Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Veiligheid en JustitieStaatscourant 2017, 40536Besluiten van algemene strekking

Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 7 juli 2017, kenmerk 2102786, houdende algemene aanwijzingen inzake de certificering van jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsinstellingen (Algemene aanwijzingen tijdelijk certificaat jeugdbescherming en jeugdreclassering)

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Gelet op artikel 3.1.4, eerste lid, van het Besluit Jeugdwet;

Overwegende:

Dat op grond van artikel 3.2 van de Jeugdwet kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering uitsluitend mogen worden uitgevoerd door daartoe gecertificeerde instellingen,

Dat de Minister van Veiligheid en Justitie een certificerende instelling aanwijst die verantwoordelijk is voor het verlenen, verlengen, schorsen en intrekken van certificaten en voorlopige certificaten als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid van het Besluit Jeugdwet,

Dat een instelling en alle daarvoor werkende geregistreerde professionals zodra het certificaat eindigt met onmiddellijke ingang niet meer bevoegd zijn om jeugdbeschermings- of jeugdreclasseringsmaatregelen uit te voeren,

Dat ingeval van intrekking, schorsing, beperking van het toepassingsbereik of niet verlenging van een certificaat de verantwoordelijke instanties zoals de betrokken gecertificeerde instelling, gemeenten, raad voor de kinderbescherming en de gerechten voldoende tijd moeten hebben om de uitvoering van jeugdbescherming en jeugdreclassering over te dragen aan andere gecertificeerde instellingen die beschikken over een certificaat of een voorlopig certificaat waardoor de continuïteit van zorg en toezicht voor de daarbij betrokken jeugdigen wordt geborgd,

Dat in de huidige wet- en regelgeving duidelijke handvatten ontbreken voor de wijze waarop de certificerende instelling dient te handelen teneinde te voorkomen dat bij de intrekking of schorsing van een certificaat, het beperken van het toepassingsbereik of het afwijzen van een aanvraag tot verlenging van het certificaat, de continuïteit van zorg bij lopende jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregelen in gevaar komt.

Besluit:

Artikel 1

In deze algemene aanwijzingen wordt verstaan onder:

beëindigingscertificaat:

beëindigingscertificaat als bedoeld in artikel 4, tweede lid;

certificaat:

certificaat als bedoeld in artikel 3.4 van de Jeugdwet;

overbruggingscertificaat:

overbruggingscertificaat als bedoeld in artikel 4, eerste lid;

tijdelijk certificaat:

tijdelijk certificaat als bedoeld in artikel 3, eerste lid.

Artikel 2

De certificerende instelling betrekt in zijn overwegingen om een eerder verleend certificaat te schorsen, te beëindigen, het toepassingsgebied te beperken of niet te verlengen, of de continuïteit van de onder de betrokken gecertificeerde instelling lopende jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregelen voldoende is geborgd.

Artikel 3

  • 1. Voor zover dat noodzakelijk is ter borging van de continuïteit van de jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregelen verleent de certificerende instelling aan de betrokken gecertificeerde instelling een tijdelijk certificaat.

  • 2. De certificerende instelling verleent het tijdelijk certificaat alleen nadat zij heeft vastgesteld dat de betrokken gecertificeerde instelling aan de minimale eisen voldoet ten aanzien van het primaire proces voor het uitvoeren van jeugdbescherming en jeugdreclassering.

  • 3. De certificerende instelling verbindt aan het tijdelijk certificaat alle voorwaarden die zij nodig acht ter borging van de kwaliteit en veiligheid van de onder de gecertificeerde instelling lopende jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregelen, en stelt de Inspectie Jeugdzorg, de Inspectie Veiligheid en Justitie en de Raad voor de Kinderbescherming onverwijld op de hoogte van het verlenen van het tijdelijk certificaat.

Artikel 4

  • 1. De certificerende instelling verleent het tijdelijk certificaat als overbruggingscertificaat indien:

    • a. de gecertificeerde instelling bij de hercertificering nog niet aan alle eisen van het normenkader voldoet;

    • b. naar het oordeel van de certificerende instelling geen sprake is van fundamentele tekortkomingen en

    • c. het voldoende aannemelijk is dat de certificerende instelling het nieuwe certificaat binnen vier maanden na afloop van het oude certificaat kan verstrekken.

  • 2. In alle overige gevallen verleent de certificerende instelling het tijdelijk certificaat als beëindigingscertificaat welke de certificerende instelling in ieder geval intrekt op het moment dat alle bij de betrokken gecertificeerde instelling lopende jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregelen gecontroleerd aan andere gecertificeerde instellingen zijn overgedragen.

Artikel 5

  • 1. De certificerende instelling verleent een overbruggingscertificaat voor de maximale duur van vier maanden.

  • 2. De certificerende instelling verleent een beëindigingscertificaat voor de maximale duur van zes maanden.

Artikel 6

  • 1. De certificerende instelling vermeldt expliciet op het tijdelijk certificaat dat dit geen regulier certificaat of voorlopig certificaat als bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, van de Jeugdwet betreft en of het een overbruggingscertificaat dan wel een beëindigingscertificaat betreft. De certificerende instelling vermeldt dit tevens in het openbare register van gecertificeerde instellingen op haar website.

  • 2. De certificerende instelling vermeldt voorts op het certificaat de maximale duur van het tijdelijk certificaat.

Artikel 7

Een tijdelijk certificaat kan één keer worden verlengd voor zover dat naar het oordeel van de certificerende instelling noodzakelijk is ter borging van de continuïteit van en het toezicht op de onder de betrokken gecertificeerde instelling lopende jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregelen. De maximale duur van de verlenging is voor een overbruggingscertificaat 2 maanden en voor een beëindigingscertificaat zes maanden.

Artikel 8

Deze algemene aanwijzingen worden op 7 juli 2017 bekendgemaakt door toezending aan de certificerende instelling en werken terug tot en met 1 juli 2017.

Artikel 9

Deze algemene aanwijzingen worden aangehaald als: Algemene aanwijzingen tijdelijk certificaat jeugdbescherming en jeugdreclassering.

Deze algemene aanwijzingen zullen met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, K.H.D.M. Dijkhoff

TOELICHTING

Algemene toelichting

Sinds de invoering van de Jeugdwet in 2015 is veel ervaring opgedaan met het gedecentraliseerde stelsel waarbij jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringstaken alleen mogen worden uitgevoerd door daartoe gecertificeerde instellingen. Het Keurmerkinstituut is aangewezen als certificerende instelling en past daarbij de normen toe die zijn opgenomen in het bij ministeriële regeling vastgestelde normenkader jeugdbescherming en jeugdreclassering.

Inmiddels is gebleken dat de huidige wet- en regelgeving onvoldoende duidelijkheid biedt hoe bij het schorsen, beëindigen, beperken van het toepassingsbereik of niet verlengen van een certificaat de lopende maatregelen op gecontroleerde wijze kunnen worden overgedragen aan andere gecertificeerde instellingen teneinde de continuïteit van de jeugdbescherming en jeugdreclassering voor de betrokken jeugdigen te blijven verzekeren.

De certificering op grond van het normenkader jeugdbescherming en jeugdreclassering leidt tot een robuust en kwalitatief hoogwaardig kwaliteitsmanagementsysteem bij de betrokken instellingen en vormt daarmee een belangrijk onderdeel van de borging van de kwaliteit van de door deze instellingen uitgevoerde jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregelen.

Belangrijk onderdeel van het certificeringssysteem is dat eventuele tekortkomingen binnen de betrokken organisatie vroegtijdig bij de (her)certificering of de reguliere audits boven tafel komen en dat de betrokken instelling in het kader van het certificeringsproces wordt gedwongen tot het realiseren van de benodigde verbeteringen en niet pas nadat een incident of calamiteit met een jeugdige heeft plaatsgevonden. Certificering heeft daarmee ook een sterk preventief karakter.

Dit betekent dat een instelling zijn certificaat kan verliezen voordat de geconstateerde tekortkomingen in de primaire processen tot concrete problemen hebben geleid.

Juist door dit preventieve en vroegtijdige karakter zal het ten tijde van het ingrijpen van de certificerende instelling nog goed mogelijk zijn om door het verstrekken van een tijdelijk certificaat voldoende ruimte te creëren voor alle betrokken instanties om tot verantwoorde oplossingen te komen.

Dit kan betekenen dat een overbruggingscertificaat wordt verleend aan een gecertificeerde instelling waar tekortkomingen zijn aangetroffen die op relatief korte termijn kunnen worden opgelost. Daarmee wordt voorkomen dat deze instelling gedurende een aantal weken zonder certificaat komt te zitten en de lopende maatregelen tijdelijk niet meer mogen worden uitgevoerd.

Anderzijds kan het om wel fundamentele tekortkomingen bij de instelling gaan of tekortkomingen die niet op korte termijn kunnen worden opgelost. In dat geval is het van belang dat de betrokken jeugdigen bij de intrekking of niet verlenging van het certificaat niet van het ene moment op het andere niet langer onder toezicht staan. Er moet voldoende tijd zijn om de lopende maatregelen op zorgvuldige wijze over te dragen aan andere wel regulier gecertificeerde instellingen.

Het is primair de verantwoordelijkheid van de colleges van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten om te voorzien in voldoende aanbod van jeugdbescherming en jeugdreclassering. Daarbij is het ook van belang dat er voor de betrokken organisaties voldoende tijd is om alle lopende maatregelen op gecontroleerde en zorgvuldige wijze over te dragen aan andere gecertificeerde instellingen. Doordat in het kader van de certificering vroegtijdig kan worden ingegrepen, zal er doorgaans voldoende tijd zijn om dit met het verlenen van een tijdelijk certificaat op een verantwoorde manier te kunnen doen.

Door het verlenen van een tijdelijk certificaat blijven alle wettelijke bepalingen die gelden voor gecertificeerde instellingen van toepassing op de betreffende instelling. Ook blijven de inspecties bevoegd om toezicht te houden op de instelling met een tijdelijk certificaat en kunnen zij ook ingrijpen indien zij dit vanuit hun taak en verantwoordelijkheid noodzakelijk oordelen.

Met de onderhavige algemene aanwijzing worden de rol, taak en bevoegdheden van de certificerende instelling voor de genoemde situaties verduidelijkt.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

Er zijn twee soort tijdelijk certificaten: het overbruggingscertificaat en het beëindigingscertificaat.

Artikel 2 en 3

Ook bij de (dreigende) beëindiging van een certificaat dient de borging van de continuïteit van zorg voorop te staan. Indien er bij een gecertificeerde instelling sprake is van nog lopende jeugdbeschermings- of jeugdreclasseringsmaatregelen, dan dient bij de beëindiging van de certificering van de instelling de grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht te worden genomen om de belangen van de betrokken jeugdigen te kunnen borgen. Daarvoor is in de eerste plaats voldoende tijd en ruimte nodig om de verschillende lokale en regionale organisaties in staat te stellen hun verantwoordelijkheid in deze in te vullen.

Een tijdelijk certificaat kan daarin voorzien en wordt slechts verleend indien de certificerende instelling heeft vastgesteld dat wordt voldaan aan de minimale eisen ten aanzien van het primaire proces voor uitvoering van jeugdbescherming en jeugdreclassering. Deze eisen houden ten minste in dat de jeugdbescherming en jeugdreclassering wordt verricht door geregistreerde professionals als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit Jeugdwet en dat deze geregistreerde professionals beschikken over een passende ondersteuning bij hun werkzaamheden.

Het tijdelijk certificaat valt niet onder de accreditatienormen en kan dan ook niet op één lijn worden gesteld met een regulier certificaat. Met de verstrekking van een tijdelijk certificaat komt feitelijk immers vast te staan dat de betreffende gecertificeerde instelling niet in voldoende mate aan de in het normenkader jeugdbescherming en jeugdreclassering opgenomen certificeringsnormen voldoet om in aanmerking te kunnen komen voor een regulier certificaat. Daarom is in deze aanwijzingen ook bepaald dat uit het tijdelijke certificaat duidelijk moet blijken dat het geen regulier certificaat betreft en dat daarop moet worden vermeld of het om een overbruggingscertificaat of om een beëindigingscertificaat gaat. Daarnaast dienen ook de betrokken inspecties hiervan op de hoogte te worden gesteld.

De certificerende instelling verbindt aan een tijdelijk certificaat die voorwaarden die zij nodig acht om de veiligheid en kwaliteit te versterken en borgen. Daarnaast worden de betrokken inspecties en de Raad voor de Kinderbescherming hierover geïnformeerd. De Raad voor de Kinderbescherming is onderdeel van de lokale samenwerking en kan in die hoedanigheid de betrokken gemeenten informeren.

Artikel 4

In deze aanwijzingen wordt een tweetal situaties onderscheiden. De eerste situatie betreft die gevallen waarin een gecertificeerde instelling te laat is gestart met de procedure voor hercertificering dan wel dat daarbij onverwachte problemen zijn gebleken die niet fundamenteel zijn, maar wel meer tijd vergen om te worden hersteld dan de looptijd van het nog lopende certificaat toe staat. Voor dit soort gevallen krijgt de certificerende instelling de aanwijzing om een tijdelijk certificaat in de vorm van een overbruggingscertificaat te verlenen. Doel van het overbruggingscertificaat is te voorkomen dat een gecertificeerde instelling gedurende de korte periode die gelegen is tussen het expireren van het oude certificaat en het verlenen van het nieuwe certificaat, niet langer gerechtigd is om lopende jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregelen uit te blijven voeren. Dit zou voor de betrokken jeugdigen buitenproportionele gevolgen hebben die – nu het gaat om niet fundamentele tekortkomingen die op korte termijn kunnen worden opgelost – niet worden gerechtvaardigd door de met de betrokken voorschriften te dienen doelen.

De tweede situatie is van een geheel andere orde en ernstiger van aard. Het betreft gevallen waarin de certificerende instelling heeft vastgesteld dat er sprake is van fundamentele tekortkomingen bij de gecertificeerde instelling of tekortkomingen waarvan onvoldoende aannemelijk is dat deze op korte termijn voor deze organisatie oplosbaar zullen zijn. In dit soort gevallen dient een tijdelijk certificaat in de vorm van een beëindigingscertificaat te worden verleend. Dit beëindigingscertificaat is er op gericht voldoende tijd en gelegenheid te creëren om alle lopende maatregelen van de betrokken instelling op gecontroleerde wijze aan andere wel regulier gecertificeerde instellingen over te kunnen dragen. Dit betekent dat er voldoende tijd voor de betrokken gemeenten moet zijn om andere gecertificeerde instellingen bereid en in staat te vinden om de lopende maatregelen over te nemen, dat er voldoende tijd moet zijn voor de raad voor de kinderbescherming en de gerechten om de jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregelen over te kunnen zetten naar een andere gecertificeerde instelling en dat de instelling waar de certificeringsproblemen spelen, nog lang genoeg bevoegd blijft om de lopende maatregelen inhoudelijk en op zorgvuldige wijze te kunnen overdragen.

Ingeval van een overbruggingscertificaat is het niet onmogelijk dat naast het blijven uitvoeren van de lopende jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregelen door de gerechten ook nog nieuwe maatregelen of verlenging van bestaande maatregelen aan de betrokken instelling worden toegewezen. Of dat wenselijk en verantwoord is, is aan de betrokken rechter om in elk afzonderlijk geval te beoordelen. Bij een beëindigingscertificaat is dat niet mogelijk omdat het enig doel van dit certificaat is om een gecontroleerde overdracht van de lopende maatregelen aan andere wel regulier gecertificeerde instellingen mogelijk te maken. Het toewijzen van nieuwe maatregelen of verlengingen kan daarmee niet worden verenigd. Dit betekent wel dat de Raad voor de Kinderbescherming onverwijld dient te worden geïnformeerd over de verstrekking van een beëindigingscertificaat. Immers, het is de Raad voor de Kinderbescherming die de rechter adviseert over de gecertificeerde instelling waaraan de jeugdbescherming of jeugdreclassering kan worden opgedragen.

Bij een overbruggingscertificaat speelt de situatie niet dat lopende maatregelen moeten worden overgedragen. Als een instelling na een overbruggingscertificaat, al dan niet na een verlenging daarvan, niet in staat is gebleken de onvolkomenheden op te lossen, dan kan de certificerende instelling alsnog een beëindigingscertificaat verstrekken zodat alle lopende maatregelen gecontroleerd en op zorgvuldige wijze kunnen worden overgedragen.

Artikel 5

Het is aan de certificerende instelling om binnen het aangegeven maximum de looptijd van de tijdelijke certificaten voor elk concreet geval te bepalen. Daarbij is van belang dat de looptijd zo kort mogelijk wordt gehouden en niet langer geldig blijft dan noodzakelijk is om de continuïteit van zorg te kunnen borgen. Daarbij is voor elk van de tijdelijke certificaten voorzien in een maximale looptijd. Hiermee wordt invulling geven aan het proportionaliteitsbeginsel.

Artikel 6

Deze bepaling beoogd te voorkomen dat er onduidelijkheid kan bestaan over de status van een tijdelijk certificaat. Zowel uit het besluit, als uit het openbare register op de website van de certificerende instelling moet dit duidelijk blijken.

Artikel 7

Om te zorgen dat er in voorkomende gevallen voldoende tijd zal zijn, wordt voorzien in een eenmalige mogelijkheid om het tijdelijke certificaat te verlengen waarbij een maximale looptijd geldt van twee, respectievelijk zes maanden. Het is echter geen vanzelfsprekendheid dat de certificerende instelling een tijdelijk certificaat verlengt. Uitgangspunt daarbij is dat een verlenging alleen wordt gegeven indien de certificerende instelling daartoe voldoende gronden aanwezig acht.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, K.H.D.M. Dijkhoff