Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Autoriteit Consument en MarktStaatscourant 2017, 39821Overig

Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 13 juli 2017, kenmerk ACM/DE/2017/203224 tot wijziging van de tariefstructuren en voorwaarden als bedoeld in artikel 27, 31 en artikel 54, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 betreffende het faciliteren van meerdere leveranciers op een aansluiting (codebesluit meerdere leveranciers op een aansluiting)

De Autoriteit Consument en Markt,

Gelet op artikel 36 en 55 van de Elektriciteitswet 1998;

Besluit:

ARTIKEL I

De Begrippencode elektriciteit wordt gewijzigd als volgt:

A

De volgende begrippen worden op hun alfabetische positie ingevoegd:

Aansluit- en transportovereenkomst:

Overeenkomst tussen een aangeslotene en een netbeheerder betreffende de aansluiting op een elektriciteitsnet en het transport van elektriciteit over dat net;

Allocatiepunt:

Virtueel punt ter plaatse van het overdrachtspunt van een aansluiting, waar de energie-uitwisseling tussen een installatie en het net administratief aan een marktpartij wordt toegewezen alsof de meting op het overdrachtspunt van de aansluiting heeft plaatsgevonden;

Primair allocatiepunt:

Het eerste aan een aansluiting toegekende allocatiepunt;

Secundair allocatiepunt:

Een door de netbeheerder aan een aansluiting toegekend allocatiepunt, niet zijnde het primaire allocatiepunt;

B

Het begrip ‘overdrachtspunt’ wordt gewijzigd als volgt:

Overdrachtspunt:

Het fysieke punt waar respectievelijk een scheiding tussen de aansluiting van twee netten onderling of tussen de aansluiting van een net en de installatie van de aangeslotene kan worden gerealiseerd;

ARTIKEL II

De Tarievencode elektriciteit wordt gewijzigd als volgt:

Na artikel 2.3.3c wordt een artikel ingevoegd, luidende:

2.3.4

Artikel 2.3.3a is van overeenkomstige toepassing op eenmalige werkzaamheden van de netbeheerder ten behoeve van het aanpassen van de aansluiting en het realiseren van voorzieningen aan de aansluiting voor het kunnen toekennen van secundaire allocatiepunten aan een aansluiting.

ARTIKEL III

De Netcode elektriciteit wordt gewijzigd als volgt:

A

Na artikel 1.1.6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

1.1.7

De processen in paragraaf 2.9, 4.2.5 en 5.1 worden toegepast per allocatiepunt in plaats van per aansluiting.

B

Na artikel 2.1.1.6 worden negen artikelen ingevoegd, luidende:

2.1.1.7

De netbeheerder en de aangeslotene komen voor elk van de verbindingen behorende tot de aansluiting de locatie van het bijbehorende overdrachtspunt overeen.

2.1.1.8

Aan elke aansluiting kent de netbeheerder een primair allocatiepunt toe ongeacht het aantal overdrachtspunten van een aansluiting, met uitzondering van aansluitingen tussen netten waarvoor een netbeheerder is aangewezen zoals gedefinieerd in artikel 1 lid 1 onder k van de Elektriciteitswet 1998.

2.1.1.9

Indien een aansluiting waaraan een primair allocatiepunt is toegekend, bestaat uit meer dan één verbinding en de installaties die zich achter die verbindingen bevinden niet elektrisch gekoppeld zijn of kunnen worden anders dan via de netzijde van de aansluiting, kent de netbeheerder op verzoek van de aangeslotene een of meer secundaire allocatiepunten aan de aansluiting toe ten behoeve van het faciliteren van meerdere overeenkomsten met leveranciers en programmaverantwoordelijken op die aansluiting onder voorwaarde dat:

  • a. elk allocatiepunt bij een afzonderlijke installatie behoort, die niet elektrisch gekoppeld is of kan worden met een andere installatie anders dan via de netzijde van de aansluiting;

  • b. de afzonderlijke installaties als bedoeld in onderdeel a, zich op dezelfde onroerende zaak bevinden, met uitzondering van aansluitingen als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de Elektriciteitswet 1998;

  • c. de installatie die bij een secundair allocatiepunt hoort, niet wordt gebruikt ten behoeve van bewoning van een ruimte;

  • d. op het overdrachtspunt van elke verbinding zich een meetinrichting bevindt conform de artikelen 2.1.3.1 tot en met 2.1.3.4 en conform de voorwaarden voor meetinrichtingen die op grond van de Meetcode elektriciteit van toepassing zijn op de desbetreffende aansluiting;

  • e. de locatie van elk van de meetinrichtingen, als bedoeld in onderdeel d, aan de voorwaarden in paragraaf 2.1.2 voldoet;

  • f. indien het een grootverbruikaansluiting betreft, voldaan wordt aan artikel 1.2.3.2 van de Meetcode elektriciteit;

  • g. er sprake is van één aansluit- en transportovereenkomst tussen de aangeslotene en de netbeheerder voor de desbetreffende aansluiting, ongeacht het aantal aan die aansluiting toegekende allocatiepunten en ongeacht het aantal leveringsovereenkomsten met verschillende leveranciers.

2.1.1.10

Indien een aansluiting waaraan een primair allocatiepunt is toegekend, bestaat uit één verbinding of uit meerdere elektrisch parallelle verbindingen, kent de netbeheerder op verzoek van de aangeslotene een of meer secundaire allocatiepunten aan de aansluiting toe ten behoeve van het faciliteren van meerdere overeenkomsten met leveranciers en programmaverantwoordelijken op die aansluiting onder voorwaarde dat:

  • a. elk allocatiepunt bij een afzonderlijke installatie behoort, die niet elektrisch gekoppeld is of kan worden met een andere installatie anders dan via de netzijde van de aansluiting;

  • b. de afzonderlijke installaties als bedoeld in onderdeel a, zich op dezelfde onroerende zaak bevinden, met uitzondering van aansluitingen als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de Elektriciteitswet 1998;

  • c. de installatie die bij een secundair allocatiepunt hoort, niet wordt gebruikt ten behoeve van bewoning van een ruimte;

  • d. op de grens tussen elke afzonderlijke installatie, als bedoeld in onderdeel a, en de aansluiting waarachter deze zich bevindt, zich een meetinrichting bevindt conform de artikelen 2.1.3.1 tot en met 2.1.3.4 en conform de voorwaarden voor meetinrichtingen die op grond van de Meetcode elektriciteit van toepassing zijn op de desbetreffende aansluiting;

  • e. de locatie van de meetinrichtingen, als bedoeld in onderdeel d, aan de voorwaarden in paragraaf 2.1.2 voldoet;

  • f. de meetinrichtingen, als bedoeld in onderdeel d, zich bevinden in elkaars onmiddellijke nabijheid in dezelfde meterkast of meterruimte en zich zo dicht mogelijk bij het overdrachtspunt van de aansluiting bevinden;

  • g. tussen de locatie van het overdrachtspunt van de aansluiting en de locatie van de meetinrichtingen als bedoeld in onderdeel d geen energie-uitwisseling plaatsvindt met een andere installatie;

  • h. indien het een grootverbruikaansluiting betreft, voldaan wordt aan artikel 1.2.3.2 van de Meetcode elektriciteit;

  • i. er sprake is van één aansluit- en transportovereenkomst tussen de aangeslotene en de netbeheerder voor de desbetreffende aansluiting, ongeacht het aantal aan die aansluiting toegekende allocatiepunten en ongeacht het aantal leveringsovereenkomsten met verschillende leveranciers.

2.1.1.11

Indien, in afwijking van artikel 2.1.1.10, onderdeel f, in geval van een grootverbruikaansluiting, zich een transformator bevindt tussen het overdrachtspunt van de aansluiting en de locatie van de meetinrichtingen, als bedoeld in artikel 2.1.1.10, onderdeel d, geldt in aanvulling op artikel 2.1.1.10 dat:

  • a. de meetverantwoordelijke op de desbetreffende aansluiting zorg draagt voor een zodanige correctie van de meetgegevens afkomstig uit de meetinrichtingen, als bedoeld in artikel 2.1.1.10, onderdeel d, dat de aan de allocatiepunten toegewezen energie-uitwisseling tezamen de totale energie-uitwisseling op het overdrachtspunt representeren;

  • b. de meetverantwoordelijke op de desbetreffende aansluiting de energieverliezen tussen het overdrachtspunt van de aansluiting en de locatie van de meetinrichtingen als bedoeld in artikel 2.1.1.10, onderdeel d, toebedeelt aan het primaire allocatiepunt van die aansluiting, tenzij de meetverantwoordelijke op de desbetreffende aansluiting een andere verdeling over de allocatiepunten overeenkomt met de aangeslotene.

2.1.1.12

Indien, in afwijking van artikel 2.1.1.10, onderdeel f, in geval van een grootverbruikaansluiting zich een kabeltracé, en eventueel een transformator, bevindt tussen het overdrachtspunt van de aansluiting en de locatie van één of meer van de meetinrichtingen, als bedoeld in artikel 2.1.1.10, onderdeel d, geldt in aanvulling op artikel 2.1.1.10 dat:

  • a. er naast de meetinrichtingen, als bedoeld in artikel 2.1.1.10, onderdeel d, zich ook op het overdrachtspunt van de aansluiting een meetinrichting bevindt conform de Meetcode elektriciteit;

  • b. de meetverantwoordelijke op de desbetreffende aansluiting zorg draagt voor een zodanige correctie van de meetgegevens afkomstig uit de meetinrichtingen, als bedoeld in artikel 2.1.1.10, onderdeel d, dat de aan de allocatiepunten toegewezen energie-uitwisseling tezamen de totale energie-uitwisseling op het overdrachtspunt representeren;

  • c. de meetverantwoordelijke op de desbetreffende aansluiting de energieverliezen tussen het overdrachtspunt van de aansluiting en de locatie van de meetinrichtingen als bedoeld in artikel 2.1.1.10, onderdeel d, toebedeelt aan het primaire allocatiepunt van die aansluiting, tenzij de meetverantwoordelijke op de desbetreffende aansluiting een andere verdeling over de allocatiepunten overeenkomt met de aangeslotene.

2.1.1.13

Aan een grootverbruikaansluiting waaraan een primair allocatiepunt is toegekend, kent de netbeheerder op verzoek van de aangeslotene een of meer secundaire allocatiepunten toe, ongeacht het aantal verbindingen waaruit de aansluiting bestaat, ten behoeve van het faciliteren van meerdere overeenkomsten met leveranciers en programmaverantwoordelijken op die aansluiting onder voorwaarde dat:

  • a. elk allocatiepunt bij een afzonderlijke installatie behoort, die niet elektrisch gekoppeld is of kan worden met een andere installatie anders dan via de in onderdeel d bedoelde grens;

  • b. de afzonderlijke installaties als bedoeld in onderdeel a zich op dezelfde onroerende zaak bevinden, met uitzondering van aansluitingen als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de Elektriciteitswet 1998;

  • c. de installatie die bij een secundair allocatiepunt hoort, niet wordt gebruikt ten behoeve van bewoning van een ruimte;

  • d. op het overdrachtspunt van de aansluiting en op elke grens tussen de afzonderlijke installaties, als bedoeld in onderdeel a, en de andere installatie(s) achter de desbetreffende aansluiting, zich een meetinrichting bevindt conform de artikelen 2.1.3.1 tot en met 2.1.3.4 en conform de voorwaarden voor meetinrichtingen die op grond van de Meetcode elektriciteit van toepassing zijn op de desbetreffende aansluiting;

  • e. tussen een afzonderlijke installatie als bedoeld in onderdeel a en het overdrachtspunt van de aansluiting op het net zich maximaal één andere installatie bevindt;

  • f. de locatie van elk van de meetinrichtingen, als bedoeld in onderdeel d, aan de voorwaarden in paragraaf 2.1.2 voldoet;

  • g. het primaire deel van de meetinrichtingen, als bedoeld in onderdeel d, die zich niet op het overdrachtspunt van de aansluiting bevinden, aan artikel 2.6.5 van de Meetcode elektriciteit voldoet;

  • h. voldaan wordt aan artikel 1.2.3.2 van de Meetcode elektriciteit;

  • i. de meetverantwoordelijke op de desbetreffende aansluiting zorg draagt voor een zodanige bewerking van de meetgegevens afkomstig uit de meetinrichtingen, als bedoeld in onderdeel d, dat de meetgegevens per allocatiepunt de energie-uitwisseling met het net representeren;

  • j. de meetverantwoordelijke op de desbetreffende aansluiting de energieverliezen tussen het overdrachtspunt van de aansluiting en de locatie van de meetinrichtingen als bedoeld in onderdeel d, toebedeelt aan het primaire allocatiepunt van die aansluiting, tenzij de meetverantwoordelijke op de desbetreffende aansluiting een andere verdeling over de allocatiepunten overeenkomt met de aangeslotene;

  • k. er sprake is van één aansluit- en transportovereenkomst tussen de aangeslotene en de netbeheerder voor de desbetreffende aansluiting, ongeacht het aantal aan die aansluiting toegekende allocatiepunten en ongeacht het aantal leveringsovereenkomsten met verschillende leveranciers.

2.1.1.14

Met inachtneming van de artikelen 2.1.1.9 tot en met 2.1.1.13 kan de aangeslotene bij zijn verzoek om een of meer secundaire allocatiepunten aan zijn aansluiting toe te kennen, kiezen voor de variant met parallel geplaatste meetinrichtingen als bedoeld in de artikelen 2.1.1.9 tot en met 2.1.1.12 of serieel geplaatste meetinrichtingen als bedoeld in artikel 2.1.1.13.

2.1.1.15

Indien een aansluiting waarvoor een verzoek wordt gedaan als bedoeld in de artikelen 2.1.1.9, 2.1.1.10 en 2.1.1.13 een doorlaatwaarde heeft groter dan 3x80A en een gecontracteerd vermogen kleiner dan of gelijk aan 0,1 MW, beschikt de desbetreffende aansluiting, in afwijking van artikel 2.4.2 van de Meetcode elektriciteit, over een telemetriegrootverbruikmeetinrichting.

C

Artikel 2.1.3.4 komt te luiden:

2.1.3.4

De comptabele meetinrichting registreert de grootheden in het overdachtspunt van de aansluiting. In geval van aansluitingen met een of meer secundaire allocatiepunten gebeurt dat voor elk allocatiepunt afzonderlijk.

D

Onder vernummering van artikel 3.1.1 tot artikel 3.1.1a wordt een nieuw artikel 3.1.1 ingevoegd, luidende:

3.1.1

Transport vindt plaats op grond van een tussen de netbeheerder en de aangeslotene te sluiten aansluit- en transportovereenkomst en zal voorts alleen plaatsvinden indien de aangeslotene tevens op grond van deze aansluit- en transportovereenkomst recht heeft op een aansluiting en indien bij de netbeheerder bekend is welke partijen ten behoeve van de desbetreffende aansluiting, of, indien het een aansluiting betreft waaraan secundaire allocatiepunten zijn toegekend, voor alle allocatiepunten van de desbetreffende aansluiting, optreden als leverancier, programmaverantwoordelijke en, indien het een grootverbruikaansluiting betreft, meetverantwoordelijke. De respectievelijke identificaties van genoemde partijen legt de netbeheerder op grond van 2.1.3 tot en met 2.1.5a van de Informatiecode elektriciteit en gas vast in zijn aansluitingenregister.

ARTIKEL IV

De Meetcode elektriciteit wordt gewijzigd als volgt:

A

Na artikel 2.6.4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

2.6.5

Indien aan een aansluiting secundaire allocatiepunten zijn toegekend op grond van artikel 2.1.1.13 van de Netcode elektriciteit, wijst in afwijking van artikel 2.6.4 de aangeslotene een beheerder aan voor het eventueel aanwezige primaire deel van de meetinrichting, als bedoeld in artikel 2.1.1.13, onderdeel g, van de Netcode elektriciteit. De aangeslotene draagt er zorg voor dat deze aangewezen beheerder jegens de meetverantwoordelijke voldoet aan de in paragraaf 4.3.2 van de Meetcode elektriciteit genoemde verplichtingen.

B

Na artikel 4.3.1.3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

4.3.1.4

Indien aan een aansluiting secundaire allocatiepunten zijn toegekend op grond van artikel 2.1.1.13 van de Netcode elektriciteit zorgt de op grond van artikel 2.6.5 aangewezen beheerder ervoor dat de capaciteit, het ontwerp en de aanleg van de meetinrichting ten behoeve van het secundaire allocatiepunt, met inbegrip van het primaire deel van de meetinrichting, in overeenstemming zijn met de doorlaatwaarde van het betreffende allocatiepunt.

ARTIKEL V

De Systeemcode elektriciteit wordt gewijzigd als volgt:

A

Na artikel 1.1.6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

1.1.7

De processen in hoofdstuk 3, inclusief de bijlagen 5 tot en met 7, worden toegepast per allocatiepunt.

B

In Bijlage 6 wordt ‘netaansluiting’ vervangen door: aansluiting.

C

In Bijlage 7 wordt in de opsomming bij punt 1 en bij punt 2 ‘op aansluitniveau’ vervangen door: per aansluiting.

D

In Bijlage 7 wordt in paragraaftitel 1 ‘per afnemer’ vervangen door: per aansluiting.

E

In Bijlage 7 wordt in paragraaftitel 2 ‘op aansluitniveau’ vervangen door: per aansluiting.

ARTIKEL VI

De Informatiecode elektriciteit en gas wordt gewijzigd als volgt:

A

Na artikel 1.1.12 worden drie artikelen ingevoegd, luidende:

1.1.13

De aansluitinggegevensprocessen uit hoofdstuk 2, de mutatieprocessen uit de hoofdstukken 3 en 4 en de meetgegevensprocessen uit de hoofdstukken 5 en 6, en de bijlagen 1 en 2, zijn, in geval van elektriciteit, van toepassing per allocatiepunt, met uitzondering van de artikelen 2.1.1a, 2.1.1b, 2.1.1c, 2.1.3, onderdeel t, 2.1.5a, de paragrafen 2.9 en 2.10, de artikelen 6.2.2.2, 6.2.2.2a, 6.2.2.6 en 6.2.2.6a en paragraaf 6.3.11.

1.1.14

Indien aan een aansluiting secundaire allocatiepunten zijn toegekend, worden de op een aansluiting van toepassing zijnde processen uit het Besluit leveringszekerheid Elektriciteitswet 1998 en uit de Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas toegepast per allocatiepunt.

1.1.15

Daar waar in deze code sprake is van een verplichting of handeling tussen een leverancier en een aangeslotene, wordt in geval van een secundair allocatiepunt met aangeslotene bedoeld degene die de beschikking heeft over dat secundaire allocatiepunt.

B

Na artikel 2.1.1 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

2.1.1a

Het primaire allocatiepunt van een aansluiting wordt geïdentificeerd met dezelfde EAN-code als de aansluiting.

2.1.1b

De netbeheerder kent tevens een EAN-code toe aan elk secundair allocatiepunt dat aan een aansluiting is toegekend.

C

Aan artikel 2.1.3 worden, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel s door een puntkomma, twee extra onderdelen toegevoegd, luidende:

  • t. de EAN-codes van de secundaire allocatiepunten die aan de aansluiting zijn toegekend;

  • u. in geval van een secundair allocatiepunt: de EAN-code van het bijbehorende primaire allocatiepunt.

D

Na artikel 2.1.5 worden drie artikelen ingevoegd, luidende:

2.1.5a

Indien aan een aansluiting secundaire allocatiepunten zijn toegekend, neemt de netbeheerder in het aansluitingenregister tevens deze secundaire allocatiepunten op en legt daarvan de volgende gegevens vast:

  • a. van artikel 2.1.3, de onderdelen b, f tot en met k, onderdeel m, de onderdelen q tot en met s en onderdeel u;

  • b. van artikel 2.1.3, de onderdelen c, d, e, l, n en p waarbij de netbeheerder er zorg voor draagt dat deze onderdelen voor de secundaire allocatiepunten gelijk zijn aan die voor het bijbehorende primaire allocatiepunt;

  • c. van artikel 2.1.4, uitsluitend de onderdelen b, d, f en g; en

  • d. van artikel 2.1.5, uitsluitend de onderdelen a, b, c, waarbij de netbeheerder er zorg voor draagt dat deze onderdelen voor de secundaire allocatiepunten gelijk zijn aan die voor het bijbehorende primaire allocatiepunt.

2.1.5b

In de bij de mutatieprocessen van hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4 behorende informatie-uitwisseling worden voor secundaire allocatiepunten uitsluitend de velden genoemd in artikel 2.1.5a onderdelen a en c verwerkt.

2.1.5c

Indien aan een aansluiting secundaire allocatiepunten zijn toegekend, worden de gegevens die de netbeheerder op grond van de artikelen 2.1.3, 2.1.4 en 2.1.5 voor de aansluiting heeft vastgelegd beschouwd te zijn toegekend aan het primaire allocatiepunt.

E

Artikel 2.3.2, onderdeel b komt te luiden:

  • b. de gegevens, bedoeld in artikel 2.1.3, onderdelen b, d, e en u.

F

In artikel 2.11.2 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma, een extra onderdeel toegevoegd, luidende:

  • d. de EAN-code betrekking heeft op een secundair allocatiepunt als bedoeld in artikel 2.1.1.13 van de Netcode elektriciteit.

G

In artikel 2.11.3, onderdeel d wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van het derde subonderdeel door een puntkomma, een extra subonderdeel toegevoegd, luidende:

  • de EAN-code heeft betrekking op een secundair allocatiepunt als bedoeld in artikel 2.1.1.13 van de Netcode elektriciteit.

H

De titel van paragraaf 3.7 komt te luiden:

3.7 Registreren van een nieuwe kleinverbruikaansluiting

I

In artikel 3.7.1 wordt ‘de aanleg van de’ vervangen door: een nieuwe.

J

In artikel 3.7.1 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma, een extra onderdeel toegevoegd, luidende:

  • e. indien de registratie betrekking heeft op een secundair allocatiepunt: de EAN-code van het bijbehorende primaire allocatiepunt.

K

In artikel 3.10.1.4 vervalt ‘fysiek’ en wordt ‘gesloopt’ vervangen door: verwijderd.

L

Na artikel 3.10.1.4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

3.10.1.4a

Indien een primair allocatiepunt wordt verwijderd, verwijdert de netbeheerder tegelijkertijd ook de bijbehorende secundaire allocatiepunten.

M

In artikel 4.6.1.2 wordt ‘meetinrichting’ vervangen door: meetinrichting(en).

N

In artikel 4.6.2.2 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een puntkomma, een extra onderdeel toegevoegd, luidende:

  • g. indien het een elektriciteitsaansluiting betreft: de EAN-code een primair allocatiepunt betreft.

O

In artikel 4.6.2.3 wordt na onderdeel e, zesde subonderdeel, een extra subonderdeel toegevoegd, luidende:

  • de EAN-code betreft geen primair allocatiepunt;

P

Na artikel 4.6.2.4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

4.6.2.4a

Indien het een elektriciteitsaansluiting betreft waaraan naast het primaire allocatiepunt ook één of meer secundaire allocatiepunten zijn toegekend, stuurt de netbeheerder tevens voor elk bijbehorend secundair allocatiepunt het in artikel 4.6.2.4 bedoelde bericht.

Q

Na artikel 4.6.2.5 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

4.6.2.5a

Indien het een elektriciteitsaansluiting betreft waaraan naast het primaire allocatiepunt ook één of meer secundaire allocatiepunten zijn toegekend, stuurt de netbeheerder tevens voor elk bijbehorend secundair allocatiepunt het in artikel 4.6.2.5 bedoelde bericht.

R

Na artikel 4.6.3.1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

4.6.3.1a

Indien het een elektriciteitsaansluiting betreft waaraan naast het primaire allocatiepunt ook één of meer secundaire allocatiepunten zijn toegekend, muteert de netbeheerder tevens voor elk bijbehorend secundair allocatiepunt het aansluitingenregister met de door de nieuwe meetverantwoordelijke aangeleverde gegevens overeenkomstig artikel 2.1.8.

S

In artikel 4.6.3.2 wordt na ‘4.6.3.1’ ingevoegd: en 4.6.3.1a.

T

Na artikel 4.7.2.4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

4.7.2.5

Indien een aan de aansluiting toegekend secundair allocatiepunt wordt verwijderd, maar de bijbehorende meetinrichting niet wordt verwijderd, wordt deze meetinrichting toegevoegd aan de meetinrichting behorend bij het primaire allocatiepunt van de desbetreffende aansluiting.

U

In artikel 4.8.2.2 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma, een extra onderdeel toegevoegd, luidende:

  • f. indien het een elektriciteitsaansluiting betreft: de EAN-code een primair allocatiepunt betreft.

V

In artikel 4.8.2.4 wordt na onderdeel e, vijfde subonderdeel, een extra subonderdeel toegevoegd, luidende:

  • de EAN-code betreft geen primair allocatiepunt;

W

Na artikel 4.8.2.5 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

4.8.2.5a

Indien het een elektriciteitsaansluiting betreft waaraan naast het primaire allocatiepunt ook één of meer secundaire allocatiepunten zijn toegekend, stuurt de netbeheerder tevens voor elk bijbehorend secundair allocatiepunt het in artikel 4.8.2.5 bedoelde bericht.

X

Na artikel 4.8.3.1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

4.8.3.1a

Indien het een elektriciteitsaansluiting betreft waaraan naast het primaire allocatiepunt ook één of meer secundaire allocatiepunten zijn toegekend, muteert de netbeheerder tevens voor elk bijbehorend secundair allocatiepunt het aansluitingenregister met de door de nieuwe meetverantwoordelijke aangeleverde gegevens overeenkomstig artikel 2.1.8.

Y

In artikel 4.8.3.2 wordt na ‘4.8.3.1’ ingevoegd: en 4.8.3.1a.

Z

De titel van paragraaf 4.9 komt te luiden:

4.9 Registreren van een nieuwe grootverbruikaansluiting

AA

In artikel 4.9.1 wordt ‘de aanleg van de’ vervangen door: een nieuwe.

AB

In artikel 4.9.1 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma, een extra onderdeel toegevoegd, luidende:

  • e. indien de registratie betrekking heeft op een secundair allocatiepunt: de EAN-code van het bijbehorende primaire allocatiepunt.

AC

Onder vernummering van artikel 4.10.2.1 tot artikel 4.10.2.1a wordt een nieuw artikel 4.10.2.1 ingevoegd, luidende:

4.10.2.1

De netbeheerder neemt de aansluiting pas fysiek in bedrijf indien hij heeft geconstateerd dat voor deze aansluiting een leverancier, programmaverantwoordelijke en meetverantwoordelijke zijn geregistreerd en dat de meetinrichting is geplaatst, blijkend uit een bericht zoals bedoeld in artikel 4.7.2.4.

AD

In artikel 4.12.2.4 vervallen ‘fysiek’ en ‘fysieke’ en wordt ‘gesloopt’ vervangen door: verwijderd.

AE

Na artikel 4.12.2.4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

4.12.2.4a

Indien een primair allocatiepunt wordt verwijderd, verwijdert de netbeheerder tegelijkertijd ook de bijbehorende secundaire allocatiepunten.

AF

Na artikel 6.2.2.2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

6.2.2.2a

In geval van een grootverbruikaansluiting waaraan een of meer secundaire allocatiepunten zijn toegekend, is artikel 6.2.2.2 van toepassing op elk afzonderlijk allocatiepunt dat aan deze aansluiting is toegekend.

AG

Na artikel 6.2.2.6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

6.2.2.6a

In geval van een grootverbruikaansluiting waaraan een of meer secundaire allocatiepunten zijn toegekend, is artikel 6.2.2.6 van toepassing op de aansluiting als geheel en artikel 6.2.2.6, de onderdelen a en b, op elk afzonderlijk allocatiepunt dat aan deze aansluiting is toegekend.

AH

In de artikelen 6.3.1.2, 6.3.1.3, 6.3.2.1 en 6.3.13.1 wordt ‘aangeslotenen’ vervangen door: aansluitingen.

AI

In artikel 6.3.13.2 wordt ‘aangeslotene’ vervangen door: aansluiting.

AJ

In artikel 8.1.1 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma, een extra onderdeel toegevoegd, luidende:

  • d. indien van toepassing, dat er aan de aansluiting een of meer secundaire allocatiepunten zijn toegekend en dat de installatie die bij een secundair allocatiepunt hoort, niet mag worden gebruikt ten behoeve van bewoning van een ruimte.

AK

Na artikel 8.1.2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

8.1.2a

Voorafgaand aan het aangaan van een leveringscontract ten behoeve van levering op een secundair allocatiepunt informeert de leverancier namens de netbeheerder de contractant dat de installatie die bij het secundair allocatiepunt hoort, niet mag worden gebruikt ten behoeve van bewoning van een ruimte.

AL

In artikel 8.1.3 wordt ‘bedoeld in 8.1.1 en 8.1.2’ vervangen door: bedoeld in 8.1.1, 8.1.2 en 8.1.2a.

AM

Artikel 11.1.3 vervalt.

AN

In Bijlage 1 wordt in de artikelen B1.0.1 en B1.1.3 ‘aangeslotenen’ vervangen door: aansluitingen.

AO

In Bijlage 1 komt de titel van paragraaf B1.2 te luiden:

B1.2 Indeling van aansluitingen in profielcategorieën

AP

In Bijlage 1 wordt in alle artikelen van paragraaf B1.2 ‘Aangeslotenen’ telkens vervangen door: Aansluitingen.

AQ

In Bijlage 1 wordt in alle artikelen van paragraaf B1.2 ‘aansluitwaarde’ telkens vervangen door: doorlaatwaarde.

AR

In Bijlage 1 wordt in artikel B1.6.5 ‘aangeslotenen’ vervangen door: aansluitingen.

ARTIKEL VII

Dit besluit treedt in werking met ingang van 24 maart 2018.

ARTIKEL VIII

Dit besluit wordt aangehaald als codebesluit meerdere leveranciers op een aansluiting.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 13 juli 2017

De Autoriteit Consument en Markt, namens deze: F.J.H. Don bestuurslid

Tegen dit besluit kan degene, wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken, binnen zes weken na bekendmaking beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA, ’s-Gravenhage.

TOELICHTING

1 Samenvatting

  • 1. Met dit codebesluit wijzigt de Autoriteit Consument en Markt regelgeving voor de elektriciteitsmarkt. Hierdoor krijgen groot- en kleinverbruikers de mogelijkheid om met meer dan één elektriciteitsleverancier tegelijk een contract te sluiten. Een huishoudelijke afnemer die elektriciteit afneemt bij een bepaalde leverancier, kan dan bijvoorbeeld een andere leverancier kiezen voor het oplaadpunt van zijn elektrische auto. Een tweede voorbeeld is een grootzakelijke afnemer die naast het elektriciteitsverbruik ten behoeve van zijn bedrijf over een productie-installatie beschikt. Voor deze afnemer kan het voordelig zijn om zijn elektriciteitsverbruik te contracteren bij de ene leverancier en zijn elektriciteitsproductie bij een andere leverancier. Deze nieuwe keuzemogelijkheid kan een stimulans zijn voor de energietransitie in Nederland.

2 Gevolgde procedure

  • 2. De Autoriteit Consument en Markt (de ACM) is op grond van artikel 36 en 55 van de Elektriciteitswet 1998 (hierna: E-wet) bevoegd regelgeving vast te stellen voor de elektriciteitsmarkt. Deze regelgeving is vastgelegd in zogenoemde codes.

  • 3. Per brief van 2 maart 2016 heeft de ACM op grond van artikel 57 van de E-wet de Vereniging Nederlandse EnergieData Uitwisseling (NEDU), waarin ondernemingen die zich bezighouden met het transporteren, leveren of meten van elektriciteit georganiseerd zijn, opgedragen een codewijzigingsvoorstel in te dienen voor de Informatiecode elektriciteit en gas. Met dit voorstel zou het afnemers mogelijk moeten worden gemaakt om meerdere leveranciers op een aansluiting te contracteren voor levering dan wel teruglevering van elektriciteit.

  • 4. Om dezelfde reden heeft de ACM op 2 maart 2016 een vergelijkbare brief verstuurd aan Netbeheer Nederland – vertegenwoordigend de gezamenlijke netbeheerders, met het verzoek om een codewijzigingsvoorstel in te dienen voor de technische codes.

  • 5. Op 6 oktober 2016 ontving de ACM een gezamenlijk ingediend codewijzigingsvoorstel van Netbeheer Nederland en NEDU (hierna: de indieners).

  • 6. Na een wijzigingsopdracht hiertoe van de ACM op 25 januari 2017, hebben de indieners per brief, ontvangen door de ACM op 15 februari 2017, een voorstel ingediend dat enkele wijzigingen aanbrengt in het oorspronkelijke voorstel. Hierna worden het initiële voorstel en de aangebrachte wijzigingen gezamenlijk aangeduid als: het voorstel.

  • 7. Als onderdeel van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure heeft de ACM het ontwerpbesluit en de daarop betrekking hebbende stukken ter inzage gelegd en gepubliceerd op haar website. Van de terinzagelegging is kennis gegeven in de Staatscourant nr. 11714 van 27 februari 2017. De ACM heeft belanghebbenden in de gelegenheid gesteld binnen zes weken hun zienswijzen op het ontwerp kenbaar te maken. Daarnaast heeft de ACM voor belanghebbenden een hoorzitting georganiseerd op 30 maart 2017.

  • 8. De ACM heeft schriftelijke zienswijzen ontvangen van Allego B.V., Duurzaam Drimmelen, Fudura B.V., Netbeheer Nederland, Schiphol Nederland B.V., TenneT TSO B.V., Vereniging voor Energie, Milieu en Water (VEMW), en Vereniging Meetbedrijven Nederland (VMNED).Tijdens de hoorzitting heeft de ACM mondelinge zienswijzen ontvangen van Fudura, Netbeheer Nederland, VEMW en NEDU. Daarnaast waren Energy Circle, de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE), PAWEX en NewMotion als toehoorder bij de hoorzitting aanwezig.

  • 9. De ACM is van mening dat het voorstel geen nieuwe technische voorschriften bevat als bedoeld in de Notificatierichtlijn. Evenmin is er sprake van diensten die aangemeld moeten worden in het kader van de Dienstenrichtlijn. Om die reden zijn de voorwaarden in dit besluit niet in ontwerp ter notificatie aangeboden.

3 Aanleiding

  • 10. Veel grootverbruikers nemen niet alleen elektriciteit af van het net, maar produceren daarnaast ook zelf elektriciteit die zij tegen vergoeding willen leveren aan het net. Uit signalen die de ACM uit de markt ontvangt, blijkt dat sommige grootverbruikers graag verschillende leveranciers willen contracteren voor levering enerzijds en teruglevering anderzijds. Dit kan weliswaar gerealiseerd worden door het laten aanleggen van een tweede aansluiting, maar daaraan zijn aanzienlijke kosten verbonden voor de afnemer. De afnemers zouden de kosten van een nieuwe aansluiting willen vermijden, maar wel per installatie een andere leverancier willen contracteren.

  • 11. Een voorbeeld is een grootzakelijke afnemer die naast het elektriciteitsverbruik ten behoeve van zijn bedrijf over een productie-installatie beschikt. Voor deze afnemer kan het voordelig zijn om zijn elektriciteitsverbruik te contracteren bij de ene leverancier en zijn elektriciteitsproductie bij een andere leverancier.

  • 12. Er kan ook een situatie zijn waarin een afnemer twee verschillende leveranciers wil contracteren, beide voor het leveren van elektriciteit. Een voorbeeld is de eigenaar van een huishoudelijke aansluiting, die voor zijn elektrische auto een oplaadpunt achter zijn elektriciteitsaansluiting heeft geïnstalleerd. Ook voor deze eigenaar kan het financieel aantrekkelijk zijn om verschillende leveranciers te hebben voor oplaadpunt en huishoudelijk energieverbruik.

  • 13. In 2014 heeft de ACM een besluit1 genomen in een juridische procedure over een aanvraag van een afnemer bij een netbeheerder om meerdere leveranciers op een aansluiting mogelijk te maken. In dit besluit constateerde de ACM dat de lagere energieregelgeving (vastgelegd in de zogenoemde codes) meerdere leveranciers op een aansluiting in de weg stond. Deze regels bestaan sinds de invoering van het nieuwe marktmodel, per 1 augustus 2013. Vóór die tijd was de mogelijkheid tot wel of niet kunnen contracteren van meerdere leveranciers op een aansluiting aan de markt overgelaten.

  • 14. Twee Europese Richtlijnen schrijven voor dat er meerdere leveranciers op een aansluiting gecontracteerd moeten kunnen worden. Richtlijn 2009/72/EG betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit,2 stelt in artikel 41 dat grote, niet-huishoudelijke afnemers het recht hebben om met meerdere leveranciers gelijktijdig contracten af te sluiten. De richtlijn is daarbij niet specifiek in wat daar precies onder verstaan wordt, maar de ACM is van mening dat daaronder valt het contracteren van verschillende leveranciers op verschillende installaties achter een aansluiting.

  • 15. Daarnaast werd in 2014 Richtlijn 2014/94/EU betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen gepubliceerd.3 Deze is gericht op het stimuleren van elektrisch vervoer door het uitrollen van een infrastructuur van alternatieve brandstoffen voor vervoersmiddelen. In deze richtlijn is in artikel 4, twaalfde lid, bepaald dat de lidstaten ervoor moeten zorgen ‘dat het juridisch kader het mogelijk maakt dat voor de elektriciteitsvoorziening voor een oplaadpunt een contract kan worden gesloten met andere leveranciers dan de entiteit die elektriciteit levert aan het huishouden of de ruimte waar de oplaadpunten zich bevinden.’ Ook hier gaat het dus om de mogelijkheid om voor verschillende installaties achter de – in dit geval – kleinverbruikaansluiting verschillende leveranciers te kunnen contracteren.

  • 16. Zowel de Europese Richtlijnen als de signalen uit de markt zijn aanleiding voor de ACM geweest om een opdracht4 te geven aan de gezamenlijke netbeheerders en NEDU om een voorstel tot het wijzigen van de codes in te dienen met het doel om meerdere leveranciers mogelijk te maken. Daarbij heeft de ACM haar zienswijze gegeven over hoe invulling gegeven kan worden aan een aantal onderwerpen zoals de meetverantwoordelijkheid en de programmaverantwoordelijkheid. De ACM heeft ook erop gewezen dat de afnemer met een grootverbruikaansluiting in de gelegenheid gesteld dient te worden om bij de realisatie van meerdere leveranciers op een aansluiting te kiezen tussen een parallelle en een seriële meting van de uitgewisselde elektriciteit.

  • 17. Het ingediende voorstel van de gezamenlijke netbeheerders en NEDU heeft geleid tot dit codebesluit waarin de codes aangepast worden om voor zowel afnemers op een grootverbruikaansluiting als afnemers op een kleinverbruikaansluiting de mogelijkheid te bieden meerdere leveranciers op hun aansluiting te contracteren. Deze keuzemogelijkheid kan een stimulans zijn voor de energietransitie in Nederland. De reikwijdte van het besluit is beperkt tot de elektriciteitsmarkt, omdat er voor de gasmarkt vooralsnog geen vraag naar deze mogelijkheid lijkt te zijn.

  • 18. Wellicht ten overvloede merkt de ACM op dat er ook andere invullingen bestaan van het contracteren van meerdere leveranciers op een aansluiting. Een afnemer kan bijvoorbeeld de wens hebben om voor de vaste basisbehoefte van elektriciteit een leveringscontract bij de ene leverancier af te sluiten en voor de variabele additionele energiebehoefte een leveringscontract met een andere leverancier aan te gaan. Het gaat in dit voorbeeld dus niet om verschillende leveranciers voor verschillende installaties achter een aansluiting, maar om verschillende leveranciers per moment van de dag voor een en dezelfde installatie. Deze vorm van meerdere leveranciers zou een heel andere aanpassing van de regelgeving vragen die losstaat van de in dit besluit vastgestelde wijzigingen.

4 Inhoud van het voorstel

  • 19. Het voorstel van de indieners tot wijziging van de codes om meerdere leveranciers op een aansluiting mogelijk te maken, heeft als kern de introductie van het begrip allocatiepunt. Een allocatiepunt is een virtueel punt ter plaatse van het overdrachtspunt van een aansluiting waar de energie-uitwisseling tussen een installatie en het net administratief aan een marktpartij wordt toegewezen alsof de meting op het overdrachtspunt van de aansluiting heeft plaatsgevonden.

  • 20. De netbeheerder kent aan iedere elektriciteitsaansluiting een zogenoemd ‘primair allocatiepunt’ toe. Dit allocatiepunt krijgt alle kenmerken toebedeeld die bij deze aansluiting horen. In het Centraal Aansluitingen Register zijn primair allocatiepunt en aansluiting niet van elkaar te onderscheiden.

  • 21. Wanneer een aangeslotene naast zijn huidige leverancier een of meerdere andere leveranciers wil contracteren voor bepaalde installaties achter zijn aansluiting, kan hij de netbeheerder verzoeken tot het aanmaken van evenzoveel ‘secundaire’ allocatiepunten. Voor elk van deze secundaire allocatiepunten moet de aangeslotene een aparte meetinrichting (laten) installeren. Deze meetinrichting moet comptabel zijn, met andere woorden, voldoen aan de voorwaarden in de Meetcode elektriciteit, zodat facturatie van elektriciteitsuitwisseling kan plaatsvinden op basis van de meetwaarden.5

  • 22. De netbeheerder registreert de secundaire allocatiepunten in het Centraal Aansluitingen Register, op een vergelijkbare manier als primaire allocatiepunten worden vastgelegd. Daarbij legt de netbeheerder bij ieder secundair allocatiepunt het bijbehorende primaire allocatiepunt vast en kopieert tevens een aantal noodzakelijke kenmerken van de aansluiting als kenmerken van de secundaire allocatiepunten. Voorbeelden van kenmerken die een secundair allocatiepunt overneemt van het bijbehorende primaire allocatiepunt zijn de adresgegevens, het netgebied, en of het een klein- of grootverbruikaansluiting betreft. Voorbeelden van kenmerken die kunnen verschillen per allocatiepunt van een aansluiting zijn de EAN-code (altijd verschillend), de actieve leverancier en de leveringsrichting. Kenmerken als de naam van de aangeslotene en de capaciteitstariefcode hoeven alleen bij primaire allocatiepunten vastgelegd te worden.

  • 23. Door deze stappen wordt het mogelijk om een groot aantal processen dat voor aansluitingen is vastgelegd in de codes toe te passen op allocatiepunten. Bijvoorbeeld overstappen van leverancier, inhuizen, starten en beëindigen van levering, en in en uit bedrijf nemen van een aansluiting. Voor een aantal andere processen zijn er kleine verschillen tussen hoe de processen moeten worden uitgevoerd bij secundaire allocatiepunten in vergelijking met primaire allocatiepunten. Deze uitzonderingen zijn in het voorstel uitgewerkt.

  • 24. Het ingediende voorstel omvat het mogelijk maken van meerdere leveranciers op een aansluiting voor aansluitingen die vallen onder artikel 1, vijfde lid van de E-wet (windparken).

  • 25. Het voorstel maakt het mede mogelijk om op een aansluiting van een gesloten distributiesysteem (hierna: GDS) op het net van een netbeheerder meerdere leveranciers te contracteren. Bepalingen voor de vrije toegang tot de markt voor de afnemers die zijn aangesloten op een GDS zelf vallen buiten de reikwijdte van dit voorstel.

  • 26. In het voorstel staan vijf varianten om meerdere leveranciers op een aansluiting mogelijk te maken. Dat er meer varianten zijn, heeft te maken met de kenmerken van de aansluiting, zoals het aantal verbindingen van de aansluiting, de afstand tussen meetinrichting en overdrachtspunt van de aansluitingen, en of de meetinrichting horend bij een secundair allocatiepunt parallel of serieel is opgesteld ten opzichte van de meetinrichting horend bij het primaire allocatiepunt. Bij een kleinverbruikaansluiting heeft de aangeslotene de keuze uit twee varianten en bij een grootverbruikaansluiting is er keuze uit vijf varianten.

  • 27. Eén van de vijf varianten maakt het mogelijk dat bij een grootverbruikaansluiting de meetinrichtingen in serie worden geplaatst. Dit kan voor de afnemer financieel voordelig zijn, zowel bij bestaande installaties als bij het plaatsen van nieuwe installaties achter zijn aansluiting. De meetinrichting behorend bij het secundaire allocatiepunt meet de elektriciteitsuitwisseling van de installatie gekoppeld aan dat allocatiepunt. De elektriciteitsuitwisseling van de installatie horend bij het primaire allocatiepunt wordt daarentegen vastgesteld als het verschil van de meetwaarde van de meetinrichting van het primaire allocatiepunt en de meetwaarde van de meetinrichting van het secundaire allocatiepunt. Door deze manier van bepalen van de elektriciteitsuitwisseling op de twee installaties achter een aansluiting worden dezelfde meetgegevens vastgesteld als in de situatie waarin beide meetinrichtingen parallel zouden zijn geplaatst.

  • 28. In het voorstel staat dat slechts één meetverantwoordelijke partij wordt aangewezen voor alle allocatiepunten behorend bij dezelfde grootverbruikaansluiting. Dat is nodig om de processen voor het meten op een grootverbruikaansluiting goed te laten verlopen.

  • 29. In het voorstel is de mogelijkheid opengelaten dat de aangeslotene ook andere rechtspersonen dan hijzelf een leverancierscontract kan laten sluiten voor de secundaire allocatiepunten.

5 Beoordeling

5.1 Procedureel

  • 30. De ACM constateert dat het voorstel op 6 september 2016 in een overleg met representatieve organisaties is besproken als bedoeld in artikel 33, eerste lid en artikel 54, tweede lid, E-wet. In het voorstel is een verslag opgenomen van dit overleg en de indieners hebben in het voorstel aangegeven welke gevolgtrekkingen zij hebben verbonden aan de zienswijzen die organisaties naar voren hebben gebracht. Naar het oordeel van de ACM voldoet het voorstel daarmee aan het vereiste bepaald in artikel 33, tweede lid, en artikel 54, derde lid, E-wet.

  • 31. De ACM komt tot het oordeel dat het voorstel van de indieners, op twee onderwerpen na, niet in strijd is met de belangen, regels en eisen als bedoeld in artikel 36, eerste en tweede lid, en artikel 55, E-wet. Bij de inhoudelijke beoordeling van het voorstel hierna gaat de ACM in op deze twee onderwerpen.

  • 32. De ACM constateert dat het voorstel voor wat betreft de wijziging van de Informatiecode elektriciteit en gas is ingediend namens een representatief deel van de ondernemingen die zich bezighouden met transporteren, leveren of meten van elektriciteit of gas, zoals artikel 54, eerste lid, E-wet voorschrijft. Dit blijkt uit het feit dat het voorstel is aangenomen in de algemene ledenvergadering van NEDU van 6 juli 2016, en dat op dat moment per marktrol binnen NEDU de stemgerechtigde leden het overgrote deel van de markt vertegenwoordigden.

5.2 Inhoudelijk

Tegemoetkoming aan Europese Richtlijnen en aan opdracht van de ACM
  • 33. De ACM is van mening dat het voorstel van de indieners vrijwel in zijn geheel tegemoetkomt aan de codewijzigingsopdracht van de ACM en aan wat de eerder genoemde Europese Richtlijnen voorschrijven voor het contracteren van meerdere leveranciers op een aansluiting.

  • 34. Ten aanzien van twee onderwerpen ziet de ACM een strijdigheid met de criteria vermeld in artikel 36, eerste lid, onder c en d, E-wet. Deze twee onderwerpen houden verband met het in rekening brengen van het transportonafhankelijke verbruikerstransporttarief en met de vereiste nauwkeurigheid van meetinrichtingen op allocatiepunten.

Transportonafhankelijk verbruikerstransporttarief
  • 35. De indieners stellen voor om de netbeheerder het transportonafhankelijke verbruikerstransporttarief niet meer per aansluiting maar per allocatiepunt in rekening te laten brengen bij de aangeslotene. Dit wordt in het voorstel vastgelegd door het toevoegen van een artikel in paragraaf 3.8 van de Tarievencode elektriciteit. De indieners beargumenteren dat zowel de dagelijks terugkerende marktfaciliteringsactiviteiten zoals meetgegevensprocessen en allocatie en reconciliatie als de incidentele activiteiten zoals switchen en verhuizen meer kosten met zich meebrengen voor een aansluiting waar meerdere allocatiepunten zijn. Ook beargumenteren de indieners dat fouten in deze geautomatiseerde processen voor aansluitingen met meerdere allocatiepunten hogere kosten met zich meebrengen voor de handmatige correcties die als gevolg van deze fouten moeten worden uitgevoerd.

  • 36. De ACM is onder meer van oordeel dat er geen grondslag is in de E-wet om het transportonafhankelijke verbruikerstransporttarief voor de secundaire allocatiepunten in rekening te brengen. Daarnaast meent de ACM dat de transportonafhankelijke kosten, zoals gespecificeerd in artikel 3.2.2, onderdeel b van de Tarievencode elektriciteit niet gerelateerd zijn aan het aantal verrichte handelingen zoals het aantal switches van een afnemer of het aantal corrigerende processen per afnemer. Verder merkt de ACM op dat voor de vaststelling van het transportonafhankelijke transporttarief het niet relevant is wat de omvang is van bepaalde handelingen die in de marktfaciliterende processen plaatsvinden.

  • 37. Op grond van het bovenstaande neemt de ACM het door de indieners voorgestelde nieuwe artikel in paragraaf 3.8 van de Tarievencode elektriciteit niet over. Deze paragraaf blijft daarmee ongewijzigd.

Vereiste nauwkeurigheid van meetinrichtingen op allocatiepunten
  • 38. De indieners koppelen in hun voorstel de eisen voor de nauwkeurigheid van de meetinrichtingen op secundaire allocatiepunten aan de nauwkeurigheid van de meetinrichting op het primaire allocatiepunt. Zo wordt voorkomen dat er verschillende nauwkeurigheidseisen zijn voor de meetinrichtingen bij elk van de afzonderlijke allocatiepunten. Een alternatief zou zijn om de nauwkeurigheid van de meetinrichting te koppelen aan de grootte van de doorlaatwaarde horend bij het secundaire allocatiepunt.

  • 39. De indieners beargumenteren hun keuze door het verband te leggen met gewone aansluitingen met één leverancier, waarbij de aansluiting bestaat uit meer dan één verbinding. Hierbij zou eveneens de omvang van de verbindingen kunnen leiden tot verschillende klassen meetinrichtingen. Volgens de indieners vormen alle meetinrichtingen die met elkaar de elektriciteitsuitwisseling meten ten behoeve van één aansluiting tezamen één meetinrichting in de zin van de Meetcode elektriciteit. En deze meetinrichtingen moeten ook allemaal voldoen aan de nauwkeurigheidseisen die passen bij het gecontracteerde vermogen op de aansluiting als geheel. De indieners willen aansluitingen waaraan secundaire allocatiepunten zijn toegekend op dit punt niet anders behandelen dan gewone meervoudige aansluitingen.

  • 40. Als de alternatieve variant overwogen wordt, dan stellen de indieners voor dat de wenselijkheid en haalbaarheid van eventuele aanpassing van de regelgeving nader onderzocht zou moeten worden. Als op basis van dit onderzoek een wijziging van de werkwijze wenselijk blijkt, dan kan dit via een separaat codewijzigingstraject verlopen. Daarbij kunnen de gebruikelijke voorbereidings- en besluitvormingsprocedures doorlopen worden, waaronder het overleg met representatieve organisaties. Bovendien kunnen volgens de indieners dan de consequenties voor de IT-systemen en het berichtenverkeer worden uitgezocht.

  • 41. De ACM constateert dat artikel 4.1.1.1 van de Meetcode elektriciteit bepaalt dat het ontwerp en de aanleg van de meetinrichting in overeenstemming moet zijn met de gecontracteerde transportcapaciteit, dan wel met de doorlaatwaarden van de aansluiting. Anders dan de indieners van het voorstel, is de ACM van oordeel dat deze kernbepaling in de Meetcode elektriciteit wel degelijk toelaat dat er gedimensioneerd kan worden op basis van doorlaatwaarde. De ACM baseert dit oordeel mede op bestaande regelgeving: bijvoorbeeld artikelen B1.3, en B1.9 van de Meetcode elektriciteit, waar de doorlaatwaarde (het maximaal vermogen) van de productie-installatie bepalend is voor het ontwerp en de aanleg van de meetinrichting.

  • 42. De ACM is het met de indieners eens dat voor het ontwerp van een primair allocatiepunt en de daarmee samenhangende nauwkeurigheidseisen voor de meetinrichting het gecontracteerde transportvermogen maatgevend is. De ACM is het ook eens met de indieners van het voorstel dat de situaties waarin de meetinrichtingen parallel geplaatst worden niet in aanmerking komen voor dimensionering op basis van doorlaatwaarde zonder dat eerst nader onderzoek wordt gedaan.

  • 43. Daarentegen is de ACM van mening dat de capaciteit (en daarmee samenhangende nauwkeurigheidseisen) van de meetinrichting op een secundair allocatiepunt bij seriële plaatsing van meetinrichtingen juist gerelateerd dient te zijn aan de doorlaatwaarde van dat allocatiepunt. Zo kan voorkomen worden dat afnemers gedwongen worden een onnodig duurdere meetinrichting aan te schaffen voor hun secundaire allocatiepunt. Hoge kosten van een meetinrichting kunnen immers voor de afnemer een drempel vormen om voor meerdere leveranciers op een aansluiting te kiezen.

  • 44. Daarnaast kan in sommige situaties de desbetreffende afnemer, door het toepassen van datgene wat het voorstel bepaalt, te maken krijgen met onuitvoerbare eisen: de stroom- en spanningstransformatoren met deze strenge nauwkeurigheidseisen bij grotere doorlaatwaarden zijn vaak niet leverbaar voor de kleinere doorlaatwaarden.

  • 45. Het relateren van de nauwkeurigheidseisen aan de doorlaatwaarde van het betreffende allocatiepunt, is naar het oordeel van de ACM in lijn met de processen die zijn uitgewerkt in de Meetcode elektriciteit en Informatiecode elektriciteit en gas. Het gaat om de processen voor de vaststelling van de met het net uitgewisselde elektrische energie, en de processen als allocatie en reconciliatie, waar eveneens optellingen van meterstanden worden gedaan van meetinrichtingen op aansluitingen met uiteenlopende capaciteiten. De ACM voorziet daarom geen IT-problemen zoals genoemd door de indieners van het voorstel.

  • 46. De ACM concludeert op grond van het bovenstaande dat artikel 4.1.1.1 van de Meetcode elektriciteit het toelaat dat de nauwkeurigheidseisen gerelateerd worden aan de doorlaatwaarde van het betreffende allocatiepunt. Daarnaast concludeert de ACM dat het hanteren van de voorgestelde eisen voor een serieel geplaatste meetinrichting horend bij een secundair allocatiepunt, onnodige financiële lasten zou veroorzaken voor de grootverbruiker en soms (bij een groot verschil tussen de capaciteit van het primaire en secundaire allocatiepunt) eisen zou stellen die technisch onuitvoerbaar zijn.

  • 47. Om die reden voegt de ACM op grond van artikel 32, tweede lid, E-wet een artikel toe aan het codevoorstel. Dit is artikel 4.3.1.4 van de Meetcode elektriciteit. Hierin worden de nauwkeurigheidseisen voor de meetinrichting vastgelegd voor de situatie met serieel geplaatste meetinrichtingen bij een grootverbruikaansluiting, zoals beschreven in artikel 2.1.1.13 van de Netcode elektriciteit.

Gesloten distributiesystemen
  • 48. Door dit besluit krijgt ook de eigenaar van een GDS dat is aangesloten op het net van een netbeheerder de mogelijkheid om te kiezen voor meerdere leveranciers. Onder GDS-eigenaren verstaat de ACM ook de ontheffinghouders van de zogenoemde ‘private netten’. Voorafgaand aan de introductie van het begrip GDS in de E-wet kon de Minister van Economische Zaken een ontheffing verlenen aan eigenaren van deze netten. In het geldende overgangsrecht is voor een deel van die ontheffingen bepaald dat de verleende ontheffingen rechtsgeldig blijven.6

  • 49. De GDS-eigenaar is net als alle andere aangeslotenen een afnemer op het net van de netbeheerder. Het uitsluiten van de GDS-eigenaar van het recht om meerdere leveranciers te kunnen contracteren zou leiden tot ongeoorloofde discriminatie. Dit betekent dat de GDS-eigenaar meerdere secundaire allocatiepunten kan laten toekennen door de netbeheerder op zijn aansluiting, voor zover voldaan is aan de voorwaarden die genoemd zijn in de artikelen 2.1.1.8 tot en met 2.1.1.13. Als niet aan de voorwaarden is voldaan dan is het toekennen van een secundair allocatiepunt niet toegestaan. Dit geldt bijvoorbeeld voor installaties die zich op andere onroerende zaken bevinden dan de onroerende zaken van de GDS-eigenaar. Dit betekent dat deze codewijziging niet is bedoeld voor het realiseren van secundaire allocatiepunten voor de aansluitingen van afnemers op het GDS zelf. Een reden hiervoor is dat netbeheerders geen wettelijke taken hebben voor afnemers die niet direct op hun net zijn aangesloten.7

Relatie codevoorstel met hogere regelgeving
  • 50. De ACM en het Ministerie van Financiën hebben voorafgaand aan het opstellen van het besluit overleg gevoerd om te bewerkstelligen dat de regelgeving van beide onderdelen van de rijksoverheid op elkaar aansluit. Het Ministerie van Financiën heeft inmiddels het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag aangepast voor de mogelijke situatie dat er meerdere leveranciers op een aansluiting zijn.

5.3 Conclusie

  • 51. Op basis van de bovenstaande beoordeling neemt de ACM het voorstel over in dit codebesluit, met uitzondering van de genoemde punten waarop de ACM strijdigheid constateert met de criteria genoemd in artikel 36, eerste lid, onder c en d, E-wet.

  • 52. Daarnaast heeft de ACM een nieuw begrip toegevoegd in de Begrippencode elektriciteit naar aanleiding van een aanvullend voorstel van de indieners.8

  • 53. De ACM heeft ten opzichte van het codevoorstel een aantal redactionele wijzigingen doorgevoerd. Deze wijzigingen beogen de inhoud van het voorstel niet te wijzigen, maar enkel de leesbaarheid te vergroten.

6 Artikelsgewijze toelichting

Artikel I

  • 54. Hier worden de nieuwe begrippen ‘aansluit- en transportovereenkomst’, ‘allocatiepunt’, ‘primair allocatiepunt’ en ‘secundair allocatiepunt’ gedefinieerd in de Begrippencode elektriciteit. Tegelijk wordt het begrip ‘overdrachtspunt’ vereenvoudigd.

  • 55. Er is voor gekozen om voor de plaats van het allocatiepunt de locatie van het overdrachtspunt van de aansluiting te kiezen en niet de locatie van de meetinrichting. De locatie van de meetinrichting is niet bepalend voor de plaats van het allocatiepunt, omdat het gaat om de verdeling van de energievolumes naar de verschillende bij de leveranciers behorende programmaverantwoordelijken op het overdrachtspunt. Daarom zal het gemeten energievolume indien nodig gecorrigeerd worden voor het energieverlies tussen de locatie van de meting en de locatie van het overdrachtspunt.

Artikel II onderdeel A

  • 56. De netbeheerder maakt kosten bij het geschikt maken van een aansluiting voor het toekennen van secundaire allocatiepunten. Om de netbeheerder de kosten van deze eenmalige werkzaamheden te kunnen laten factureren bij de aangeslotene, wordt de Tarievencode elektriciteit aangepast. Voor de methode van factureren wordt aangesloten bij de al bestaande methode die in de Tarievencode elektriciteit is vastgelegd voor de aansluitdienst. Als degene die op het secundaire allocatiepunt een leverancier contracteert een andere (rechts)persoon is dan de aangeslotene, kan de aangeslotene er desgewenst voor kiezen het extra deel van de aansluitvergoeding aan deze andere (rechts)persoon door te berekenen.

Artikel III onderdeel A

  • 57. Dit artikel geeft aan welke processen in de Netcode elektriciteit toegepast moeten worden per allocatiepunt in plaats van per aansluiting.

Artikel III onderdeel B

  • 58. Deze artikelen beschrijven de werkwijze van de netbeheerder voor het toekennen van allocatiepunten aan een aansluiting. Artikel 2.1.1.7 en 2.1.1.8 beschrijven de voorbereidende werkzaamheden die van toepassing zijn op alle aansluitingen. Uit de omschrijving in artikel 2.1.1.8. volgt dat op alle aansluitingen op het net van de netbeheerder primaire allocatiepunten mogelijk zijn. Een uitzondering hierop vormen de aansluitingen van netten van andere netbeheerders op het net ven de desbetreffende netbeheerder. De reden hiervoor is dat netbeheerders in hun rol van netbeheerder alleen elektriciteit transporteren en geen verbruiker of producent van elektriciteit zijn.

  • 59. De vijf daarop volgende artikelen beschrijven vijf verschillende varianten voor het toekennen van secundaire allocatiepunten op een aansluiting.

  • 60. Artikel 2.1.1.9 betreft de situatie dat er achter de aansluiting meerdere zelfstandige installaties zijn die elk met een eigen verbinding aan het net zijn gekoppeld. Deze verbindingen vormen met elkaar één aansluiting in de zin van de wet, maar op elke verbinding is een overdrachtspunt aanwezig met op of nabij dat overdrachtspunt een meetinrichting conform de Meetcode elektriciteit. Er is sprake van parallelle meting. Als de uiteinden van beide verbindingen niet met elkaar verbonden zijn, en ook de achterliggende installaties niet met elkaar verbonden zijn, kan aan elk van de overdrachtspunten van deze afzonderlijke verbindingen een allocatiepunt met een eigen EAN-code toegekend worden. Deze variant is denkbaar bij klein- en grootverbruikaansluitingen.

  • 61. Artikel 2.1.1.10 heeft betrekking op een aansluiting die uit één verbinding bestaat en waarbij – vanuit het net bezien – direct na het overdrachtspunt van de aansluiting de te onderscheiden installaties gesplitst zijn en direct na die splitsing elk afzonderlijk bemeten worden met een meetinrichting conform de Meetcode elektriciteit. Ook hier is sprake van parallelle meting. Op de plaats van het overdrachtspunt worden evenzoveel allocatiepunten toegekend als er afzonderlijke installaties zijn. Ook deze variant is denkbaar bij zowel klein- als grootverbruikaansluitingen.

  • 62. Een kenmerk van deze variant is dat de afstand tussen de locatie van de meetinrichtingen en van het overdrachtspunt zo klein is dat er geen energieverbruik of -productie plaats kan vinden tussen het overdrachtspunt en de meetinrichtingen.

  • 63. Artikel 2.1.1.11 beschrijft een situatie die overeenkomt met de situatie in artikel 2.1.1.10, behalve dat er zich een transformator tussen de meetinrichting en het overdrachtspunt bevindt. Dit komt alleen voor bij grootverbruikaansluitingen. In deze situatie zullen de meetgegevens van de afzonderlijke meetinrichtingen gecorrigeerd moeten worden voor energieverliezen als gevolg van de transformator. Deze variant is alleen denkbaar bij grootverbruikaansluitingen.

  • 64. Artikel 2.1.1.12 betreft eenzelfde situatie als bij artikel 2.1.1.10, met dit verschil dat er nu wél een grote afstand zit tussen de onderscheiden meetinrichtingen en het overdrachtspunt. Daardoor kunnen er energieverliezen op de kabel – en eventuele transformator – tussen overdrachtspunt en de afzonderlijke meetinrichtingen optreden. Om deze te meten dient er op het overdrachtspunt een extra meetinrichting geplaatst te zijn. De meetverantwoordelijke corrigeert daarmee met deze extra meetinrichting de meetgegevens van de andere meetinrichtingen. Ook deze variant komt alleen voor bij grootverbruikaansluitingen.

  • 65. Artikel 2.1.1.13 beschrijft de situatie dat de elektrische installaties achter de aansluiting in serie staan en niet parallel, zoals in de andere varianten. Er is altijd een meetinrichting op het overdrachtspunt en ook op de grenzen tussen de installaties, waardoor er serieel wordt gemeten. De meetverantwoordelijke zorgt ervoor dat de meetgegevens van de verschillende meetinrichtingen zodanig opgeteld of afgetrokken worden dat er aan de allocatiepunten meetgegevens worden toegekend alsof de verschillende installaties elk rechtstreeks op het net waren aangesloten. Deze variant is alleen denkbaar bij grootverbruikaansluitingen.

  • 66. In de aanhef van artikel 2.1.1.9 en in onderdeel a van artikelen 2.1.1.9, 2.1.1.10 en 2.1.1.13 komt de woordcombinatie ‘niet elektrisch gekoppeld’ voor. Hiermee wordt bedoeld het ontbreken van een verbinding tussen twee installatiedelen als bedoeld in artikel 2.2.4.12 van de Netcode elektriciteit.

  • 67. Artikel 2.1.1.14 geeft aan dat de aangeslotene een keuzevrijheid heeft bij het bepalen of er parallel wordt gemeten (artikel 2.1.1.9 t/m 2.1.1.12) of serieel (artikel 2.1.1.13).

  • 68. Artikel 2.1.1.15 bevat een voorwaarde die gesteld wordt aan meetinrichtingen op grootverbruikaansluitingen om secundaire allocatiepunten te kunnen toekennen. Deze voorwaarde is nodig om de processen voor levering en programmaverantwoordelijkheid goed te laten verlopen en houdt in dat de meetinrichtingen moeten voldoen aan de eisen van een telemetriegrootverbruikmeetinrichting, zoals vastgelegd in 4.3.5 van de Meetcode elektriciteit.

Artikel III onderdeel C

  • 69. Dit artikel legt vast dat voor alle allocatiepunten geldt dat de comptabele meetinrichting de uitgewisselde elektrische energie registreert in het overdrachtspunt van de aansluiting.

Artikel III onderdeel D

  • 70. Een aansluiting kan alleen operationeel zijn als op alle allocatiepunten van de desbetreffende aansluiting de leverancier, de programmaverantwoordelijke en – bij grootverbruik – de meetverantwoordelijke bekend zijn. Een artikel waarin dat voor gewone, enkelvoudige aansluitingen, is geregeld, ontbreekt in de Netcode elektriciteit. Het gaat dan om een artikel zoals artikel 3.1.1 van de Aansluit- en transportcode gas RNB. Om dit vast te leggen wordt een nieuw artikel aan de Netcode elektriciteit toegevoegd.

Artikel IV onderdeel A

  • 71. Bij een grootverbruikaansluiting is de meetinrichting te onderscheiden in een primair en een secundair deel. Bij een gewone aansluiting is het primaire deel van de meetinrichting in beheer bij de netbeheerder en het secundaire deel in beheer bij de meetverantwoordelijke. De reden is dat het primaire deel, te weten de stroomtransformatoren en indien van toepassing de spanningstransformatoren, als het ware één geheel vormt met het deel van de verbinding van de aansluiting waaromheen ze zich bevinden. Verwisseling van de stroomtransformatoren en de spanningstransformatoren is alleen mogelijk met demontage van dat deel van de verbinding.

  • 72. Als de meetinrichting ten behoeve van het secundaire allocatiepunt zich niet op of nabij het overdrachtspunt van de aansluiting bevindt, maar vanuit het net bezien verder achter de aansluiting, zoals bij de variant van de seriële meting, kan de netbeheerder niet de beheerder van het primaire deel van de meetinrichting zijn. De aangeslotene zal in deze situatie een ander moeten aanwijzen voor het beheer van het primaire deel van de desbetreffende meetinrichting. Dit wordt vastgelegd in een nieuw artikel 2.6.5 van de Meetcode elektriciteit.

  • 73. De door de aangeslotene aangewezen beheerder van het primaire deel van de meetinrichting zal de meetverantwoordelijke van het secundaire deel van de meetinrichting moeten voorzien van alle informatie die de meetverantwoordelijke normaliter van de netbeheerder ontvangt. En meetverantwoordelijken moeten er op bedacht zijn dat in deze situatie de gegevens over het primaire deel van de meetinrichting van het allocatiepunt op een andere wijze bij de beheerder van het primaire deel aangevraagd moeten worden dan via het proces van paragraaf 2.11 van de Informatiecode elektriciteit en gas.

Artikel IV onderdeel B

  • 74. In dit artikel worden de nauwkeurigheidseisen voor de meetinrichting vastgelegd voor de situatie met serieel geplaatste meetinrichtingen bij een grootverbruikaansluiting, zoals beschreven in artikel 2.1.1.13 van de Netcode elektriciteit.

Artikel V onderdeel A

  • 75. Dit artikel geeft aan welke processen in de Systeemcode elektriciteit toegepast moeten worden per allocatiepunt in plaats van per aansluiting.

Artikel V onderdeel B-E

  • 76. Deze aanpassingen zijn redactioneel van aard.

Artikel VI onderdeel A

  • 77. Artikel 1.1.13 geeft aan welke processen in de Informatiecode elektriciteit en gas toegepast worden per allocatiepunt in plaats van per aansluiting. Daarnaast wordt in artikel 1.1.14 vastgelegd dat de netbeheerders en leveranciers bepaalde processen die op grond van hogere regelgeving toegepast moeten worden per aansluiting tevens toepassen per allocatiepunt. Artikel 1.1.15 legt vast hoe het begrip ‘aangeslotene’ moet worden gelezen in artikelen van de Informatiecode elektriciteit en gas in het geval er sprake is van een secundair allocatiepunt.

Artikel VI onderdeel B-E

  • 78. In deze artikelen wordt vastgelegd hoe de gegevens behorend bij allocatiepunten moeten worden opgenomen in de registers van hoofdstuk 2 van de Informatiecode elektriciteit en gas.

Artikel VI onderdeel H, I, K, M, Z, AA, AD, AH, AI, AN, AO, AP, AQ, AR

  • 79. Deze aanpassingen zijn redactioneel van aard.

Artikel VI onderdeel J, L, N, O, P, Q, R, S, T, U, V, W, X, Y, AB, AE, AF, AG

  • 80. De artikelen van de Informatiecode elektriciteit en gas die hier gewijzigd worden, regelen dat de bestaande processen ook goed verlopen als er sprake is van meer dan één allocatiepunt op een aansluiting.

Artikel VI onderdeel AC

  • 81. Een secundair allocatiepunt mag pas in bedrijf worden genomen zodra de meetverantwoordelijke heeft laten weten dat er een meetinrichting is geplaatst. Dat geldt in de praktijk ook voor de eerste ingebruikname van een gewone enkelvoudige aansluiting, maar die voorwaarde ontbreekt abusievelijk in de Informatiecode elektriciteit en gas. Daarom wordt een artikel toegevoegd dat de netbeheerder de opdracht geeft om de aanwezigheid van alle marktrollen te controleren voordat de aansluiting fysiek in bedrijf wordt genomen. Dit artikel heeft betrekking op zowel gewone aansluitingen als op aansluitingen met meerdere allocatiepunten op grond van het nieuwe artikel 1.1.13 van de Informatiecode elektriciteit en gas.

Artikel VI onderdeel AJ, AK, AL

  • 82. In de Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas is een aantal maatregelen opgenomen om kwetsbare consumenten te beschermen tegen het beëindigen van de energielevering. Als er twee verschillende personen op allocatiepunten van een en dezelfde aansluiting een elektriciteitsleveringscontract hebben gesloten, kunnen er onduidelijkheden ontstaan over hoe de Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas geïnterpreteerd moet worden als bijvoorbeeld een van beide leveranciers met wanbetaling geconfronteerd wordt.

  • 83. In de codes wordt daarom een beperking opgenomen dat de elektrische installatie behorend bij een secundair allocatiepunt niet mag worden gebruikt ten behoeve van bewoning van een ruimte. Daardoor zal bij eventuele afsluitkwesties wegens wanbetaling geen consument voor zijn gezondheid afhankelijk zijn van de geleverde elektriciteit op een secundair allocatiepunt. Daarnaast is het dan voor het secundaire allocatiepunt ook niet van belang in welke kalendermaand een eventuele afsluitkwestie speelt. Deze beperking is niet in strijd met de Europese Richtlijnen genoemd in randnummer 14 en 15. Richtlijn 2009/72/EG is immers gericht op grootverbruikaansluitingen en Richtlijn 2014/94/EU is bedoeld voor installaties achter een aansluiting die bestemd zijn voor elektrisch vervoer.

Artikel VI onderdeel AM

  • 84. Deze bepaling in de Informatiecode elektriciteit en gas is niet meer actueel en kan daarom vervallen.

Artikel VII

  • 85. De wijzigingen in dit codebesluit betekenen dat de ondernemingen die actief zijn in de energiesector hun processen en systemen aan moeten passen om aan de gewijzigde regels te voldoen. De indieners hebben na overleg met de brancheverenigingen in de energiesector de ACM laten weten dat de betrokken ondernemingen voor deze aanpassing de tijd nodig hebben tot medio maart 2018. De ACM acht dit geen onredelijke termijn en bepaalt daarom dat het besluit op 24 maart 2018 in werking treedt.

7 Reactie op ontvangen zienswijzen

  • 86. De ACM heeft van verschillende organisaties een schriftelijke zienswijze ontvangen dan wel een mondelinge zienswijze tijdens de hoorzitting.9 In de volgende paragrafen geeft de ACM weer hoe zij met de zienswijzen is omgegaan.

  • 87. De ACM toetst eerst de ontvankelijkheid van de zienswijzen. Daarna behandelt de ACM de zienswijzen inhoudelijk. De zienswijzen hadden voor het merendeel betrekking op drie onderwerpen: de reikwijdte van het besluit voor een GDS, de vereiste nauwkeurigheid van de meetinrichting en de bepaling van het transportonafhankelijk verbruikerstransporttarief. Om die reden worden de zienswijzen behandeld per onderwerp. Daarna worden de overige punten in de zienswijzen besproken.

7.1 Ontvankelijkheid

  • 88. De ACM toetst de ontvankelijkheid van de zienswijzen door te beoordelen of partijen belanghebbende zijn en of de zienswijze tijdig is ingediend. De ACM concludeert dat alle zienswijzen tijdig zijn ingediend.

  • 89. De zienswijze van Duurzaam Drimmelen is naar het oordeel van de ACM niet ontvankelijk. Op 15 april 2016 heeft de ACM aan Duurzaam Drimmelen verzocht te onderbouwen waarom Duurzaam Drimmelen als belanghebbende kan worden gekwalificeerd. De ACM heeft daarbij verzocht statuten te overleggen en een bewijs van vertegenwoordigingsbevoegdheid. Duurzaam Drimmelen heeft hier niet op gereageerd. Om deze reden gaat de ACM niet in op de zienswijze van Duurzaam Drimmelen.

7.2 Gesloten distributiesystemen

  • 90. Over de reikwijdte van het besluit voor een GDS heeft de ACM zienswijzen ontvangen van Fudura B.V. (hierna: Fudura), Netbeheer Nederland, Schiphol Nederland B.V. (hierna: Schiphol), TenneT TSO B.V. (hierna: Tennet) en VEMW.

7.2.1 Toepassing van het besluit voor gesloten distributiesystemen
  • 91. Uit verschillende zienswijzen volgt dat in het ontwerpbesluit niet duidelijk is aangegeven of de aansluiting van een GDS onder de reikwijdte van dit besluit valt. Schiphol en VEMW ageren om deze reden tegen de zinsnede ‘niet zijnde een aansluiting van een net op een ander net’ in artikel 2.1.1.8 van het ontwerpbesluit. De zinsnede wordt herhaald in de artikelen 2.1.1.9 en 2.1.1.10. Schiphol en VEMW wijzen de ACM er op dat een GDS door de wetgever is gedefinieerd als net. Door deze zinsnede in genoemde artikelen op te nemen sluit de ACM uit dat er allocatiepunten toegekend kunnen worden aan de aansluiting van een GDS op het net van een netbeheerder. Schiphol en VEMW stellen verder dat deze zinsnede niet in lijn is met randnummer 48 van de toelichting van het ontwerpbesluit. Daar geeft de ACM juist aan dat een GDS-beheerder – als afnemer op het net van een netbeheerder – de mogelijkheid heeft te kiezen voor meerdere leveranciers op een aansluiting. Om die reden stellen Schiphol en VEMW voor de betreffende zinsnede te schrappen uit de genoemde artikelen.

  • 92. Netbeheer Nederland constateert in haar zienswijze dezelfde tegenstrijdigheid tussen de toelichting en de artikelen uit het ontwerpbesluit over de toepassing van dit besluit op een GDS.

  • 93. Netbeheer Nederland is van mening dat de ACM GDS-eigenaren moet uitsluiten van de mogelijkheid om meerdere leveranciers te contracteren. In haar zienswijze onderbouwt Netbeheer Nederland dit standpunt met de volgende argumentatie. Een GDS-eigenaar is zelf verantwoordelijk voor het mogelijk maken van derdentoegang en moet ervoor zorgen dat de afnemers op een GDS meerdere leveranciers mogen contracteren. Het codebesluit van de ACM mag naar de mening van Netbeheer Nederland niet gebruikt worden als instrument om derdentoegang op een GDS te faciliteren. Netbeheer Nederland constateert echter dat in de specifieke situatie van een GDS-aansluiting met slechts één afnemer al sprake is van derdentoegang als de GDS-eigenaar voor zijn eigen installatie een secundair allocatiepunt aanvraagt bij de netbeheerder. Netbeheer Nederland stelt daarop dat een netbeheerder niet mag discrimineren tussen een GDS met één afnemer en een GDS met meerdere afnemers.

  • 94. Netbeheer Nederland stelt voor om de zinsnede ‘niet zijnde een aansluiting van een net op een ander net’ ook toe te voegen in het nieuwe artikel 2.1.1.13 van de Netcode elektriciteit, uit oogpunt van consistentie met de artikelen 2.1.18, 2.1.1.9 en 2.1.1.10. Fudura sluit zich bij dit punt aan.

  • 95. Alvorens in te gaan op de zienswijzen licht de ACM toe dat zij de zinsnede ‘niet zijnde een aansluiting van een net op een ander net’ heeft overgenomen uit het codevoorstel. De bedoeling van het codevoorstel was om aansluitingen tussen netten van netbeheerders uit te sluiten van de mogelijkheid tot het toekennen van allocatiepunten. De netbeheerders bevestigen dit in hun zienswijze.10 De indieners van het codevoorstel en de ACM hebben niet beoogd om een GDS dat is aangesloten op een net van een netbeheerder op deze wijze uit te sluiten. In het ontwerpbesluit blijkt dit uit het bovengenoemde randnummer 48 van de toelichting, waarin deze mogelijkheid ongeclausuleerd is uitgesproken. Overigens refereert de ACM in de betreffende passage van het ontwerpbesluit abusievelijk aan de GDS-beheerder als de partij die recht heeft op het contracteren van meerdere leveranciers. De ACM bedoelt echter de GDS-eigenaar, die een afnemer is in de zin van de wet. De GDS-beheerder hoeft dit niet per se te zijn. In de toelichting bij het onderhavige besluit is dit gecorrigeerd.

  • 96. De ACM constateert dat Netbeheer Nederland met haar zienswijze dat GDS-aansluitingen moeten worden uitgesloten, ingaat tegen het oorspronkelijke codevoorstel dat mede door Netbeheer Nederland is ingediend.

  • 97. De ACM is van mening dat een ieder die is aangesloten op een net van een netbeheerder aan te merken is als afnemer van die netbeheerder. Dit geldt net zo goed voor GDS-eigenaren. Die zijn met hun aansluiting in technische zin niet te onderscheiden van overige afnemers. Nergens in de wet- en regelgeving is een grond te vinden die een dergelijke uitsluiting zou rechtvaardigen.

  • 98. De ACM is verder van mening dat afnemers die zijn aangesloten op een GDS te onderscheiden zijn van de GDS-eigenaar die is aangesloten op het net van een netbeheerder. De ACM gaat in paragraaf 2.3 verder in op de positie van de afnemers op een GDS.

  • 99. De specifieke situatie die Netbeheer Nederland beschrijft van een GDS met slechts één afnemer leidt niet tot een andere conclusie. Het besluit geldt immers alleen voor aansluitingen van de GDS-eigenaar en niet voor de aansluitingen van een afnemer op een GDS. Ook in de specifieke situatie die Netbeheer Nederland beschrijft, blijft de GDS-eigenaar de contractant voor de levering van elektriciteit op het primaire allocatiepunt. De ACM kan zich daarom niet vinden in de zienswijze van Netbeheer Nederland om een GDS-eigenaar uit te sluiten van het recht om meerdere leveranciers te contracteren voor zijn eigen installatie-onderdelen.

  • 100. De ACM is het met Schiphol en VEMW eens dat de zinsnede ‘niet zijnde een aansluiting van een net op een ander net’ neerkomt op juridische uitsluiting van GDS-eigenaren en beheerders van private netten11 die zijn aangesloten op de netten van netbeheerders. Dat is niet de bedoeling. Om gerezen onduidelijkheden weg te nemen over de reikwijdte van het besluit voor een GDS, kiest de ACM ervoor de tekst van het artikel 2.1.1.8 van de Netcode elektriciteit ten opzichte van het ontwerpbesluit aan te passen. Met de aanpassing maakt de ACM duidelijk dat alleen aansluitingen tussen netten van netbeheerders zijn uitgesloten van het contracteren van meerdere leveranciers. Daarnaast vervangt de ACM de genoemde zinsnede in de artikelen 2.1.1.9 en 2.1.1.10 door een verwijzing naar artikel 2.1.1.8, en voegt eenzelfde verwijzing toe aan artikel 2.1.1.13. Inhoudelijk verandert er door deze wijzigingen niets aan de bedoeling van de ACM met het ontwerpbesluit en de bedoeling van de indieners van het codevoorstel.

  • 101. Met deze wijzigingen komt de ACM zowel tegemoet aan de wens van Schiphol en VEMW in deze, als aan de bezwaren van Netbeheer Nederland tegen het schrappen van betreffende zinsnede, als aan het verzoek van Netbeheer Nederland en Fudura om de restrictie voor aansluitingen van netten van andere netbeheerders ook op te nemen in artikel 2.1.1.13.

7.2.2 Relatie met het gebruik van het berichtenverkeer bedoeld in paragraaf 3.8 van de Systeemcode elektriciteit
  • 102. TenneT schaart zich achter de zienswijze van Netbeheer Nederland om GDS-eigenaren uit te sluiten van het recht op het contracteren van meerdere leveranciers. TenneT bepleit de invoeging van een nieuw artikel 2.1.1.16 voor zover de ACM de zienswijze van Netbeheer Nederland niet volgt. Hierboven heeft de ACM aangegeven niet mee te gaan met de zienswijze van Netbeheer Nederland en om die reden gaat de ACM op het voorstel van TenneT in.

  • 103. Met artikel 2.1.1.16 beoogt TenneT te bereiken dat een GDS-eigenaar die gebruik maakt van het berichtenverkeer, zoals geregeld in artikel 3.8.1 van de Systeemcode elektriciteit, niet in aanmerking komt voor meer dan één allocatiepunt.

  • 104. De ACM kan zich hier om de volgende redenen niet mee verenigen. Allereerst zou het leiden tot discriminatie binnen een groep van identieke afnemers. Er is geen technisch of anderszins gerechtvaardigd onderscheid tussen GDS-eigenaren die wél en GDS-eigenaren die geen gebruik maken van het elektronisch berichtenverkeer bedoeld in artikel 3.8.1 van de Systeemcode elektriciteit. Er is dus geen reden om tussen deze groepen onderscheid te maken.

  • 105. Verder vindt de ACM vindt dat TenneT hier een onderwerp opwerpt dat gescheiden moet worden van dit besluit. Het onderhavig codebesluit maakt het mogelijk dat de GDS-eigenaar voor zijn eigen installaties op zijn net kan kiezen uit meerdere leveranciers. De regeling in de Systeemcode elektriciteit gaat over de situatie dat de GDS-eigenaar berichten verstuurt als ware hij netbeheerder voor afnemers op zijn eigen GDS, zodat deze derden gebruik kunnen maken van hun recht op leverancierskeuze.

  • 106. TenneT signaleert een aantal problemen als het door haar voorgestelde artikel niet zou worden ingevoerd. Zo stelt TenneT dat de onbalansbepaling bij een net-op-net aansluiting de onbalans tweemaal gealloceerd zou worden, namelijk eenmaal aan de net-op-netaansluiting en eenmaal aan de aansluiting van de derde op het achterliggende net. Een ander probleem dat TenneT signaleert is dat verantwoordelijkheden onduidelijk worden, dat er ongewenste disputen kunnen ontstaan en dat er vermenging kan zijn van commerciële en gereguleerde belangen als GDS-eigenaren gebruik kunnen maken van het berichtenverkeer bedoeld in artikel 3.8.1 en van meerdere leveranciers op een aansluiting.

  • 107. De ACM volgt het standpunt van TenneT over de onbalans niet, omdat de ACM de eigenaar van een GDS op dezelfde manier moet benaderen als een andere afnemer. Als de ACM TenneT volgt in haar zienswijze dan komt dat er de facto op neer dat de GDS-eigenaar die deelneemt aan het berichtenverkeer van artikel 3.8.1 Systeemcode elektriciteit uitgesloten is van zijn recht op leverancierskeuze voor installaties die aan zijn eigen aansluiting zijn gekoppeld. Dit is in strijd met de Richtlijn 2009/72/EG. De ACM constateert daarnaast dat de indieners van het codevoorstel een dergelijk voorstel niet in het codevoorstel hebben opgenomen. Als de netbeheerders een dergelijke bepaling willen introduceren in de codes, dan ligt het voor de hand dat dit gaat via een regulier codevoorstel bij de ACM, zodat representatieve organisaties zich er over kunnen uitlaten.

  • 108. De ACM merkt verder op dat de mogelijkheid voor het ontstaan van disputen niet een geldige reden kan zijn om de vaststelling van een regeling tegen te houden. Bij iedere codewijziging kunnen in principe disputen ontstaan over de uitvoering ervan. Wijziging van de codes zou dan niet meer mogelijk zijn. Bovendien merkt de ACM op dat TenneT geen onderbouwing voor de door haar geschetste problematiek aanvoert. De ACM heeft zelf evenmin aanwijzingen gevonden voor onduidelijke verantwoordelijkheden en vermenging van belangen in de situatie dat GDS-eigenaren zowel gebruik maken van het berichtenverkeer bedoeld in artikel 3.8.1 als van de regeling om meerdere leveranciers op een aansluiting te contracteren. Het gaat naar de mening van de ACM om gescheiden regelingen die verschillende onderwerpen betreffen. Als er onduidelijkheden zouden zijn dan had het op de weg van TenneT gelegen om met onderbouwing hiervoor te komen.

  • 109. Op grond van het bovenstaande neemt de ACM de zienswijze van TenneT niet over. De ACM ziet niet in waarom het voorliggende voorstel tot ongelijke behandeling van gelijke gevallen leidt. Niet valt in te zien dat onderscheid moet worden gemaakt binnen de categorie afnemers, die tevens GDS-eigenaar zijn. Als er uitvoeringsproblemen ontstaan met de regeling in paragraaf 3.8 van de Systeemcode elektriciteit staat het TenneT vrij om hiervoor een voorstel tot codewijziging in te dienen bij de ACM.

7.2.3 Reikwijdte van het besluit voor afnemers aangesloten op een gesloten distributiesysteem
  • 110. Schiphol en VEMW zijn het niet eens met de beperkte reikwijdte van het ontwerpbesluit, waardoor afnemers die zijn aangesloten op een GDS niet onder het besluit vallen. Schiphol en VEMW vinden dat het codebesluit er in moet voorzien dat een netbeheerder voor de GDS-eigenaar, naast het toekennen van het primaire allocatiepunt, voor alle afnemers op het GDS eveneens secundaire allocatiepunten moet toekennen. Daardoor is derdentoegang op een GDS makkelijker te realiseren en kunnen GDS-eigenaren toegang krijgen tot de centrale systemen van de netbeheerders zoals het Centraal Aansluitingen Register. Daarmee kan de ACM bewerkstelligen dat de marktfacilitering voor afnemers op een GDS niet volgens andere procedures gaat dan voor afnemers die zijn aangesloten op een net van een netbeheerder.

  • 111. Fudura is er daarentegen geen voorstander om de reikwijdte van het codebesluit uit te breiden tot afnemers die zijn aangesloten op een GDS. De GDS-beheerder zou dan aan afnemers aangesloten op het GDS de mogelijkheid kunnen bieden om meerdere leveranciers te contracteren. Fudura ziet een dergelijke uitbreiding van het codebesluit als een aantasting van haar taakuitoefening in de vrije sector en zij vindt dit een onwenselijke situatie in het kader van het level playing field.

  • 112. De ACM reageert op bovenstaande zienswijzen als volgt. De ACM heeft in haar ontwerpbesluit de reikwijdte van het codebesluit vastgesteld overeenkomstig het ingediende codevoorstel. Dat betekent dat afnemers die zijn aangesloten op een GDS niet onder het codebesluit vallen. Het verzoek van Schiphol en VEMW betekent derhalve een uitbreiding van het ingediende codevoorstel. De NEDU heeft tijdens de hoorzitting aangevoerd dat bij het ontwikkelen van het codevoorstel deze groep afnemers ook niet in beeld is geweest, zodat zonder nader onderzoek een dergelijke wijziging niet zonder meer kan worden gerealiseerd. De ACM deelt deze mening van de NEDU. De ACM constateert daarnaast dat de voorgestelde uitbreiding niet noodzakelijk is voor het onderhavige codebesluit.

  • 113. Op grond van het bovenstaande gaat de ACM niet mee in deze zienswijzen van Schiphol en VEMW en laat daarmee de reikwijdte van het besluit intact. De ACM komt daarom niet toe aan de behandeling van de zienswijze van Fudura.

7.2.4 Conclusie
  • 114. Het bovenstaande heeft ertoe geleid dat de ACM de formulering van de artikelen 2.1.1.8, 2.1.1.9, 2.1.1.10, 2.1.1.13 van de Netcode elektriciteit heeft aangepast. Daarmee past de ACM de inhoud van het codevoorstel en het ontwerpbesluit niet aan, maar neemt zij de onduidelijkheid weg over de toepasbaarheid van het besluit voor gesloten distributiesystemen.

7.3 Nauwkeurigheid van de meetinrichting

  • 115. De ACM heeft zienswijzen van Netbeheer Nederland en VMNED ontvangen over de vereiste nauwkeurigheid van de meetinrichting die is gerelateerd aan een secundair allocatiepunt. Deze zienswijzen komen geheel met elkaar overeen, zodat zij hieronder tezamen besproken worden.

7.3.1 Toevoeging van artikel 4.3.1.4 van de Meetcode elektriciteit
  • 116. Netbeheer Nederland en VMNED zijn het niet eens met de toevoeging door de ACM van het artikel 4.3.1.4 van de Meetcode elektriciteit aan het oorspronkelijke codewijzigingsvoorstel. In dit artikel worden de nauwkeurigheidseisen vastgelegd voor de meetinrichtingen gerelateerd aan secundaire allocatiepunten in de situatie met serieel geplaatste meetinrichtingen bij een grootverbruikaansluiting.

  • 117. Netbeheer Nederland en VMNED refereren aan artikel 4.1.1.1 van de Meetcode elektriciteit. Daarin is vastgelegd dat de capaciteit, het ontwerp en de aanleg van de meetinrichting, met inbegrip van het primaire deel van de meetinrichting, in overeenstemming moeten zijn met de op de desbetreffende aansluiting gecontracteerde transportcapaciteit, dan wel met de doorlaatwaarden van de aansluiting. Volgens Netbeheer Nederland en VMNED dient dit artikel zo gelezen te worden dat het zinsdeel ‘op de aansluiting gecontracteerde transportcapaciteit’ hoort bij een grootverbruikaansluiting en het zinsdeel ‘doorlaatwaarde van de aansluiting’ bij een kleinverbruikaansluiting, of eventueel een aansluiting als bedoeld in artikel 1, tweede en derde lid van de E-wet, kleiner dan of gelijk aan 3x80A. Zij verwijzen daarbij naar de argumentatie in de reactie van Netbeheer Nederland op de wijzigingsopdracht van de ACM.

  • 118. De ACM deelt deze interpretatie van artikel 4.1.1.1 van de Meetcode elektriciteit niet. Een dergelijke beperkte uitleg van het artikel 4.1.1.1 vindt namelijk geen grond in de formulering van het artikel. Daarnaast kan de ACM zich ook niet vinden in de argumentatie zoals weergegeven in de reactie van Netbeheer Nederland op de wijzigingsopdracht van ACM. Daarin zijn volgens Netbeheer Nederland en VMNED enkele artikelen van de Meetcode elektriciteit genoemd die onderbouwen dat het begrip doorlaatwaarde alleen van toepassing is op genoemde kleine aansluitingen. Het gaat daarbij om de artikelen B1.1, B1.2 en B1.7 van de Meetcode elektriciteit, waarin staat dat een maatstaf voor de (on)nauwkeurigheid van de meetinrichtingen het gecontracteerde vermogen is. De ACM verwijst echter naar artikelen B1.3, en B1.9 van de Meetcode elektriciteit, waar de doorlaatwaarde (het maximaal vermogen) van de productie-installatie wordt gehanteerd. De ACM concludeert hieruit dat ook voor grote aansluitingen op grond van artikel 4.1.1.1 van de Meetcode elektriciteit de doorlaatwaarde gehanteerd kan worden als een maatstaf voor het ontwerp van de comptabele meetinrichtingen.

  • 119. Voorts merkt de ACM op dat met name aansluitingen waarachter een of meerdere productie-installaties opgesteld zijn, gebruik zullen maken van de mogelijkheid om meerdere leveranciers te contracteren. De nauwkeurigheid van de meetinrichtingen voor zulke aansluitingen is op dit moment volgens de Meetcode elektriciteit geregeld op basis van doorlaatwaarde. De zienswijze van Netbeheer Nederland en VMNED zou een wijziging betekenen van deze gangbare en toegestane praktijk in de codes. Voorts zou dit tot kosten leiden voor afnemers in bestaande situaties.

  • 120. Het standpunt van de ACM – de nauwkeurigheidseisen moeten gerelateerd worden aan de grootte van de capaciteit (doorlaatwaarde) van het betreffende allocatiepunt – is voorts geheel in lijn met de processen die zijn uitgewerkt voor de vaststelling van de met het net uitgewisselde elektrische energie en de processen als allocatie en reconciliatie, waar eveneens optellingen worden gedaan van meterstanden van meetinrichtingen op aansluitingen met uiteenlopende capaciteiten.

  • 121. Verder stellen Netbeheer Nederland en VMNED in hun zienswijze dat in artikel 4.1.1.1 van de Meetcode elektriciteit de aansluiting als geheel het onderscheidende criterium is, onafhankelijk van het aantal individuele verbindingen dat die aansluiting omvat of de capaciteit van die individuele verbindingen. Zij stellen dat slechts het totaal op de aansluiting telt.

  • 122. De ACM is het eens met Netbeheer Nederland en VMNED dat voor het ontwerp en de aanleg van de meetinrichting op de aansluiting – dus op het primaire allocatiepunt – de op de aansluiting gecontracteerde transportcapaciteit bepalend is voor de nauwkeurigheid van de meetinrichting. Voor wat betreft het ontwerp en de aanleg van de meetinrichting op het secundaire allocatiepunt bij een seriële plaatsing van de meetinrichtingen blijft de ACM van mening dat de doorlaatwaarde van het betreffende secundaire allocatiepunt maatgevend is.

  • 123. Tot slot constateert de ACM dat Netbeheer Nederland en VMNED niet ingaan op de opmerking van de ACM in het ontwerpbesluit dat het oorspronkelijke codevoorstel van Netbeheer Nederland en NEDU onnodige financiële lasten veroorzaakt voor afnemers12 door te eisen dat identieke meetinrichtingen moeten worden aangelegd, terwijl de installatie waarvoor het tweede allocatiepunt wordt aangevraagd een veel lagere doorlaatwaarde heeft. In sommige gevallen zal – bij een groot verschil tussen de capaciteit van het primaire en secundaire allocatiepunt – het oorspronkelijke codevoorstel eisen aan de meetinrichting stellen die technisch onuitvoerbaar zijn, zoals reeds in randnummer 44 is aangegeven.

  • 124. Samenvattend concludeert de ACM dat het toegevoegde artikel 4.3.1.4 van de Meetcode elektriciteit niet in strijd is met artikel 4.1.1.1 van de Meetcode elektriciteit, maar juist daarmee in overeenstemming is. De ACM handhaaft het artikel daarom in dit besluit, zodat daarmee onnodige financiële lasten voor afnemers vermeden kunnen worden.

7.3.2 Formulering van artikel 4.3.1.4 van de Meetcode elektriciteit
  • 125. Netbeheer Nederland en VMNED hebben in hun zienswijze een zestal bezwaren ingebracht tegen de formulering van het door de ACM voorgestelde artikel 4.1.3.4 van de Meetcode elektriciteit.

  • 126. Ten eerste vinden Netbeheer Nederland en VMNED dat de zinsnede ‘het vermogen dat maximaal op de verbinding tussen beide installaties kan worden uitgewisseld’ niet duidelijk maakt wie dit vermogen moet vaststellen en op welke wijze dat dient te gebeuren.

  • 127. De ACM is het met Netbeheer Nederland eens dat de zinsnede op deze punten onduidelijk is geformuleerd in het ontwerpbesluit. De ACM heeft daarom het artikel aangepast in dit besluit door een formulering te kiezen conform artikel 4.1.1.1 van de Meetcode elektriciteit. Dat wil zeggen dat de zinsnede is veranderd in ‘de doorlaatwaarde van het betreffende allocatiepunt’. Daarmee is de doorlaatwaarde van het betreffende allocatiepunt leidend voor het ontwerp en de aanleg van de meetinrichting op het secundaire allocatiepunt. Voor de volledigheid merkt de ACM op dat de doorlaatwaarde van een secundair allocatiepunt afgestemd is op de beveiliging van de installatie achter het betreffende allocatiepunt.

  • 128. Ten tweede vragen Netbeheer Nederland en VMNED zich af of met ‘de beheerder van de meetinrichting’ de in artikel 2.6.5. bedoelde beheerder van de Meetcode elektriciteit wordt bedoeld.

  • 129. De ACM beantwoordt deze vraag bevestigend en heeft de bewoordingen van artikel 4.3.1.4 van de Meetcode elektriciteit om die reden aangepast ten opzichte van het ontwerpbesluit, zodat expliciet wordt gemaakt dat bovengenoemde beheerder is bedoeld.

  • 130. In de derde plaats stellen beide partijen in hun zienswijzen dat in artikel 4.3.1.4 van de Meetcode elektriciteit onduidelijk is hoe de meetverantwoordelijke aan de informatie komt voor de dimensionering van de meetinrichting.

  • 131. De ACM is van mening dat deze onduidelijkheid is opgeheven, nu het betreffende artikel zo is aangepast ten opzichte van het ontwerpbesluit dat de formulering van het artikel aansluit bij de praktijk in de huidige codes. Daarin inventariseert de meetverantwoordelijke zelf wat de doorlaatwaarde is van een secundair allocatiepunt. Daarna ontwerpt hij de meetinrichting en legt deze aan, aan de hand van de doorlaatwaarde of de beveiliging van de installatie achter het secundaire allocatiepunt. De ACM formuleert in artikel 4.3.1.4 van de Meetcode elektriciteit dus geen andere of aanvullende eisen dan wat op dit moment gebruikelijk is in de sector.

  • 132. Als vierde punt vinden Netbeheer Nederland en VMNED dat er onduidelijkheid is over hoe andere partijen de informatie van de meetverantwoordelijke over het secundaire allocatiepunt kunnen controleren.

  • 133. De ACM stelt daar tegenover dat artikel 4.3.1.4 van de Meetcode elektriciteit uitgaat van het principe dat informatie-uitwisseling over secundaire allocatiepunten op identieke wijze geschiedt als de informatie-uitwisseling over primaire allocatiepunten. De ACM verwijst hierbij naar de standaard processen in de Informatiecode elektriciteit en gas. De rol van een meetverantwoordelijke partij en de rol van de netbeheerder veranderen dus niet met dit besluit. Volledigheidshalve verwijst de ACM naar de taak van de netbeheerder volgens artikel 16, eerste lid, onderdeel h, E-wet. In dit artikel zijn diverse taken geformuleerd. Zo moet de netbeheerder op verzoek van een producent vaststellen of diens productie-installatie geschikt is voor de opwekking van duurzame elektriciteit. Op grond van hetzelfde lid moet hij tevens vaststellen of sprake is van een installatie voor warmtekrachtkoppeling met een bij ministeriële regeling vast te stellen mate van reductie van de uitstoot van kooldioxide. Tot slot dient de netbeheerder op basis van dezelfde bepaling vast te stellen of sprake is van een installatie voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, alsmede of de meetinrichting geschikt is voor het meten van de elektriciteit die met de productie-installatie wordt opgewekt en op een net of een installatie ingevoed. Bij al deze taken kijkt de netbeheerder met behulp van het betreffende meetbedrijf diep achter de aansluiting op grond van de processen die zijn vastgelegd in de Meetcode elektriciteit. De ACM ziet daarom geen reden waarom de informatie die verstuurd wordt op grond van het nieuwe artikel 4.3.1.4 op basis van dezelfde Meetcode elektriciteit vragen zou kunnen oproepen.

  • 134. Netbeheer Nederland en VMNED stellen ten vijfde dat het niet duidelijk is of artikel 4.3.1.4 van de Meetcode elektriciteit een uitzondering maakt op artikel 2.1.1.15 waarin de eis is vastgelegd dat de serieel geplaatste meetinrichting een telemetriegrootverbruikmeetinrichting is.

  • 135. De ACM heeft in artikel 4.3.1.4 van de Meetcode elektriciteit geen uitzondering op artikel 2.1.1.15 geformuleerd. Dat betekent dat artikel 2.1.1.15 van de Meetcode elektriciteit onverminderd van toepassing is. Met andere woorden, als op een serieel secundair allocatiepunt artikel 2.1.1.13 toegepast wordt, moet een telemetriegrootverbruikmeetinrichting aanwezig zijn op zowel het primaire als het secundaire allocatiepunt. De ACM acht het niet nodig om dit in de formulering van artikel 4.3.1.4 expliciet te maken.

  • 136. Met bovenstaande verduidelijking is het niet nodig verder in te gaan op het zesde punt van de zienswijze van Netbeheer Nederland en VMNED. Daarin zeggen zij een tegenspraak te zien tussen wat wordt bedoeld met aansluiting en met allocatiepunt, als de ACM in artikel 4.3.1.4 wél een uitzondering op artikel 2.1.1.5 van de Meetcode elektriciteit zou hebben bedoeld.

7.3.3 Conclusie
  • 137. De ACM handhaaft het nieuwe artikel 4.3.1.4 van de Meetcode elektriciteit. Wel wordt de formulering van artikel 4.3.1.4 zo gewijzigd dat twee door Netbeheerder Nederland en VMNED genoemde zinsneden in het artikel worden verduidelijkt.

7.4 Transportonafhankelijk verbruikerstransporttarief

  • 138. Over de reikwijdte van het besluit voor het transportonafhankelijk verbruikerstransporttarief heeft de ACM een zienswijze ontvangen van Netbeheer Nederland.

  • 139. In het ingediende codevoorstel was een nieuw artikel in de Tarievencode elektriciteit opgenomen (artikel 3.8.2). Daarin werd bepaald dat het transportonafhankelijke verbruikerstransporttarief per allocatiepunt in rekening moet worden gebracht bij de aangeslotene. De ACM heeft dit artikel niet overgenomen in het ontwerpbesluit. Netbeheer Nederland is het niet eens met deze keuze van de ACM en verzoekt alsnog het voorgestelde artikel op te nemen in het besluit.

  • 140. Naar de mening van Netbeheer Nederland doet het geen recht aan het kostenveroorzakingsprincipe om kosten die veroorzaakt worden door het uitvoeren van de processen van de Informatiecode elektriciteit en gas per aansluiting in rekening te brengen. Een verdeling van de kosten per aansluiting leidt volgens haar tot een tarief waarmee aangeslotenen op een aansluiting zonder secundaire allocatiepunten meebetalen aan kosten die horen bij aangeslotenen op een aansluiting met secundaire allocatiepunten.

  • 141. De ACM is van oordeel dat Netbeheer Nederland niet aantoont dat met haar benadering meer recht wordt gedaan aan het kostenveroorzakingsbeginsel. Door meerdere keren het transportonafhankelijke verbruikerstransporttarief in rekening te brengen per aansluiting wanneer deze meer allocatiepunten heeft, zou een afnemer naar de mening van de ACM meerdere keren betalen voor de activiteiten die aan het transportonafhankelijke verbruikerstransporttarief ten grondslag liggen. De ACM refereert aan het feit dat bedoelde activiteiten via standaard processen verlopen die volledig geautomatiseerd zijn.

  • 142. Daarnaast constateert de ACM dat Netbeheer Nederland in haar zienswijze niet de argumenten van de ACM weerlegt dat: 1) er geen grondslag is in de E-wet om het transportonafhankelijke verbruikerstarief voor de secundaire allocatiepunten in rekening te brengen en 2) het voor de vaststelling van het transportonafhankelijke transporttarief, als bedoeld in artikel 3.2.2 van de Tarievencode elektriciteit, niet relevant is wat de omvang is van handelingen die in de marktfaciliterende processen plaatsvinden.

  • 143. Op basis van het bovenstaande ziet de ACM geen aanleiding om het besluit op dit onderwerp aan te passen.

7.5 Overige onderwerpen

7.5.1 Definitie van aansluit- en transportovereenkomst
  • 144. Op verzoek van de ACM heeft Netbeheer Nederland na de publicatie van het ontwerpbesluit een voorstel toegestuurd aan de ACM voor het opnemen van het begrip ‘Aansluit- en transportovereenkomst’ in de Begrippencode elektriciteit. De definitie van dit begrip dient ter verduidelijking van het voorstel en is opgesteld analoog aan de definitie die al voor de gascodes geldt. De ACM heeft deze voorgestelde definitie voorafgaand aan de hoorzitting per e-mail aan de deelnemers gestuurd en ook ingebracht tijdens de hoorzitting. Aangezien alle aanwezigen zich konden vinden in het voorstel heeft de ACM dit overgenomen in het definitieve besluit.

7.5.2 Andere varianten voor het contracteren van meerdere leveranciers
  • 145. In haar zienswijze stelt Allego B.V. dat de ACM ten onrechte een bepaalde variant voor vrije leverancierskeuze niet in haar wijzigingsopdracht had meegenomen. Het gaat om de variant ‘Meerdere leveranciers voor de gehele aansluiting, tegelijkertijd.’ De zienswijze van Allego B.V. komt erop neer dat zij het ontwerpbesluit onderschrijft maar dat de ACM een wijzigingsopdracht aan de aangewezen partijen in de energiesector moet geven om alsnog deze variant uit te werken.

  • 146. De ACM concludeert dat het verzoek van Allego B.V. niet gericht is op de inhoud van dit besluit. De ACM neemt het verzoek in overweging. De behandeling van het verzoek valt echter buiten de reikwijdte van deze codewijziging en daarom zal de ACM hier niet op beslissen in dit besluit.

7.5.3 Inwerkingtredingsdatum
  • 147. De indieners hebben in het oorspronkelijke voorstel aangegeven dat de aanpassingen uiterlijk 25 november 2017 gerealiseerd zullen worden. Netbeheer Nederland heeft in haar zienswijze toegelicht dat deze termijn bij nader inzien niet haalbaar is, omdat de processen en systemen in dezelfde periode ook voor andere doeleinden moeten worden aangepast. Netbeheer Nederland heeft na overleg met brancheverenigingen in de energiesector in haar zienswijze voorgesteld de inwerkingtreding uit te stellen tot 24 maart 2018. De ACM acht dit geen onredelijke termijn en bepaalt daarom dat het besluit op die datum in werking treedt.

’s-Gravenhage, 13 juli 2017

De Autoriteit Consument en Markt, namens deze: F.J.H. Don bestuurslid


X Noot
1

Besluit van de ACM van 14 augustus 2014, kenmerk ACM/DE/2014/204581, zaaknummer 13.0877.53.

X Noot
2

Richtlijn 2009/72/EG van het Europees parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van de Richtlijn 2003/54/EG (PbEU 2009 L 211/55).

X Noot
3

Richtlijn 2014/94/EU van het Europees parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (PbEU 2014 L 307/1).

X Noot
4

De brief van de ACM aan Netbeheer Nederland met kenmerk ACM/DE/2016/201119, dd. 2 maart 2016 en de brief van de ACM aan NEDU met kenmerk ACM/DE/2016/201120, dd. 2 maart 2016.

X Noot
5

Waar in deze toelichting gesproken wordt over een meetinrichting, wordt steeds een comptabele meetinrichting bedoeld.

X Noot
6

Zie artikel V, zevende lid, van de Wet van 12 juli 2012 tot wijziging van de Elektriciteistwet 1998 en van de Gaswet en de definitie van artikel 7.3.1.4. van de Netcode elektriciteit.

X Noot
7

Zie onder meer de uitspraak van de Hoge Raad van 12 november 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BN7888).

X Noot
8

Zie randnummer 140.

X Noot
9

Zie randnummer 8.

X Noot
10

Zie de brief van Netbeheer Nederland, kenmerk BR – 17 – 1292, d.d.5 april 2017, bladzijde 5.

X Noot
11

Dit zijn netten zoals gedefineerd in artikel 7.3.1.4. van de Netcode elektriciteit.

X Noot
12

Zie randnummer 41 uit het ontwerpbesluit, alsook de wijzigingsopdracht waarin de ACM dit standpunt reeds naar voren heeft gebracht.