrijf zijn en de betreffende emissiegrenswaarden niet worden overschreden.

E

Artikel 3.7a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘artikel 3.7 wordt’ vervangen door: de artikelen 3.7 en 3.7e worden.

2. Het vijfde lid komt te luiden:

5. In afwijking van het tweede lid, onder a, en het vierde lid, mag een afzonderlijke meting aan een middelgrote stookinstallatie vallend onder §3.2.1 van het besluit worden uitgevoerd overeenkomstig Scope 6 van de Deelregeling voor stookinstallaties, onderdeel uitmakende van de Certificatieregeling voor het kwaliteitsmanagementsysteem ten behoeve van de uitvoeren van onderhoud en inspecties aan technische installaties, van de stichting SCIOS, door een bedrijf dat beschikt over een geldig certificaat, afgegeven door een instantie die door een accreditatie-instantie is geaccrediteerd, om uitvoering te kunnen geven aan genoemde deelregeling.

F

Artikel 3.7b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘wordt gemeten’ vervangen door: worden gemeten.

2. In het tweede lid vervalt: als bedoeld in artikel 3.10q van het besluit.

3. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 5. In aanvulling op het eerste lid en in afwijking van het derde lid worden:

    • a. jaarlijks afzonderlijke metingen verricht aan een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen groter dan 20 MWth die op of na 20 december 2018 in bedrijf is genomen;

    • b. iedere drie jaar afzonderlijke metingen verricht aan een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MWth of meer en 20 MWth of minder die op of na 20 december 2018 in bedrijf is genomen;

    • c. vanaf 2025 en vervolgens jaarlijks afzonderlijke metingen verricht aan een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen groter dan 20 MWth die voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen;

    • d. vanaf 2025 en vervolgens iedere drie jaar afzonderlijke metingen verricht aan een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MWth en 20 MWth of minder die voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen;

    • e. vanaf 2030 en vervolgens iedere drie jaar afzonderlijke metingen verricht aan een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MWth of meer en 5 MWth of minder die voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.

  • 6. Het vijfde lid is niet van toepassing op stookinstallaties gelegen op een offshore olie- of gaswinningsplatform.

G

Artikel 3.7c, derde en vierde lid, vervallen.

H

Artikel 3.7d wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘mag van een meting’ vervangen door ‘mag van een deelmeting’ en wordt aan het slot toegevoegd ‘ten behoeve van de toetsing aan de emissiegrenswaarde, bedoeld in artikel 3.7c, tweede lid’.

2. In het derde lid wordt ‘vermogen kleiner dan 1 Megawatt’ vervangen door: nominaal thermisch ingangsvermogen kleiner dan 1 MWth.

I

Artikel 3.7e komt te luiden:

Artikel 3.7e

  • 1. Afzonderlijke metingen zijn representatief voor normale bedrijfsvoering met het brandstofmengsel dat de hoogste emissie zal opleveren.

  • 2. Een afzonderlijke meting bij een ketelinstallatie wordt verricht bij een belasting van meer dan 60 procent. Een afzonderlijke meting bij een dieselmotor, een gasmotor of een gasturbine, wordt verricht bij de hoogste belasting, waarbij deze continu kan worden bedreven.

  • 3. Een afzonderlijke meting bij een gasturbine, met een bijbehorende ketelinstallatie, wordt verricht bij een bijstook van ten hoogste 10% in de bijbehorende ketelinstallatie.

J

Artikel 3.7f, tweede lid, komt te luiden:

2. De kwaliteitsborging van de ter controle van de emissiegrenswaarden geïnstalleerde apparatuur en toegepaste uitworpkarakteristieken voldoen aan NEN-EN 14181. De resultaten van de in het kader van deze norm uitgevoerde jaarlijkse controlemetingen worden door degene die de inrichting drijft, ter beschikking van het bevoegd gezag gesteld.

K

Artikel 3.7g komt te luiden:

Artikel 3.7g

Bij een continue meting als bedoeld in artikel 3.7f wordt aan een emissiegrenswaarde voldaan indien geen daggemiddelde die emissiegrenswaarde overschrijdt.

L

Artikel 3.7j komt te luiden:

Artikel 3.7j

Van een meting of monstername als bedoeld in deze paragraaf wordt een rapport gemaakt volgens NEN-EN 15259.

M

Artikel 3.7m wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en tweede lid, wordt ‘vermogen’ vervangen door: thermisch ingangsvermogen.

2. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Een keuring als bedoeld in het eerste of tweede lid omvat mede:

    • a. de afstelling van de verbranding;

    • b. het systeem voor de toevoer van brandstof en verbrandingslucht;

    • c. de afvoer van verbrandingsgassen;

    • d. een meting van koolmonoxide (CO), vóór de onder a genoemde afstelling, uitgedrukt in mg/Nm3, bij een zuurstofpercentage zoals aangegeven in artikel 3.10i, eerste lid, van het besluit.

3. Het vijfde en zesde lid komen te luiden:

  • 5. Een keuring als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt verricht door een bedrijf dat beschikt over een geldig certificaat dat is afgegeven door een instantie die door een accreditatie-instantie is geaccrediteerd om uitvoering te kunnen geven aan de Deelregeling voor stookinstallaties, onderdeel uitmakende van de Certificatieregeling voor het kwaliteitsmanagementsysteem ten behoeve van het uitvoeren van onderhoud en inspectie aan technische installaties, van de stichting SCIOS.

  • 6. Indien uit een keuring als bedoeld in het eerste of tweede lid blijkt dat de stookinstallatie onderhoud behoeft, vindt dat onderhoud binnen twee weken na de keuring plaats.

4. Er worden vijf leden toegevoegd, luidende:

  • 7. Het verslag van de keuring, bedoeld in het eerste of tweede lid, ondertekend door degene die de keuring heeft verricht, ligt bij de stookinstallatie ter inzage van het bevoegd gezag en wordt voor een periode van ten minste zes jaar bewaard.

  • 8. Na uitvoering van onderhoud als bedoeld in het zesde lid ligt een bewijs van uitvoering van dat onderhoud, gedateerd en ondertekend door degene die het onderhoud heeft uitgevoerd, bij de stookinstallatie ter inzage van het bevoegd gezag.

  • 9. Indien een stookinstallatie bij keuring dan wel na uitvoering van onderhoud, als bedoeld in het zesde lid, voldoet aan de eisen voor veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid, zorgt degene die de inrichting drijft ervoor dat de stookinstallatie wordt afgemeld in het afmeldsysteem van de stichting SCIOS.

  • 10. Voor stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MWth of meer omvat het verslag en de afmelding als bedoeld in het zevende en negende lid ten minste de volgende gegevens:

    • a. naam en adres van de gebruiker;

    • b. adres waar de stookinstallatie is opgesteld;

    • c. unieke identificatie van de stookinstallatie;

    • d. nominaal thermisch ingangsvermogen (MWth) van de stookinstallatie;

    • e. type stookinstallatie, onderverdeeld naar gasmotor, dieselmotor, dual-fuelmotor, gasturbine, ketel, fornuis, droger, luchtverhitter en andere stookinstallatie;

    • f. type gebruikte brandstoffen en het aandeel ervan, onderverdeeld naar vaste biomassa, houtpellets, andere vaste brandstof, gasolie, dieselolie, huisbrandolie, biodiesel, andere vloeibare brandstoffen, aardgas, propaangas, butaangas, vergistingsgas en andere gasvormige brandstoffen;

    • g. datum ingebruikname;

    • h. verwachte aantal jaarlijkse bedrijfsuren van de stookinstallatie en de gemiddelde belasting tijdens gebruik;

    • i. sector waarin de stookinstallatie werkt of de inrichting waarin zij wordt gebruikt (viercijferige NACE-code);

    • j. de datum en meetresultaten van de laatst uitgevoerde emissiemetingen alsmede de tijdens de keuring gemeten koolmonoxide- en zuurstofconcentratie;

    • k. indien gebruik gemaakt wordt van de vrijstelling van de emissiegrenswaarden op grond van de 500-uursregeling, bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, onderdeel b, van het besluit, een door de gebruiker ondertekende verklaring dat de installatie niet meer dan 500 uur per kalenderjaar wordt ingezet;

    • l. veranderingen in de stookinstallatie of bedrijfsvoering die hebben geleid tot een verandering in emissiegrenswaarde.

  • 11. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat draagt zorg voor het in stand houden van een register met de gegevens, bedoeld in het tiende lid.

N

Artikel 3.7o komt te luiden:

Artikel 3.7o

  • 1. Voor het bepalen of wordt voldaan aan het urencriterium, genoemd in artikel 3.7, tweede lid, onderdeel b, van het besluit, registreert degene die de inrichting drijft maandelijks het aantal draaiuren van de stookinstallatie.

  • 2. In afwijking van het eerste lid vindt registratie van het aantal draaiuren van een stookinstallatie gelegen op een offshore olie- of gaswinningsplatform minimaal halfjaarlijks plaats.

O

Artikel 3.7p komt te luiden:

Artikel 3.7p

  • 1. Degene die de inrichting drijft, bewaart en houdt ter beschikking van het van het bevoegd gezag:

    • a. de omgevingsvergunning of de melding ingevolge artikel 1.10 van het besluit;

    • b. de registratie die wordt bijgehouden ingevolge artikel 3.7o;

    • c. de resultaten van de laatstelijk uitgevoerde metingen en andere gegevens, die nodig zijn om te kunnen beoordelen of voldaan wordt aan de emissiegrenswaarden;

    • d. een overzicht van de soort en de hoeveelheid in de installatie gebruikte brandstoffen;

    • e. een overzicht van eventuele storingen of uitvallen van aanvullende emissiebeperkende apparatuur;

    • f. een overzicht van de gevallen van niet-naleving van de emissiegrenswaarden en de getroffen maatregelen.

  • 2. De onder b tot en met f bedoelde gegevens en informatie worden ten minste zes jaar bewaard.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 19 december 2017.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, S. van Veldhoven-van der Meer

TOELICHTING

Algemeen

1. Aanleiding

Deze regeling wijzigt de Activiteitenregeling milieubeheer in verband met de implementatie van richtlijn (EU) 2015/2193 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties (PbEU 2015, L 313) (hierna: Richtlijn (EU) 2015/2193). Bij besluit van 19 augustus 2017 tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer ten behoeve van de implementatie van Richtlijn (EU) 2015/2193 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties (Pb EU 2015, L 313), is het Activiteitenbesluit milieubeheer reeds aangepast aan Richtlijn (EU) 2015/2193 (zie Stb. 2017, 330; hierna: besluit van 19 augustus 2017).

Onderhavige wijzigingsregeling ziet met name op nadere regels met betrekking tot metingen van concentraties aan stikstofoxiden (NOx), zwaveldioxide (SO2), totaal stof en onverbrande koolwaterstoffen (CxHy, uitgedrukt in C) in het rookgas dat wordt uitgeworpen door middelgrote stookinstallaties. Daarnaast worden enkele bepalingen met betrekking tot de keuring van middelgrote stookinstallaties aangepast aan de nieuwe Europese regels, teneinde het register met gegevens van middelgrote stookinstallaties tot stand te brengen dat Richtlijn (EU) 2015/2193 verlangt. In de Activiteitenregeling milieubeheer wordt aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat de zorg opgedragen voor het in stand houden van het register.

2. Register, afmeldsysteem keuringen

Er geldt op grond van artikel 3.10k van het Activiteitenbesluit milieubeheer een keuringsplicht voor stookinstallaties. De keuringen zien op veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid. De gegevens van de keuringen worden ingevoerd in het zogenoemde afmeldsysteem van SCIOS1, de beheerder van het certificatieschema dat ten grondslag ligt aan de keuringen.

Richtlijn (EU) 2015/2193 verplicht om een voor het publiek toegankelijk register te houden (artikel 5, vijfde lid). Om zo lastenluw mogelijk aan deze verplichting te voldoen, is besloten gebruik te maken van het reeds lang bestaande SCIOS-afmeldsysteem. De afwegingen die hierbij zijn gemaakt zijn beschreven in de nota van toelichting (blz. 20, 21, 28, 36 en 37) bij het besluit van 19 augustus 2017. Voor een volledig beeld wordt verwezen naar voornoemde nota van toelichting.

Het SCIOS-afmeldsysteem werd en wordt gebruikt om de resultaten van de keuringen van stookinstallaties te registreren. De informatie is beschikbaar voor toezichthouders (lokaal, regionaal en provinciaal). Het afmeldsysteem bevat gegevens van circa 12.000 middelgrote stookinstallaties van 1 tot 50 MW en was reeds nagenoeg dekkend voor de stookinstallaties die onder Richtlijn (EU) 2015/2193 vallen. De inhoud van het register moet voldoen aan het gestelde in artikel 5, vijfde lid, en artikel 9 van Richtlijn (EU) 2015/2193, waarin is aangegeven dat het register de informatie moet bevatten van bijlage I bij voornoemde richtlijn en de geplande veranderingen die de toepasselijke emissiegrenswaarden zou beïnvloeden. Het afmeldsysteem bevatte nog niet al deze informatie. Om te voldoen aan Richtlijn (EU) 2015/2193 is het systeem daarom in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat aangepast, zodat het kan fungeren als register in de zin van artikel 5, vijfde lid, van Richtlijn (EU) 2015/2193. Artikel 3.7m, zevende tot en met elfde lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer vormt de wettelijke basis voor het houden van het register en voor het vullen van het register met de vereiste gegevens.

3. Handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid

De inhoud van de Activiteitenregeling milieubeheer is aangevuld ter voldoening aan de eisen van Richtlijn (EU) 2015/2193. Het betreft wijzigingen van reeds bestaande meet- en registratieverplichtingen, invoering van het register en bepalingen ten aanzien van de bewaarplicht. De structuur van de Activiteitenregeling milieubeheer is niet aangepast. Daardoor zijn er geen gevolgen voor de handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid. Wel is van de gelegenheid gebruik gemaakt om een kleine wijziging aan te brengen in artikel 3.7c van de Activiteitenregeling milieubeheer. In het derde en vierde lid zijn handhavingsbepalingen geschrapt om het bevoegd gezag de vrijheid te bieden de handhaving op maat uit te voeren. Dit draagt tevens bij aan vereenvoudiging van de regelgeving.

4. Regeldruk

Sira Consulting heeft onderzoek uitgevoerd naar Richtlijn (EU) 2015/2193.

In haar rapport2 stelt zij vast dat deze gevolgen heeft voor 6.600 bedrijven die stookinstallaties in exploitatie hebben. Het betreft bedrijven in zeer uiteenlopende branches, waaronder kantoorfuncties, ziekenhuizen, onderwijsinstellingen, tuinbouw en industrie. De regeling heeft ook gevolgen voor bedrijven die emissiemetingen bij stookinstallaties verrichten. Het betreft circa 30 installatiebedrijven die gecertificeerd zijn conform SCIOS scope 6 en circa 20 geaccrediteerde laboratoria.

In de nota van toelichting (blz. 23 e.v.) bij het besluit van 19 augustus 2017 is uitvoerig ingegaan op de financiële consequenties van deze implementatieregelgeving. Hieronder wordt dit nog kort aangehaald. Deze wijzigingsregeling zelf zorgt niet voor extra regeldruk noch leidt dit tot aanpassing van de eerder bij het besluit van 19 augustus 2017 berekende regeldruk. Voor een volledig beeld wordt verwezen naar voornoemde nota van toelichting.

De regeldruk neemt als gevolg van Richtlijn (EU) 2015/2193 geleidelijk toe, tot een maximale toename van circa € 3,1 miljoen per jaar in 2030. Dit is nagenoeg geheel te wijten aan de hogere frequentie waarmee emissiemetingen ingevolge Richtlijn (EU) 2015/2193 moeten worden verricht (artikel 3.7b van de Activiteitenregeling milieubeheer). De toename van € 3,1 miljoen komt ten laste van de 6.600 bedrijven met één of meer stookinstallaties. Op een aantal van 12.000 stookinstallaties betekent dit een gemiddelde lastendruk van € 260 per installatie. Verdere verhoging van de lastendruk is voorkomen doordat in Nederland gebruik gemaakt mag blijven worden van de SCIOS-meting. Deze is gelijkwaardig bevonden aan de eisen uit Richtlijn (EU) 2015/2193, maar is goedkoper dan een meting door een geaccrediteerde instantie. Er zijn geen verdere mogelijkheden om de toename van de kosten van emissiemetingen te beperken.

De bestuurlijke lasten nemen beperkt toe in de tijd tot een bedrag van € 22.900 per jaar in 2025.

De eenmalige regeldruk door kennisname bedraagt € 162.000.

De eenmalige bestuurlijke lasten door kennisname bedragen € 170.000.

Er zijn geen wezenlijke gevolgen voor de marktwerking en voor de overheidsfinanciën.

Richtlijn (EU) 2015/2193 heeft geen effect op administratieve lasten voor burgers.

5. Transponeringstabel Richtlijn (EU) 2015/2193 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties (PbEU 2015, L 313)

Artikel, -lid of -onderdeel EU-regeling

Te implementeren in

Omschrijving beleidsruimte

Artikel 1 (onderwerp)

Behoeft naar aard van de bepaling geen implementatie

Artikel 2, eerste lid (Toepassingsgebied: stookinstallaties tussen 1 en 50 MW)

Artt. 1, 1.21c, 3.7, en 5.43 Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 2, tweede lid (Toepassingsgebied: samenstel twee of meer nieuwe middelgrote stookinstallaties)

Artt. 3.7, zesde lid, en 5.44, eerste lid, Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 2, derde lid (Toepassingsgebied: uitgezonderde stookinstallaties)

Artt. 3.7, eerste en tweede lid, en 5.43 Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 2, vierde lid (Toepassingsgebied: uitgezonderde activiteiten)

Artt. 3.7, vijfde lid, en 5.43 Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 3 (definities)

Art. 1.1 Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 4 (samentelling twee of meerdere middelgrote stookinstallaties)

Artt. 3.7, zesde lid, en 5.44, eerste lid, Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 5, eerste tot en met derde lid (geen exploitatie nieuwe of bestaande middelgrote stookinstallaties zonder vergunning of registratie)

Artt. 1.2, 1.9b, 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer en nieuw art. 1.21c Activiteitenbesluit milieubeheer

Art. 3.7m Activiteitenregeling

Artikel 5, vierde lid (registratie en aanvang verlening vergunning binnen 1 maand na ontvangst gegevens)

Artt. 1.2 en 1.9b Activiteitenbesluit milieubeheer en nieuw art. 1.21c Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 5, vijfde lid (instellen register door bevoegd gezag)

Art. 3.7m, elfde lid Activiteitenregeling

Register openbaar toegankelijk: feitelijke handeling (openbaarmaking via website Infomil)

Artikel 5, zesde lid (mogelijkheid vaststellen algemene regels)

Behoeft geen implementatie

Artikel 5, zevende lid (IPPC- installaties worden geacht reeds te voldoen aan artikel 5)

Behoeft geen implementatie

Artikel 5, achtste lid (samenloop met andere vergunning/registratie)

Behoeft geen implementatie

Artikel 6, eerste lid (vaststelling emissiegrenswaarden bijlage II)

Par. 3.2.1 en 5.1.5 Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 6, tweede lid (overgangsrecht emissiegrenswaarden bestaande middelgrote stookinstallaties)

Par. 3.2.1 en 5.1.5 Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 6, derde lid (500-uurs regeling bestaande middelgrote stookinstallaties)

Art. 3.7, tweede lid, onderdeel b, en art. 5.44, eerste lid, Activiteitenbesluit milieubeheer

NL kent reeds vrijstelling igv 500 uur/jr. Verruiming via voortschrijdend gemiddelde over 5 jaar is beleidsmatig ongewenst.

Artikel 6, vierde lid (bijzondere regeling SIS/MIS)

Behoeft geen implementatie: in NL geen relevantie

Artikel 6, vijfde lid (mogelijkheid vrijstelling stadsverwarming)

Wordt niet geïmplementeerd

Beleidsmatig niet gewenst

Artikel 6, zesde lid (mogelijkheid vrijstelling gascompressorstations)

Wordt niet geïmplementeerd

Beleidsmatig niet gewenst

Artikel 6, zevende lid (eisen nieuwe installaties per 20-12-18)

Par. 3.2.1 en 5.1.5 Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 6, achtste lid (500-uurs regeling nieuwe middelgrote stookinstallaties)

Art. 3.7, tweede lid, onderdeel b, en art. 5.44, eerste lid, Activiteitenbesluit milieubeheer

NL kent reeds vrijstelling igv 500 uur/jr. Verruiming via voortschrijdend gemiddelde over 5 jaar is beleidsmatig ongewenst

Artikel 6, negende lid (mogelijkheid vaststellen strengere eisen in zones slechte luchtkwaliteit)

Behoeft geen implementatie: In NL gelden voor de meeste parameters al strengere normen.

Artikel 6, tiende lid (Cie. organiseert informatie-uitwisseling)

Behoeft naar aard van de bepaling geen implementatie

Artikel 6, elfde lid (tijdelijke versoepeling SO2-eisen indien schaarste laagzwavelige brandstof)

Behoeft geen implementatie:

In NL geen behoefte

Artikel 6, twaalfde lid (tijdelijke versoepeling igv problemen gasvoorziening)

Behoeft geen implementatie

In Nl geen behoefte

Artikel 6, dertiende lid (mengregeling)

Art. 3.10c en art. 5.44, eerste lid Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 7, eerste lid (verplichtingen exploitant: monitoring emissies conform Bijlage III deel 1)

Art. 3.10j, derde lid, en art. 5.44 Activiteitenbesluit milieubeheer en artt. 3.7, 3.7a en 3.7b Activiteitenregeling.

Artikel 7, tweede lid (bij verschillende brandstoffen: meten brandstof hoogste emissie)

Art 3.7e Activiteitenregeling milieubeheer

Artikel 7, derde lid (vastleggen metingen conform Bijlage III)

Art. 3.10o Activiteitenbesluit milieubeheer en art. 3.7p Activiteitenregeling

Artikel 7, vierde lid (vastleggen werking sec. emissiebeperkende apparatuur)

rt. 3.10j Activiteitenbesluit milieubeheer en art. 3.7, derde lid, Activiteitenregeling

Artikel 7, vijfde lid (bewaren van gegevens, zoals registratie, monitoring, bedrijfsuren)

Art 3.7p Activiteitenregeling

Artikel 7, zesde lid (ter beschikking stellen info aan bevoegd gezag)

Behoeft geen implementatie: is reeds geregeld in art. 5.17 Algemene wet bestuursrecht, art. 19 Wet op de economische delicten en art. 3, eerste lid, Wet openbaarheid van bestuur

Artikel 7, zevende lid (treffen snelle maatregelen in geval van niet-naleven emissie-grenswaarden)

Art. 3.10g en art. 5.44 Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 7, achtste lid (medewerking exploitant bij inspecties e.d.)

Behoeft geen implementatie: is reeds geregeld in art. 5.20 Algemene wet bestuursrecht en artt. 18, 20, 21 en 24a Wet op de economische delicten

Artikel 7, negende lid (periode start/stop zo kort mogelijk)

Art. 3.10u (nieuw) en art. 5.44 (verwijzing naar art. 3.10u) Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 8, eerste lid (nalevingscontrole lidstaten overschrijding emissiegrenswaarden)

Behoeft geen implementatie: is reeds geregeld in art. 7.2-7.7 Besluit omgevingsrecht jo. art. 5.3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Nalevingscontrole is onderdeel van handhavingsbeleid en -strategie van bevoegd gezag

Artikel 8, tweede lid (opzetten lidstaten nalevingscontrole)

Behoeft geen implementatie: is reeds geregeld in art. 7.2-7.7 Besluit omgevingsrecht jo. Art. Art. 5.3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Nalevingscontrole is onderdeel van handhavingsbeleid en -strategie van bevoegd gezag

Artikel 8, derde lid (herstel naleving)

Art. 3.10g (nieuw) en art. 5.44 (verwijzing naar art. 3.10g) Activiteitenbesluit milieubeheer. Ook artt 17.1 t/m 17.3 Wet milieubeheer ivm ongewone voorvallen

Nalevingscontrole is onderdeel van handhavingsbeleid en -strategie van bevoegd gezag

Artikel 9 (verandering middelgrote installaties melden, actualiseren register door bevoegd gezag)

Behoeft geen implementatie: is reeds geregeld in artikel 1.10, tweede lid, Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 10 (aanwijzing bevoegd gezag)

Behoeft geen implementatie: is reeds geregeld in art. 2.1 en bijlage 1 Besluit omgevingsrecht

Artikelen 11 tot en met 15

Behoeven naar aard van de bepaling geen implementatie

Artikel 16 (sancties)

Behoeft geen implementatie: is reeds geregeld in Hfst. 18 Wet milieubeheer, Hfst. 5 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Hfst. 7 Besluit omgevingsrecht en hfst. 10 Regeling omgevingsrecht en via Algemene wet bestuursrecht. Verder strafrechtelijk via art. 1a, onder 1º, Wet op de economische delicten

Artikel 17, eerste en tweede lid (omzetting richtlijn)

Artikel II

Artikel 18 (Inwerkingtreding)

Behoeft naar aard van de bepaling geen implementatie

Artikel 19 (Adressaten)

Behoeft naar aard van de bepaling geen implementatie

Bijlage I

Art 1.21c Activiteitenbesluit milieubeheer (nieuw)

Bijlage II

Par 3.2.1 en par 5.1.5 Activiteitenbesluit milieubeheer

Bijlage III

Activiteitenregeling

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A (§ 3.2.1)

De aanduiding van de paragraaf is in lijn gebracht met het Activiteitenbesluit milieubeheer. Met deze wijziging wordt aangegeven dat de reikwijdte van deze paragraaf is verbreed om aan te sluiten bij de implementatie van Richtlijn (EU) 2015/2193 in de paragrafen 3.2.1 en 5.1.5 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel I, onderdeel B (artikel 3.5)

De wijziging van artikel 3.5, eerste tot en met derde lid, is ingegeven vanwege de aanpassing aan de nieuwe structuur van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

In het vierde lid is verduidelijkt dat houtpellets geproduceerd moeten zijn uit biomassa.

Artikel I, onderdeel C (artikel 3.6)

Dit betreft een technisch-juridische aanpassing, vanwege de nieuwe structuur van de artikelen 3.7o en 3.7p van de Activiteitenregeling milieubeheer.

Artikel I, onderdeel D (artikel 3.7)

Vanwege de verbreding van de reikwijdte van het Activiteitenbesluit milieubeheer tot installaties op niet-standaard brandstoffen zijn aan het tweede lid ook zwaveldioxide (SO2), totaal stof en onverbrande koolwaterstoffen als parameters toegevoegd.

In het tweede lid wordt het principe vastgelegd dat er bij de toepassing van een nageschakelde techniek in beginsel continu dient te worden gemeten. Dit is echter niet altijd noodzakelijk. Het derde lid regelt daarom dat mag worden volstaan met afzonderlijke metingen als wordt aangetoond dat de rookgasreiniging of andere emissiereducerende technieken continu in bedrijf zijn. Dit aantonen kan met behulp van zogenoemde emissierelevante parameters (ERP’s). Hierbij moet worden gedacht aan parameters als het gebruik van reagens of hulpstoffen van de nageschakelde techniek, zoals de gebruikte hoeveelheid ureum of ammoniak bij het gebruik van een katalysator (selective catalytic reduction, SCR) of de hoeveelheid stoom bij stoominjectie of andere parameters om de werking van de nageschakelde techniek te controleren, zoals de drukval over een stoffilter. Doordat de limitatieve opsomming van technieken is verlaten, wordt de mogelijkheid geboden ook andere technieken, registraties en dergelijke als ERP te gebruiken.

Voor SO2 geldt dat geen meting verplicht is als wordt gestookt op een vloeibare brandstof, waarvan het zwavelgehalte zodanig laag is, dat wordt voldaan aan de emissiegrenswaarde. Dit volgt uit artikel 3.10j van het Activteitenbesluit milieubeheer.

Artikel I, onderdeel E (artikel 3.7a)

Het eerste lid is aangepast om de samenhang met artikel 3.7e te verduidelijken. Het eerste lid van artikel 3.7a is gericht op de representativiteit van bemonstering, analyse en metingen, terwijl artikel 3.7e is gericht op de representativiteit van de bedrijfsvoering.

In het vijfde lid wordt aangesloten bij het certificatieschema, dat is beperkt tot het doen van metingen aan installaties op standaard brandstoffen. Daarnaast is de naamswijziging van de stichting SCIOS verwerkt.

Artikel I, onderdeel F (artikel 3.7b)

De wijziging van het eerste lid van artikel 3.7b is van redactionele aard.

Het tweede lid heeft tot doel een ruimere periode te kiezen voor het (laten) doen van een meting indien het overgangsrecht eindigt. Dit om bedrijven en meetinstanties meer vrijheid te geven en te voorkomen dat kort voor de datum van het vervallen van het overgangsrecht niet tijdig voldaan zou kunnen worden aan de meetverplichting. Het tweede lid verwees aanvankelijk naar artikel 3.10q van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dat artikel bevatte het oude overgangsrecht met alleen de datum van 1 januari 2019. Het overgangsrecht uit Richtlijn (EU) 2015/2193 met als datum 1 januari 2025 en 1 januari 2030 is thans opgenomen in diverse artikelen van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Door de gekozen redactie is dit lid van toepassing op al deze gevallen.

Met de verbreding van de werkingssfeer door de implementatie van Richtlijn (EU) 2015/2193 gelden voor alle soorten stookinstallaties van 1 tot 50 MW andere monitoringseisen, met een hogere frequentie, dan tot op heden in Nederland verplicht is (zie het derde lid). Deze frequenties zijn opgenomen in het nieuwe vijfde lid. De redactie is zodanig dat de verplichtingen uit Richtlijn (EU) 2015/2193 zo lastenluw mogelijk zijn geïmplementeerd, dat wil zeggen dat bedrijven pas moeten voldoen aan de hogere meetfrequentie als Richtlijn (EU) 2015/2193 dit verlangt.

Het nieuwe zesde lid zondert stookinstallaties in de offshore uit van de hogere monitoringsfrequentie van het vijfde lid, zodat het huidige regiem kan worden voortgezet. In deze sector zou de hogere frequentie moeilijk zijn in te passen in de bedrijfsvoering. Richtlijn (EU) 2015/2193 biedt daartoe de ruimte.

Artikel I, onderdeel G (artikel 3.7c)

Het derde en vierde lid waren handhavingsbepalingen. Deze zijn geschrapt om het bevoegd gezag de vrijheid te bieden de handhaving op maat uit te voeren. Het draagt tevens bij aan vereenvoudiging van de regelgeving.

Artikel I, onderdeel H (artikel 3.7d)

Aan artikel 3.7d, eerste lid, is een zinsnede toegevoegd om te verduidelijken dat de aftrek van de meetonzekerheid slechts betrekking heeft op de toetsing aan de emissiegrenswaarde. Er bleek soms discussie te ontstaan of de aftrek genoemd in het eerste lid ook toegepast zou mogen worden bij het inregelen van rookgasreinigingsapparatuur of rapportages, bijvoorbeeld in het kader van het elektronische European Pollutant Release Transfer Register (E-PRTR). Dit is niet het geval.

Artikel I, onderdeel I (artikel 3.7e)

Artikel 3.7e is opnieuw vastgesteld. Het eerste lid is aangepast om de samenhang met artikel 3.7a te verduidelijken. Het eerste lid van artikel 3.7e is gericht op de representativiteit van de bedrijfsvoering, terwijl artikel 3.7a is gericht op de representativiteit van bemonstering, analyse en metingen. Vanwege de inzichtelijkheid is het oude eerste lid gesplitst en zijn de regels met betrekking tot de belasting van de stookinstallaties nu in een nieuw tweede lid opgenomen.

Het voormalige tweede lid is nu het derde lid geworden.

Het voormalige derde lid bleek overbodig en is daarom vervallen.

Artikel I, onderdeel J (artikel 3.7f)

Het tweede lid is aangepast op grond van artikel 7, zesde lid, van Richtlijn (EU) 2015/2193, dat verlangt dat de resultaten ter beschikking van de bevoegde autoriteit worden gesteld. De eis dat de kalibratie eens per vijf jaar plaatsvindt is vervallen, omdat deze eis direct uit de NEN-EN 14181 volgt.

Artikel I, onderdeel K (artikel 3.7g)

Dit betreft een redactionele wijziging.

Artikel I, onderdeel L (artikel 3.7j)

Vanwege de vereenvoudiging van de structuur is het oorspronkelijke artikel 3.7o, eerste lid, verplaatst naar artikel 3.7j.

Artikel I, onderdeel M (artikel 3.7m)

De aanpassingen in het eerste en tweede lid betreft een technische verduidelijking.

Het vierde lid is aangepast om te kunnen voldoen aan Richtlijn (EU) 2015/2193. Er behoeven alleen metingen te worden verricht voor de stoffen waarvoor emissiegrenswaarden zijn gesteld en voor koolmonoxide (CO) (bijlage III, Deel 1, onder 3, van Richtlijn (EU) 2015/2193). Bij de verplichte keuring van middelgrote stookinstallaties wordt een goede verbranding ingeregeld op basis van de gemeten CO-concentratie. Deze meting kan worden gebruikt om invulling te geven aan de CO-meetverplichting, zodat dit geen extra lastenverzwaring oplevert.

Het vijfde lid is aangepast aan de naamswijziging van de Stichting SCIOS.

Het zesde en achtste lid komen voort uit het oude zesde lid, maar zijn ten behoeve van een betere handhaafbaarheid redactioneel aangepast.

Het zevende en negende tot en met het elfde lid zijn een invulling van artikel 5, vijfde lid, van Richtlijn (EU) 2015/2193 met betrekking tot het register. Voor het register is aangesloten bij het reeds bestaande systeem van keuringen en het daaraan gekoppelde afmeldsysteem van SCIOS. Zie voor een nadere beschrijving de nota van toelichting (blz. 20, 21) op de wijziging bij het besluit van 19 augustus 2017. Het afmeldsysteem zal hierdoor voor de stookinstallaties van 1 tot 50 MW gaan fungeren als register. Het zevende lid is samen met het eerste lid van artikel 3.7p onderdeel van de implementatie van artikel 7, vijfde lid, van Richtlijn (EU) 2015/2193.

Het negende lid richt zich tot de drijver van de inrichting, maar sluit ook aan bij de bestaande praktijk dat in het algemeen de keuringsinstantie de informatie van de door haar gekeurde stookinstallatie feitelijk invoert in het afmeldsysteem van SCIOS.

Het tiende lid bevat de gegevens die moeten worden ingevoerd in het systeem. Het gaat om de gegevens die in Bijlage I van Richtlijn (EU) 2015/2193 staan en enkele aanvullende gegevens. De aanvullende gegevens betreffen de unieke identificatie van de stookinstallatie en emissiegegevens. Unieke identificatie is van belang indien er meerdere stookinstallaties binnen de inrichting aanwezig zijn. Het afmeldsysteem bevat deze gegevens ook nu al. Daarnaast dienen emissiegegevens te worden ingevoerd. Deze gegevens verlangt Richtlijn (EU) 2015/2193 niet direct, maar zijn wel van belang voor de rapportage aan de Europese Commissie op basis van artikel 11 van Richtlijn (EU) 2015/2193. Daarnaast is het voor het bevoegd gezag relevant voor het toezicht op de regelgeving. Het afmeldsysteem is destijds in het leven geroepen om de keuringsverplichting te controleren. Het bevoegd gezag had hiertoe reeds toegang tot de gegevens. Nu ook de emissieconcentraties worden opgenomen, wordt de handhaving verder vergemakkelijkt. Uit het eerder genoemde SIRA-onderzoek blijkt dat de registratie geen financiële effecten heeft voor bedrijven.

Het elfde lid bevat de verplichting van artikel 5, vijfde lid, van Richtlijn (EU) 2015/2193 om een register te houden. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft hieraan invulling gegeven door SCIOS de opdracht te geven het afmeldsysteem zodanig aan te passen dat een deel daarvan fungeert als register.

Via een aansluiting door Rijkswaterstaat/Infomil op het SCIOS-afmeldsysteem zal de website https://www.infomil.nl fungeren als openbaar portal, waar geïnteresseerden feitelijk de informatie kunnen raadplegen.

Artikel I, onderdeel N (artikel 3.7o)

Het oude eerste lid van artikel 3.7o is met onderhavige wijziging verplaatst naar artikel 3.7j, terwijl het oude tweede lid, met een redactionele aanpassing ter verbetering van de handhaafbaarheid, is vernummerd tot eerste lid.

Op deze wijze is de bepaling beter toegesneden op de bedrijfsvoering in de offshore.

Artikel I, onderdeel O (artikel 3.7p)

Dit artikel vindt zijn basis in de bewaarplicht van artikel 7, vijfde lid, van Richtlijn (EU) 2015/2193. De bewaartermijn van de gegevens op basis waarvan de toezichthouder kan beoordelen dat aan de emissiegrenswaarden wordt voldaan is opgenomen in het eerste lid. Het betreft naast de meetresultaten c.q. de meetrapporten ook, voor zover van toepassing, de registraties waarmee wordt aangetoond dat een rookgasreinigingstechniek of een andere emissiereductietechniek continu in bedrijf is geweest (zie artikel 3.7, derde lid).

Artikel II

Op grond van het kabinetsbeleid inzake vaste verandermomenten treden ministeriële regelingen in werking met ingang van 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober. Voor de inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling is een uitzonderingsgrond van toepassing, te weten implementatie van internationale regelgeving. Onderhavige regeling treedt overeenkomstig de formele implementatiedatum van Richtlijn (EU) 2015/2193 in werking met ingang van 19 december 2017.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, S. van Veldhoven-van der Meer


X Noot
1

SCIOS (voorheen Stichting Certificatie Inspectie en Onderhoud Stookinstallaties, thans SCIOS) beheert het certificatieschema voor de keuringen van stookinstallaties. Onderdeel hiervan is het afmeldsysteem, waarin de inspecties worden afgemeld na keuring.

X Noot
2

Sira Consulting, Financiële effecten van de MCPD, 12 april 2016.