Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatscourant 2017, 39552Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 5 juli 2017, nr. WJZ / 17108187, houdende regels ten aanzien van de uitvoering van de gemeenschappelijke marktordening groenten en fruit (Regeling uitvoering GMO groenten en fruit 2017)

De Staatssecretaris van Economische Zaken;

Gelet op de artikelen 1, 3, 32 tot en met 34, 36, 152 tot en met 156, 159 en 160 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013 L 347);

Gelet op gedelegeerde verordening (EU) 2017/891 van de Commissie van 13 maart 2017 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit en tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de in deze sectoren toe te passen sancties en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie;

Gelet op uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 van de Commissie van 13 maart 2017 tot vaststelling van voorschriften voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit;

Gelet op de artikelen 13, eerste en tweede lid, 15 en 19, eerste lid, van de Landbouwwet;

Besluit:

DEEL 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

aanvoerprognose:

opgave door een lid van een producentenorganisatie van de hoeveelheid en aard van de producten die het lid in een door de producentenorganisatie te bepalen tijdvak bij de producentenorganisatie verwacht aan te voeren;

accountant:

accountant die is ingeschreven in het accountantsregister, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Wet op het Accountantsberoep;

actiefonds:

actiefonds als bedoeld in artikel 32 van verordening 1308/2013;

activiteit:

actie als bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van verordening 2017/891 ter uitvoering van een project;

areaalenquête:

inventarisatie van een door een lid van de producentenorganisatie beteeld areaal en de door dit lid geteelde producten;

denatureren:

ongeschikt maken voor menselijke consumptie.

duurzaam productiemiddel:

tastbaar activum als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, van verordening 2017/891, dat is gefinancierd met behulp van het actiefonds;

erkenningsaanvraag:

een verzoek als bedoeld in artikel 154, eerste lid, van verordening 1308/2013;

erkenningsbesluit:

besluit van de minister op een verzoek als bedoeld in artikel 154, eerste lid, van verordening 1308/2013;

forfaitair standaardtarief:

vast of maximaal bedrag per eenheid dat wordt gebruikt om de te declareren bedragen vast te stellen;

gedeeltelijke betaling:

gedeeltelijke betaling als bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/892;

gekwantificeerd streefcijfer:

gekwantificeerd streefcijfer als bedoeld in artikel 27, derde lid, van verordening 2017/891;

goederenlogistiek:

het verzamelen, ophalen, sorteren, opslaan, verpakken, transporteren en distribueren van het product;

lid:

aangesloten producent als bedoeld in artikel 2, onderdeel b van verordening 2017/891;

meetbaar streefdoel:

meetbaar streefdoel als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van verordening 2017/892;

minister:

Minister van Economische Zaken;

nationaal kader:

nationaal kader als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van verordening 1308/2013;

nationale strategie:

nationale strategie als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van verordening 1308/2013;

niet-producerend lid:

lid van een producentenorganisatie dat meer dan één teeltseizoen geen producten teelt waarvoor de producentenorganisatie is erkend;

operationeel programma:

programma, bedoeld in artikel 33 van verordening 1308/2013;

producentenorganisatie:

door de minister erkende producentenorganisatie als bedoeld in artikel 152 van verordening 1308/2013;

project:

samenhangend geheel van activiteiten die subsidiabel zijn gesteld in deze regeling ter uitvoering van een strategisch doel dat door een producentenorganisatie wordt nagestreefd met haar operationeel programma;

richtlijn 2000/29:

Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (PBEU 2000, L 169);

richtlijn 2002/63:

Richtlijn 2002/63/EG van de Commissie van 11 juli 2002 houdende vaststelling van communautaire bemonsteringsmethoden voor de officiële controle op residuen van bestrijdingsmiddelen in en op producten van plantaardige en van dierlijke oorsprong en tot intrekking van Richtlijn 79/700/EEG(PBEU 2002, L 187);

steunaanvraag:

een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van verordening 2017/892;

subsidie:

financiële steun van de Unie als bedoeld in artikel 34 van verordening 1308/2013;

stadium af producentenorganisatie:

moment waarop er een verkooptransactie plaatsvindt door of namens de producentenorganisatie met een derde partij of een minder dan 90 procent dochteronderneming;

strategisch doel:

doelstelling als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013 of een doel als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van verordening 2017/892, dat een producentenorganisatie nastreeft met haar operationeel programma;

SWOT analyse:

bedrijfskundig model dat intern de sterktes en zwaktes en in de omgeving de kansen en bedreigingen analyseert;

tussentijdse wijziging:

een wijziging van het operationeel programma in de loop van het jaar als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van verordening 2017/891;

uitvoeringsjaar:

jaar van uitvoering van een operationeel programma;

unie van producentenorganisaties:

unie van erkende producentenorganisaties als bedoeld in artikel 156 van verordening 1308/2013;

verkoper:

natuurlijke of rechtspersoon die door een producentenorganisatie is belast met de verkoop van producten van de leden van de producentenorganisatie waarvoor de producentenorganisatie is erkend;

verordening 834/2007:

Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PBEU 2007, L 189);

verordening 874/2009:

Verordening (EG) nr. 874/2009 van de Commissie van 17 september 2009 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad wat betreft de procedures voor het Communautair Bureau voor plantenrassen (PBEU 2009, L 251);

verordening 889/2008:

Verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie van 5 september 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft (PBEU 2008, L 250);

verordening 2017/891:

gedelegeerde verordening (EU) 2017/891 van de Commissie van 13 maart 2017 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit en tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de in deze sectoren toe te passen sancties en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie (PBEU 2017, L 138);

verordening 2017/892:

uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 van de Commissie van 13 maart 2017 tot vaststelling van voorschriften voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit (PBEU 2017, L 138);

verordening 1857/2006:

Verordening (EG) nr. 1857/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 70/2001 (PBEU 2006, L 358);

verordening 1308/2013:

Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001en (EG) nr. 1234/2007van de Raad (PBEU 2013, L 347);

verordening 2100/94:

Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (PBEU 1994, L 227);

voorschotaanvraag:

aanvraag als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van verordening 2017/891;

waarde afgezette productie:

de waarde van de afgezette productie van een producentenorganisatie als bedoeld in artikel 22 van verordening 2017/891;

Artikel 2

  • 1. De minister wordt aangewezen als bevoegde autoriteit als bedoeld in de artikelen 17, derde lid, 23, vierde lid, 34, tweede lid, 44, eerste lid, 48, vijfde lid, 59, derde lid, 75, zesde lid, 77, eerste lid, en 78 van verordening 2017/891 en de artikelen 3, zesde lid, 6, eerste lid, 9, eerste en vierde lid, 21, eerste lid, 29, tweede lid, 34, onderdeel b, en 35 van verordening 2017/892.

  • 2. De minister is bevoegd de besluiten te nemen en de handelingen te verrichten waartoe de artikelen 36, eerste en tweede lid, 152 en 154, vierde lid, van verordening 1308/2013, de artikelen 4, 7, 14, 15, 17, vierde lid, 19, eerste lid, 21, 26, eerste lid, 27, derde, vierde en vijfde lid, 28, 30, eerste lid, 31, tweede, derde en zesde lid, 33, 34, 35, eerste lid, 39, 46, tweede lid, 48, vierde lid, 49, 51, tweede lid, 52, vierde lid, 54, 55, 56, derde lid, 58, eerste lid, 59 tot en met 67, 68, eerste lid, 70, 72, tweede lid, 74, eerste en tweede lid, en 77, tweede lid, van verordening 2017/891 en de artikelen 3, tweede en vierde lid, 8, 9, zesde lid, 10, 16, eerste lid, 18, eerste lid, 20, eerste lid, 21, eerste en vierde lid, 22, 23, 24, 25, eerste lid, 26, tweede en vierde lid, 27, eerste, derde, zevende en negende lid, 29, eerste en derde lid, 30, eerste en zesde lid, 31, 32, eerste en tweede lid, 33, eerste, tweede en derde lid, 34, 35, 36, 37 en 39, tweede lid, van verordening 2017/892 de lidstaat de opdracht geven of de keuze laten of als ontvanger van informatie aanwijzen.

  • 3. In afwijking van de artikelen 31, 54, 55, tweede lid, 66 en 207, eerste lid en 208, tweede lid, kan de minister latere indieningsdata vaststellen dan de in die artikelen bedoelde data.

Artikel 3

Deel 2 tot en met 8 van deze regeling is van toepassing op de producten van de sector groenten en fruit, bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel i, van verordening 1308/2013 en op dergelijke producten die uitsluitend zijn bestemd om te worden verwerkt.

DEEL 2. ERKENNINGEN

HOOFDSTUK 1. ERKENNING VAN PRODUCENTENORGANISATIES

TITEL 1. ERKENNINGSVEREISTEN
AFDELING 1. RECHTSPERSOONLIJKHEID
Artikel 4

De rechtspersoonlijkheid van een producentenorganisatie als bedoeld in artikel 154, eerste lid, van verordening 1308/2013 blijkt uit:

  • a. een in het handelsregister neergelegd authentiek afschrift van de oprichtingsakte van de producentenorganisatie, of

  • b. een in het handelsregister van de Kamer van Koophandel neergelegd authentiek afschrift van de statuten van de producentenorganisatie, en

  • c. een inschrijving bij het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.

AFDELING 2. LIDMAATSCHAP
Artikel 5

Van een producentenorganisatie kunnen lid zijn:

  • a. een natuurlijk persoon;

  • b. een rechtspersoon als bedoeld in artikel 2 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek of een rechtspersoon naar buitenlands recht, of

  • c. een in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven maatschap, vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap.

Artikel 6
  • 1. Het minimumaantal leden en de minimale waarde afgezette productie, bedoeld in artikel 154, eerste lid, onderdeel b, van verordening 1308/2013 bedraagt ongeacht of de producentenorganisatie een operationeel programma heeft:

    • a. voor producentenorganisaties die zijn erkend voor 1 januari 2008 tenminste vijf leden, met een gezamenlijke waarde van de afgezette productie van €  00.000;

    • b. voor producentenorganisaties die zijn erkend na 1 januari 2008 tenminste tien leden, met een gezamenlijke waarde van de afgezette productie van € 25.000.000.

  • 2. Rechtspersonen die eigendom zijn van één natuurlijke persoon of rechtspersoon worden bij de beoordeling van de erkenningsaanvraag gezamenlijk door de minister aangemerkt als één lid. Indien de minister in redelijkheid vermoedt dat een oneigenlijk aantal entiteiten, als bedoeld in artikel 5, wordt gecreëerd met het oog op het eerste lid of artikel 24, kan de minister deze entiteiten gezamenlijk aanmerken als één lid.

  • 3. Indien een lid van een producentenorganisatie een rechtspersoon is waarbij meerdere producenten zijn aangesloten, kan de minister besluiten deze producenten bij de beoordeling van de erkenningsaanvraag mee te tellen bij de bepaling van het aantal leden, bedoeld in het eerste lid.

  • 4. Producentenorganisaties houden een ledenlijst bij met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld model.

  • 5. De referentieperiode voor het bepalen van de waarde van de afgezette productie, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van verordening 2017/891, is het kalenderjaar twee jaar vóór het jaar waarvoor de waarde afgezette productie wordt vastgesteld. De waarde van de afgezette productie wordt berekend op basis van de waarde van de afgezette productie tijdens de referentieperiode van de producenten die op 1 januari van het jaar waarin erkenning wordt gevraagd zijn aangesloten bij de producentenorganisatie.

Artikel 7
  • 1. Het lidmaatschap van een producentenorganisatie duurt minimaal één jaar en treedt in werking op een door het bestuur van de producentenorganisatie te bepalen tijdstip.

  • 2. Aspirant leden verzoeken de producentenorganisatie schriftelijk om lidmaatschap en verklaren in dit verzoek:

    • a. de statuten van de producentenorganisatie na te leven;

    • b. niet bij een andere erkende producentenorganisatie te zijn aangesloten voor het product waarvoor de producentenorganisatie is erkend, en

    • c. geen product waarvoor de producentenorganisatie is erkend buiten de producentenorganisatie om te zullen afzetten, behoudens toestemming als bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/891.

  • 3. Een producentenorganisatie bepaalt in haar statuten dat het lidmaatschap kan worden opgezegd met ingang van 1 januari met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste drie maanden en ten hoogste zes maanden.

  • 4. De bevestiging van lidmaatschap en opzegging van lidmaatschap, alsmede de datum waarop het lidmaatschap en de opzegging in werking treedt, wordt door de producentenorganisatie schriftelijk aan het lid meegedeeld.

  • 5. Bepalingen omtrent de minimumduur, opzeggingsdata en inwerkingtreding van opzegging van het lidmaatschap zijn niet van toepassing in geval van:

    • a. overlijden van het lid;

    • b. faillissement van het lid;

    • c. toepassing van het sanctiereglement van de producentenorganisatie inzake royement, en

    • d. indien dit redelijkerwijs niet van het lid of coöperatie gevergd kan worden.

Artikel 8

Een producentenorganisatie kan niet-producerende leden hebben, indien in de statuten van de producentenorganisatie wordt bepaald dat deze leden:

  • a. reeds aangesloten waren bij de producentenorganisatie vóór zij gedurende meer dan één productieseizoen geen producten meer teelden waarvoor de producentenorganisatie is erkend;

  • b. opgenomen worden in een afzonderlijke ledenadministratie, en

  • c. niet mogen deelnemen aan de stemming van de algemene vergadering over besluiten inzake het actiefonds of het operationeel programma van de producentenorganisatie.

AFDELING 3. VERPLICHTINGEN VOOR PRODUCENTENORGANISATIES
Artikel 9
  • 1. Producentenorganisaties tonen aan dat zij voldoen aan artikel 152, eerste lid, onderdeel b, van verordening 1308/2013 aan de hand van:

    • a. de oprichtingsakte van de producentenorganisatie, en

    • b. de notulen van de eerste vergadering of oprichtingsvergadering van de producentenorganisatie.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op producentenorganisaties die zijn erkend voor 1 januari 2008.

  • 3. De producentenorganisaties, bedoeld in het tweede lid, worden geacht te voldoen aan het vereiste van artikel 152, eerste lid, onderdeel b, van verordening 1308/2013.

Artikel 10

Een lid van het bestuur of de Raad van Commissarissen van een producentenorganisatie of een functionaris van een producentenorganisatie die betrokken is bij het verkoopbeleid, is geen afnemer van producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend is ingevolge artikel 152, eerste lid, van verordening 1308/2013.

Artikel 11
  • 1. Producentenorganisaties verbieden hun leden in hun statuten op grond van artikel 160 van verordening 1308/2013 om activiteiten te ontplooien die het vermoeden doen ontstaan dat de verkoop van het product waarvoor zij bij de producentenorganisatie zijn aangesloten niet uitsluitend via de producentenorganisatie verloopt.

  • 2. Producentenorganisaties nemen het in het eerste lid bedoelde verbod uiterlijk op 1 januari 2019 op in hun statuten.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op activiteiten met betrekking tot de verkoop op grond van artikel 12 van verordening 2017/891.

Artikel 12

Producentenorganisaties bepalen op grond van artikel 152, eerste lid, onderdeel c, onder ii, van verordening 1308/2013 op welk moment leden hun product aan de producentenorganisatie ter verkoop aanbieden.

Artikel 13
  • 1. Producentenorganisaties verplichten in hun statuten hun leden op grond van artikel 152, eerste lid, onderdeel c, onder ii, van verordening 1308/2013 om aan de producentenorganisatie:

    • a. melding te doen van eigendomsbelangen in ondernemingen die door het lid geproduceerde producten verkopen, indien het lid voor deze producten is aangesloten bij de producentenorganisatie, en

    • b. aan de hand van schriftelijke bewijsstukken aan te tonen dat binnen de in het eerste lid bedoelde ondernemingen is verzekerd dat het lid:

      • 1°. geen invloed kan uitoefenen op het vaststellen van de verkoopvoorwaarden door de ondernemingen van de producten waarvoor het lid bij de producentenorganisatie is aangesloten, en

      • 2°. geen invloed kan uitoefenen op besluiten aangaande commerciële relaties en het prijsbeleid van de ondernemingen.

Artikel 14
  • 1. Producentenorganisaties stellen in hun statuten voorschriften vast voor de controle op de naleving van hun statuten door hun leden.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde voorschriften bevatten ten aanzien van de controle op de naleving door hun leden van artikel 160 van verordening 1308/2013 voor de door de producentenorganisatie gedurende het jaar uit te voeren controles tenminste:

    • a. een systematische vergelijking per producent van areaalenquêtes en aanvoerprognoses met de daadwerkelijk aan de producentenorganisatie geleverde hoeveelheden gedurende het kalenderjaar;

    • b. een verificatie van de door de leden verstrekte areaalenquêtes en aanvoerprognoses door middel van bezoek door de producentenorganisatie aan de leden gedurende het jaar;

    • c. een periodieke vergelijking van de aanvoerprognoses en de daadwerkelijke aanvoer met een door de producentenorganisatie, op basis van statistische normen of ervaringscijfers, vast te stellen normstelling per areaal;

    • d. een registratie van de op basis van de onderdelen a tot en met c aangetroffen verschillen en de daarvoor door het lid gegeven verklaring, en

    • e. een registratie van de door de producentenorganisatie getroffen acties naar aanleiding van op grond van onderdeel d onverklaarde verschillen.

  • 3. De in het eerste lid bedoelde voorschriften bevatten voor de door de producentenorganisatie na afloop van het kalenderjaar uit te voeren controles minimaal:

    • a. een verplichting voor ieder lid om uiterlijk voor 1 mei na afloop van het kalenderjaar schriftelijk aan de producentenorganisatie te verklaren:

      • 1°. de hoeveelheid of waarde van het product die hij dat jaar geproduceerd heeft;

      • 2°. de hoeveelheid of waarde van het product die hij dat jaar bij derden heeft ingekocht;

      • 3°. de hoeveelheid of waarde van het product die hij dat jaar via de producentenorganisatie verkocht heeft;

      • 4°. de hoeveelheid of waarde van het product die hij dat jaar op grond van artikel 12 van verordening 2017/891 buiten de producentenorganisatie om verkocht heeft;

      • 5°. dat hij, uitgezonderd de verkoop op grond van artikel 12 van verordening 2017/891, geen door hem geteelde producten waarvoor hij bij de producentenorganisatie is aangesloten buiten de producentenorganisatie verkocht heeft, en

      • 6°. dat hij bij verkoop op grond van artikel 12 van verordening 2017/891 de daaraan door de producentenorganisatie gestelde voorwaarden heeft nageleefd;

    • b. een vergelijking van informatie uit de in onderdeel a bedoelde verklaringen met de omzetgegevens van het lid;

    • c. een onderzoek door de producentenorganisatie naar de, op basis van de op grond van onderdeel b uitvoerde vergelijking, geconstateerde verschillen tussen de eigen verklaringen en de omzetgegevens van het lid;

    • d. een verplichting tot het instellen van een accountantsonderzoek naar op grond van onderdeel c onvoldoende verklaarde verschillen;

    • e. een registratie van de uitkomsten van het in onderdeel d bedoelde accountantsonderzoek, en

    • f. een registratie van de opvolging van de uitkomsten van het in onderdeel e bedoelde accountantsonderzoek door de producentenorganisatie, waaronder sanctionering van de betreffende leden.

  • 4. De in het eerste lid bedoelde voorschriften bevatten een verplichting voor de producentenorganisatie om de juistheid van in het derde lid, onderdeel a, bedoelde verklaring te laten onderzoeken door een accountant door middel van een COS 4400 onderzoek.

  • 5. Het in het vierde lid bedoelde onderzoek betreft:

    • a. de leden die verzuimd hebben voor 1 juni na afloop van het kalenderjaar de in het derde lid, onderdeel a, bedoelde eigen verklaring te verstrekken;

    • b. de leden waarbij door de producentenorganisatie of door controle-instanties in het jaar voorafgaand aan het controlejaar is vastgesteld dat zij artikel 160 van verordening 1308/2013 niet hebben nageleefd;

    • c. de leden waarbij door de producentenorganisatie in het voorafgaande kalenderjaar is vastgesteld dat verschillen tussen areaalgegevens en omzetgegevens onvoldoende konden worden verklaard, en

    • d. minimaal 2 procent van de leden van de producentenorganisatie, met een minimum van één lid, die niet reeds op grond van onderdelen a tot en met c deel uit maken van het onderzoek.

  • 6. Indien de accountant bij meerdere leden in deze deelwaarneming afwijkende bevindingen constateert treft de producentenorganisatie afhankelijk van de aard van de afwijkingen passende maatregelen.

  • 7. De in het eerste lid bedoelde voorschriften bevatten een verplichting voor de producentenorganisatie om jaarlijks de betrouwbaarheid van het geheel aan maatregelen dat de producentenorganisatie neemt voor controle op de naleving door hun leden te evalueren, mede aan de hand van de uitkomsten van het in het vierde lid bedoelde onderzoek. Een verslag van de evaluatie wordt door de algemene vergadering besproken en geaccordeerd.

Artikel 15
  • 1. Producentenorganisaties stellen in hun statuten voorschriften vast voor sanctionering van niet naleving van hun statuten door hun leden die, behoudens gevallen van overmacht, tenminste bepalen dat:

    • a. bij een eerste overtreding van de statutaire verplichtingen ter uitvoering van artikel 160 van verordening 1308/2013, artikel 12 van verordening 2017/891 en de artikelen 11, 12, 13, en 14 het lid minimaal een schriftelijke waarschuwing krijgt;

    • b. bij een tweede soortgelijke overtreding begaan binnen vijf jaar na het begaan van de eerste overtreding bedoeld in onderdeel a, minimaal een boete aan het lid wordt opgelegd en deze boete daadwerkelijk wordt geïncasseerd, en

    • c. leden bij alle soortgelijke vervolgovertredingen begaan binnen vijf jaar na het begaan van de eerste overtreding bedoeld in onderdeel a, worden geroyeerd.

  • 2. Producentenorganisaties administreren alle geconstateerde overtredingen van hun statutaire verplichtingen en aan hun leden opgelegde sancties.

Artikel 16

Producentenorganisaties beschikken op grond van artikel 7, onderdeel a, van verordening 2017/891 tenminste over een deugdelijk en accuraat systeem van areaalenquêtes en aanvoerprognoses.

Artikel 17

Producentenorganisaties, en voor zover van toepassing unies van producentenorganisaties, beschikken op grond van artikel 154, eerste lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013 tenminste over een volledige beschrijving van de interne organisatie en van de administratieve en interne beheersing van:

  • a. de verkoop en prijsbepaling;

  • b. de goederenlogistiek;

  • c. de financiële administratie;

  • d. de beoordeling van investeringen en uitgaven waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

  • e. het aannemen van nieuwe leden en het beëindigen van het lidmaatschap;

  • f. het vergaren van informatie van de leden en de verwerking van mutaties daarin, waaronder de controle op de juistheid van de ledenlijst;

  • g. de beoordeling van areaalenquêtes en aanvoerprognoses, waaronder de vergelijking met realisaties;

  • h. de controle op naleving van artikel 160 van verordening 1308/2013 door de leden waaronder het verlenen van toestemming als bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/891;

  • i. het opleggen van sancties, en

  • j. het uitbesteden van activiteiten als bedoeld in artikel 155 van verordening 1308/2013.

Artikel 18
  • 1. De producentenorganisatie beschikt op grond van artikel 154, eerste lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013 over een redelijk niveau van vermogen en liquiditeit.

  • 2. Een negatief vermogen wordt door de producentenorganisatie, op grond van artikel 154, eerste lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013 binnen één kalenderjaar aangevuld.

Artikel 19
  • 1. De producentenorganisatie beschikt ten behoeve van het commercieel en budgettair beheer van haar activiteiten, bedoeld in artikel 153, tweede lid, onderdeel f, van verordening 1308/2013, op grond van artikel 7 van verordening 2017/891 over een eigen, als zodanig kenbare, kantoorruimte die beschikt over een eigen opgang, welke niet door ruimtes van een afnemer of een lid van de producentenorganisatie leidt.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde kantoorruimte is eigendom van de producentenorganisatie of wordt door de producentenorganisatie gehuurd.

Artikel 20
  • 1. Producentenorganisaties maken voor hun financieel administratieve werkzaamheden, waaronder het factureren naar afnemers en leden en het opstellen van budgetten, gebruik van eigen personeel.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor het opstellen van jaarrekeningen en fiscale zaken.

Artikel 21
  • 1. Producentenorganisaties, dan wel dochterondernemingen of unies van producentenorganisaties indien de afzet door hen wordt verricht, tonen op grond van artikel 11 van verordening 2017/891 aan de hand van schriftelijke bewijsstukken aan dat zij de verkoopvoorwaarden, en meer in het bijzonder de verkoopprijzen, voor de producten van de leden van de producentenorganisatie waarvoor de producentenorganisatie is erkend daadwerkelijk bepalen.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde schriftelijke bewijsstukken tonen aan:

    • a. welke verkoper er binnen de producentenorganisatie, dochteronderneming of unie van producentenorganisaties of door de producentenorganisatie belast is met de verkoop van de producten van de leden waarvoor de producentenorganisatie is erkend;

    • b. wat de taak of opdracht van de in onderdeel a bedoelde verkoper is;

    • c. op welke wijze de in onderdeel a bedoelde verkoper door de producentenorganisatie, dochteronderneming of unie van producentenorganisaties wordt aangestuurd;

    • d. welke aanwijzingen de in onderdeel a bedoelde verkoper van de producentenorganisatie, dochteronderneming of unie van producentenorganisaties gekregen heeft voor het voeren van onderhandelingen over de verkoopvoorwaarden;

    • e. op welke wijze de in onderdeel a bedoelde verkoper achteraf verantwoording aflegt aan de producentenorganisatie, dochteronderneming of unie van producentenorganisaties over de gerealiseerde verkoopvoorwaarden, en

    • f. dat de in onderdeel e bedoelde verantwoording daadwerkelijk wordt afgelegd.

  • 3. De producentenorganisatie legt haar afzetbeleid vast in een besluit van het bestuur dat door de algemene vergadering wordt goedgekeurd.

  • 4. De producentenorganisatie, dochteronderneming of unie van producentenorganisaties bepaalt op welke locatie of welke locaties het aanbod van de producten van haar leden fysiek geconcentreerd wordt.

  • 5. Het afzetbeleid van de producentenorganisatie wordt jaarlijks door haar bestuur geëvalueerd en deze evaluatie wordt jaarlijks door de algemene vergadering van de producentenorganisatie besproken en geaccordeerd.

Artikel 22
  • 1. Artikel 155 van verordening 1308/2013 is van toepassing op de activiteiten van de producentenorganisatie die bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen van de producentenorganisatie, bedoeld in de artikelen 152 en 154 van verordening 1308/2013.

  • 2. Wanneer een producentenorganisatie de in het eerste lid bedoelde activiteiten heeft uitbesteed toont de producentenorganisatie op grond van artikel 155 van verordening 1308/2013 door middel van door het bestuur en de algemene vergadering geaccordeerde schriftelijke bewijsstukken aan:

    • a. welke activiteiten worden uitbesteed;

    • b. waarom deze activiteiten niet door de producentenorganisatie zelf worden uitgevoerd;

    • c. aan wie deze activiteiten worden uitbesteed;

    • d. waarom tot de keuze voor uitbesteding aan de in onderdeel c bedoelde entiteit is gekomen, en

    • e. welke afspraken er met de in onderdeel c bedoelde entiteit zijn gemaakt.

  • 3. De producentenorganisatie toont op grond van artikel 13, tweede lid, van verordening 2017/891 aan de hand van schriftelijke bewijsstukken aan op welke wijze de in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde entiteit:

    • a. door de producentenorganisatie wordt aangestuurd bij de uitvoering van de aan haar uitbestede activiteiten, en

    • b. verantwoording aflegt aan de producentenorganisatie over de uitvoering van de aan haar uitbestede activiteiten.

  • 4. Wanneer een producentenorganisatie verkoopactiviteiten uitbesteedt, toont zij aan de hand van schriftelijke bewijsstukken aan dat zij gedurende de verkoopperiode minimaal één maal per week met de in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde entiteit overlegt over de te hanteren verkoopvoorwaarden, waaronder de verkoopprijs.

  • 5. De keuze voor uitbesteding wordt jaarlijks per geval door het bestuur van de producentenorganisatie geëvalueerd en een verslag van deze evaluatie wordt jaarlijks door de algemene vergadering besproken en geaccordeerd.

  • 6. Activiteiten van de producentenorganisatie die niet worden uitbesteed aan haar leden zijn:

    • a. verkoop van de producten van haar leden waarvoor de producentenorganisatie is erkend;

    • b. commercieel en budgettair beheer.

  • 7. Activiteiten van de producentenorganisatie die niet worden uitbesteed zijn:

    • a. controle op de naleving van de statuten, met uitzondering van accountantsonderzoek;

    • b. boekhouding, facturering en uitbetaling aan de leden;

    • c. kennis van productie van de leden.

AFDELING 4. EISEN AAN DE STATUTEN VAN PRODUCENTENORGANISATIES
Artikel 23

Producentenorganisaties nemen in hun statuten op dat zij alle in artikel 152, eerste lid, onderdeel c, onder i, ii en iii, van verordening 1308/2013 genoemde doelstellingen nastreven en tonen aan dat zij uitvoering geven aan deze doelstellingen.

Artikel 24
  • 1. Ongeacht de rechtsvorm van een producentenorganisatie bepalen de statuten van een producentenorganisatie op grond van artikel 153, tweede lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013 dat:

    • a. bij een producentenorganisatie met 10 leden of meer een lid maximaal 10 procent van de stemmen van een voltallige algemene vergadering van de producentenorganisatie heeft, en

    • b. bij een producentenorganisatie met minder dan 10 leden een lid maximaal 20 procent van de stemmen van een voltallige algemene vergadering van de producentenorganisatie heeft.

  • 2. De percentages genoemd in het eerste lid omvatten tevens volmachten.

  • 3. Indien een natuurlijk persoon, afgezien van volmachten, bevoegd is om te stemmen voor meerdere leden, geldt het in het eerste lid genoemde maximum percentage van de stemmen voor deze rechtspersonen gezamenlijk.

  • 4. In geval van een rechtsvorm met aandeelhouders, bepalen de statuten van een producentenorganisatie dat een natuurlijke persoon of rechtspersoon maximaal 10% van de aandelen van de producentenorganisatie heeft.

  • 5. De statuten van een unie van producentenorganisaties bepalen:

    • a. ongeacht de rechtsvorm van de unie van de producentenorganisatie, dat een lid maximaal 50% van de stemmen van een voltallige algemene vergadering van de unie van producentenorganisaties heeft, en

    • b. in geval van een rechtsvorm met aandeelhouders, dat een natuurlijke persoon of rechtspersoon maximaal 50% van de aandelen van de unie van producentenorganisaties heeft.

Artikel 25
  • 1. Een producentenorganisatie kan haar leden slechts toestemming als bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/891 verlenen indien deze mogelijkheid in haar statuten is opgenomen.

  • 2. Indien een producentenorganisatie haar leden toestaat gebruik te maken van de uitzondering, bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/891, stelt de producentenorganisatie voorschriften vast inzake:

    • a. de procedure voor verlening van de toestemming;

    • b. de algemene voorwaarden voor verlening van de toestemming, bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/891, en

    • c. de rapportageverplichtingen bij het gebruik van de toestemming.

  • 3. Een producentenorganisatie verleent toestemming als bedoeld in het eerste lid jaarlijks schriftelijk en per individueel geval voordat gebruik wordt gemaakt van de uitzondering, bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/891.

  • 4. Indien een producentenorganisatie aan een toestemming als bedoeld in het eerste lid specifieke voorwaarden verbindt, worden deze voorwaarden in de toestemming vermeld.

  • 6. Een marginaal deel van het volume van de verhandelbare productie, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, van verordening 2017/891, bedraagt maximaal 5 procent van het volume van de verhandelbare productie van de producentenorganisatie.

  • 7. Producten die normaliter niet onder de handelsactiviteiten van de producentenorganisatie vallen, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel c, van verordening 2017/891, zijn:

    • a. producten die niet onder het gebruikelijke productassortiment van de producentenorganisatie vallen, terwijl deze producten wel onderwerp zijn van de erkenning, of

    • b. producten welke gewoonlijk wel door de producentenorganisatie worden verkocht, maar door teeltmethode of variëteit afwijken van het gangbare productenpakket.

TITEL 2. AANVRAAG, VERLENING EN BEËINDIGING ERKENNING
Artikel 26

Een erkenning als bedoeld in artikel 154, eerste lid, van verordening 1308/2013 wordt verleend indien de aanvrager kan aantonen dat hij voldoet aan de op grond van de artikelen 152, 153, 154 en 155 van verordening 1308/2013 en titel 1van deze afdeling gestelde eisen.

Artikel 27
  • 1. Een verzoek om erkenning omvat ter uitvoering van artikel 154, vierde lid, van verordening 1308/2013 de volgende stukken:

    • a. de oprichtingsakte en statuten;

    • b. het huishoudelijk reglement;

    • c. een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel;

    • d. notulen van de oprichtingsvergadering;

    • e. het meerjarenplan;

    • f. de bestuursnotitie omtrent de afzet en aanbodbundeling;

    • g. de bestuursnotitie omtrent de uitbesteding van activiteiten;

    • h. de ledenlijst;

    • i. indien aanwezig de jaarrekeningen van de producentenorganisatie over de afgelopen drie boekjaren;

    • j. de beschrijving van de administratieve organisatie en interne beheersing, bedoeld in artikel 17;

    • k. de beschrijving van de samenstelling van het bestuur;

    • l. de procuratieregeling;

    • m. het autorisatieschema;

    • n. een organogram;

    • o. de bevoegdhedenmatrix en parafenlijst;

    • p. een beschrijving van de ondernemingsstructuur en dochterondernemingen, en

    • q. een beschrijving van de goederenlogistiek.

  • 2. Indien dit nodig is voor de beoordeling van het verzoek om erkenning, bedoeld in artikel 154, vierde lid, van verordening 1308/2013 kan de minister de producentenorganisatie verzoeken om aanvullende schriftelijke bewijsstukken.

Artikel 28

Indien de minister op grond van artikel 27, tweede lid, aanvullende bewijsstukken opvraagt wordt de in artikel 154, vierde lid, van verordening 1308/2013 bedoelde termijn opgeschort tot de op grond van artikel 27, tweede lid, verzochte aanvullende bewijsstukken door de producentenorganisatie aan de minister zijn overlegd.

Artikel 29
  • 1. Een erkenning kan op verzoek van de producentenorganisatie worden gewijzigd of beëindigd met ingang van 1 januari.

  • 2. De producentenorganisatie dient een verzoek tot wijziging van de erkenning in uiterlijk op 1 september voorafgaand aan het jaar met ingang waarvan wijziging van de erkenning wordt gevraagd.

  • 3. De producentenorganisatie dient een verzoek tot beëindiging van de erkenning in uiterlijk op 1 december voorafgaand aan het jaar met ingang waarvan beëindiging van de erkenning wordt gevraagd.

TITEL 3. INFORMATIE- EN RAPPORTAGEVERPLICHTINGEN
Artikel 30

De producentenorganisatie informeert de minister onverwijld over:

  • a. wijzigingen in hun statuten;

  • b. wijzigingen in hun organisatiestructuur, en

  • c. voornemens tot fusie of samenwerking.

Artikel 31
  • 1. De producentenorganisatie overlegt jaarlijks voor 1 maart de volgende stukken aan de minister:

    • a. een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel;

    • b. de verslagen van de in het afgelopen boekjaar gehouden algemene vergaderingen;

    • c. een beschrijving van het afzetbeleid en de evaluatie, bedoeld in artikel 21, vijfde lid;

    • d. het verslag van de evaluatie, bedoeld in artikel 14, zevende lid;

    • e. het verslag van de evaluatie, bedoeld in artikel 22, vijfde lid, en

    • f. de jaarrekening over het afgelopen boekjaar, voorzien van een controleverklaring van een extern accountant.

  • 2. Een producentenorganisatie die geen steunaanvraag indient bij de minister, overlegt ter uitvoering van artikel 21, eerste lid, van verordening 2017/892 jaarlijks voor 1 maart aan de minister:

    • a. een digitale ledenlijst per 1 januari van het lopende jaar, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel;

    • b. een overzicht van de leden die gedurende het vorige jaar zijn uitgetreden, onder vermelding van de datum van uittreding, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, en

    • c. een parafenlijst van tekenbevoegde personen binnen de producentenorganisatie.

  • 3. De producentenorganisatie overlegt, indien de statuten of de huishoudelijke reglementen van de producentenorganisatie gedurende een kalenderjaar gewijzigd zijn, voor 1 maart van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de wijziging heeft plaatsgevonden aan de minister de gewijzigde statuten of de gewijzigde huishoudelijke reglementen van de producentenorganisatie.

  • 4. De producentenorganisatie rapporteert jaarlijks uiterlijk op 1 juni van het eerste jaar na het jaar waarop de controles, bedoeld in artikel 14, derde lid, betrekking hebben, aan de minister:

    • a. de namen van bij de producentenorganisatie aangesloten leden die weigeren om de in artikel 14, derde lid, onderdeel a, bedoelde verklaring te overleggen;

    • b. de namen van bij de producentenorganisatie uitgetreden leden die weigeren om de verklaring, bedoeld in artikel 14, derde lid, onderdeel a, te overleggen;

    • c. de voorlopige bevindingen van de producentenorganisatie over de naleving van artikel 160 van verordening 1308/2013 door haar leden, en

    • d. de door de producentenorganisatie opgelegde sancties wegens niet naleving van artikel 160 van verordening 1308/2013 door haar leden.

  • 5. De producentenorganisatie rapporteert jaarlijks uiterlijk op 1 april van het tweede jaar na het jaar waarop het in artikel 14, vierde lid, bedoelde onderzoek betrekking heeft aan de minister:

    • a. de aantallen producenten per productgroep die aan een onderzoek door een accountant als bedoeld in artikel 14, vierde lid, zijn onderworpen, alsmede hun afzonderlijke omzetcijfers;

    • b. de door de accountant op grond van het in artikel 14, vierde lid, bedoelde onderzoek gerapporteerde afwijkende bevindingen, en

    • c. de door de producentenorganisatie naar aanleiding van de in onderdeel b bedoelde afwijkende bevindingen getroffen of te treffen corrigerende maatregelen.

  • 6. De producentenorganisatie overlegt jaarlijks uiterlijk op 1 juni, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, aan de minister een samenvattend overzicht van:

    • a. de door de leden op grond van artikel 14, derde lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°, aan de producentenorganisatie verstrekte informatie;

    • b. het areaal van de leden van de producentenorganisatie;

    • c. de door de leden van de producentenorganisatie geteelde gewassen;

    • d. de hoeveelheden product waarvoor aan de leden een toestemming op grond van artikel 12 van verordening 2017/891 is verleend, en

    • e. de omzet van de producentenorganisatie.

HOOFDSTUK 2. ERKENNING VAN UNIES VAN PRODUCENTENORGANISATIES

Artikel 32
  • 1. Alleen een erkende producentenorganisatie kan lid zijn van een unie van producentenorganisaties.

  • 2. Een unie van producentenorganisaties bestrijkt de totale groep van producten waarvoor zij is erkend.

  • 3. De minister kan ontheffing verlenen voor de in het tweede lid gestelde voorwaarde.

  • 4. Een unie van producentenorganisaties is verplicht een operationeel programma of een operationeel deelprogramma in te dienen en ten uitvoer te leggen.

Artikel 33

De artikelen 7,17 18 en 22 zijn van overeenkomstige toepassing op unies van producentenorganisaties.

Artikel 34

Een erkenning als bedoeld in artikel 156 van verordening 1308/2013 wordt slechts verleend indien wordt voldaan aan de op grond van artikel 156 van verordening 1308/2013, titel I, hoofdstuk I, afdeling 3, van verordening 2017/891 en de in artikelen 32 en 33 gestelde eisen.

HOOFDSTUK 3. NIET NALEVING VAN DE ERKENNINGSCRITERIA

Artikel 35

De erkenning van een producentenorganisatie wordt met ingang van het tijdstip van verstrijken van de in artikel 59, eerste lid, van verordening 2017/891 bedoelde in het aanmaningsbesluit vastgestelde termijn van rechtswege opgeschort als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van verordening 2017/891, tenzij de minister schriftelijk aan de producentenorganisatie meedeelt dat de niet-naleving van de erkenningscriteria tijdig is gecorrigeerd.

DEEL 3. ACTIEFONDS EN WAARDE AFGEZETTE PRODUCTIE

HOOFDSTUK 1. WAARDE AFGEZETTE PRODUCTIE

Artikel 36

De referentieperiode voor het bepalen van de waarde van de afgezette productie, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van verordening 2017/891, is het kalenderjaar twee jaar vóór het uitvoeringsjaar waarvoor de waarde afgezette productie wordt vastgesteld.

Artikel 37
  • 1. Producten zijn geproduceerd door een producentenorganisatie of een lid van de producentenorganisatie als bedoeld in artikel 22, eerste lid, eerste alinea, van verordening 2017/891, wanneer de productie voor eigen rekening en risico van de producentenorganisatie of haar lid heeft plaatsgevonden.

  • 2. Producten zijn geproduceerd door een unie van producentenorganisaties of een aangesloten producentenorganisaties als bedoeld in artikel 22, eerste lid, tweede alinea, van verordening 2017/891, wanneer de productie voor eigen rekening en risico van de unie van producentenorganisaties of daarbij aangesloten producentenorganisatie heeft plaatsgevonden.

  • 3. De producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties controleert de naleving van het eerste onderscheidenlijk tweede lid.

  • 4. Ter uitvoering van artikel 22, zesde lid, van verordening 2017/891 omvat de waarde van de afgezette productie in het stadium ‘af producentenorganisatie’ de aan de afnemer gefactureerde kosten van verpakkingsmateriaal, eenmalig fust, huur van meermalig fust en de verpakking waarin of pallet waarop het product ten verkoop wordt aangeboden.

  • 5. In de waarde van de afgezette productie worden geen transportkosten naar de afnemer opgenomen, ongeacht of deze op de verkoopfactuur zijn vermeld.

  • 6. Ter uitvoering van artikel 22, tiende lid, van verordening 2017/891 wordt slechts een vergoeding meegeteld die is uitgekeerd aan de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties.

  • 7. In de waarde van de afgezette productie worden geen debiteuren opgenomen die op het tijdstip van definitieve opgave van de waarde van de afgezette productie als bedoeld in artikel 43 nog openstaan. Terugbetalingen aan afnemers worden uit de waarde van de afgezette productie gehaald op het moment dat creditering in de boekhouding van de producentenorganisatie plaatsvindt.

Artikel 38

De waarde van de afgezette productie van leden die zijn toegetreden tot de producentenorganisatie gedurende de referentieperiode, bedoeld in artikel 36, wordt in aanmerking genomen voor de bepaling van de waarde afgezette productie van de producentenorganisatie vanaf de datum die door het bestuur van de producentenorganisatie in haar schriftelijke bevestiging als bedoeld in artikel 7, vierde lid, is aangewezen als de datum waarop het lidmaatschap in werking treedt.

Artikel 39
  • 1. De producentenorganisatie kan bij de bepaling van de waarde van de afgezette productie van de producentenorganisatie de waarde van de afgezette productie van leden in aanmerking nemen die:

    • a. gedurende de referentieperiode, bedoeld in artikel 36, voor de producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend waren aangesloten bij een andere in Nederland erkende producentenorganisatie, en

    • b. na de referentieperiode, bedoeld in artikel 36, voor de producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend tot de producentenorganisatie zijn toegetreden, voor zover deze leden voldoen aan het vereiste van artikel 23, tweede lid, van verordening 2017/891.

  • 2. De waarde van de afgezette productie van de leden, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts door de nieuwe producentenorganisatie in aanmerking genomen indien de producentenorganisatie waar de producent was aangesloten gedurende de referentieperiode, bedoeld in artikel 36, de nieuwe producentenorganisatie uiterlijk op 15 november van het jaar waarvoor de waarde van de afgezette productie bepaald wordt een overzicht verstrekt van de waarde van de voor het individuele lid afgezette producten waarvoor het lid bij de nieuwe producentenorganisatie is aangesloten, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld model.

  • 3. Indien de waarde van de afgezette productie van een lid als bedoeld in het eerste lid niet in aanmerking is genomen bij de bepaling van de waarde van de afgezette productie van de producentenorganisatie waar de producent was aangesloten gedurende de referentieperiode, bedoeld in artikel36, is artikel 40, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 40
  • 1. De producentenorganisatie kan voor de bepaling van de waarde van de afgezette productie in aanmerking nemen de waarde van de afgezette productie van leden die:

    • a. na de referentieperiode, bedoeld in artikel36 tot de producentenorganisatie zijn toegetreden, voor zover deze leden voldoen aan het vereiste van artikel 23, tweede lid, van verordening 2017/891 en

    • b. gedurende de referentieperiode, bedoeld in artikel 36,

      • 1°. niet waren aangesloten bij een erkende producentenorganisatie, of

      • 2°. waren aangesloten bij een producentenorganisatie waarvan de erkenning nadien is ingetrokken.

  • 2. De waarde van de afgezette productie van de leden, bedoeld in het eerste lid, wordt in aanmerking genomen bij de bepaling van de waarde afgezette productie van de producentenorganisatie indien het lid de producentenorganisatie:

    • a. een overzicht verstrekt van de waarde van de afgezette productie van de producten waarvoor de producent bij de producentenorganisatie is aangesloten, en

    • b. een controleverklaring of rapportage naar aanleiding van een COS 4400 onderzoek van een extern accountant overlegt waarin wordt bevestigd dat de waarde die is opgegeven in het overzicht, bedoeld in onderdeel a:

      • 1°. juist is;

      • 2°. gerealiseerd is door de verkoop van producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend;

      • 3°. dat de betreffende producten voor eigen rekening en risico door de betreffende producent binnen het grondgebied van de Europese Unie zijn geproduceerd, en

      • 4°. geen BTW en transportkosten bevat.

Artikel 41
  • 1. De producentenorganisatie kan voor de bepaling van de waarde van de afgezette productie van de producentenorganisatie in aanmerking nemen de waarde afgezette productie van leden die:

    • a. gedurende de referentieperiode, bedoeld in artikel 36, waren aangesloten bij een in een andere lidstaat erkende producentenorganisatie, en

    • b. na de referentieperiode, bedoeld in artikel 36, tot de producentenorganisatie zijn toegetreden, voor zover deze leden voldoen aan het vereiste van artikel 23, tweede lid, van verordening 2017/891.

  • 2. De waarde afgezette productie van de in het eerste lid bedoelde leden wordt in aanmerking genomen bij het bepalen van de waarde afgezette productie van de producentenorganisatie indien:

    • a. de producentenorganisatie waar de producent was aangesloten gedurende de referentieperiode, bedoeld in artikel 36, de nieuwe producentenorganisatie een schriftelijke verklaring verstrekt over de waarde van de voor het individuele lid afgezette producten waarvoor het lid bij de nieuwe producentenorganisatie is aangesloten, of

    • b. het lid een overzicht en controleverklaring of rapportage als bedoeld in artikel 40, tweede lid, onderdeel b, verstrekt.

Artikel 42

De waarde van de afgezette productie die is gerealiseerd door verkoop van producten van leden die op 1 januari van het uitvoeringsjaar waarvoor de waarde van de afgezette productie wordt berekend niet meer bij de producentenorganisatie zijn aangesloten, wordt aantoonbaar uit de waarde van de afgezette productie van de producentenorganisatie verwijderd voor het betreffende jaar.

Artikel 43
  • 1. Producentenorganisaties laten een extern accountant een controle uitvoeren en een controleverklaring over de juistheid van de opgave van de waarde van de afgezette productie van de producentenorganisatie opstellen, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld model, alsmede een verslag over de verrichte werkzaamheden.

  • 2. Producentenorganisaties overleggen jaarlijks uiterlijk op 2 december aan de minister:

    • a. de definitieve opgave van de waarde van de afgezette productie, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, en

    • b. de in het eerste lid bedoelde controleverklaring met het bijbehorende verslag.

HOOFDSTUK 2. BEHEER VAN HET ACTIEFONDS

Artikel 44
  • 1. De wijze van berekening van de financiële bijdragen aan het actiefonds, bedoeld in artikel 32, eerste lid, onderdeel a, van verordening 1308/2013, wordt door de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties vastgelegd in haar statuten.

  • 2. De financiële bijdragen van de leden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, onderdeel a, onderdeel i of ii, van verordening 1308/2013, kunnen op basis van objectieve criteria worden onderscheiden.

  • 3. Ter uitvoering van artikel 25, tweede lid, van verordening 2017/891 wordt het besluit van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties tot vaststelling van de financiële bijdragen aan het actiefonds, bedoeld in artikel 32, eerste lid, onderdeel a, van verordening 1308/2013 goedgekeurd door de algemene vergadering van de producentenorganisatie.

  • 4. In aanvulling op artikel 5 van verordening 2017/892 overlegt een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties voor 8 december van het jaar waarin een operationeel programma, of een wijziging als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening 2017/891 daarvan, voor goedkeuring is voorgelegd aan de minister bewijstukken waarmee wordt aangetoond dat de goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de bijdragen aan het actiefonds door de algemene vergadering, bedoeld in het derde lid, heeft plaatsgevonden.

  • 5. Indien in een jaar sprake is van een tekort van het actiefonds, kunnen tot en met 14 februari van het volgende jaar financiële bijdragen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, onderdeel a, van verordening 1308/2013 aan het actiefonds worden gedaan.

Artikel 45
  • 1. Door de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties wordt voor het actiefonds:

    • a. een bankrekening geopend;

    • b. een grootboekrekening gereserveerd, of

    • c. een aparte kostenplaats aangemaakt.

  • 2. De afsluiting van het kwartaal of het jaar in de administratie van de grootboekrekening of bankrekening van het actiefonds van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties sluit direct aan op kwartaalrapportage of de jaarrapportage.

  • 3. Het saldo van de eigen bijdragen van leden aan het actiefonds van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties is op 14 februari van enig jaar groter dan of gelijk aan nul.

  • 4. De producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties laat een extern accountant een controle uitvoeren en, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld model, een controleverklaring afleggen over:

    • a. de juistheid van de in het tweede lid bedoelde afsluiting, en

    • b. de naleving van de voorschriften inzake het beheer van het actiefonds, bedoeld in artikel 24 van verordening 2017/891.

Artikel 46
  • 1. De producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties informeert jaarlijks na afloop van het uitvoeringsjaar haar leden in een algemene vergadering over de realisatie van het operationeel programma gedurende het voorgaande uitvoeringsjaar, in het bijzonder voor wat betreft:

    • a. de bedragen die per project over het uitvoeringsjaar zijn gerealiseerd;

    • b. welke investeringen van € 100.000 en hoger gedurende het uitvoeringsjaar op locatie van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties zijn gerealiseerd, en

    • c. welke investeringen van € 50.000 en hoger gedurende het uitvoeringsjaar op andere locaties zijn gerealiseerd, onder vermelding van het adres van de locaties.

  • 2. De producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties overlegt aan de minister jaarlijks voor 1 juli na enig uitvoeringsjaar bewijsstukken waaruit blijkt dat het voldaan heeft aan haar informatieverplichting als bedoeld in het eerste lid.

HOOFDSTUK 1. EISEN AAN OPERATIONELE PROGRAMMA’S

Artikel 47
  • 1. Producentenorganisaties streven met hun operationeel programma minimaal elk van de volgende strategische doelen na:

    • a. verduurzaming, en

    • b. marktgericht produceren.

  • 2. Producentenorganisaties kunnen met hun operationeel programma tevens het strategisch doel versterking afzetstructuur nastreven.

  • 3. De gekwantificeerde streefcijfers zijn voor Nederland:

    • a. voor de strategische doelstelling verduurzaming voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 1 januari 2019:

      • 1°. vermindering van de uitstoot van broeikasgassen;

      • 2°. het hergebruik van afvalstoffen;

      • 3°. het voorkomen van emissie van gewasbeschermingsmiddelen en nutriënten naar lucht, water en bodem;

      • 4°. het bevorderen van geïntegreerde productie, en

      • 5°. het bevorderen van omschakeling naar een biologische productiewijze;

    • b. voor het strategische doel marktgericht produceren voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2020:

      • 1°. van de totale omzet van Nederlandse producentenorganisaties is op 31 december 2020 15% afkomstig uit de afzet van nieuwe producten of nieuwe concepten op bestaande markten of het aanboren van nieuwe afzetkanalen en markten;

      • 2°. een jaarlijkse toename van 2,5% van de omzet per areaal;

      • 3°. een toename van het aantal producten dat wordt afgezet in een hogere kwaliteitsklasse of met een onderscheidend kwaliteitslabel, en

      • 4°. een jaarlijkse groei van 5% van de omzet van biologisch gecertificeerde productie in groente en fruit.

    • c. voor de strategische doelstelling versterking afzetstructuur voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2020:

      • 1°. verdergaande samenwerking tussen producentenorganisaties;

      • 2°. een toename van de organisatiegraad per subsector met 15% van het aangesloten areaal op 31 december 2020 ten opzichte van 1 januari 2014.

Artikel 48
  • 1. In aanvulling op de gegevens, bedoeld in artikel 4 van verordening 2017/892, bevat een operationeel programma de visie van de producentenorganisatie voor de toekomst van de producentenorganisatie.

  • 2. In de visie van de producentenorganisatie, bedoeld in het eerste lid, is ten minste een beschrijving opgenomen van:

    • a. het toekomstbeeld dat de producentenorganisatie nastreeft en aan het einde van de looptijd van het operationeel programma wil hebben gerealiseerd, en

    • b. de wijze waarop dit toekomstbeeld past binnen de strategische doelstellingen bedoeld in artikel 47.

Artikel 49

De beschrijving van de uitgangssituatie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van verordening 2017/892 bevat een SWOT analyse waarin tenminste:

  • a. een beschrijving en onderbouwing is opgenomen van de sterke en zwakke punten van de producentenorganisatie, en

  • b. een beschrijving en onderbouwing is opgenomen van de kansen en bedreigingen voor de producentenorganisatie bij het realiseren van de visie, bedoeld in artikel 48, en de strategische doelen, bedoeld in artikel 47, van de producentenorganisatie.

Artikel 50

In de beschrijving van de doelen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van verordening 2017/892, onderbouwt de producentenorganisatie aan de hand van de SWOT analyse, bedoeld in artikel 49, de keuze om de strategische doelen, bedoeld in artikel 47, wel of niet na te streven met het operationeel programma.

Artikel 51
  • 1. De informatie over de voorgestelde maatregelen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van verordening 2017/892, bevat per strategisch doel de volgende onderdelen:

    • a. de meetbare streefdoelen die de producentenorganisatie in het kader van het strategisch doel beoogt te realiseren;

    • b. een onderbouwing van de gekozen en niet gekozen meetbare streefdoelen van de producentenorganisatie aan de hand van de SWOT analyse, bedoeld in artikel 49;

    • c. per meetbaar streefdoel van de producentenorganisatie:

      • 1°. een meetbare en controleerbare nulsituatie, voor zover mogelijk gebaseerd op de gemeenschappelijke uitgangsindicatoren, bedoeld in bijlage II van verordening 2017/892;

      • 2°. de percentages of cijfers, voor zover mogelijk uitgedrukt in dezelfde eenheid als de gekwantificeerde streefcijfers, die de producentenorganisatie aan het eind van de looptijd van het operationele programma nastreeft;

      • 3°. alle projecten waarmee de realisatie van het streefdoel van de producentenorganisatie wordt nagestreefd;

    • d. per project:

      • 1°. een omschrijving van het project;

      • 2°. een omschrijving en onderbouwing van de verwachte bijdrage, absoluut of relatief, van het project aan de realisatie van de meetbare streefdoelen van de producentenorganisatie,

      • 3°. een onderbouwing van het vernieuwende karakter van het project, en

      • 4°. de subsidiabele activiteiten die in het kader van project worden ingezet om de meetbare streefdoelen van de producentenorganisatie te realiseren;

    • e. per subsidiabele activiteit:

      • 1°. een omschrijving van de activiteit;

      • 2°. een omschrijving en onderbouwing van de verwachte bijdrage, absoluut of relatief, van de activiteit aan de realisatie van de meetbare streefdoelen van de producentenorganisatie;

      • 3°. een onderbouwing van de subsidiariteit van de activiteit en de bijbehorende uitgavenposten;

      • 4°. per uitvoeringsjaar van het operationeel programma een planning van werkzaamheden voor de activiteit, en

      • 5°. per uitvoeringsjaar van het operationeel programma een begroting voor de activiteit onderbouwd aan de hand van:

        • i. minimaal drie kostenbegrotingen per uitgavenpost voor uitgavenposten die betrekking hebben op het eerste jaar van het operationeel programma, en

        • ii. minimaal één kostenbegroting per uitgavenpost voor uitgavenposten die betrekking hebben op de volgende jaren van het operationeel programma

  • 2. De meetbare streefdoelen:

    • a. sluiten geheel of gedeeltelijk aan bij de gekwantificeerde streefcijfers, en

    • b. dragen bij aan de realisatie van de gekwantificeerde streefcijfers.

  • 3. Een project heeft een vernieuwend karakter als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, onder 3°, wanneer de producentenorganisatie kan aantonen dat zij gedurende de looptijd van het voorafgaande operationele programma geen planmatige of bewuste activiteiten heeft ondernomen op het gebied van het betreffende project.

  • 4. In afwijking van het eerste lid, onderdeel d, onder 3° geldt het vereiste dat een project een vernieuwend karakter moet hebben niet voor maatregelen als bedoeld in artikel 2, onderdeel f, onder vi en vii, van verordening 2017/891.

  • 5. Indien de meetbare streefdoelen, bedoeld in het eerste lid, moeten worden aangepast dient de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties voor het volgende jaar een verzoek tot wijziging van het operationeel programma als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening 2017/891 in.

  • 6. De uitgavenposten die in het operationeel programma zijn opgenomen voor de jaren na het eerste jaar van het operationeel programma worden voor de desbetreffende jaren jaarlijks door middel van een verzoek tot wijziging van het operationeel programma, als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening 2017/891, onderbouwd door middel van minimaal drie kostenbegrotingen per uitgavenpost.

  • 7. In afwijking van het eerste lid, onderdeel e, onder 5°, en het zesde lid, wordt een begroting voor een uitgavenpost voor een activiteit waarvan de uitgaven in een uitvoeringsjaar worden geraamd op minder dan € 25.000 onderbouwd aan de hand van een enkele kostenbegroting.

  • 8. Indien een uitgavenpost voor een activiteit aantoonbaar niet door meer dan twee partijen kan worden uitgevoerd wordt een kostenbegroting, in afwijking van het eerste lid, onderdeel e, onder 5°, en het zesde lid, onderbouwd met de beschikbare kostenbegrotingen.

  • 9. Indien een begroting voor een activiteit wordt onderbouwd aan de hand van meerdere kostenbegrotingen wordt de keuze voor de in de begroting opgenomen kostenbegroting voldoende gemotiveerd.

Artikel 52

Ter uitvoering van artikel 27, vijfde lid, van verordening 2017/891 betreffen de uitgaven van de uitvoering van het operationeel programma per project als bedoeld in artikel 51, eerste lid, onderdeel d, maximaal 50 procent van het totale operationele programma.

Artikel 53
  • 1. Ter uitvoering van artikel 25, tweede lid, van verordening 2017/891 wordt een operationeel programma of een verzoek tot wijziging van een operationeel programma als bedoeld in artikel 34, eerste lid van verordening 2017/891 door de algemene vergadering van de producentenorganisatie goedgekeurd.

  • 2. In aanvulling op artikel 5 van verordening 2017/892 overlegt een producentenorganisatie voor 8 december van het jaar waarin een operationeel programma of een wijziging daarvan voor goedkeuring is voorgelegd aan de minister bewijstukken waarmee wordt aangetoond dat de goedkeuring van het besluit tot goedkeuring van het operationeel programma of tot wijziging van een operationeel programma door de algemene vergadering van de producentenorganisatie heeft plaatsgevonden.

HOOFDSTUK 2. INDIENEN, WIJZIGEN EN STOPZETTEN OPERATIONEEL PROGRAMMA

Artikel 54
  • 1. De producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties dient het operationele programma als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van verordening 2017/892, in met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

  • 2. In afwijking van artikel 6, eerste lid, van verordening 2017/892 dient de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties een operationeel programma dat aanvangt in 2018, in voor 1 oktober 2017.

Artikel 55
  • 1. Een wijziging van een operationeel programma als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening 2017/891 kan betrekking hebben op:

    • a. een wijziging in de meerjarenbegroting voor de volgende uitvoeringsjaren van het operationeel programma;

    • b. het toevoegen of laten vervallen van uitgavenposten voor activiteiten opgenomen in een goedgekeurd operationeel programma;

    • c. het toevoegen van streefdoelen, projecten of activiteiten aan het operationele programma voor de volgende jaren;

    • d. het laten vervallen van projecten of activiteiten in het operationele programma voor de volgende jaren,

    • e. een wijziging van de verdeling van de tranches waarin investeringen via het actiefonds worden gefinancierd;

    • f. het jaarbedrag van het actiefonds, en

    • g. de looptijd van het operationele programma.

  • 2. Een verzoek tot wijziging als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening 2017/891 wordt voor 15 september ingediend met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

  • 3. Het toevoegen van uitgavenposten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, of activiteiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, is slechts mogelijk indien de activiteit subsidiabel is op grond van hoofdstuk 3 en 4 van dit deel.

  • 4. Op een wijziging als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, is artikel 51 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 56
  • 1. Een wijziging van een operationeel programma gedurende het jaar, als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van verordening 2017/891, betreft de toekomst en kan betrekking hebben op:

    • a. het toevoegen van nieuwe uitgavenposten aan bestaande activiteiten of van nieuwe activiteiten aan bestaande projecten opgenomen in een goedgekeurd operationeel programma, indien deze toevoeging voorafgaand aan het uitvoeringsjaar niet voorzienbaar was;

    • b. een wijziging van de begroting voor een uitgavenpost voor een activiteit opgenomen in een goedgekeurd operationeel programma met meer dan 20%;

    • c. het verhogen van het jaarbedrag van het actiefonds met maximaal 25%;

    • d. het verlagen van het jaarbedrag van het actiefonds met maximaal 80%, en

    • e. het toevoegen van andere soorten financiële bijdragen aan het actiefonds dan oorspronkelijk goedgekeurd.

  • 2. De producentenorganisatie geeft ten aanzien van wijzigingen als bedoeld in het eerste lid, gemotiveerd aan:

    • a. hoe het begrote bedrag tot stand gekomen is;

    • b. waarom het noodzakelijk is dat deze wijziging gedurende het jaar gedaan wordt, en

    • c. wat de gevolgen van deze wijziging zijn voor de uitvoering van het operationeel programma.

  • 3. In aanvulling op het tweede lid geeft de producenteorganisatie ten aanzien van wijzigingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, gemotiveerd aan:

    • a. waarom deze activiteit of uitgavenpost subsidiabel is;

    • b. waarom deze wijziging niet voorzienbaar was, en

    • c. indien het een nieuwe activiteit betreft, welk strategisch doel deze activiteit ondersteunt.

  • 4. Op een wijziging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is artikel 51, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 5, alsmede zevende tot en met negende lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Ten aanzien van de wijzigingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, wordt door de producentenorganisatie aangetoond dat de wijziging geen afbreuk doet aan de strategische doelen en de meetbare streefdoelen van het operationele programma.

  • 6. De producentenorganisatie dient een verzoek tot wijziging als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van verordening 2017/891 in op:

    • a. 1 februari van het uitvoeringsjaar waar het verzoek tot wijziging betrekking op heeft;

    • b. 1 mei van het uitvoeringsjaar waar het verzoek tot wijziging betrekking op heeft;

    • c. 1 augustus van het uitvoeringsjaar waar het verzoek tot wijziging betrekking op heeft, of

    • d. 31 oktober van het uitvoeringsjaar waar het verzoek tot wijziging betrekking op heeft.

  • 7. Het toevoegen van uitgavenposten of activiteiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is slechts mogelijk indien de uitgavenpost of activiteit subsidiabel is op grond van hoofdstuk 3 en 4 van dit deel.

Artikel 57
  • 1. Wijzigingen van de begroting voor activiteiten opgenomen in een goedgekeurd operationeel programma met minder dan 20% en het vervallen van activiteiten opgenomen in een goedgekeurd operationeel programma worden door de producentenorganisatie gemeld aan de minister op de data bedoeld in artikel 56, zesde lid.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt een wijziging van de begroting als bedoeld in het eerste lid die ontstaat na 31 oktober van een uitvoeringsjaar aan de minister gemeld in de steunaanvraag, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van verordening 2017/892, voor het betreffende uitvoeringsjaar.

  • 3. Een wijziging van de begroting voor een activiteit opgenomen in een goedgekeurd operationeel programma met minder dan 20% als bedoeld in het eerste lid wordt door de producentenorganisatie onderbouwd aan de hand van kostenbegrotingen.

Artikel 58

Indien een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties de uitvoering van haar operationele programma voor het einde van de geplande looptijd ervan stopzet, meldt zij dit onverwijld aan de minister.

Artikel 59

Een verzoek om bij fusie operationele programma’s parallel uit te voeren tot het einde van de looptijd, als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van verordening 2017/891, wordt ingediend voor 15 juli van het jaar van de fusie.

HOOFDSTUK 3. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN VOOR SUBSIDIALE UITGAVEN

TITEL 1. ALGEMEEN
Artikel 60
  • 1. De uitgaven, bedoeld in dit hoofdstuk, zijn subsidiabel indien zij op grond van hoofdstuk 4 van dit deel subsidiabel worden gesteld.

  • 2. De uitgaven, bedoeld in bijlage I, zijn niet subsidiabel.

  • 3. Ter uitvoering van artikel 30, derde lid van verordening 2017/891 is het steunniveau voor activiteiten die subsidiabel zijn op grond van hoofdstuk 4 van dit deel, waarvoor door leden van de producentenorganisatie of van een bij de unie van producentenorganisaties aangesloten producentenorganisatie tevens subsidie kan worden aangevraagd op grond van verordening 1305/2013, niet hoger dan het maximale steunbedrag voor deze activiteiten op grond van verordening 1305/2013.

  • 4. Ter uitvoering van artikel 30, zesde lid, van verordening 2017/891 zijn activiteiten niet subsidiabel als voor die activiteiten subsidie is verleend uit hoofde van een afzetbevorderingsprogramma dat in het kader van verordening (EU) nr. 1144/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties betreffende landbouwproducten uitgevoerd op de interne markt en in derde landen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 3/2008 van de Raad (PB EU 2014 L 317) is goedgekeurd.

Artikel 61

Indien subsidiabele uitgaven worden onderbouwd met een factuur:

  • a. wordt deze geaccordeerd door de projectleider die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de activiteit waarvoor de uitgaven zijn gedaan, en

  • b. bevat deze een omschrijving waaruit blijkt:

    • 1°. welke werkzaamheden zijn uitgevoerd of diensten zijn aangekocht, en

    • 2°. waar en wanneer deze werkzaamheden of diensten zijn uitgevoerd of aangekocht.

Artikel 62

Bij het bepalen van de factuurdatum van de laatste factuur voor een duurzaam productiemiddel worden facturen voor eventueel onvoorzien meerwerk niet meegerekend.

TITEL 2. PERSONEELSKOSTEN
Artikel 63

Onder personeelskosten als bedoeld in punt twee van bijlage III van verordening 2017/891 worden verstaan:

  • a. de loonkosten voor personeel in dienst van:

    • 1°. de producentenorganisatie, of

    • 2°. een dochteronderneming die voor minimaal 90% eigendom is van de producentenorganisatie;

  • b. de kosten voor het inhuren van gedetacheerd personeel en uitzendkrachten ingehuurd door de in onderdeel a genoemde ondernemingen, en

  • c. de arbeidskosten van:

    • 1°. een lid, indien het lid een natuurlijk persoon is, of

    • 2°. de eigenaar of directeur van een lid, indien het lid een rechtspersoon is.

Artikel 64
  • 1. Personeelskosten zijn subsidiabel voor maximaal:

    • a. 90% van het aantal uren, bedoeld in artikel 68, derde lid, of

    • b. 80% van het aantal uren, bedoeld in artikel 68, derde lid, in geval van managers en leidinggevenden.

  • 2. Uren worden alleen aan een activiteit toegerekend wanneer de producentenorganisatie aannemelijk maakt dat:

    • a. de uren aan de betreffende activiteit zijn besteed, en

    • b. de verhouding tussen de bestede uren en de omvang van de betreffende activiteit redelijk is.

  • 3. Personeelskosten voor managementactiviteiten en beheersmatige activiteiten zijn niet subsidiabel.

  • 4. Activiteiten van leden van de directie of het bestuur van een producentenorganisatie of een dochteronderneming zijn niet subsidiabel.

  • 5. De minister kan, op verzoek van een producentenorganisatie, in afwijking van het vierde lid, besluiten dat personeelskosten voor een lid van de directie of het bestuur subsidiabel zijn, indien het kosten betreft voor concrete en aantoonbare activiteiten ter uitvoering van een activiteit.

Artikel 65
  • 1. Voor de kosten, bedoeld in artikel 63, onderdeel c, geldt een forfaitair uurtarief van € 40.

  • 2. Wanneer een lid van een producentenorganisatie meerdere eigenaren of directeuren heeft, geeft de producentenorganisatie bij de indiening van het operationeel programma aan welke eigenaar of directeur de activiteiten zal uitvoeren en welke personeelskosten daarvoor worden opgevoerd.

Artikel 66
  • 1. Onder vakbekwaam personeel als bedoeld in punt twee, onderdeel b, van bijlage III van verordening 2017/891, wordt verstaan personeel met een werk- en denkniveau met minimaal het opleidingsniveau van het middelbaar beroepsonderwijs, dat is verkregen door:

    • a. een afgeronde opleiding, of

    • b. ervaring en specifieke vakkennis.

  • 2. De eisen omtrent vakbekwaamheid, bedoeld in het eerste lid, worden door de producentenorganisatie opgenomen in door de directie of het bestuur geaccordeerde functieprofielen, welke worden opgenomen in de administratieve organisatie van de producentenorganisatie.

  • 3. De producentenorganisatie overlegt bij de indiening van het operationeel programma of een verzoek tot wijziging van een operationeel programma aan de minister, ter onderbouwing van de vakbekwaamheid van het personeel, bedoeld in het eerste lid:

    • a. de door de directie of het bestuur van de producentenorganisatie geaccordeerde functieprofielen, en

    • b. een volledige taakomschrijving per subsidiabele activiteit van het voor die activiteit ingezette personeel.

  • 4. De verplichting opgenomen in het derde lid is slechts van toepassing op een verzoek tot wijziging van een operationeel programma voor zover hiermee functies worden opgevoerd die niet eerder in het operationeel programma waren opgenomen.

  • 5. De minister kan, ter onderbouwing van de vakbekwaamheid, bedoeld in het eerste lid, schriftelijke bewijsstukken opvragen.

Artikel 67
  • 1. De producentenorganisatie houdt ter onderbouwing van de gewerkte uren, bedoeld in punt twee, onderdeel b, van bijlage III van verordening 2017/891, een volledige urenadministratie bij die minimaal één keer per maand geparafeerd en gedateerd wordt door:

    • a. de betreffende medewerker, en

    • b. de projectleider of leidinggevende.

  • 2. Op verzoek van de minister overlegt de producentenorganisatie de urenadministratie bedoeld in het eerste lid.

  • 3. De medewerker, bedoeld in het eerste lid onderdeel a, mag niet dezelfde persoon zijn als de projectleider of leidinggevende, bedoeld in het eerste lid onderdeel b.

  • 4. De urenadministratie, bedoeld in het eerste lid:

    • a. wordt bijgehouden gedurende het hele kalenderjaar of voor de duur van de arbeidsovereenkomst van de medewerker wiens inzet wordt toegerekend aan een subsidiabele activiteit;

    • b. omvat alle uren waarvoor de betreffende medewerker een arbeidscontract heeft, waaronder de uren die niet worden toegerekend aan subsidiabele activiteiten;

    • c. bevat een korte en duidelijke omschrijving van ter uitvoering van de subsidiabele activiteit verrichte werkzaamheden, en

    • d. geeft duidelijk weer voor hoeveel uren de betreffende medewerker wordt ingezet:

      • 1°. per activiteit, en

      • 2°. voor niet-subsidiabele activiteiten.

  • 5. De minister kan, in afwijking van het vierde lid, onderdeel d, op verzoek van een producentenorganisatie schriftelijk toestemming verlenen om de onderverdeling, bedoeld in het derde lid, onderdeel d, te maken aan de hand van een andere deugdelijke onderbouwing.

  • 6. Indien managers of leidinggevenden uren maken ter uitvoering van een activiteit blijkt uit de urenadministratie, bedoeld in het eerste lid, dat managementactiviteiten en beheersmatige activiteiten niet zijn toegerekend aan subsidiabele activiteiten.

  • 7. Het aantal uren waarvoor in de steunaanvraag per activiteit steun wordt aangevraagd overschrijdt niet het aantal uren dat ingevolge de goedkeuring van het operationeel programma of het verzoek tot wijziging daarvan voor deze activiteit is goedgekeurd.

Artikel 68
  • 1. De producentenorganisatie onderbouwt de loonkosten, bedoeld in artikel 63, onderdeel a, van de subsidiabele activiteiten aan de hand van uurtarieven op basis van het jaarsalaris van de desbetreffende medewerkers.

  • 2. In het uurtarief, bedoeld in het eerste lid, kan worden opgenomen:

    • a. het contractueel of bij CAO overeengekomen brutoloon;

    • b. een bij contract of CAO overeengekomen niet winstafhankelijke dertiende maand;

    • c. een onregelmatigheidstoeslag;

    • d. een ploegentoeslag;

    • e. het werkgeversdeel sociale verzekeringswetten;

    • f. de voor rekening van de werkgever komende kosten voor de ziektekostenverzekering;

    • g. het werkgeversdeel pensioen en vervroegde uittreding, en

    • h. dotaties aan pensioenvoorzieningen voor zover onderbouwd kan worden dat hier rechtens afdwingbare verplichtingen tegenover staan.

  • 3. Ten behoeve van de berekening van het uurtarief, bedoeld in het eerste lid, wordt het jaarsalaris gedeeld door:

    • a. het aantal uur dat de overeengekomen werkweek bedraagt vermenigvuldigd met 43 werkweken, of

    • b. in geval van een niet volledig gewerkt jaar, het aantal uur dat de overeengekomen werkweek bedraagt vermenigvuldigd met het aantal werkweken in het desbetreffende jaar vermenigvuldigd met 0,827.

  • 4. Overwerktoeslagen worden niet het in het eerste lid bedoelde uurtarief opgenomen.

  • 5. De producentenorganisatie overlegt bij de indiening van operationeel programma van één personeelslid een voorbeeld van de berekening aan de minister.

TITEL 3. DUURZAME PRODUCTIEMIDDELEN
AFDELING 1. ALGEMEEN
Artikel 69
  • 1. De producentenorganisatie neemt duurzame productiemiddelen binnen twaalf maanden na de factuurdatum van de laatste factuur in gebruik.

  • 2. De producentenorganisatie toont de aanschaf van de duurzame productiemiddelen aan de hand van facturen of afleverbonnen aan en verstrekt deze onverwijld aan de minister, indien de minister daar om verzoekt.

Artikel 70
  • 1. Duurzame productiemiddelen zijn subsidiabel indien zij toegankelijk zijn voor alle leden van de productenorganisatie.

  • 2. Duurzame productiemiddelen geplaatst op het bedrijf van een lid van een producentenorganisatie zijn subsidiabel indien de producentenorganisatie schriftelijk met het lid overeenkomt dat het productiemiddel toegankelijk is voor de producentenorganisatie en al haar leden.

  • 3. Investeringen in elementaire voorzieningen als afwateringssystemen, riolering, aansluiting op waterleiding en aansluiting op systemen voor datacommunicatie, die worden gezien als onmisbare elementen, op het bedrijf van een lid zijn subsidiabel.

Artikel 71

Investeringen die voor 1 januari 2008 reeds in een operationeel programma waren opgenomen en ook na 1 januari 2008 nog in een operationeel programma zijn opgenomen, zijn voor het deel dat betrekking heeft op de periode voor 1 januari 2008 subsidiabel naar rato van het aandeel van de investering dat wordt gebruikt voor producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend.

Artikel 72
  • 1. Ter uitvoering van artikel 31, vierde lid, van verordening 2017/891 toont de producentenorganisatie het gebruik van duurzame productiemiddelen aan met behulp van gebruiksadministraties per productiemiddel, tenzij de producentenorganisatie het gebruik van het productiemiddel op andere wijze aantoont ten genoegen van de minister.

  • 2. De producentenorganisatie geeft bij de indiening van het operationeel programma aan op welke wijze de gebruiksadministratie, bedoeld in het eerste lid gevoerd gaat worden.

  • 3. De gebruiksadministratie, bedoeld in het eerste lid registreert minimaal de volgende elementen:

    • a. het jaar;

    • b. het project;

    • c. de locatie;

    • d. het soort productiemiddel;

    • e. de aanschafdatum;

    • f. de leverancier, het merk, het type, het serienummer of registratienummer;

    • g. de hoeveelheid bewerkt of voorbereid product per dag waarvoor de producentenorganisatie is erkend;

    • h. de hoeveelheid bewerkt of voorbereid product per dag waarvoor de producentenorganisatie niet is erkend, en

    • i. de totale hoeveelheid bewerkt of voorbereid product per dag.

  • 4. De hoeveelheden bewerkt of voorbereid product, bedoeld in het derde lid, onderdelen g tot en met i, worden geregistreerd op:

    • a. productstromen op locatieniveau in geval van distributiecentra en gebouwen;

    • b. palletregistraties in geval van koelcellen, of

    • c. stuks, collie of kilogramregistraties, in geval van sorteerlijnen en verpakkingsmachines.

  • 5. De gebruiksadministratie wordt bij de indiening van de steunaanvraag, geaggregeerd per maand aan de minister overgelegd.

  • 6. De minister kan, op eigen initiatief of op verzoek van een producentenorganisatie besluiten, in afwijking van het tweede, derde en vierde lid, andere voorschriften te stellen aan de gebruiksadministratie.

Artikel 73
  • 1. Uitgaven voor het installeren en monteren van duurzame productiemiddelen en de bijkomende kosten van installatie en montage, waarvan het fiscaal en bedrijfseconomisch gebruikelijk is dat deze worden geactiveerd, zijn als onderdeel van het duurzame productiemiddel subsidiabel.

  • 2. In afwijking van het eerste lid zijn uitgaven voor het installeren en monteren van duurzame productiemiddelen niet subsidiabel voor zover het gaat om uitgaven voor:

    • a. service en onderhoud van duurzame productiemiddelen, of

    • b. construction all risk verzekeringen.

  • 3. Uitgaven voor het demonteren van duurzame productiemiddelen zijn subsidiabel wanneer dit tot doel heeft het productiemiddel te verhuizen, reviseren, transporteren en opnieuw monteren.

Artikel 74
  • 1. De producentenorganisatie neemt in de steunaanvraag alleen uitgaven op voor:

    • a. nieuwbouw of verbouw van gebouwen die eigendom zijn van de producentenorganisatie of een dochteronderneming die voor minimaal 90% eigendom is van de producentenorganisatie;

    • b. ruimtes die zijn aangemerkt als subsidiabel in bijlage II, en

    • c. elementen die zijn aangemerkt als subsidiabel in bijlage III.

  • 2. Uitgaven als bedoeld in deel 2 van bijlage II en kolom 2 van bijlage III zijn niet subsidiabel.

  • 3. De producentenorganisatie onderbouwt bij de indiening van het operationeel programma de subsidiabele uitgaven, bedoeld in het eerste lid, aan de hand van:

    • a. bouwtekeningen, die aangegeven welk deel van de uitgaven subsidiabele ruimten en subsidiabele elementen betreft;

    • b. offertes van de aanneem- of bouwsom, en

    • c. een uitsplitsing, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, van subsidiabele en niet subsidiabele oppervlakten en elementen en bijbehorende uitgaven.

  • 4. De producentenorganisatie onderbouwt bij de indiening van de steunaanvraag de subsidiabele uitgaven aan de hand van:

    • a. bouwtekeningen die aangeven welk deel van de uitgaven subsidiabele ruimten en subsidiabele elementen betreffen;

    • b. facturen op naam van de producentenorganisatie met vermelding van de aanneem- of bouwsom, en

    • c. een uitsplitsing, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, van subsidiabele en niet subsidiabele oppervlakte en elementen en bijbehorende uitgaven.

Artikel 75
  • 1. De aankoop van onbebouwde grond, bedoeld in punt 6 van bijlage III van verordening 2017/891, is subsidiabel indien deze grond daadwerkelijk wordt aangewend voor de realisatie van in het operationeel programma opgenomen investeringen.

  • 2. De aankoop van grond die wordt gebruikt voor onderdelen van investeringen die op grond van deel 2 van bijlage II en kolom 2 van bijlage III niet subsidiabel zijn, is niet subsidiabel.

  • 3. De producentenorganisatie toont bij de indiening van het operationeel programma aan de hand van bouwtekeningen of plattegronden aan welke delen van de grond worden aangewend voor in het operationeel programma opgenomen subsidiabele investeringen.

  • 4. De producentenorganisatie gebruikt de grond binnen de looptijd van het operationeel programma voor realisatie van de investering waarvoor de grond is aangekocht.

Artikel 76
  • 1. Duurzame productiemiddelen, met uitzondering van duurzame onroerende productiemiddelen zijnde bomen en meerjarige planten, zijn eigendom van de producentenorganisatie, unie van productenorganisaties of een dochteronderneming die voor minimaal 90% eigendom is van een of meer producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties.

  • 2. Duurzame productiemiddelen die worden gefinancierd door meerdere erkende producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties zijn subsidiabel naar rato van het aandeel in de financiering van elk van die producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties.

  • 3. Kosten als bedoeld in artikel 101, derde lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek voor het vestigen van een recht van opstal zijn niet subsidiabel.

Artikel 77
  • 1. Ter uitvoering van artikel 31, vijfde lid, van verordening 2017/891 behoudt de eigenaar het eigendom en bezit van duurzame roerende productiemiddelen tot ten minste vijf jaar na ontvangst van de laatste steunbetaling voor de desbetreffende investering.

  • 2. Ter uitvoering van artikel 31, vijfde lid, van verordening 2017/891 behoudt de eigenaar het eigendom en bezit van duurzame onroerende productiemiddelen tot ten minste tien jaar na de factuurdatum van de laatste factuur en tot ten minste vijf jaar na ontvangst van de laatste steunbetaling voor de desbetreffende investering.

  • 3. Indien de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties aantoont dat de fiscale afschrijvingsperiode van duurzame onroerende productiemiddelen korter is dan de periode, bedoeld in het tweede lid, blijven duurzame onroerende productiemiddelen tot het einde van de fiscale afschrijvingsperiode in eigendom en bezit van de eigenaar.

  • 4. In afwijking van het tweede en derde lid wordt de opbrengst van duurzame onroerende productiemiddelen, zijnde bomen en meerjarige planten, geleverd aan de producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of dochteronderneming die voor minimaal 90% eigendom is van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties:

    • a. tot ten minste vijf jaar na ontvangst van de laatste steunbetaling voor de desbetreffende investering, of

    • b. indien de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties aantoont dat de fiscale afschrijvingsperiode van de boom of meerjarige plant korter is dan de periode, bedoeld in onderdeel a, tot ten minste het einde van de fiscale afschrijvingsperiode.

  • 5. Indien een producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of een dochteronderneming daarvan de eigenaar is van een duurzaam productiemiddel en een lid van de producentenorganisatie of de unie van producentenorganisaties de houder is van dat duurzame productiemiddel, geldt de termijn, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, slechts voor het eigendom van het duurzame productiemiddel.

Artikel 78

Indien een producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of dochteronderneming die voor minimaal 90% eigendom is van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties duurzame productiemiddelen gedurende de periode, bedoeld in artikel 77, verkoopt en niet vervangt, wordt de Uniesteun die is betaald voor de duurzame productiemiddelen naar evenredigheid van het aantal volledige jaren dat resteert tot het einde van die periode door de minister gerecupereerd, overeenkomstig artikel 31, zesde lid, van verordening 2017/891.

Artikel 79
  • 1. Indien een lid de producentenorganisatie verlaat of een producentenorganisatie de unie van producentenorganisaties verlaat, wordt een duurzaam productiemiddel dat op het terrein van het lid of van de producentenorganisaties of een dochteronderneming daarvan is geplaatst, herplaatst of vordert de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties de restwaarde van het duurzame productiemiddel terug en stort deze in het actiefonds.

  • 2. Wanneer een lid op wiens terrein een duurzaam productiemiddel is geplaatst de producentenorganisatie verlaat, wordt het op het terrein van dat lid geplaatste duurzame productiemiddel, herplaatst op een locatie van de producentenorganisatie, een dochteronderneming van de producentenorganisatie als bedoeld in artikel 22, achtste lid, onderdeel a, van verordening 2017/891, of een lid.

  • 3. In geval van een duurzaam productiemiddel dat is gefinancierd met behulp van het actiefonds van een unie van producentenorganisaties wordt het duurzame productiemiddel herplaatst op een locatie van de unie van producentenorganisaties, een aangesloten producentenorganisatie, een dochteronderneming van de unie van producentenorganisaties of een aangesloten producentenorganisatie als bedoeld in artikel 22, achtste lid, van verordening 2017/891 of een lid van een aangesloten producentenorganisatie.

  • 4. De restwaarde wordt bepaald naar evenredigheid van het aantal volledige maanden dat resteert tot het einde van de periode, bedoeld in artikel 77.

  • 5. Indien de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties in het jaar waarin de restwaarde op grond van het tweede lid in het actiefonds wordt gestort en in de twee daaropvolgende jaren geen operationeel programma heeft, wordt het gedeelte van de restwaarde waarvoor Uniesteun is betaald door de minister gerecupereerd.

Artikel 80
  • 1. De restwaarde, bedoeld in artikel 32, zesde lid, van verordening 2017/891, wordt bepaald volgens de voorschriften van artikel 79, vierde lid.

  • 3. De vervanging van onderdelen van duurzame productiemiddelen is niet subsidiabel.

Artikel 81

Indien een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties uitgaven voor een investering in een duurzaam productiemiddel in identieke tranches in de steunaanvraag opneemt, als bedoeld in artikel 31, zesde lid, van verordening 2017/891, wordt de eerste tranche niet eerder opgenomen dan in de steunaanvraag die de periode betreft die de factuurdatum van de laatste factuur voor het duurzame productiemiddel omvat.

Artikel 82
  • 1. Duurzame productiemiddelen kunnen ten laste van het actiefonds worden gebracht gedurende maximaal de periode, bedoeld in artikel 77.

  • 2. Uitgaven voor duurzame productiemiddelen, inclusief duurzame productiemiddelen die worden verworven door middel van langlopende leasecontracten, kunnen ook voor het volgende operationele programma in aanmerking worden genomen, indien de periode, bedoeld in artikel 77, langer is dan de looptijd van het operationele programma.

Artikel 83
  • 1. Tweedehands duurzame productiemiddelen zijn subsidiabel indien:

    • a. het aanschafbedrag hoger is dan € 10.000, en

    • b. de producentenorganisatie bij indiening van de steunaanvraag aan de minister een verklaring van de verkopende partij overlegt dat voor de aankoop van het productiemiddel in de voorafgaande zeven jaren geen uniale steun of nationale subsidie is ontvangen.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, bedraagt de termijn waarbinnen geen uniale steun of nationale subsidie mag zijn ontvangen voor onroerende zaken tien jaar.

  • 3. Tweedehands duurzame productiemiddelen die bij een aangesloten producent zijn aangeschaft zijn niet subsidiabel indien deze productiemiddelen vervolgens bij deze of een andere aangesloten producent worden geplaatst.

  • 4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op investeringen die worden gehuurd of geleased.

Artikel 84
  • 1. Duurzame productiemiddelen op het terrein van ICT zijn subsidiabel indien het gaat om:

    • a. hardware die:

      • 1°. een integraal onderdeel uitmaakt van subsidiabele installaties, of

      • 2°. ondersteunend is voor subsidiabele activiteiten en op grond van offertes kan worden toegerekend aan deze activiteiten;

    • b. software applicaties die ondersteunend zijn voor subsidiabele activiteiten die bijdragen aan handhaving van kwaliteit, milieubescherming of verbetering van de afzet en op grond van offertes kan worden toegerekend aan deze activiteiten.

  • 2. De producentenorganisatie toont bij de indiening van de steunaanvraag aan:

    • a. welke applicaties via de server gebruikt worden, en

    • b. wat het capaciteitsbeslag en het gebruik van de subsidiabele applicaties is.

Artikel 85
  • 1. Uitgaven voor investeringen in uitgangsmateriaal van rassen van meerjarige gewassen en licenties voor het gebruik van zaden en plantgoed van nieuwe rassen van meerjarige gewassen die zijn opgenomen in het operationeel programma van een producentenorganisatie zijn subsidiabel, indien de bedoelde rassen:

    • a. toegelaten zijn door de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst voor de Tuinbouw;

    • b. ingeschreven staan in het Nederlandse rassenregister van de Raad voor de plantenrassen, of

    • c. ingeschreven staan bij een keuringsinstantie van een andere lidstaat.

  • 2. Op verzoek van de minister overlegt de producentenorganisatie voor de zaden en het plantgoed, bedoeld in het eerste lid, het plantenpaspoort, bedoeld in richtlijn 2000/29.

Artikel 86

Producentenorganisaties houden voor alle duurzame productiemiddelen die zijn opgenomen in een lopend operationeel programma, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, een actueel register bij.

Artikel 87
  • 1. Uitgaven voor huur als alternatief voor koop van duurzame productiemiddelen zijn subsidiabel overeenkomstig punt 10 van bijlage III van verordening 2017/891, voor zover koop van de productiemiddelen subsidiabel zou zijn.

  • 2. In het geval de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, betrekking hebben op twee uitvoeringsjaren van het operationeel programma, zijn deze uitgaven, in afwijking van artikel 202, eerste lid, subsidiabel in het jaar waarin zij aan de producentenorganisatie zijn gefactureerd.

  • 3. De producentenorganisatie overlegt ter uitvoering van artikel 31, eerste lid, en punt 10 van bijlage III van verordening 2017/891 jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister voor de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, een huurcontract.

  • 4. De producentenorganisatie overlegt ter uitvoering van artikel 31, eerste lid, en punt 10 van bijlage III van verordening 2017/891 jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister een overzicht van de hoeveelheden product waarvan de productstroom gebundeld is met behulp van huur.

AFDELING 2. DUURZAME PRODUCTIEMIDDELEN VOOR MAATREGELEN OP HET GEBIED VAN ENERGIEBESPARING, VERBETERING VAN DE WATERKWALITEIT, WATERBESPARING EN MINERALENBESPARING
Artikel 88
  • 1. Een producentenorganisatie die uitgaven voor investeringen in installaties voor energiebesparende projecten opneemt in haar operationeel programma voegt aan de informatie, bedoeld in artikel 51, een energiebalans toe, waarin wordt vermeld wat de beginsituatie en de verwachte situatie is, op basis van een door een deskundige:

    • a. opgestelde technische specificatie, en

    • b. gemaakte berekening van de verwachte energiestromen en de verwachte energiebesparing.

  • 2. Ter verantwoording van de gerealiseerde energiebesparing overlegt de producentenorganisatie bij de steunaanvraag die wordt ingediend nadat de installaties één jaar in bedrijf zijn gesteld, het volgende:

    • a. het declaratieformulier energiebesparende investeringen, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel;

    • b. een overzicht van de bereikte energiebesparing volgens de geactualiseerde energiebalans, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel;

    • c. de jaaropgave van het energieverbruik in het kader van de uniforme milieuregistratie die is overgelegd aan de Uitvoeringsorganisatie Glastuinbouw en Milieu en het voor deze registratie bijgehouden logboek of de meest recente jaarafrekening van de energieleverancier.

  • 3. Indien een afwijking van de verwachte energiebesparing, bedoeld in het eerste lid, door de producentenorganisatie onvoldoende gemotiveerd wordt kan de minister uitgaven voor investeringen als bedoeld in het eerste lid niet subsidiabel oordelen.

Artikel 89
  • 1. Indien de totale hoeveelheid aan derden geleverde energie die wordt opgewekt met een energiebesparende installatie groter is dan de totale hoeveelheid energie die door het lid waar de investering is geplaatst van energieleveranciers is afgenomen, wordt de opbrengst van de netto energielevering aan derden van energie die wordt opgewekt met die installatie in mindering gebracht op de subsidie voor de desbetreffende investering. Indien de subsidie reeds is vastgesteld wordt de subsidie ten nadele van de producentenorganisatie gewijzigd.

  • 2. Wanneer de energie die wordt opgewekt met de in het eerste lid bedoelde installatie uitsluitend op het teeltbedrijf zelf gebruikt wordt, overlegt de producentenorganisatie aan de minister jaarlijks bij het indienen van de steunaanvraag, vanaf het jaar na de factuurdatum van de laatste factuur voor de installatie, de energiebalans waaruit blijkt dat er geen warmte of elektriciteit is geleverd aan derden.

Artikel 90
  • 1. Uitgaven voor investeringen in een energiebesparende installatie uitgevoerd door middel van een participatie in een samenwerkingsverband van agrarische bedrijven met energieclustering zijn subsidiabel.

  • 2. Een agrarisch samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid omvat ook een leveringsovereenkomst tussen agrarische bedrijven.

  • 3. Indien de gezamenlijke opbrengsten uit de participatie in een samenwerkingsverband voor een producentenorganisatie en diens leden of een unie van producentenorganisaties en diens leden groter zijn dan de gezamenlijke kosten van de totale hoeveelheid energie die door die producentenorganisatie en diens leden of die unie van producentenorganisaties en diens leden is afgenomen van het samenwerkingsverband, wordt het verschil in mindering gebracht op de subsidie voor de desbetreffende investering. Indien de subsidie reeds is vastgesteld wordt de subsidie ten nadele van de producentenorganisatie gewijzigd.

Artikel 91
  • 1. Een producentenorganisatie die uitgaven voor investeringen in installaties voor verbeterde waterkwaliteit, waterbesparing of besparing op het mineralenverbruik opneemt in haar operationeel programma voegt aan de informatie, bedoeld in artikel 51, een prognose toe van de verwachte verbetering of besparing per installatie, aan de hand van een technische specificatie van de leverancier of deskundige.

  • 2. Ter verantwoording van de gerealiseerde verbetering van de waterkwaliteit of de waterzuivering, of van de gerealiseerde besparing op het waterverbruik of het mineralenverbruik overlegt de producentenorganisatie bij de steunaanvraag die wordt ingediend na één jaar na de factuurdatum van de laatste factuur, het volgende:

    • a. het declaratieformulier installaties waterkwaliteit, waterbesparing, waterzuivering en fertigatie in de fruitteelt, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel;

    • b. een overzicht van de bereikte verbetering of besparing per installatie, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, aan de hand van een vergelijking van:

      • 1°. een meting van de situatie voor de ingebruikname van de installatie, en

      • 2°. een meting van de gerealiseerde situatie na de ingebruikname van de installatie.

  • 3. In geval van leidingwater wordt de bereikte waterbesparing onderbouwd aan de hand van de jaarafrekening van het waterleidingbedrijf.

  • 4. Indien uitgaven voor investeringen in duurzame productiemiddelen op grond van titel 1 van hoofdstuk 4 van dit deel subsidiabel zijn wanneer een waterbesparing of energiebesparing van 25% wordt gerealiseerd, wordt de besparing berekend in het kader van en op het niveau van de investering.

TITEL 4. OVERIGE KOSTEN
Artikel 92
  • 1. Uitgaven voor de inhuur van externen zijn subsidiabel, indien de voor uitvoering van een activiteit benodigde kennis of capaciteit bij een producentenorganisatie niet voldoende aanwezig is.

  • 2. Externen als bedoeld in het eerste lid beschikken minimaal over het opleidingsniveau, bedoeld in artikel 66, eerste lid.

  • 3. Producentenorganisaties geven in het operationeel programma aan welke specifieke taken aan externe diensten worden uitbesteed.

  • 4. De minister kan een producentenorganisatie, ten behoeve van de beoordeling van de subsidiabiliteit van uitgaven voor de inhuur van externen, verzoeken om aanvullende informatie en bewijsstukken te overleggen.

Artikel 93
  • 1. Uitgaven voor kilometers gereden met de eigen auto door leden en medewerkers van de producentenorganisatie zijn subsidiabel indien:

    • a. deze leden en medewerkers in het operationeel programma zijn opgenomen;

    • b. de kilometers zijn gemaakt in het kader van een in het operationeel programma opgenomen activiteit;

    • c. de vergoedingen daadwerkelijk aan de medewerker of het lid zijn uitbetaald;

    • d. de vergoeding maximaal € 0,19 per kilometer bedraagt, en

    • e. er een deugdelijke kilometeradministratie is bijgehouden die is geaccordeerd door de projectleider of leidinggevende die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de activiteit en een andere persoon is dan de persoon die de reis heeft gemaakt.

  • 2. Uitgaven voor vliegtickets voor buitenlandse dienstreizen, plaatsbewijzen voor het openbaar vervoer en tickets voor veerboten zijn subsidiabel op basis van de economy class prijzen van deze tickets of plaatsbewijzen.

  • 3. Producentenorganisaties kunnen voor uitgaven voor verblijfkosten voor dienstreizen en excursies in binnenland en EU-lidstaten door medewerkers en aangesloten leden vergoedingen verstrekken voor de daadwerkelijk gemaakte kosten binnen de maxima van artikel 5 van de Reisregeling Binnenland en artikel 3 van de Reisregeling Buitenland.

  • 4. De in het tweede en derde lid bedoelde uitgaven worden, met uitzondering van de vergoeding toegekend voor dagkosten, bij indiening van de steunaanvraag onderbouwd aan de hand van:

    • a. facturen, en

    • b. vervoersbewijzen.

  • 5. Kosten voor auto’s in eigendom van of geleased dan wel gehuurd door de producentenorganisatie zijn niet subsidiabel.

Artikel 94
  • 1. Uitgaven voor overige kosten op het gebied van ICT zijn subsidiabel voor zover deze ICT voorzieningen ondersteunend zijn voor subsidiabele activiteiten en op grond van offertes kunnen worden toegerekend aan deze activiteiten.

  • 2. Uitgaven voor licenties en voor abonnementen voor software applicaties als bedoeld in artikel 84, eerste lid, onderdeel b, gedaan voor het einde van het kwartaal dat de factuurdatum van de laatste factuur voor de ICT voorziening omvat, zijn eenmalig subsidiabel indien het uitgaven voor subsidiabele applicaties en modules betreft.

  • 3. Onderhoudsabonnementen zijn niet subsidiabel.

Artikel 95
  • 1. Uitgaven voor investeringen in uitgangsmateriaal voor rassen van eenjarige gewassen en licenties voor het gebruik van zaden en plantgoed van nieuwe rassen van eenjarige gewassen die zijn opgenomen in het operationeel programma van een producentenorganisatie zijn subsidiabel, indien de bedoelde rassen:

    • a. toegelaten zijn door de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst voor de Tuinbouw;

    • b. ingeschreven staan in het Nederlandse rassenregister van de Raad voor de plantenrassen, of

    • c. ingeschreven staan bij een keuringsinstantie van een andere lidstaat.

  • 2. Op verzoek van de minister overlegt de producentenorganisatie voor de zaden en het plantgoed, bedoeld in het eerste lid, het plantenpaspoort, bedoeld in richtlijn 2000/29.

HOOFDSTUK 4. SUBSIDIABELE ACTIVITEITEN

TITEL 1. VERDUURZAMING
AFDELING 1. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 96

Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ter realisatie van het strategisch doel, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel a, en ter uitvoering van de maatregel, bedoeld in artikel 2, onderdeel f, onder vii, van verordening 2017/891, zijn subsidiabel, indien wordt voldaan aan:

  • a. hoofdstuk 3 van dit deel, en

  • b. deze titel.

Artikel 97

De minister kan subsidie voor in het operationeel programma opgenomen milieuacties aanpassen wanneer het relevante referentieniveau wijzigt.

Artikel 98
  • 1. De producentenorganisatie voert activiteiten ter realisatie van het strategisch doel, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel a, uit gedurende de gehele looptijd van het operationeel programma.

  • 2. De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, worden tevens in een volgend operationeel programma opgenomen, indien dit noodzakelijk is om de looptijd te bereiken die van toepassing is op grond van artikel 28, vijfde lid, van verordening 1305/2013.

  • 3. De producentenorganisatie gebruikt de technische middelen, met uitzondering van vaste activa, waarvoor subsidie wordt verstrekt voor uitvoering van activiteiten ter realisatie van het strategisch doel, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel a, gedurende de hele periode, bedoeld in artikel 28, vijfde lid, van verordening 1305/2013, voor de doeleinden zoals goedgekeurd in het operationeel programma.

Artikel 99

Investeringen in duurzame productiemiddelen die op grond van deze afdeling subsidiabel zijn kunnen gedurende de bedrijfseconomische levensduur vervangen worden, indien er significante milieuvoordelen zijn.

AFDELING 2. UITGAVEN TEN BEHOEVE VAN AANKOOP VAN VASTE ACTIVA EN ANDERE VORMEN VAN VERWERVING VAN VASTE ACTIVA
Artikel 100
  • 1. Uitgaven voor investeringen in innovatieve en emissiebeperkende gewasbeschermingsapparatuur zijn subsidiabel indien deze investeringen tot doel hebben om het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen te verminderen of te voorkomen.

  • 2. Als innovatieve en emissiebeperkende gewasbeschermingsapparatuur wordt beschouwd:

    • a. spuitapparatuur;

    • b. UV-licht ter bestrijding van schimmelziekten;

    • c. mechanische onkruidbestrijdingsapparatuur,

    • d. GPS systemen in het kader van de precisielandbouwtechnieken, indien de inzet van GPS systemen leidt tot positieve effecten op het milieu of de kwaliteit van producten door aantoonbaar toepassen van:

      • 1°. precisie zaaien of planten;

      • 2°. precisietoediening van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen en

      • 3°. precisie mechanische onkruidbestrijding;

    • e. apparatuur voor het elektrochemisch activeren van een zwakke oplossing van natriumchloride in onthard water in combinatie met een vernevelaar ter bestrijding van micro organismen, of

    • f. apparatuur om looftrekdoeken te ontsmetten.

  • 3. Spuitleidingen en het transportsysteem voor het verplaatsen naar de volgende rij of afdeling van spuitrobots en UV belichtingswagens zijn niet subsidiabel.

  • 4. In geval van opgebouwde zelfrijdende landbouwspuitmachines is uitsluitend het spuitsysteem subsidiabel.

Artikel 101
  • 1. De producentenorganisatie onderbouwt de emissiebeperking, bedoeld in artikel 100, eerste lid:

    • a. bij de indiening van het operationeel programma of voorafgaand aan de uitvoering van de investering aan de hand van bij het betreffende merk of type apparatuur uitgevoerd onafhankelijk onderzoek, en

    • b. door bij de indiening van de steunaanvraag een jaarlijkse opgave van het totale gebruik aan werkzame stof in kilogram per hectare van het betrokken teeltbedrijf te overleggen waarbij de nulsituatie wordt weergegeven.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan de minister indien er geen onafhankelijk onderzoek beschikbaar is, bij de beoordeling van de steunaanvraag van een betrokken teeltbedrijf een meerjarige spuitregistratie opvragen ter vergelijking van:

    • a. het gewasbeschermingsmiddelenverbruik in het jaar voorafgaand aan het jaar van inbedrijfstelling van de investering, en

    • b. het gewasbeschermingsmiddelenverbruik gedurende het jaar:

      • 1°. van ingebruikname van de investering, of

      • 2°. volgend op het jaar van ingebruikname, in geval van inbedrijfstelling tijdens het teeltseizoen.

  • 3. De nulsituatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is het gemiddelde gebruik aan werkzame stof in kilogram per hectare van het betrokken teeltbedrijf over 3 voorgaande jaren.

Artikel 102

Uitgaven voor hygiënesluizen en hygiënestations ter voorkoming van insleep van ziekten in kassen door medewerkers en bezoekers zijn subsidiabel indien de sluis de enige toegang vormt tot de te betreden ruimte onder quarantaine.

Artikel 103
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie voor insectengaas bij vollegrondsteelten ter wering van insecten zijn subsidiabel.

  • 2. De uitgaven van de producentenorganisatie voor vliesdoek zijn niet subsidiabel.

Artikel 104
  • 1. Uitgaven voor investeringen in duurzame energie zijn subsidiabel indien:

    • a. de specificatie van de investering een reductie van het energieverbruik uit fossiele brandstoffen of energie ingekocht op het net van minimaal 25% geeft, en

    • b. het gaat om onder meer:

      • 1°. zonnepanelen;

      • 2°. zonnecollectoren, of

      • 3°. windmolens.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan de minister in uitzonderlijke gevallen een reductie van het energieverbruik uit fossiele brandstoffen of energie ingekocht op het net van minimaal 10% toestaan, indien de activiteit andere milieuvoordelen waarborgt.

  • 3. In geval van een investering in een installatie voor zonne-energie als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, zijn de kosten van de installatie zelf en het draagmateriaal subsidiabel.

  • 4. Uitgaven voor aanpassing aan het gebouw en een installatie voor zonne-energie op het dak van een nabijgelegen bedrijf van een derde zijn niet subsidiabel.

Artikel 105
  • 1. Uitgaven voor investeringen in warmte-krachtkoppeling installaties zijn subsidiabel indien de specificatie van de investering een reductie van het energieverbruik uit fossiele brandstoffen of energie ingekocht op het net van minimaal 25% geeft.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan de minister in uitzonderlijke gevallen een reductie van het energieverbruik uit fossiele brandstoffen of energie ingekocht op het net van minimaal 10% toestaan, indien de activiteit andere milieuvoordelen waarborgt.

  • 3. Uitgaven voor bouwkundige voorzieningen bij aanschaf van warmte-krachtkoppeling installaties zijn niet subsidiabel.

Artikel 106
  • 1. Uitgaven voor investeringen in aardwarmte zijn subsidiabel indien de specificatie van de investering een reductie van het energieverbruik uit fossiele brandstoffen of energie ingekocht op het net van minimaal 25% geeft.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan de minister in uitzonderlijke gevallen een reductie van het energieverbruik uit fossiele brandstoffen of energie ingekocht op het net van minimaal 10% toestaan, indien de activiteit andere milieuvoordelen waarborgt.

  • 3. Uitgaven voor investeringen voor aansluiting van het teeltbedrijf op een geothermische bron zijn subsidiabel.

Artikel 107
  • 1. Uitgaven voor investeringen in aanvullende meetapparatuur voor metingen in de kas ter voorkoming van schade aan gewassen is subsidiabel indien deze apparatuur extreem gevoelig is voor NO, NO2, C2H4 en CO en waarden kleiner dan 5.000 microgram per liter meet.

  • 2. De producentenorganisatie onderbouwt de emissie na rookgasreiniging:

    • a. bij de indiening van het operationeel programma aan de hand van de specificatie van de leverancier vooraf, en

    • b. bij de indiening van de steunaanvraag aan de hand van de metingen van de emissieconcentratie na ingebruikstelling.

  • 3. Uitgaven van de producentenorganisatie voor voorzieningen voor distributie en regeling van CO2 in de kas zijn niet subsidiabel.

Artikel 108
  • 1. Uitgaven voor investeringen in aansluitingen op een CO2-netwerk en aansluitingen voor CO2-opslag, alsmede bijbehorende meetapparatuur voor de afvang van CO2voor stookinstallaties zijn subsidiabel indien de afgevangen CO2 wordt aangewend voor dosering aan het gewas in de kassen van het betreffende teeltbedrijf of cluster van teeltbedrijven.

  • 2. Uitgaven van de producentenorganisatie voor voorzieningen voor distributie en regeling van CO2 in de kas zijn niet subsidiabel.

Artikel 109
  • 1. Uitgaven voor investeringen op bedrijven, anders dan glastuinbouwbedrijven, in warmtepompen, warmtewisselaars, warmte- en koudebuffering zijn subsidiabel indien de specificatie van de investering een reductie van het energieverbruik uit fossiele brandstoffen of energie ingekocht op het net van minimaal 25% geeft.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan de minister in uitzonderlijke gevallen een reductie van het energieverbruik uit fossiele brandstoffen of energie ingekocht op het net van minimaal 10% toestaan, indien de activiteit andere milieuvoordelen waarborgt.

Artikel 110
  • 1. Uitgaven voor investeringen in het kader van het programma ‘Kas als Energiebron’ of ‘Het nieuwe telen’ zijn subsidiabel indien:

    • a. de specificatie van de investering een reductie van het energieverbruik uit fossiele brandstoffen of energie ingekocht op het net van minimaal 25% geeft;

    • b. het gaat om installaties ten behoeve van semi-gesloten kassen die een combinatie vormen van:

      • 1°. buitenluchtaanzuiging in combinatie met een tweede beweegbaar energiescherm;

      • 2°. energiebesparend ventilatiesysteem met warmteterugwinning of voorverwarming;

      • 3°. luchtbehandelingsystemen ter ontvochtiging van lucht;

      • 4°. hogedrukvernevelingsysteem met een adiabatische koeling waarbij de druppelgrootte 5 tot maximaal 15 micron bedraagt;

      • 5°. warmtewisselingsysteem;

      • 6°. warmtepomp;

      • 7°. seizoensopslagsysteem voor warmte en koude;

      • 8°. warmtebuffertank;

      • 9°. tweede energiescherm, waarbij de energiebesparing met het doek dicht minimaal 45% bedraagt;

      • 10°. eerste energiescherm voor bedrijven met een verbruik van minder dan 25 Nm3 aardgasequivalent/m2, waarbij de energiebesparing met het doek dicht minimaal 35% bedraagt, of

      • 11°. gevelscherm, waarbij de energiebesparing met het scherm dicht minimaal 40% bedraagt.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan de minister in uitzonderlijke gevallen een reductie van het energieverbruik uit fossiele brandstoffen of energie ingekocht op het net van minimaal 10% toestaan, indien de activiteit andere milieuvoordelen waarborgt.

  • 3. Het scherm, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 9 tot en met 11, is geen scherm voor lichtafscherming.

  • 4. De vervanging van bestaande schermen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 9 tot en met 11, is niet subsidiabel.

Artikel 111

Uitgaven voor investeringen in zelfpersende containers zijn subsidiabel.

Artikel 112
  • 1. Uitgaven voor investeringen in innovatieve installaties ten behoeve van waterbesparing zijn subsidiabel indien:

    • a. de specificatie van de investering een reductie van het waterverbruik van minimaal 25% geeft;

    • b. de investeringen gericht zijn op de vervanging of de modernisering van bestaande systemen met het doel het waterverbruik te verminderen, en

    • c. het gaat om:

      • 1°. bodemvochtsensoren in de vollegrondsteelt, of

      • 2°. installaties gericht op het hergebruik van spoelwater bij het afleveringsklaar maken van geoogst product.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan de minister in uitzonderlijke gevallen een reductie van het waterverbruik van minimaal 10% toestaan, indien de activiteit andere milieuvoordelen waarborgt.

  • 3. Het vaststellen van waterbesparing, gemeten in m³, als gevolg van een investering als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op basis van een vergelijking tussen:

    • a. het waterverbruik van de 12 maanden voorafgaand aan het jaar van inbedrijfstelling van de investering, en

    • b. het waterverbruik gedurende het jaar:

      • 1°. na ingebruikname van de investering, of

      • 2°. volgend op het jaar van ingebruikname, in geval van inbedrijfstelling tijdens het teeltseizoen.

Artikel 113
  • 1. Uitgaven voor investeringen in installaties ten behoeve van het zuiveren van water voorafgaand aan lozing zijn subsidiabel indien het bevoegd gezag heeft bepaald dat de verplichting om water dat gewasbeschermingsmiddelen bevat voorafgaand aan het lozen door een zuiveringsvoorziening te leiden die ten minste 95% van de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen uit het afvalwater verwijdert, voor de desbetreffende inrichting niet geldt en de specificatie van de investering een reductie van de emissie van afvalstoffen in het geloosde afvalwater van minimaal 25% geeft.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan de minister in uitzonderlijke gevallen een reductie van de emissie van afvalstoffen in het geloosde afvalwater van minimaal 10% toestaan, indien de activiteit andere milieuvoordelen waarborgt.

  • 3. In geval van waterzuivering als bedoeld in het eerste lid overlegt de producentenorganisatie, bij indiening van de steunaanvraag aan de minister, een opgave van de emissiereductie van afvalstoffen in het geloosde afvalwater. De reductie wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking van de metingen voor inbedrijfstelling van de investering en direct na inbedrijfstelling van de investering.

AFDELING 3. UITGAVEN VOOR OVERIGE ACTIVITEITEN TEN BEHOEVE VAN BIOLOGISCHE PRODUCTIE
Artikel 114

Ter uitvoering van artikel 30, vierde lid, van verordening 2017/891 kunnen in uitzonderlijke gevallen de werkelijke kosten van milieuacties, anders dan de verwerving van vaste activa, subsidiabel worden gesteld indien de producentenorganisatie in haar operationeel programma onderbouwt dat dit, gezien de hoogte van de werkelijk uit de milieuactie voortvloeiende kosten, nodig is om rekening te houden met de specifieke omstandigheden van de milieuactie.

Artikel 115
  • 1. Uitgaven voor aankoop van mest en compost afkomstig van door de Stichting Skal, bedoeld in artikel 1 van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007, gecertificeerde biologische landbouwbedrijven zijn subsidiabel.

  • 2. De producentenorganisatie toont de biologische oorsprong van mest en compost bij de indiening van de steunaanvraag aan door middel van:

    • a. een factuur en een afleverbon met vermelding van Skalnummer en ‘eko’ of ‘bio’;

    • b. het Skal certificaat van de leverancier, en

    • c. een opgave per deelnemende producent van:

      • 1°. het areaal GMO waardige gewassen;

      • 2°. de hoeveelheid en het type mest of compost, en

      • 3°. de opgevoerde kosten.

  • 3. In afwijking van het tweede lid, onderdeel b, kan de producentenorganisatie in plaats van Skal certificaten een lijst van Skal gecertificeerde leveranciers en Skalnummers overleggen.

  • 4. De uitgaven van de producentenorganisatie, bedoeld in het eerste lid, voor geconcentreerde handelsmeststoffen zijn niet subsidiabel.

Artikel 116
  • 1. Uitgaven voor het verbeteren van de bodemvruchtbaarheid door het activeren van bodemleven door middel van het toedienen van micro-organismen zijn subsidiabel.

  • 2. De producentenorganisatie verzoekt de minister vooraf om goedkeuring van de micro-organismen, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 117
  • 1. Uitgaven voor biologische vermeerdering en opkweek van uitgangsmateriaal en de niet-chemische behandeling bij zaden van gangbare oorsprong zijn subsidiabel indien zij door de Stichting Skal, bedoeld in artikel 1 van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007, gecertificeerd zijn.

  • 2. Voor de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, geldt een forfaitair tarief van 25%.

  • 3. De producentenorganisatie toont de biologische oorsprong van uitgangsmateriaal bij de indiening van de steunaanvraag aan door middel van:

    • a. een factuur en een afleverbon met vermelding van Skalnummer en ‘eko’ of ‘bio’ en, indien van toepassing, ‘niet chemisch behandeld’, en

    • b. het Skal certificaat van de leverancier.

  • 4. In afwijking van het derde lid, onderdeel b, kan de producentenorganisatie in plaats van Skal certificaten een lijst van Skal gecertificeerde leveranciers en Skalnummers overleggen.

AFDELING 4. UITGAVEN VOOR OVERIGE ACTIVITEITEN TEN BEHOEVE VAN GEÏNTEGREERDE PRODUCTIE
Artikel 118

Ter uitvoering van artikel 30, vierde lid, van verordening 2017/891 kunnen in uitzonderlijke gevallen de werkelijke kosten van milieuacties, anders dan de verwerving van vaste activa, subsidiabel worden gesteld indien de producentenorganisatie in haar operationeel programma onderbouwt dat het, gezien de hoogte van de werkelijk uit de milieuactie voortvloeiende kosten, nodig is om rekening te houden met de specifieke omstandigheden van de milieuactie.

Artikel 119
  • 1. Uitgaven voor zaden van rassen met één of meerdere extra resistenties met als doel vermindering van het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen zijn subsidiabel.

  • 2. De producentenorganisatie onderbouwt bij de indiening van het operationeel programma aan de hand van schriftelijke bewijsstukken, dat het ras, bedoeld het eerste lid, beschikt over één of meerdere extra resistenties ten opzichte van de belangrijkste standaardrassen aan de hand van een vergelijking tussen deze rassen.

  • 3. De producentenorganisatie beschikt over de afleverbonnen of plantenpaspoorten van zaden als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 120
  • 1. Voor de rassen, bedoeld in artikel 119, eerste lid, zijn de meerkosten ten opzichte van een standaardras zonder extra resistentie subsidiabel.

  • 2. De producentenorganisatie onderbouwt bij de indiening van de steunaanvraag, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, de meerkosten, bedoeld in het eerste lid, door middel van een vergelijking tussen de kosten van de belangrijkste standaardrassen en het ras met de extra resistentie, bedoeld in artikel 119, eerste lid.

  • 3. De vergelijking, bedoeld in het tweede lid, wordt gemaakt per ras en per leverancier.

  • 4. De kosten van gecoat zaad worden bij de prijsvergelijking, bedoeld in het derde lid, buiten beschouwing gelaten.

  • 5. De producentenorganisatie beschikt over de afleverbonnen van het zaad, bedoeld in artikel 119, eerste lid.

Artikel 121
  • 1. Uitgaven voor het enten van plantmateriaal met als doel het verminderen van het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen zijn subsidiabel.

  • 2. De onderverdeling van rassen in tariefgroepen vindt plaats op basis van het rassenregister van de Raad voor de Plantenrassen.

  • 3. De producentenorganisatie onderbouwt bij de indiening van de steunaanvraag de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

  • 4. De producentenorganisatie beschikt over de afleverbonnen van het plantmateriaal, bedoeld in het eerste lid, en overlegt deze desgevraagd aan de minister.

Artikel 122

Uitgaven voor middelen voor biologische of geïntegreerde gewasbescherming en het voorkomen van ziekten en plagen zijn subsidiabel indien het uitgaven betreft voor:

  • a. macrobiologische bestrijders en aaltjes, die zijn toegelaten op grond van de Regeling natuurbescherming;

  • b. microbiologische bestrijders die zijn toegelaten op grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

  • c. overige gewasbeschermingsmiddelen van natuurlijke oorsprong die zijn toegelaten op grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

  • d. middelen voor feromoonverwarring die zijn toegelaten op grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

  • e. feromonen als lokstof in vallen of op rollertraps en vangplaten;

  • f. vangplaten en rollertraps;

  • g. kalkmelk voor de fruitteelt;

  • h. organismen, voeding en middelen voor dosering ter ondersteuning van biologische gewasbescherming, en

  • i. bakken om eitjes, poppen of larven van fruitvliegen te doden.

Artikel 123
  • 1. Uitgaven voor biologische of geïntegreerde gewasbescherming en het voorkomen van ziekten en plagen zijn subsidiabel indien het gaat om:

    • a. verblazingsapparatuur voor het effectief doseren van natuurlijke vijanden;

    • b. een scoutbox voor automatische detectie en diagnose van plagen, en

    • c. vlieglampen en sporenfilters voor de champignonteelt.

  • 2. In afwijking van het eerste lid zijn de volgende uitgaven niet subsidiabel:

    • a. afdichtingsmateriaal ten behoeve van het afdichten van champignoncellen;

    • b. messen ter voorkoming van verspreiding van virussen, en

    • c. grondstomen en stomen van materialen in de kas.

  • 3. Uitgaven voor een softwarelicentie voor een scoutbox als bedoeld in het eerste lid onderdeel b, gedaan voor het einde van het kwartaal dat de factuurdatum van de laatste factuur voor de scoutbox omvat, zijn eenmalig subsidiabel.

Artikel 124
  • 1. Voor de uitgaven, bedoeld in artikel 122 en 123, eerste lid, geldt een forfaitair tarief van:

    Uitvoeringsjaar

    Forfaitair tarief

    2018

    40%

    2019

    20%

    2020

    20%

  • 2. De producentenorganisatie onderbouwt het effect van biologische en geïntegreerde bestrijding als bedoeld in artikel 122 en 123, eerste lid, op het terugdringen van het gebruik van werkzame stof uit chemische gewasbeschermingsmiddelen, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, aan de hand van een jaarlijkse opgave van het totale gebruik aan werkzame stof in kilogram per hectare, uitgesplitst naar gewas(groep) aan de hand van registraties van de teeltbedrijven.

  • 3. De producentenorganisatie onderbouwt bij de indiening van de steunaanvraag de uitgaven, bedoeld in artikel 122 en 123, eerste lid, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

Artikel 125
  • 1. Uitgaven voor de meerkosten van materialen, monitoring en begeleiding van biologische grondontsmetting ten opzichte van gangbare grondontsmetting, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel.

  • 2. De producentenorganisatie toont de meerkosten, bedoeld in het eerste lid, bij indiening van de steunaanvraag aan door middel van offertes of facturen.

AFDELING 5. UITGAVEN VOOR ACTIVITEITEN OM AFVALPRODUCTIE TE VERMINDEREN EN AFVALBEHEER TE VERBETEREN
Artikel 126

Ter uitvoering van artikel 30, vierde lid, van verordening 2017/891 kunnen in uitzonderlijke gevallen de werkelijke kosten van milieuacties, anders dan de verwerving van vaste activa, subsidiabel worden gesteld indien de producentenorganisatie in haar operationeel programma onderbouwt dat het, gezien de hoogte van de werkelijk uit de milieuactie voortvloeiende kosten, nodig is om rekening te houden met de specifieke omstandigheden van de milieuactie.

Artikel 127
  • 1. Uitgaven voor de meerkosten van biologisch afbreekbaar folie bestemd voor onkruidbestrijding ten opzichte van kunststoffolie zijn subsidiabel.

  • 2. De meerkosten, bedoeld in het eerste lid, worden door de producentenorganisatie bij het indienen van de steunaanvraag aangetoond aan de hand van offertes en facturen.

AFDELING 6. UITGAVEN VOOR OVERIGE ACTIVITEITEN
Artikel 128
  • 1. Uitgaven voor deelname aan nationaal of internationaal maatschappelijk aanvaarde milieuzorgsystemen en aanvullende certificeringssystemen die openstaan voor alle producenten van groenten en fruit, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel indien:

    • a. het milieuzorgsysteem bindende voorwaarden omvat met betrekking tot productiemethoden;

    • b. de naleving van de voorwaarden, bedoeld in onderdeel a, het onderwerp zijn van een onafhankelijke controle door gekwalificeerde personen of organen, en

    • c. het gaat om de volgende uitgaven voor:

      • 1°. begeleiding, audits, certificering en lidmaatschapkosten, indien zij noodzakelijk zijn voor deelname aan milieuzorgsystemen;

      • 2°. personeelskosten voor milieuzorgsystemen, indien zij nodig zijn voor de deelname in milieuzorgsystemen;

      • 3°. het ontwikkelen van materialen voor milieuzorgsystemen, en

      • 4°. het ontwikkelen en verbeteren van ICT en registratiemodules ten behoeve van milieuzorgsystemen

  • 2. Milieuzorgsystemen, bedoeld in het eerste lid, op het teeltbedrijf van aangesloten leden zijn:

    • a. Skal biologische productie, voor teelt van gewassen;

    • b. certificeringssystemen, zoals Milieukeur, MPS Fruit & Vegetable, Duurzame Glastuinbouw Producten, CO2Footprint, en

    • c. certificeringssystemen van retailers, zoals Albert Heijn Protocol, Field to Fork, LEAF en Sedex.

  • 3. Milieuzorgsystemen, bedoeld in het eerste lid, op het centrale niveau van de producentenorganisatie of distributiecentra van de producentenorganisatie zijn:

    • a. ISO 14001 Milieu;

    • b. Skal bereiding, verpakking, handel en opslag, en

    • c. Milieukeur.

  • 4. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid zijn niet subsidiabel indien het gaat om uitgaven voor:

    • a. uitgaven voor certificering van groenlabelkassen, en

    • b. de aanschaf van materialen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 3°.

  • 5. De producentenorganisatie overlegt bij de indiening van de steunaanvraag, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, cijfers met betrekking tot de deelname van producenten aan de systemen, bedoeld in het tweede lid.

  • 6. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 4°, voor abonnementen of licenties voor registratiemodules, gedaan voor het einde van het kwartaal dat de factuurdatum van de laatste factuur voor de registratiemodule omvat, zijn eenmalig subsidiabel.

TITEL 2. MARKTGERICHT PRODUCEREN
AFDELING 1. ACTIVITEITEN GERICHT OP PRODUCTIEPLANNING
Artikel 129

Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ter realisatie van het strategisch doel marktgericht produceren, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel b, en ter uitvoering van de maatregel, bedoeld in artikel 2, onderdeel f, onder i, van verordening 2017/891, zijn subsidiabel, indien wordt voldaan aan:

  • a. deel 4, hoofdstuk 3, en

  • b. deze afdeling.

Paragraaf 1. Duurzame productiemiddelen
Artikel 130
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie voor investeringen in de aanschaf van belichtingsinstallaties ten behoeve van het jaarrond produceren zijn subsidiabel indien de energie die gedurende de instandhoudingstermijn, bedoeld in artikel 77, eerste lid, wordt gebruikt voor de belichtingsinstallatie een aantoonbaar duurzaam karakter heeft of wordt opgewekt met behulp van een warmtekrachtkoppelingsinstallatie.

  • 2. De producentenorganisatie toont bij de indiening van het operationeel programma aan dat:

    • a. verkoop van het betreffende product op dat moment niet jaarrond plaatsvindt, en

    • b. de verkoop van het betreffende product met behulp van de belichtingsinstallatie waarvoor steun wordt aangevraagd wel jaarrond kan plaatsvinden.

  • 3. De producentenorganisatie toont bij indiening van de steunaanvraag voor het laatste uitvoeringsjaar van het operationeel programma aan dat de productie van het product jaarrond plaatsvindt.

  • 4. Uitgaven voor schermen ten behoeve van lichtafscherming en verwijderingsbijdragen zijn niet subsidiabel.

  • 5. De producentenorganisatie overlegt jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister een overzicht van de hoeveelheden product, met uitsplitsing naar gewas en type klant, die zijn geproduceerd met behulp van de in het eerste lid bedoelde belichtingsinstallatie.

Paragraaf 2. Uitgaven voor overige kosten
Artikel 131

Indien dit noodzakelijk is voor het functioneren van de belichtingsinstallatie, bedoeld in artikel 130, eerste lid, zijn uitgaven van de producentenorganisatie voor de aansluiting van een extern trafostation van het energiebedrijf of de verzwaring van de netkoppeling op de warmte-krachtkoppelingsinstallatie, inclusief personeelskosten, subsidiabel.

AFDELING 2. ACTIVITEITEN GERICHT OP VERBETERING OF HANDHAVING VAN PRODUCTKWALITEIT
Artikel 132

Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ter realisatie van het strategisch doel marktgericht produceren, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel b, en ter uitvoering van de maatregel, bedoeld in artikel 2, onderdeel f, onder ii, van verordening 2017/891, zijn subsidiabel, indien wordt voldaan aan:

  • a. deel 4, hoofdstuk 3, en

  • b. deze afdeling.

Paragraaf 1. Uitgaven voor duurzame productiemiddelen
Artikel 133
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ten behoeve van het optimaliseren van de productkwaliteit in de keten zijn subsidiabel indien het gaat om investeringen ten behoeve van:

    • a. het verhogen van de houdbaarheid van de producten;

    • b. voedselveiligheid;

    • c. kwaliteitszorgsystemen

    • d. het verhogen van de fysieke productkwaliteit, of

    • e. lange bewaring in koelhuizen, koelcellen, koelinstallaties, vriescellen

  • 2. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid zijn niet subsidiabel indien het gaat om investeringen:

    • a. in reinigingsinstallaties;

    • b. in fustwasinstallaties;

    • c. in installaties en apparatuur voor conditionering van champignon- en witloftrekcellen;

    • d. in voorzieningen voor gekoeld of geconditioneerd transport op het teeltbedrijf;

    • e. in droogsystemen voor aanzuiging van buitenlucht voor knoflook;

    • f. in vogel -en wildafweer, en

    • g. die de producentenorganisatie doet om te voldoen aan de voorwaarden van kwaliteitskeurmerken.

Artikel 134
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van de borging van een nieuw product of concept in de keten zijn subsidiabel, indien het gaat om:

    • a. investeringen ten behoeve van het voor de eerste keer laten certificeren van keurmerken voor nieuwe producten en nieuwe concepten, of

    • b. investeringen ten behoeve van het voor de eerste keer laten certificeren van keurmerken op het gebied van duurzaamheid (MVO), kwaliteit en voedselveiligheid in de keten.

  • 2. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid voor investeringen in ICT voorzieningen voor tracking en tracing systemen zijn niet subsidiabel indien het gaat om ICT voorzieningen ten behoeve van:

    • a. de registraties van productherkomst, ziekten, plagen, middelen of meststoffen, of

    • b. het laten functioneren van oogstkarren, weeginstallaties of kantelinstallaties.

Paragraaf 2. Uitgaven voor overige kosten
Artikel 135
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ten behoeve van het optimaliseren van de productkwaliteit in de keten zijn subsidiabel indien het gaat om uitgaven voor:

    • a. het verhogen van de houdbaarheid van de producten;

    • b. voedselveiligheid, met name residumonitoring en fytosanitaire controles;

    • c. kwaliteitszorgsystemen, indien het gaat om:

      • 1°. uitgaven voor de inhuur van gekwalificeerde externe diensten bestemd voor begeleiding en audits van kwaliteitszorgsystemen;

      • 2°. uitgaven voor de inhuur van gekwalificeerde externe diensten bestemd voor productcontroles;

      • 3°. uitgaven voor certificering, of

      • 4°. lidmaatschapskosten;

    • d. het verhogen van de fysieke productkwaliteit;

    • e. het vergroten van de duurzaamheid van het product en van het productieproces;

    • f. keurmerken of modules van keurmerken voor maatschappelijk verantwoord ondernemen;

    • g. het ontwikkelen en verbeteren van ICT en registratiemodules, en

    • h. software van conditioneringssystemen ten behoeve van lange bewaring van producten waarbij productieplanning het doel is.

  • 2. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid zijn niet subsidiabel indien het gaat om uitgaven voor:

    • a. certificering van meet- en weegapparatuur

    • b. aanschaf van bedrijfskleding;

    • c. materialen voor certificeringssystemen,

    • d. het schoonmaken van bedrijfsruimten, of

    • e. aanschaf van Global Location Number (GLN) codes in het kader van GlobalGAP.

  • 3. Bij de indiening van een steunaanvraag die betrekking heeft op uitgaven als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, overlegt de producentenorganisatie met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel informatie over kwaliteitszorgsystemen aan de minister.

Artikel 136
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van de borging van de productkwaliteit van een nieuw product of concept in de keten, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel, indien het gaat om uitgaven voor:

    • a. het voor de eerste keer laten certificeren van keurmerken voor nieuwe producten en nieuwe concepten, of

    • b. het voor de eerste keer laten certificeren van keurmerken op het gebied van duurzaamheid, kwaliteit en voedselveiligheid in de keten.

  • 2. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid zijn niet subsidiabel indien het gaat om:

    • a. uitgaven voor onderhoudsabonnementen;

    • b. uitgaven voor de aanschaf van een Global Location Number (GLN);

    • c. uitgaven van de producentenorganisatie om aan keurmerken te voldoen, of

    • d. uitgaven voor ICT voorzieningen voor tracking en tracing systemen indien het gaat om ICT voorzieningen ten behoeve van:

      • 1°. de registraties van productherkomst, ziekten, plagen, middelen of meststoffen, of

      • 2°. het laten functioneren van oogstkarren, weeginstallaties of kantelinstallaties.

AFDELING 3. ACTIVITEITEN GERICHT OP VERHOGING VAN DE COMMERCIËLE WAARDE EN AFZETVERBETERING
Artikel 137

Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ter realisatie van het strategisch doel marktgericht produceren, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel b, en ter uitvoering van de maatregel, bedoeld in artikel 2, onderdeel f, onder iii, van verordening 2017/891, zijn subsidiabel, indien wordt voldaan aan:

  • a. deel 4, hoofdstuk 3, en

  • b. deze afdeling.

Paragraaf 1. Duurzame productiemiddelen
Artikel 138
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van ontwikkeling en verbetering van intrinsieke producteigenschappen of nieuwe producten zijn subsidiabel indien:

    • a. het gaat om de aanschaf van:

      • 1°. bomen of meerjarig plantmateriaal ten behoeve van nieuwe markten of nieuwe productmarktcombinaties, of

      • 2°. kruisbestuivers die nodig zijn voor de aanplant van nieuw in het operationeel programma op te nemen bomen en meerjarige planten, en

    • b. de producentenorganisatie door middel van contracten of andere schriftelijke bescheiden aantoont dat de bomen of meerjarig plantmateriaal gedurende de looptijd van het project slechts op een vooraf vastgestelde hoeveelheid areaal wordt geproduceerd.

  • 2. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid, voor identieke investeringen zijn uitsluitend subsidiabel in geval van uitgaven gedaan binnen 4 jaar na de factuurdatum van de laatste factuur voor de eerste investering.

  • 3. Uitgaven voor de aankoop van meerjarig plantmateriaal en bomen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, zijn evenwel slechts subsidiabel indien:

    • a. er gedurende meerdere jaren van de bomen en planten geoogst wordt, en

    • b. het gaat om de uitgaven voor de initiële aanplant.

  • 4. De producentenorganisatie overlegt voor de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag informatie over het desbetreffende product aan de minister met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

Artikel 139
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van het ontsluiten van nieuwe markten zijn subsidiabel, indien het gaat om op afzetverbetering gerichte investeringen in:

    • a. sorteer- en verpakcentra:

    • b. distributiecentra;

    • c. verwerkingscentra;

    • d. fustopslag;

    • e. dockboards, of

    • f. sorteer- en verpakkingslijnen.

  • 2. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid zijn niet subsidiabel indien het gaat om:

    • a. investeringen ter vervanging van oude centra als bedoeld in het eerste lid;

    • b. standaard sorteer- en verpakkingslijnen op teeltbedrijven of op bestaande locaties van de producentenorganisatie, of

    • c. met de sorteerlijn geïntegreerde aanvoerprognosesystemen.

  • 3. De producentenorganisatie overlegt jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister een overzicht van de hoeveelheden product waarvan de productstroom gebundeld is met behulp van de investeringen bedoeld in het eerste lid.

Artikel 140
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie voor investeringen ten behoeve van het vergroten van de afzetwaarde van producten door middel van het vergroten van de duurzaamheid van het product en van het productieproces zijn subsidiabel, indien het gaat om:

    • a. één volledige investering in fertigatie in het kader van precisiebemestingtechnieken die bestemd is voor besparing en het gereguleerd doseren van water en meststoffen aan gewassen in vollegrondsfruitteelt;

    • b. de besparing op het meststoffenverbruik door de producentenorganisatie is aangetoond, en

    • c. de investering niet leidt tot een hoger watergebruik.

  • 2. Onder een investering in fertigatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:

    • a. een waterafgiftesysteem op het perceel, waaronder de waterpomp, verdeelleidingen en druppelleidingen die niet uitsluitend worden gebruikt voor het geven van water;

    • b. een regeleenheid;

    • c. vochtmeetapparatuur;

    • d. apparatuur voor het bepalen van het mineralengehalte en pH, of

    • e. voorzieningen voor dosering en menging van meststoffen.

  • 3. Druppelleidingen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, zijn uitsluitend subsidiabel bij initiële investeringen.

  • 4. Investeringen in een waterafgiftesysteem als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, zijn niet subsidiabel indien het investeringen betreft in:

    • a. fertigatie in teeltsystemen los van de grond;

    • b. aanleg van een waterbron, of

    • c. afvoerleidingen naar het te fertigeren perceel.

  • 5. De producentenorganisatie overlegt bij de indiening van het operationeel programma aan de minister, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, per lid een projectplan met projectbegroting, voorzien van bijbehorende offertes.

Artikel 141
  • 1. De producentenorganisatie overlegt bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, voor de investering, bedoeld in artikel 140, een opgave van de gerealiseerde besparing op het meststoffenverbruik en waterverbruik.

  • 2. De berekening van de gerealiseerde besparing op het meststoffenverbruik, gemeten in kilogrammen, als gevolg van een investering als bedoeld in artikel 140, vindt plaats op basis van een vergelijking tussen:

    • a. het mineralenverbruik, volgens de mineralenregistratie, van het jaar voorafgaand aan het jaar van inbedrijfstelling van de investering, en

    • b. het mineralenverbruik, volgens de mineralenregistratie, gedurende het jaar:

      • 1°. van ingebruikname van de investering, of

      • 2°. volgend op het jaar van ingebruikname, in geval van inbedrijfstelling tijdens het teeltseizoen.

  • 3. Het vaststellen van veranderingen in het waterverbruik en meststoffenverbruik, gemeten in m3, als gevolg van een investering als bedoeld in artikel 140, eerste lid, vindt plaats op basis van een vergelijking tussen:

    • a. het waterverbruik en meststoffenverbruik van het jaar voorafgaand aan het jaar van inbedrijfstelling van de investering, en

    • b. het waterverbruik en meststoffenverbruik gedurende het jaar:

      • 1°. van ingebruikname van de investering, of

      • 2°. volgend op het jaar van ingebruikname, in geval van inbedrijfstelling tijdens het teeltseizoen.

Artikel 142
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie voor investeringen ten behoeve van het vergroten van de afzetwaarde van producten door middel van het vergroten van de duurzaamheid van het product en van het productieproces zijn subsidiabel indien:

    • a. het gaat om investeringen om de kwaliteit van water bij substraatteelt bij de bron te verbeteren en de emissie van vervuild recirculatiewater te voorkomen;

    • b. de verbetering van de waterkwaliteit door de producentenorganisatie is aangetoond, en

    • c. de investeringen niet leiden tot een hoger waterverbruik.

  • 2. Een producentenorganisatie die uitgaven voor investeringen als bedoeld in het eerste lid in haar operationeel programma opneemt, voegt aan de informatie, bedoeld in artikel 51, een technische specificatie van de leverancier van het systeem of een erkende deskundige toe ten behoeve van de onderbouwing van de te bereiken verbetering van de waterkwaliteit.

  • 3. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid voor afdekzeilen van bassins en silo’s voor wateropslag zijn niet subsidiabel.

Artikel 143
  • 1. De producentenorganisatie overlegt aan de minister, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, voor de investeringen, bedoeld in artikel 142, uiterlijk bij de indiening van de steunaanvraag per investering:

    • a. een opgave van de verbetering van de waterkwaliteit, of

    • b. de gerealiseerde waterbesparing.

  • 2. De opgave, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, vindt plaats aan de hand van berekeningen en metingen op basis van een vergelijking tussen het moment voor de ingebruikname van de investering en het moment één jaar na ingebruikname van de investering.

  • 3. In geval van omgekeerde osmose als bedoeld in artikel 142, eerste lid, onderdeel a, overlegt de producentenorganisatie aan de minister bij de indiening van de steunaanvraag een opgave van de reductie van natrium en chloor in mmol/l of mg/l, op basis van een vergelijking tussen metingen uitgevoerd voor ingebruikname van de investering en één jaar na ingebruikname van de investering.

  • 4. Het vaststellen van veranderingen in het waterverbruik, gemeten in m³, als gevolg van een investering als bedoeld in artikel 142, eerste lid, vindt plaats op basis van een vergelijking tussen:

    • a. het waterverbruik van het jaar voorafgaand aan het jaar van inbedrijfstelling van de investering, en

    • b. het waterverbruik gedurende het jaar:

      • 1°. van ingebruikname van de investering, of

      • 2°. volgend op het jaar van ingebruikname, in geval van inbedrijfstelling tijdens het teeltseizoen.

Paragraaf 2. Overige kosten/activiteiten
Artikel 144
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van marktonderzoek en marktontwikkeling, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel indien het gaat om:

    • a. consumentenonderzoek en aankoop van paneldata;

    • b. het testen van een product waarvoor de producentenorganisatie erkend is door een panel;

    • c. onderzoek naar het onderhouden van schap of retail positionering;

    • d. productmarktanalyses;

    • e. marktonderzoek, en

    • f. het doen van marktonderzoek door middel van pop-up stores.

  • 2. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid, die identiek zijn aan eerdere uitgaven van de producentenorganisatie, zijn uitsluitend subsidiabel indien zij zijn gedaan binnen 4 jaar na de factuurdatum van de laatste factuur voor die eerdere uitgaven.

  • 3. Onderzoeken als bedoeld in het eerste lid naar verwerkte producten zijn slechts subsidiabel indien dit onderzoek betrekking heeft op producten die bestemd zijn voor de food-markt.

Artikel 145
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van ontwikkeling en verbetering van intrinsieke producteigenschappen of nieuwe producten, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel wanneer het gaat om licenties voor het recht op het gebruik van zaden en plantgoed ten behoeve van nieuwe rassen indien de producentenorganisatie door middel van contracten of andere schriftelijke bescheiden aantoont dat het ras gedurende de looptijd van het project slechts op een vooraf vastgestelde hoeveelheid areaal wordt geproduceerd.

  • 2. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid voor een volledige overname van een licentie en de kosten van aankoop van het zaad en het plantgoed zijn niet subsidiabel.

  • 3. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid, die identiek zijn aan eerdere uitgaven van de producentenorganisatie, zijn uitsluitend subsidiabel indien zij zijn gedaan binnen 4 jaar na de factuurdatum van de laatste factuur voor die eerdere uitgaven.

  • 4. De producentenorganisatie overlegt jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar middel, een overzicht betreffende de planten die met gebruikmaking van de zaden en het plantgoed, bedoeld in het eerste lid, zijn geteeld.

  • 5. De producentenorganisatie overlegt bij de indiening van de steunaanvraag voor het laatste uitvoeringsjaar van het operationeel programma aan de minister, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, het resultaat van de evaluatie waaruit blijkt hoe de producentenorganisatie zich in de markt met het betreffende ras heeft onderscheiden.

  • 6. De producentenorganisatie beschikt over de afleverbonnen voor de zaden en het plantgoed, bedoeld in het eerste lid en overlegt deze desgevraagd aan de minister.

Artikel 146
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van ontwikkeling en verbetering van intrinsieke producteigenschappen of nieuwe producten, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel wanneer het gaat om rassenproeven op intrinsieke producteigenschappen.

  • 2. Rassenproeven, bedoeld in het eerste lid, zijn slechts subsidiabel indien de producten van de geteste rassen bedoeld zijn voor menselijke consumptie.

  • 3. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid, die identiek zijn aan eerdere uitgaven van de producentenorganisatie, zijn uitsluitend subsidiabel indien zij zijn gedaan binnen 4 jaar na de factuurdatum van de laatste factuur voor die eerdere uitgaven.

  • 4. De producentenorganisatie overlegt jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister:

    • a. het contract en de gedetailleerde factuur voor de uitvoering van de rassenproeven, bedoeld in het eerste lid, en

    • b. een overzicht van de producenten waar de activiteit wordt verricht.

Artikel 147
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van ontwikkeling en verbetering van concepten rondom verse producten, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel indien het gaat om:

    • a. conceptontwikkeling op het gebied van duurzaamheid, gezondheid en gemak, of

    • b. ontwikkeling van nieuwe verpakkingen voor het verse product.

  • 2. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, zijn slechts subsidiabel indien deze rechtstreeks bijdragen aan het kwaliteitsbehoud.

  • 3. De producentenorganisatie overlegt jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister:

    • a. een overzicht van de producenten waar de activiteiten worden verricht, en

    • b. een gedetailleerde factuur.

Artikel 148
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van ontwikkeling en verbetering van concepten rondom bewerkte en verwerkte producten, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel indien het gaat om:

    • a. conceptontwikkeling van bewerkte en verwerkte producten op het gebied van duurzaamheid, gezondheid en gemak;

    • b. ontwikkeling van nieuwe verpakkingen ten behoeve van verwerkte en bewerkte producten;

    • c. ontwikkeling van nieuwe verwerkte producten ten behoeve van de foodmarkt, en

    • d. ontwikkeling van ondersteunende voedingsproducten en niet voedingsproducten ten behoeve van bewerkte en verwerkte producten.

  • 2. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, zijn slechts subsidiabel indien het verwerkte product dat de producentenorganisatie met behulp van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, produceert:

    • a. direct, zonder verdere verwerking, door consumenten kan worden geconsumeerd.

    • b. niet wordt verwerkt in ingrediënten ten behoeve van de voedselindustrie.

  • 3. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, zijn slechts subsidiabel indien deze rechtstreeks bijdragen aan het kwaliteitsbehoud van groente- en fruit producten.

  • 4. De producentenorganisatie overlegt jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister:

    • a. een overzicht van het aantal producenten ten behoeve van de betreffende productgroep waarvoor de activiteiten worden verricht, en

    • b. een gedetailleerde factuur.

Artikel 149
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van generieke afzetbevordering, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel indien het gaat om uitgaven voor:

    • a. generieke promotie op consumentenbeurzen;

    • b. generieke promotie tijdens publieksevenementen;

    • c. generieke promotie in het kader van duurzaam telen;

    • d. generieke promotie gericht op doelgroepen;

    • e. sectorpromotie en PR-campagnes;

    • f. collectieve acties voor GMO producten door meerdere producentenorganisaties, en

    • g. websites en sociale media, voor zover het gaat om:

      • 1°. het voor de eerste maal registreren van domeinnamen;

      • 2°. het bouwen van nieuwe websites, of

      • 3°. het uitbouwen van bestaande websites met aantoonbaar nieuwe elementen.

  • 2. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid zijn niet subsidiabel als het gaat om:

    • a. activiteiten op het gebied van verkoop van producten;

    • b. activiteiten op het gebied van gezamenlijke verkoopbevordering waarvan de kosten mede worden gedragen door een afnemer;

    • c. de kosten van producten in het geval van het gratis verstrekken van product;

    • d. abonnementen bij providers, hosting van serverruimte, communicatie met het web, het updaten van bestaande websites, personeelskosten ten behoeve van berichtgeving in het kader van social media, en

    • e. uitgaven voor sponsoring.

Artikel 150
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeven van marketing en verkoopbevordering van merken en handelsnamen van de producentenorganisatie en hun dochterondernemingen, inclusief personeelskosten, die wordt meegenomen in de berekening van de waarde van de afgezette productie op grond van artikel 22, achtste lid, van verordening 2017/891, zijn subsidiabel indien het gaat om uitgaven voor:

    • a. promotie van merken of handelsnamen op consumentenbeurzen;

    • b. promotie van merken of handelsnamen op publieksevenementen;

    • c. promotie van merken of handelsnamen in het kader van duurzaam telen;

    • d. promotie van merken of handelsnamen gericht op doelgroepen;

    • e. sectorpromotie en PR-campagnes;

    • f. websites en sociale media, indien het gaat om:

      • 1°. het voor de eerste maal registreren van een domeinnaam;

      • 2°. het bouwen van een nieuwe website, en

      • 3°. het uitbreiden van een bestaande website met aantoonbaar nieuwe elementen.

    • g. het opstellen en uitvoeren van plannen voor accountmanagement of categorymanagement, en

    • h. het laten uitvoeren van onderzoek op het gebied van afzetbeleid, voor zover niet gericht op de interne organisatie van de producentenorganisatie.

  • 2. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid zijn niet subsidiabel als het gaat om:

    • a. de aankoop van een licentie;

    • b. activiteiten ten behoeve van een merk waarvan de licentie gehuurd of geleased is;

    • c. activiteiten op het gebied van verkoop van producten;

    • d. uitgaven voor gezamenlijke verkoopbevordering, waarvan de kosten mede worden gedragen door een afnemer;

    • e. de kosten van producten in het geval van het gratis verstrekken van product;

    • f. abonnementen bij providers, hosting van serverruimte, communicatie met het web, het updaten van bestaande websites, personeelskosten ten behoeve van berichtgeving in het kader van social media;

    • g. uitgaven voor sponsoring, en

    • h. PR-activiteiten richting potentiële leden van een producentenorganisatie.

Artikel 151
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie voor reclameactiviteiten en reclameartikelen voor producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel als het gaat om uitgaven voor:

    • a. advertenties in magazines of kranten;

    • b. promotie in een blad of magazine van supermarkten, indien:

      • 1°. in het blad of magazine duidelijk vermeld is dat de producentenorganisatie de afzender is, en

      • 2°. er geen logo of verwijzing naar de supermarkt in de advertentie is opgenomen.

    • c. ontwikkelingskosten van de lay-out en extra kosten van reclamedrukwerk op verpakkingen of etiketten, steekkaarten of wikkels voor zover gebruikt bij tijdelijke acties;

    • d. toonbankdisplays, flyers of folders, gadgets, belettering, aangekochte producten voor standaankleding;

    • e. billboards, radioreclame, tv-reclame, banners op websites;

    • f. uitdelen van producten ter waarde van de marktprijs van het uit te delen product, indien deze actie aantoonbaar minimaal vier weken voor de uitvoering van de actie gepland is en niet bedoeld is als interventiemaatregel;

    • g. kookdemonstraties;

    • h. bedrijfsrondleidingen bij een producentenorganisatie of lid van de producentenorganisatie, een open dag, opening of jubileum, of

    • i. deelname aan beurzen, indien deze beurzen gericht zijn op afnemers van de producentenorganisatie, met uitzondering van verstrekte consumpties.

  • 2. Ter onderbouwing van de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, overlegt de producentenorganisatie aan de minister bij de indiening van de steunaanvraag een uitnodigingenlijst.

  • 3. Reclameacties en reclameartikelen waarvan de kosten mede worden gedragen door een afnemer zijn niet subsidiabel.

Artikel 152
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie voor personeelskosten en externe diensten ten behoeve van activiteiten gericht op het bepalen van een marktstrategie zijn subsidiabel indien het gaat om:

    • a. het laten uitvoeren van onderzoek op het gebied van afzetbeleid voor zover niet gericht op de interne organisatie van de producentenorganisatie;

    • b. het jaarlijks aanpassen of opstellen van marketingplannen of accountplannen, of

    • c. relatiebeheer in het kader van contact met afnemers.

  • 2. Onder marktstrategie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan samenwerking in de keten, reclame, innovatie en planning van het productaanbod.

  • 3. Onder personeel en externe diensten als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:

    • a. categoriemanagers;

    • b. accountmanagers;

    • c. productmanagers;

    • d. marketingpersoneel;

    • e. marketingmanagers, of

    • f. marktonderzoekers.

  • 4. De activiteiten van het personeel en externe diensten, bedoeld in het derde lid, hebben in ieder geval betrekking op het:

    • a. samenstellen van een innovatief, concurrerend en formulegericht assortiment per productgroep;

    • b. behouden van klanten of nieuwe klanten werven door acquisitieactiviteiten;

    • c. bepalen van de ontwikkeling, de productie, de marketing en het in de markt zetten van een product en het analyseren van de resultaten met het oog op de commerciële lange termijn doelen;

    • d. bepalen van de marktstrategie door middel van marketingplannen en het ervoor zorgen dat deze strategie wordt geïmplementeerd en nageleefd;

    • e. onderzoek naar alle factoren op alle verschillende (potentiële) markten die de vraag naar een product beïnvloeden, onder meer wat betreft trends, klanttevredenheid, de onderliggende behoeften van klanten en het imago van de sector.

  • 5. Activiteiten van het personeel en van externe diensten op het gebied van het verkopen van producten op welke manier dan ook, het opnemen van bestellingen, het leveren en de allocatie van het product, het maken van prijsafspraken ten aanzien van producten van niet-leden of waarvoor de producentenorganisatie niet is erkend, zijn niet subsidiabel.

Artikel 153
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie voor personeel en externe diensten voor nieuwbouw van sorteercentra en verpakcentra, distributiecentra, verwerkingscentra, fustopslag, dockboards en op afzetverbetering gerichte sorteer- en verpakkingslijnen, bedoeld in artikel 139, eerste lid, ten behoeve van de bundeling van productstromen zijn subsidiabel indien het gaat om:

    • a. de kosten van bouwkundig advies;

    • b. de kosten van bouwbegeleiding;

    • c. de kosten van projectmanagement;

    • d. de kosten van onafhankelijk toezicht op uitvoering van een project;

    • e. de kosten van haalbaarheidsstudies;

    • f. juridische en administratiekosten,

    • g. reis- en verblijfkosten,

  • 2. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid zijn slechts subsidiabel ten aanzien van nieuwbouw van gebouwen die eigendom zijn van de producentenorganisatie of een dochteronderneming die voor minimaal 90% eigendom is van de producentenorganisatie en voor zover het gaat om ruimtes die zijn aangemerkt als subsidiabel in bijlage II, of elementen die zijn aangemerkt als subsidiabel in bijlage III.

  • 3. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid waarvan het fiscaal en bedrijfseconomisch gebruikelijk is dat deze worden geactiveerd in het investeringsbedrag zijn niet subsidiabel.

  • 4. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, zijn niet subsidiabel indien het gaat om reis- en verblijfkosten voor het personeel van de producentenorganisatie of haar leden.

TITEL 3. VERSTERKING AFZETSTRUCTUUR
AFDELING 1. ACTIVITEITEN GERICHT OP PRODUCTIEPLANNING
Artikel 154

Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ter realisatie van het doel versterking afzetstructuur, bedoeld in artikel 47, tweede lid, en ter uitvoering van de maatregel, bedoeld in artikel 2, onderdeel f, onder i, van verordening 2017/891, zijn subsidiabel, indien wordt voldaan aan:

  • a. deel 4, hoofdstuk 3, en

  • b. deze afdeling.

Paragraaf 1. Uitgaven voor duurzame productiemiddelen
Artikel 155
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie voor de aanschaf van systemen voor aanvoerprognoses en areaalenquêtes zijn subsidiabel indien het gaat om systemen bij de producentenorganisatie en haar leden die met elkaar kunnen communiceren.

  • 2. De producentenorganisatie overlegt jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister een overzicht van het aantal systemen, bedoeld in het eerste lid, en het aantal aansluitingen van haar leden op deze systemen.

Artikel 156
  • 1. Uitgaven van producentenorganisaties ten behoeve van voorraadbeheer en distributie zijn subsidiabel indien het gaat om het ontwerpen, bouwen en implementeren van ICT systemen voor logistieke planning en voor zover zij tot doel hebben:

    • a. kwaliteitsverbetering van het proces;

    • b. tracking and tracing van producten;

    • c. koppeling van vraag aan aanbod, en

    • d. efficiencyverbetering.

  • 2. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid, voor identieke investeringen zijn uitsluitend subsidiabel in geval van uitgaven gedaan binnen 4 jaar na de factuurdatum van de laatste factuur voor de eerste investering.

  • 3. Onder de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, vallen kosten voor de interface van ICT systemen voor logistieke planning, inclusief de benodigde aanpassingen ten behoeve van de werking van de interface, met:

    • a. een aanvoerregistratiesysteem;

    • b. een verkoopsysteem;

    • c. het verladingssysteem;

    • d. een orderregistratiesysteem, of

    • e. een facturatiesysteem.

  • 4. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid op locatie van de leden van de producentenorganisatie zijn slechts subsidiabel indien de producentenorganisatie kan aantonen dat zij integraal onderdeel uitmaken van het systeem voor logistieke planning van de producentenorganisatie.

  • 5. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid, zijn subsidiabel indien de producentenorganisatie aan de minister op basis van een offerte kan aantonen dat het ICT systeem uitsluitend bestemd is voor de functionaliteiten, genoemd in het eerste lid.

  • 6. Uitgaven voor het verder uitrollen van ICT systemen voor logistieke planning zijn niet subsidiabel.

  • 7. Bij de indiening van het operationeel programma wordt een onderbouwd plan overlegd met daarin:

    • a. een gedetailleerde beschrijving van het project;

    • b. een begroting van de investeringskosten;

    • c. een definiëring van de onderdelen van de investeringskosten;

    • d. een verdeling van de subsidiabele en niet-subsidiabele kosten met bijbehorende begrote bedragen, en

    • e. een gedetailleerde beschrijving van de functionaliteit van de verschillende onderdelen door de leverancier.

Artikel 157
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie voor koeling van producten ten behoeve van lange bewaring zijn subsidiabel, indien het gaat om:

    • a. koelhuizen,

    • b. koelcellen,

    • c. koelinstallaties en

    • d. vriescellen.

  • 2. De producentenorganisatie overlegt jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister een overzicht van de gekoelde hoeveelheden product, met uitsplitsing naar gewas en type klant.

Artikel 158
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie voor investeringen in conditioneringssystemen ten behoeve van lange bewaring van producten zijn subsidiabel.

  • 2. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid zijn niet subsidiabel indien het gaat om:

    • a. installaties of apparatuur voor conditionering van champignon- en witloftrekcellen, en

    • b. droogsystemen voor de aanzuiging van buitenlucht ten behoeve van knoflook.

Artikel 159

In geval van uitgaven voor het huren van koelsystemen als bedoeld in artikel 157, eerste lid, of conditioneringssystemen als bedoeld in artikel 158, eerste lid, overlegt de producentenorganisatie ter uitvoering van artikel 31, eerste lid, en punt 10 van bijlage III van verordening 2017/891 jaarlijks bij het indienen van de steunaanvraag aan de minister een bewijs van die uitgaven, bestaande uit een registratie van de in- en uitslag.

Paragraaf 2. Uitgaven voor overige activiteiten
Artikel 160
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie voor de aanpassingen in systemen en interfaces van de producentenorganisatie en haar leden, inclusief personeelskosten, die noodzakelijk zijn voor de aanschaf van systemen voor aanvoerprognose en areaalenquêtes zijn subsidiabel indien de systemen voor aanvoerprognose en areaalenquêtes van de producentenorganisatie en haar leden met elkaar kunnen communiceren.

  • 2. De producentenorganisatie overlegt jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister een overzicht van het aantal systemen, bedoeld in het eerste lid, en het aantal aansluitingen van haar leden op deze systemen.

Artikel 161

Uitgaven voor licenties voor aanvoermodules voor systemen voor aanvoerprognoses en areaalenquêtes als bedoeld in artikel 155, inclusief personeelskosten, gedaan voor het einde van het kwartaal dat de factuurdatum van de laatste factuur voor de aanvoermodule omvat, zijn eenmalig subsidiabel.

Artikel 162
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie voor personeelskosten en externe diensten ten behoeve van voorraadbeheer en distributie, het ontwerpen, bouwen en implementeren van ICT systemen voor logistieke planning als bedoeld in artikel 156, eerste lid, zijn subsidiabel.

  • 2. Bij de indiening van het operationeel programma overlegt de producentenorganisatie aan de minister:

    • a. een begroting van het aantal uren per taak of functie, en

    • b. een omschrijving van de taken en functies.

AFDELING 2. ACTIVITEITEN GERICHT OP VERHOGING VAN DE COMMERCIËLE WAARDE EN AFZETVERBETERING
Artikel 163

Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ter realisatie van het doel versterking afzetstructuur, bedoeld in artikel 47, tweede lid, en ter uitvoering van de maatregel, bedoeld in artikel 2, onderdeel f, onder iii, van verordening 2017/891, zijn subsidiabel, indien wordt voldaan aan:

  • a. deel 4, hoofdstuk 3, en

  • b. deze afdeling.

Paragraaf 1. Uitgaven voor duurzame productiemiddelen
Artikel 164
  • 1. Uitgaven van producentenorganisaties voor investeringen in ICT systemen voor markt en afzet zijn subsidiabel indien het systeem tot doel heeft:

    • a. kwaliteitsverbetering van het proces;

    • b. koppeling van vraag aan aanbod, of

    • c. efficiencyverbetering.

  • 2. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid, voor identieke investeringen zijn uitsluitend subsidiabel in geval van uitgaven gedaan binnen 4 jaar na de factuurdatum van de laatste factuur voor de eerste investering.

  • 3. De producentenorganisatie overlegt jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister een overzicht van het aantal systemen, bedoeld in het eerste lid, en het aantal aansluitingen van haar klanten op deze systemen.

Artikel 165
  • 1. Uitgaven van producentenorganisaties voor investeringen in ICT systemen voor customer relationship management zijn subsidiabel.

  • 2. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid, voor identieke investeringen zijn uitsluitend subsidiabel in geval van uitgaven gedaan binnen 4 jaar na de factuurdatum van de laatste factuur voor de eerste investering.

  • 3. Onder de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, vallen kosten voor de interface van de ICT systemen voor customer relationship management, inclusief de benodigde aanpassingen ten behoeve van de werking van de interface, met:

    • a. een aanvoerregistratiesysteem;

    • b. een verkoopsysteem;

    • c. het verladingssysteem;

    • d. een orderregistratiesysteem, of

    • e. een facturatiesysteem.

  • 4. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid op locatie van de leden van de producentenorganisatie zijn slechts subsidiabel indien de producentenorganisatie kan aantonen dat zij integraal onderdeel uitmaken van het ICT systeem voor customer relationship management van de producentenorganisatie.

  • 5. Uitgaven voor het verder uitrollen van ICT systemen voor customer relationship management zijn niet subsidiabel.

  • 6. In geval van de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, wordt door de producentenorganisatie aan de minister bij de indiening van het operationeel programma een onderbouwd plan overlegd met daarin:

    • a. een gedetailleerde beschrijving van het project;

    • b. een begroting van de investeringskosten;

    • c. een definiëring van de onderdelen van de investeringskosten;

    • d. een verdeling van de subsidiabele en niet-subsidiabele kosten met bijbehorende begrote bedragen, en

    • e. een gedetailleerde beschrijving van de functionaliteit van de verschillende onderdelen door de leverancier.

Artikel 166
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van de bundeling van productstromen zijn subsidiabel, indien het gaat om op afzetverbetering gerichte investeringen in:

    • a. sorteer- en verpakcentra:

    • b. distributiecentra;

    • c. verwerkingscentra;

    • d. fustopslag;

    • e. dockboards, of

    • f. sorteer- en verpakkingslijnen.

  • 2. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid zijn niet subsidiabel indien het gaat om:

    • a. investeringen ter vervanging van oude centra als bedoeld in het eerste lid;

    • b. standaard sorteer- en verpakkingslijnen op teeltbedrijven en op bestaande locaties van de producentenorganisatie;

    • c. met de sorteerlijn geïntegreerde aanvoerprognosesystemen;

  • 3. De producentenorganisatie overlegt jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister een overzicht van de hoeveelheden product waarvan de productstroom gebundeld is met behulp van de investeringen bedoeld in het eerste lid.

Artikel 167
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie in vollegrondsteelt zijn subsidiabel indien:

    • a. het gaat om investeringen in gecombineerde oogst-, sorteer- en verpakkingssystemen, waaronder apparatuur, bestemd voor het reinigen, sorteren, wegen of verpakken van de in de grond geteelde gewassen, en

    • b. de investeringen gebruikt worden in het veld direct na de oogstfase.

  • 2. In geval van een geïntegreerd systeem met een oogstmachine zijn de meerkosten van de toegevoegde functies ten opzichte van een vergelijkbare oogstmachine zonder extra functies als uitgaven als bedoeld in het eerste lid, subsidiabel.

  • 3. Indien de in het eerste lid bedoelde uitgaven een mobiel pakstation betreffen, zijn maximaal twee in het pakstation geïntegreerde wagens subsidiabel.

  • 4. Investeringen in aparte oogstsystemen en tractoren zijn niet subsidiabel.

Paragraaf 2. Uitgaven voor overige activiteiten
Artikel 168

Uitgaven van producentenorganisaties voor ICT systemen voor markt en afzet, bedoeld in artikel 164, eerste lid, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel indien het gaat om de kosten van de benodigde aanpassingen van het systeem en de interface, inclusief de benodigde aanpassingen ten behoeve van de werking van de interface, met:

  • a. een aanvoerregistratiesysteem;

  • b. een verkoopsysteem;

  • c. een verladingssysteem;

  • d. een orderregistratiesysteem, of

  • e. een facturatiesyteem

Artikel 169
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van het ontwerpen, bouwen en implementeren van ICT systemen voor customer relationship management systemen als bedoeld in artikel 165, eerste lid, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel.

  • 2. Bij de indiening van het operationeel programma overlegt de producentenorganisatie aan de minister:

    • a. een begroting van het aantal uren per taak of functie, en

    • b. een omschrijving van de taken en functies.

Artikel 170
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie voor personeel en externe diensten voor nieuwbouw van sorteercentra en verpakcentra, distributiecentra, verwerkingscentra, fustopslag, dockboards en op afzetverbetering gerichte sorteer- en verpakkingslijnen, bedoeld in artikel 166, eerste lid, ten behoeve van het ontsluiten van nieuwe markten zijn subsidiabel indien het gaat om:

    • a. de kosten van bouwkundig advies;

    • b. de kosten van bouwbegeleiding;

    • c. de kosten van projectmanagement;

    • d. de kosten van onafhankelijk toezicht op uitvoering van een project;

    • e. de kosten van haalbaarheidsstudies;

    • f. juridische en administratiekosten,

    • g. reis- en verblijfkosten.

  • 2. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid waarvan het fiscaal en bedrijfseconomisch gebruikelijk is dat deze worden geactiveerd in het investeringsbedrag zijn niet subsidiabel.

  • 3. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, zijn niet subsidiabel indien het gaat om reis- en verblijfkosten voor het personeel van de producentenorganisatie of haar leden.

AFDELING 3. ONDERZOEKSACTIVITEITEN EN ACTIVITEITEN GERICHT OP EXPERIMENTELE PRODUCTIE
Artikel 171

Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ter realisatie van het doel versterking afzetstructuur, bedoeld in artikel 47, tweede lid, en ter uitvoering van de maatregel, bedoeld in artikel 2, onderdeel f, onder iv, van verordening 2017/891, zijn subsidiabel, indien wordt voldaan aan:

  • a. deel 4, hoofdstuk 3, en

  • b. deze afdeling.

Paragraaf 1. Uitgaven voor overige activiteiten
Artikel 172

Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ten behoeve van versterking van de interne structuur van de producentenorganisatie door professionalisering van de producentenorganisatie richting de markt, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel, indien het gaat om de kosten voor:

  • a. onderzoek naar activiteiten van de producentenorganisatie op het gebied van:

    • 1°. afzet;

    • 2°. logistiek;

    • 3°. kwaliteit;

    • 4°. milieubescherming, en

    • 5°. teelttechnisch onderzoek.

  • b. experimentele productie.

AFDELING 4. OPLEIDINGSACTIVITEITEN, UITWISSELING VAN BESTE PRAKTIJKEN EN ACTIVITEITEN TER BEVORDERING VAN TOEGANG TOT ADVIESDIENSTEN
Artikel 173

Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ter realisatie van het doel versterking afzetstructuur, bedoeld in artikel 47, tweede lid, en ter uitvoering van de maatregel, bedoeld in artikel 2, onderdeel f, onder v, van verordening 2017/891, zijn subsidiabel, indien wordt voldaan aan:

  • a. deel 4, hoofdstuk 3, en

  • b. deze afdeling.

Artikel 174
  • 1. In het kader van uitgaven voor educatieve bijeenkomsten zijn uitsluitend de door de organisatie van de educatieve bijeenkomst in rekening gebrachte kosten voor deelname van leden, medewerkers van leden en medewerkers van de producentenorganisatie, waaronder medewerkers van dochterondernemingen van de producentenorganisatie subsidiabel.

  • 2. Bij de indiening van het operationeel programma verstrekt de producentenorganisatie in geval van educatieve bijeenkomsten als bedoeld in deze afdeling aan de minister een beschrijving van:

    • a. onderwerp(en) en leerdoel(en) van de bijeenkomst;

    • b. het programma met een specificatie van de onderdelen en gehanteerde werkvormen;

    • c. aantal bijeenkomsten met vermelding van de data en de duur per bijeenkomst, en

    • d. de kosten van de bijeenkomst.

  • 3. Bij de indiening van de steunaanvraag verstrekt de producentenorganisatie in geval van educatieve bijeenkomsten als bedoeld in deze afdeling aan de minister:

    • a. een deelnemerslijst, en

    • b. een aanwezigheidsregistratie per bijeenkomst per deelnemer voorzien van een handtekening van de deelnemer.

Paragraaf 1. Uitgaven voor overige activiteiten
Artikel 175
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ten behoeve van versterking van de interne structuur van de producentenorganisatie door professionalisering van de producentenorganisatie richting de markt, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel, indien het gaat om de kosten van opleidingen voor personeel voor activiteiten van de producentenorganisatie op het gebied van:

    • a. afzet;

    • b. logistiek;

    • c. kwaliteit;

    • d. milieubescherming, en

    • e. teelttechniek.

  • 2. Uitgaven voor opleiding en advies ten behoeve van het verwerven van algemene kennis en vaardigheden zijn niet subsidiabel.

Artikel 176

Uitgaven voor activiteiten ten behoeve van versterking van de interne structuur van de producentenorganisatie door professionalisering richting de markt zijn subsidiabel, indien het gaat om de kosten van inhuur van externe deskundigen voor activiteiten van de producentenorganisatie op het gebied van:

  • a. afzet;

  • b. logistiek;

  • c. kwaliteit;

  • d. milieubescherming, en

  • e. teelttechniek.

Artikel 177
  • 1. Bij de uitgaven voor advies en begeleiding ten behoeve van de teelttechniek, bedoeld in artikel 175, eerste lid, onderdeel e, stellen voorlichters jaarlijks per deelnemend lid van de producentenorganisatie, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, evaluatierapporten op.

  • 2. De evaluatierapporten, bedoeld in het eerste lid, bevatten:

    • a. een samenvatting van de concreet gegeven adviezen;

    • b. de beoogde effecten, en

    • c. de resultaten met betrekking tot de onderdelen kwaliteitsverbetering en milieureducties op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen, mineralen en energie.

  • 3. Bij de indiening van de steunaanvraag zendt de producentenorganisatie op verzoek van de minister een selectie van de evaluatierapporten.

  • 4. De evaluatierapporten van elk deelnemend lid zijn opgenomen in de administratie van de producentenorganisatie.

Artikel 178

Bij de indiening van de steunaanvraag verstrekt de producentenorganisatie in geval van uitgaven voor advies en begeleiding ten behoeve van de teelttechniek, bedoeld in artikel 176, onderdeel e, informatie daarover aan de minister per lid per gewas, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

Artikel 179

Uitgaven van de producentenorganisatie voor advies en begeleiding ten behoeve van de teelt in geval van biologische productie, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel indien:

  • a. het gaat om:

    • 1°. biologische teelt;

    • 2°. bodemvruchtbaarheid;

    • 3°. biologische bemesting;

    • 4°. compostering;

    • 5°. vruchtwisseling;

    • 6°. rassenkeuze;

    • 7°. biologische bestrijding en biologisch evenwicht, of

    • 8°. biologische teelttechniek;

  • b. voldaan is aan de bepalingen opgenomen in verordening 834/2007, en verordening 889/2008, en

  • c. deelnemende leden van de producentenorganisatie beschikken over een geldig Skal certificaat of een bevestiging van Stichting Skal dat het bedrijf van het lid in omschakeling is naar biologische productie.

Artikel 180
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie voor advies en begeleiding ten behoeve van de teelt in het geval van geïntegreerde plaagbestrijding, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel als het gaat om:

    • a. biologische of geïntegreerde bestrijding;

    • b. geleide bestrijding;

    • c. het voorkomen van ziekten en plagen met inbegrip van gewas-, water- of bodemanalyses gericht op het vaststellen van ziekten en plagen.

  • 2. Bij de indiening van de steunaanvraag verstrekt de producentenorganisatie in geval van uitgaven voor een analyse als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, per soort analyse, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, aan de minister informatie over de analyse.

Artikel 181
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie voor algemeen advies en begeleiding ten behoeve van de teelt in het geval van geïntegreerde productie die mede de kwaliteit en het milieu betreffen, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel indien het onder meer gaat om:

    • a. gewasbeoordeling;

    • b. gewasbescherming;

    • c. watermanagement;

    • d. bemesting en reduceren mineralengebruik;

    • e. klimaataansturing, of

    • f. energiereductie.

  • 2. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid die betrekking hebben op de begeleiding van het trekken van witlofpennen zijn niet subsidiabel.

AFDELING 5. ACTIVITEITEN GERICHT OP CRISISPREVENTIE EN CRISISBEHEER
Paragraaf 1. Algemene bepalingen inzake crisispreventie maatregelen
Artikel 182

Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ter realisatie van het doel versterking afzetstructuur, bedoeld in artikel 47, tweede lid, en ter uitvoering van de maatregel, bedoeld in artikel 2, onderdeel f, onder vi, van verordening 2017/891, zijn subsidiabel, indien wordt voldaan aan:

  • a. deel 4, hoofdstuk 3, en

  • b. deze afdeling.

Paragraaf 2. Uitgaven ten behoeve van afzetbevorderings- en communicatieactiviteiten
Artikel 183
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie voor personeelskosten en externe diensten in het kader van afzetbevorderings -en communicatieacties als bedoeld in artikel 33, derde lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013 zijn subsidiabel indien het gaat om:

    • a. marktonderzoek;

    • b. marktstudies;

    • c. introductie van een nieuwe verpakkingswijze;

    • d. introductie van een merk;

    • e. promotie, of

    • f. reclame.

  • 2. Onder de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, worden mede verstaan voorbereidende uitgaven.

Artikel 184
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie, inclusief personeelskosten, voor collectieve generieke promotie-uitingen op het gebied van crisis zijn subsidiabel.

  • 2. Bij de indiening van het operationeel programma legt de producentenorganisatie in het kader van de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, een plan inhoudende de concrete invulling van de acties en begroting voor aan de minister.

Paragraaf 3. Uitgaven ten behoeve van het uit de markt nemen van producten
Artikel 185
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie voor het uit de markt nemen van producten als bedoeld in artikel 33, derde lid, onderdeel f, van verordening 1308/2013 zijn subsidiabel.

  • 2. Als producten bedoeld in artikel 33, derde lid, onderdeel f, van verordening 1308/2013 worden aangewezen:

    • a. tomaten met GN code 0702 00 00;

    • b. wortels met GN code 0706 10 00;

    • c. witte kool en rode kool met GN code 0704 90 10;

    • d. niet-scherpsmakende pepers (paprika’s) met GN code 0709 60 10;

    • e. bloemkool en broccoli met GN code 0704 10 00;

    • f. komkommers met GN code 0707 00 05;

    • g. augurken met GN code 0707 00 90;

    • h. champignons agaricus met GN code 0709 51 00;

    • i. appelen met GN code 0808 10;

    • j. peren met GN code 0808 30;

    • k. pruimen met GN code 0809 40 05, en

    • l. rood fruit met GN codes 0810 20, 0810 30 en 0810 40;

  • 3. Als toegestane bestemmingen als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van verordening 2017/891 worden aangewezen:

    • a. afvoer naar de afvalverwerkende industrie, nadat het product is gedenatureerd;

    • b. afvoer naar veehouders ten behoeve van vervoedering, nadat het product is gedenatureerd, en

    • c. gratis verstrekking, als bedoeld in artikel 46, tweede lid, van verordening 2017/891, aan liefdadigheidsinstellingen of -organisaties als bedoeld in artikel 188, eerste lid.

  • 4. Afvalverwerkers, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, beschikken over een geldige milieuvergunning.

  • 5. Afnemers van producten die op grond van het eerste lid uit de markt genomen zijn mogen geen vergoeding betalen voor het uit de markt genomen product.

Artikel 186
  • 1. Een voorafgaande melding, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van verordening 2017/891, wordt elektronisch ingediend bij de minister.

  • 2. Een melding als bedoeld in het eerste lid betreft een massa van ten hoogste 30.000 kilogram.

  • 3. Ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde melding maakt de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties gebruik van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

  • 4. Indien de melding bedoeld in het eerste lid plaats vindt voor 0:00 uur, vindt de controle, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van verordening 2017/892 uiterlijk de derde werkdag plaats.

  • 5. De uit de markt genomen producten worden bij controle in dusdanige verpakking aangeboden dat controle mogelijk is en in elk geval niet in een verpakking met een omvang groter dan 1 kubieke meter en een gewicht van meer dan 300 kg.

  • 6. In afwijking van het vijfde lid worden de producten, bedoeld in artikel 185, tweede lid, onderdelen a, k, en l, in elk geval niet aangeboden in verpakkingen van meer dan 25 kg.

  • 7. Een producentenorganisatie toont aan dat bij het indienen van een melding, als bedoeld in het eerste lid, van het uit de markt nemen ten behoeve van gratis uitreiking, als bedoeld in artikel 185, derde lid, onderdeel c, de afname door de liefdadigheidsinstelling of -organisatie verzekerd is. Op verzoek van de minister overlegt de producentenorganisatie hiertoe schriftelijke bewijsstukken.

Artikel 187

De minister stelt de door de lidstaten vast te stellen maximale steunbedragen, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van verordening 2017/891 vast.

Artikel 188
  • 1. Als erkende liefdadigheidsinstellingen of -organisaties als bedoeld in artikel 34, vierde lid, onderdeel a, van verordening 1308/2013 worden aangewezen voedselbanken die op grond van artikel 5b, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zijn aangemerkt als algemeen nut beogende instelling.

  • 2. Als personen die op grond van de nationale wetgeving recht hebben op overheidsbijstand, met name omdat zij over onvoldoende middelen beschikken om in hun onderhoud te voorzien als bedoeld in artikel 34, vierde lid, onderdeel a, van verordening 1308/2013 worden aangemerkt:

    • a. personen die op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wet werk en bijstand recht hebben op een overheidsuitkering, en

    • b. andere personen die ten genoegen van de voedselbanken kunnen aantonen niet over voldoende middelen te beschikken om in hun onderhoud te voorzien.

  • 3. Het overnamecertificaat, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel d, van verordening 2017/891 wordt getekend door:

    • a. het regionale distributiecentrum, in het geval de uit de markt genomen producten geleverd worden aan een regionale distributiecentrum voor voedselbanken, en

    • b. de voedselbank, in het geval de uit de markt genomen producten geleverd worden aan de voedselbank die de uit de markt genomen producten daadwerkelijk uitreikt aan de eindontvangers.

  • 4. Indien een voedselbank van haar aanvragers een symbolische bijdrage vraagt voor de voedselpakketten vraagt de voedselbank hiervoor vooraf toestemming aan onze minister en houdt zij hiervoor een financiële boekhouding bij.

  • 5. Indien een voedselbank de op grond van deze regeling ontvangen producten verwerkt of laat verwerken toont de voedselbank aan dat de verwerkte producten volledig ten goede komen aan de personen bedoeld in het tweede lid.

Artikel 189
  • 1. Producentenorganisaties sluiten schriftelijke overeenkomsten met afnemers als bedoeld in artikel 185, derde lid, en transporteurs van uit de markt genomen producten met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld model, waarin de afnemers en transporteurs worden verplicht:

    • a. tot naleving van de voorwaarden uit artikel 47 van verordening 2017/891, inclusief het voeren van een aparte voorraadboekhouding voor de betrokken concrete acties;

    • b. bij ontvangst van de uit de markt genomen producten de daarbij behorende door de minister ter beschikking gestelde vrachtbrief te ondertekenen;

    • c. de vrachtbrief, bedoeld in onderdeel b, en de overeenkomst met de producentenorganisatie gedurende tenminste 7 kalenderjaren, volgend op het kalenderjaar waarin het verkoopseizoen eindigt, te bewaren, en

    • d. tot vervoer van de uit de markt genomen producten voor bestemmingen als bedoeld in artikel 185, derde lid, onderdeel a en b, zonder dat verlies uit het vervoermiddel van producten of delen ervan plaatsvindt.

  • 2. In aanvulling op het eerste lid worden ontvangers van uit de markt genomen producten als bedoeld in artikel 185, derde lid, onderdelen a en b, verplicht om de uit de markt genomen producten in geval van de bestemmingen, bedoeld in artikel 185, derde lid, onderdelen a en b:

    • a. een niet voor menselijke consumptie geschikte bestemming te geven die:

      • 1°. de normale afzet van de betrokken productie niet in de weg staat, en

      • 2°. geen negatieve milieu-impact of negatieve fytosanitaire gevolgen heeft als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van verordening 2017/891, en

    • b. bij ontvangst per vracht te wegen en de weegbrieven gedurende tenminste 7 kalenderjaren, volgend op het kalenderjaar waarin het verkoopseizoen eindigt, te bewaren.

  • 3. Indien voor gratis uitreiking, als bedoeld in artikel 185, derde lid, onderdeel c, bestemd product door de verwerkende industrie wordt verwerkt toont de afnemer ten genoegen van de minister aan de hand van bewijsstukken aan dat het product niet opnieuw in het commerciële handelscircuit terecht komt.

Artikel 190

Uit de bewijsstukken bedoeld in artikel 16, tweede lid, van verordening 2017/892 blijkt:

  • a. vanaf welk adres de uit de markt genomen producten bestemd voor gratis uitreiking vervoerd zijn;

  • b. het adres waar de uit de markt genomen goederen bestemd voor gratis uitreiking zijn afgeleverd aan een voedselbank als bedoeld in artikel 188, eerste lid, en

  • c. het aantal afgelegde kilometers.

Paragraaf 4. Uitgaven ten behoeve van het groen oogsten of niet oogsten van groenten en fruit
Artikel 191
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie voor het groen oogsten en niet oogsten van producten als bedoeld in artikel 33, derde lid, onderdeel g, van verordening 1308/2013 zijn subsidiabel.

  • 2. Als producten bedoeld in artikel 33, derde lid, onderdeel g, van verordening 1308/2013 worden aangewezen:

    • a. tomaten met GN code 0702 00 00;

    • b. wortels met GN code 0706 10 00;

    • c. witte kool en rode kool met GN code 0704 90 10;

    • d. niet-scherpsmakende pepers (paprika’s) met GN code 0709 60 10;

    • e. bloemkool en broccoli met GN code 0704 10 00;

    • f. komkommers met GN code 0707 00 05;

    • g. augurken met GN code 0707 00 90;

    • h. champignons Agaricus met GN code 0709 51 00;

    • i. appelen met GN code 0808 10;

    • j. peren met GN code 0808 30;

    • k. pruimen met GN code 0809 40 05, en

    • l. rood fruit met GN codes 0810 20, 0810 30 en 0810 40.

  • 3. Uitgaven voor het groen oogsten en niet oogsten van percelen beplant met appelbomen of perenbomen jonger dan twee jaar, zijn niet subsidiabel.

Artikel 192

De minister stelt de voor groen oogsten en niet oogsten te betalen vergoedingen, vast overeenkomstig artikel 48, vierde lid, van verordening 2017/891.

Artikel 193
  • 1. Een voorafgaande melding als bedoeld in artikel 48, vijfde lid, van verordening 2017/891, wordt elektronisch ingediend bij de minister.

  • 2. In de melding wordt het door de minister toegekende registratienummer van het toepasselijke perceel of de registratienummers van de toepasselijke percelen, zoals vermeld op het formulier, bedoeld in de Regeling landbouwtelling en gecombineerde opgave zoals die geldt op het moment waarop de melding wordt gedaan, opgegeven.

  • 3. Ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde melding maakt de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties gebruik van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

  • 4. Indien de melding plaatsvindt voor 0:00 uur, vindt de controle, bedoeld in artikel 31, eerste en tweede lid, van verordening 2017/892 uiterlijk de derde werkdag plaats;

Artikel 194

Voor producten waarvan de normale oogst reeds begonnen is maar die een langere oogstperiode dan een maand hebben wordt de resterende oogstcapaciteit door de producentenorganisatie ten genoegen van de minister bepaald aan de hand van:

  • a. afleverbonnen van de planten;

  • b. de normale productiecyclus van een gewas, en

  • c. de oorspronkelijk geplande ruimdatum.

Artikel 195
  • 1. De producentenorganisatie voert het vernietigde gewas, indien van toepassing, of het groen geoogste product af.

  • 2. Als toegestane bestemmingen voor de in het eerste lid bedoelde afvoer worden aangewezen:

    • a. afvalverwerkers, en

    • b. veehouders ten behoeve van vervoedering.

  • 3. Afvalverwerkers bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, beschikken over een geldige milieuvergunning.

  • 4. Producentenorganisaties sluiten schriftelijke overeenkomsten met afnemers als bedoeld in het tweede lid en transporteurs van de in het eerste lid bedoelde gewassen en producten met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld model, waarin de afnemers en transporteurs worden verplicht:

    • a. tot naleving van de voorwaarden uit artikel 47, tweede lid, van verordening 2017/891, inclusief het voeren van een aparte voorraadboekhouding voor de betrokken concrete acties;

    • b. bij ontvangst van de in het eerste lid bedoelde gewassen en producten de daarbij behorende door de minister ter beschikking gestelde vrachtbrief te ondertekenen, en

    • c. de vrachtbrief, bedoeld in onderdeel b, en de overeenkomst met de producentenorganisatie gedurende tenminste 7 kalenderjaren, volgend op het kalenderjaar waarin het verkoopseizoen eindigt, te bewaren.

  • 5. In aanvulling op het vierde lid worden ontvangers van de gewassen en producten bedoeld in het eerste lid verplicht om deze gewassen en producten:

    • a. een niet voor menselijke consumptie geschikte bestemming te geven die:

      • 1°. de normale afzet van de betrokken productie niet in de weg staat, en

      • 2°. geen negatieve milieu-impact of negatieve fytosanitaire gevolgen heeft als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van verordening 2017/891, en

    • b. bij ontvangst per vracht te wegen en de weegbrieven gedurende tenminste 7 kalenderjaren, volgend op het kalenderjaar waarin het verkoopseizoen eindigt, te bewaren.

Paragraaf 5. Uitgaven ten behoeve van oogstverzekering
Artikel 196
  • 1. Uitgaven voor premies ten behoeve van een oogstverzekering als bedoeld in artikel 33, derde lid, onderdeel h, van verordening 1308/2013 en de artikelen 50 en 51 van verordening 2017/891 zijn subsidiabel indien de producentenorganisatie voor die verzekering een raamovereenkomst met de verzekeraar heeft gesloten, of:

    • a. de oogstverzekering op naam van de producentenorganisatie is gesteld, en

    • b. de uitgaven door de producentenorganisatie worden gedaan.

  • 2. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid zijn slechts subsidiabel indien zij betrekking hebben op het deel van de polis dat betrekking heeft op gewasschade als gevolg van weersomstandigheden of klimatologische omstandigheden.

  • 3. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid, zijn uitsluitend subsidiabel indien zij daadwerkelijk betaald zijn, met uitzondering van assurantiebelasting en polis- of andere soortgelijke kosten onder aftrek van kortingen en retributies op pro rato basis van de betaalde premies.

  • 4. Indien de oogstverzekering, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend dekking biedt tegen ongunstige weersomstandigheden vindt artikel 34, derde lid, van verordening 1308/2013 geen toepassing.

  • 5. Bij de indiening van de steunaanvraag wordt door de producentenorganisatie aan de minister, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, in geval van de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, informatie overlegd over de verzekering en de daaraan deelnemende leden.

AFDELING 6. ANDERE ACTIVITEITEN
Artikel 197

Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ter realisatie van het doel versterking afzetstructuur, bedoeld in artikel 47, tweede lid, en ter uitvoering van de maatregel, bedoeld in artikel 2, onderdeel f, onder viii, van verordening 2017/891, zijn subsidiabel, indien wordt voldaan aan:

  • a. deel 4, hoofdstuk 3, en

  • b. deze afdeling.

Paragraaf 1. Uitgaven voor andere activiteiten
Artikel 198

Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ten behoeve van versterking van de interne structuur van de producentenorganisatie door fusies en overnames zijn subsidiabel, indien het gaat om:

  • a. de juridische kosten en administratiekosten, en

  • b. de kosten van haalbaarheidsstudies.

Artikel 199
  • 1. Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van de versterking van de verticale samenwerking in de keten voor beleggingen in aandelen zijn subsidiabel indien het gaat om uitgaven voor de waarde van de materiële vaste activa.

  • 2. De producentenorganisatie toont de belegging, bedoeld in het eerste lid, bij de indiening van de steunaanvraag aan door middel van bankstukken.

DEEL 5. STEUNAANVRAAG, VOORSCHOTTEN EN GEDEELTELIJKE BETALINGEN

Artikel 200

Indien een uitgave afwijkt van de in het operationele programma opgenomen begroting voor een uitgavenpost voor een activiteit, wordt deze afwijking in de steunaanvraag voldoende gemotiveerd.

Artikel 201

  • 1. Als bewijsstuk als bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdelen a en d, van verordening 2017/892, gelden:

    • a. een overzicht van de per project en activiteit aangevraagde steun, en

    • b. een detailstaat van de verrichte uitbetalingen en afschrijvingen.

  • 2. Als bewijsstuk als bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel i, van verordening 2017/892, geldt de detailstaat betalingen en afschrijvingen van de producentenorganisatie waarin de facturen voor de betreffende acties zijn opgenomen.

  • 3. Indien uitgaven voor activiteiten op grond van deel 4, hoofdstuk 3 of 4, voor 50% subsidiabel zijn, worden de volledige uitgaven van de producentenorganisatie voor deze activiteiten opgenomen in de detailstaat van de verrichte uitbetalingen en afschrijvingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

Artikel 202

  • 1. Uitgaven als bedoeld in deel 4, hoofdstuk 3 en 4, worden opgenomen in de steunaanvraag voor het uitvoeringsjaar waarin de activiteit wordt uitgevoerd en de uitgaven worden dat jaar betaald, tenzij in hoofdstuk 3 of 4 van deel 4 anders wordt bepaald.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kunnen uitgaven als bedoeld in hoofdstuk 3 en 4 van deel 4 worden betaald in de periode van 1 januari tot en met 14 februari van het jaar volgend op het uitvoeringsjaar waarin de activiteit wordt uitgevoerd, indien de uitgaven in die periode in het actiefonds worden verwerkt.

Artikel 203

  • 1. Uitgaven als bedoeld in artikel 9, derde lid, van verordening 2017/892, kunnen in de steunaanvraag van het jaar waarin zij geprogrammeerd zijn worden opgenomen, indien de producentenorganisatie, in een bijlage bij de steunaanvraag, gemotiveerd aangeeft dat deze uitgaven betrekking hebben op situaties die:

    • a. aantoonbaar zijn ontstaan na indiening van het operationeel programma;

    • b. geheel buiten de invloedsfeer van de producentenorganisatie liggen, en

    • c. niet het gevolg zijn van een risicovolle planning door de producentenorganisatie.

  • 2. Producentenorganisaties laten een extern accountant een controle uitvoeren en een controleverklaring afleggen, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld model, over de naleving van de in het eerste lid bedoelde voorwaarden.

  • 3. Producentenorganisaties overleggen de verklaring, bedoeld in het derde lid, uiterlijk op 15 mei van het jaar na het jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd aan de minister.

  • 4. De minister besluit of de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, subsidiabel zijn.

Artikel 204

  • 1. Producentenorganisaties laten een extern accountant de juistheid van de bewijsstukken, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdelen a, c, d, f, en i, van verordening 2017/892, controleren en laten de bewijsstukken door de accountant waarmerken.

  • 2. Producentenorganisaties laten een extern accountant een controle uitvoeren op de naleving van de punten, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdelen e, g en h van verordening 2017/892.

  • 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde accountant stelt op basis van de door hem uitgevoerde controle een controleverklaring op met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld model, alsmede een verslag van de verrichte werkzaamheden.

  • 4. De in het derde lid bedoelde controleverklaring geldt met het bijbehorende verslag als bewijsstuk als bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdelen a en c tot en met i van verordening 2017/892.

Artikel 205

Producentenorganisaties overleggen ter uitvoering van artikel 27 van verordening 2017/892 jaarlijks tegelijk met de indiening van de steunaanvraag:

  • a. een digitale ledenlijst per 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarop de steunaanvraag betrekking heeft met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel;

  • b. een overzicht van de leden die gedurende het jaar waarop de steunaanvraag betrekking heeft zijn uitgetreden, onder vermelding van de datum van uittreding, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, en

  • c. een parafenlijst van tekeningbevoegde personen binnen de producentenorganisatie.

Artikel 206

  • 1. Een producentenorganisatie die in enig jaar een goedgekeurd operationeel programma uitvoert kan de minister uiterlijk op de volgende data om betaling van een voorschot als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van verordening 2017/891 verzoeken:

    • a. eerste voorschot: 31 januari;

    • b. tweede voorschot: 31 mei, en

    • c. derde voorschot: 30 september

  • 2. In een verzoek om een voorschot als bedoeld in het eerste lid wordt:

    • a. het bedrag van het verzochte voorschot genoemd, en

    • b. een onderbouwing opgenomen aan de hand van een reële raming van de verwachte uitgaven.

  • 3. Een producentenorganisatie die om een voorschot als bedoeld in het eerste lid verzoekt, is ook verplicht om voor de tweede en derde termijn van het betreffende jaar een voorschot te verzoeken.

  • 4. Ten behoeve van ieder volgend voorschot toont de producentenorganisatie aan dat de eerdere voorschotten en de overeenkomstige bijdrage van de producentenorganisatie daadwerkelijk zijn besteed door de volgende bewijsstukken betreffende het kwartaal voorafgaand aan het kwartaal waarvoor het voorschot wordt gevraagd te overleggen aan de minister:

    • a. de kwartaalrapportage, en

    • b. de detailstaat betalingen en afschrijvingen.

  • 5. De producentenorganisatie laat een extern accountant een controle uitvoeren op de juistheid van de bedragen opgenomen in de bewijsstukken, bedoeld in het vierde lid.

  • 6. De in het eerste en tweede lid bedoelde accountant stelt op basis van de door hem uitgevoerde controle, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld model, een controleverklaring op en waarmerkt de in het vierde lid bedoelde bewijsstukken.

  • 7. De bewijsstukken, bedoeld in het vierde en zesde lid, worden gelijktijdig met het verzoek, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, aan de minister overlegd.

Artikel 207

  • 1. Bij een verzoek om vrijgave van de zekerheid, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van verordening 2017/891, worden, voor het kwartaal waarop de gestelde zekerheid betrekking heeft, de bewijsstukken, bedoeld in artikel 206, vierde tot en met zesde lid, ingediend.

Artikel 208

  • 1. Een producentenorganisatie kan de minister uiterlijk op 1 mei, 1 augustus of 31 oktober van enig jaar verzoeken om een betaling van het gedeelte van de steun dat overeenkomt met de reeds in het kader van het operationele programma bestede en nog niet aan de producentenorganisatie betaalde bedragen, bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/892.

  • 2. Ter onderbouwing van het verzoek om gedeeltelijke betaling als bedoeld in het eerst lid, overlegt de producentenorganisatie de volgende bewijsstukken aan de minister:

    • a. een rapportage, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, over de bij het verzoek betrokken periode, en

    • b. een detailstaat betalingen en afschrijvingen.

  • 3. De producentenorganisatie laat een extern accountant een controle uitvoeren op de juistheid van de bedragen opgenomen in de bewijsstukken, bedoeld in het tweede lid.

  • 4. De accountant, bedoeld in het derde lid, stelt op basis van de door hem uitgevoerde controle een controleverklaring op, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld model, en waarmerkt de bewijsstukken, bedoeld in het tweede lid.

  • 5. De bewijsstukken, bedoeld in het tweede en vierde lid, worden uiterlijk op de volgende data aan de minister overlegd:

    • a. eerste rapportage: 15 mei van het jaar waarop het verzoek om gedeeltelijke betaling betrekking heeft;

    • b. tweede rapportage: 15 augustus van het jaar waarop het verzoek om gedeeltelijke betaling betrekking heeft, en

    • c. derde rapportage: 15 november van het jaar waarop het verzoek om gedeeltelijke betaling betrekking heeft.

  • 6. Indien een uitgave afwijkt van de in het operationele programma opgenomen begroting voor een uitgavenpost voor een activiteit, wordt deze afwijking bij het verzoek om gedeeltelijke betaling voldoende gemotiveerd.

  • 7. Een verzoek om gedeeltelijke betaling wordt ten aanzien van overheadkosten als bedoeld in bijlage III, onderdeel 2, sub a, van verordening 2017/891, slechts gedaan voor een gedeelte van het forfait, naar rato van het gedeelte van het jaar waarop het verzoek betrekking heeft.

Artikel 209

Indien een producentenorganisatie werkt met een administratie van dertien perioden wordt, voor de toepassing van de artikelen 206, 207 en 208, onder kwartaal verstaan één keer een tijdvak van vier perioden en drie keer een tijdvak van drie perioden.

Artikel 210

  • 1. Indien een producentenorganisatie in enig jaar gebruik maakt van voorschotten, kan deze producentenorganisatie voor het betreffende jaar geen gebruik maken van gedeeltelijke betalingen.

  • 2. Indien een producentenorganisatie in enig jaar gebruik maakt van gedeeltelijke betalingen, kan deze producentenorganisatie voor het betreffende jaar geen gebruik maken van voorschotten.

DEEL 6. RAPPORTAGEVERPLICHTINGEN

Artikel 211

Ter uitvoering van artikel 54, onderdeel b, van verordening 2017/891 overleggen producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties jaarlijks, uiterlijk op 25 oktober, aan de minister de informatie, bedoeld in bijlage V van verordening 2017/891, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

Artikel 212

Het jaarverslag over de uitvoering van operationele programma’s dat samen met de steunaanvraag wordt ingediend ingevolge artikel 21, tweede lid, van verordening 2017/892, bevat ten aanzien van de tijdens het vorig jaar uitgevoerde operationele programma:

  • a. een beschrijving van de geplande en daadwerkelijke uitgevoerde werkzaamheden voor het betreffende jaar per activiteit;

  • b. een motivering van afwijkingen tussen geplande en daadwerkelijke uitgevoerde werkzaamheden als bedoeld in onderdeel a;

  • c. een beschrijving per activiteit van de geplande en daadwerkelijk bereikte realisatie voor het betreffende jaar van de in het goedgekeurde operationele programma vastgestelde meetbare streefdoelen als bedoeld in artikel 51, eerste lid, onderdeel c;

  • d. een motivering van afwijkingen tussen geplande en de daadwerkelijk bereikte realisatie, bedoeld in onderdeel c;

  • e. een beschrijving van de bijdrage die de uitvoering van het operationeel programma in het betreffende jaar geleverd heeft aan de realisatie van het operationeel programma, met name de strategische doelen, bedoeld in artikel 47, eerste en tweede lid;

  • f. een beschrijving van de, als gevolg van de afwijkingen, bedoeld in onderdeel d, noodzakelijke aanpassingen van de meetbare streefdoelen, bedoeld in artikel 51, eerste lid, onderdeel c;

  • g. een beschrijving en onderbouwing van de geplande en daadwerkelijke bijdrage die de gerealiseerde werkzaamheden in het betreffende jaar per project hebben geleverd aan de realisatie van:

    • i. strategische doelen, bedoeld in artikel 47, eerste en tweede lid, en

    • ii. de gekwantificeerde streefcijfers, bedoeld in artikel 47, derde lid, en

  • h. een motivering van afwijkingen tussen de geplande en daadwerkelijk gerealiseerde bijdrage, bedoeld in onderdeel g.

Artikel 213

  • 1. De producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties overlegt een evaluatie als bedoeld in artikel 57, derde lid, van verordening 2017/891 met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

  • 2. Ter uitvoering van artikel 57, derde lid, van verordening 2017/891 bevat de evaluatie in ieder geval de volgende onderdelen:

    • a. een beschrijving van de geplande en daadwerkelijke gedurende de looptijd van het operationeel programma uitgevoerde projecten en activiteiten, bedoeld in artikel 51, eerste lid, onderdelen d en e;

    • b. een motivering van afwijkingen tussen geplande en daadwerkelijke uitgevoerde projecten en activiteiten als bedoeld in onderdeel a;

    • c. een beschrijving per project en activiteit van de geplande en gedurende de looptijd van het operationeel programma daadwerkelijk bereikte realisatie van de in het goedgekeurde operationele programma vastgestelde meetbare streefdoelen als bedoeld in artikel 51, eerste lid, onderdeel c;

    • d. een motivering van afwijkingen tussen geplande en de daadwerkelijk bereikte realisatie, bedoeld in onderdeel c;

    • e. een beschrijving van de bijdrage die de uitvoering van het operationeel programma gedurende haar looptijd geleverd heeft aan de realisatie van het operationeel programma, met name de strategische doelen, bedoeld in artikel 47, eerste en tweede lid;

    • f. een beschrijving van de begrote en daadwerkelijke benutting van het actiefonds gedurende de looptijd van het operationeel programma;

    • g. een motivering van afwijkingen tussen begrote en de daadwerkelijk bereikte benutting van het actiefonds, en

    • h. een beschrijving van de wijzigingen van het operationele programma als gevolg van de afwijkingen, bedoeld in onderdeel b, d en f.

  • 3. Indien de looptijd van een operationeel programma is verlengd op grond van artikel 34, eerste lid, van verordening 2017/891 behoeft de evaluatie slechts één maal te worden uitgevoerd.

DEEL 7. UITBREIDING VAN VOORSCHRIFTEN EN VERPLICHTE FINANCIËLE BIJDRAGEN

Artikel 214

Paragraaf 5 van de Regeling producenten- en brancheorganisaties is van overeenkomstige toepassing op producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties.

Artikel 215

  • 1. Een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties leeft de voorschriften als bedoeld in artikel 164, eerste, derde en vierde lid en 165 van verordening 1308/2013 na.

  • 2. In geval van niet-naleving van een voorschrift als bedoeld in het eerste lid kan de minister:

    • a. de op grond van artikel 164, eerste lid, van verordening 1308/2013 vastgestelde verbindendverklaring van een voorschrift intrekken;

    • b. de op grond van artikel 165 van verordening 1308/2013 vastgestelde verplichting tot het afdragen van een financiële bijdrage intrekken.

Artikel 216

Een verzoek als bedoeld in de artikelen 164, eerste lid of 165, of een zienswijze als bedoeld in artikel 165, wordt ingediend met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

Artikel 217

De minister wijst een verzoek als bedoeld in artikel 164, eerste lid, of 165 van verordening 1308/2013 uiterlijk toe tot en met 31 december 2020.

DEEL 8. SANCTIES

Artikel 218

Dit deel strekt ter uitvoering van artikel 76 van verordening 2017/891.

Artikel 219

  • 1. Wanneer een onjuiste opgave leidt tot een hogere subsidie wordt de subsidie, behoudens overmacht of kennelijke vergissing, lager vastgesteld tot het bedrag waarvoor de producentenorganisatie bij een juiste opgave in aanmerking zou zijn gekomen, onder extra aftrek van 20 procent van het verschil tussen het opgegeven bedrag en het vastgestelde bedrag, indien blijkt dat:

    • a. de producentenorganisatie onjuiste gegevens heeft verstrekt met betrekking tot de waarde van de afgezette productie, of

    • b. de producentenorganisatie onjuiste gegevens heeft verstrekt met betrekking tot de bijdragen aan het actiefonds.

  • 2. Indien de subsidie reeds daadwerkelijk is vastgesteld wordt de subsidie overeenkomstig het eerste lid ten nadele van de producentenorganisatie gewijzigd.

Artikel 220

  • 1. Indien blijkt dat het operationeel programma of enig onderdeel daarvan, in strijd met de voorwaarden waaronder het is goedgekeurd of in strijd met de op grond van verordening 1308/2013 gestelde voorschriften is uitgevoerd, wordt, behoudens overmacht, de subsidie verlaagd met een percentage van 20 procent, berekend over:

    • a. de totale waarde van de onjuist uitgevoerde onderdelen van het operationeel programma, of

    • b. de begrote waarde van de niet uitgevoerde onderdelen van het operationeel programma.

  • 2. Indien de subsidie reeds daadwerkelijk is vastgesteld wordt de subsidie overeenkomstig het eerste lid ten nadele van de producentenorganisatie gewijzigd.

Artikel 221

  • 1. Indien blijkt dat de producentenorganisatie of één of meer van haar leden voor een uit het actiefonds gefinancierde actie overlappende nationale of communautaire financiering heeft ontvangen, wordt de aan de betreffende actie gerelateerde subsidie lager vastgesteld door:

    • a. ontneming van het gehele voordeel als gevolg van de overlappende financiering, en

    • b. een extra verlaging van 50 procent op het bedrag dat volgt uit de toepassing van onderdeel a.

  • 2. Indien de subsidie reeds daadwerkelijk is vastgesteld wordt de subsidie overeenkomstig het eerste lid ten nadele van de producentenorganisatie gewijzigd.

Artikel 222

  • 1. Indien aan de administratie van de producentenorganisatie, haar leden of van ondernemingen aan wie de producentenorganisatie activiteiten heeft uitbesteed op grond van verordening 1308/2013 eisen zijn gesteld en blijkt dat aan deze eisen niet is voldaan, wordt de aan de desbetreffende actie gerelateerde subsidie, behoudens overmacht, verlaagd met 20 procent.

  • 2. Indien de subsidie reeds daadwerkelijk is vastgesteld wordt de subsidie overeenkomstig het eerste lid ten nadele van de producentenorganisatie gewijzigd.

Artikel 223

  • 1. Indien informatie niet aan de minister wordt verstrekt overeenkomstig op grond van verordening 1308/2013 of deze regeling gestelde eisen en dit niet binnen een door de minister gestelde redelijke termijn wordt hersteld, wordt de subsidie voor elke niet-naleving 2 procent lager vastgesteld.

  • 2. Indien de subsidie reeds daadwerkelijk is vastgesteld wordt de subsidie overeenkomstig het eerste lid ten nadele van de producentenorganisatie gewijzigd.

Artikel 224

Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van verordening 2017/891 blijkt dat sprake is van fraude, worden de kosten van dit onderzoek ten laste van de producentenorganisaties gebracht.

Artikel 225

Bij samenloop van diverse subsidieverlagende factoren als bedoeld in de artikelen 219 tot en met 223 bedraagt de totale subsidieverlaging, indien er geen sprake is van opzet of grove nalatigheid, niet meer dan 50 procent.

DEEL 9. WIJZIGING VAN ANDERE REGELINGEN

Artikel 226

De Regeling producenten- en brancheorganisaties wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 5:1, eerste lid, wordt toegevoegd: of artikel 68 van verordening 2017/891.

B

Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel i door een puntkomma, wordt aan artikel 5:5, eerste lid, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • j. in geval van een brancheorganisatie in de sector groenten en fruit, documentatie waaruit blijkt dat het voorschrift op het tijdstip van indiening van het verzoek ten minste een jaar van kracht is.

Artikel 227

De Regeling uitvoering GMO groenten en fruit wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 107, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Uitgaven voor investeringen in installaties ten behoeve van het zuiveren van water voorafgaand aan lozing zijn subsidiabel indien het bevoegd gezag heeft bepaald dat de verplichting om water dat gewasbeschermingsmiddelen bevat, voorafgaand aan het lozen door een zuiveringsvoorziening te leiden die ten minste 95% van de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen, uit het afvalwater verwijdert, voor de desbetreffende inrichting niet geldt en de specificatie van de investering een reductie van de emissie van afvalstoffen in het geloosde afvalwater van minimaal 25% geeft.

C.

Artikel 195 komt te luiden:

Artikel 195
  • 1. Uitgaven voor premies ten behoeve van een oogstverzekering als bedoeld in artikel 33, derde lid, onderdeel h, van verordening 1308/2013 en de artikelen 50 en 51 van verordening 2017/891 zijn subsidiabel indien de producentenorganisatie voor die verzekering een raamovereenkomst met de verzekeraar heeft gesloten, of:

    • a. de oogstverzekering op naam van de producentenorganisatie is gesteld, en

    • b. de uitgaven door de producentenorganisatie worden gedaan.

  • 2. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid zijn slechts subsidiabel indien zij betrekking hebben op het deel van de polis dat betrekking heeft op gewasschade als gevolg van weersomstandigheden of klimatologische omstandigheden.

  • 3. Uitgaven als bedoeld in het eerste lid, zijn uitsluitend subsidiabel indien zij daadwerkelijk betaald zijn, met uitzondering van assurantiebelasting en polis- of andere soortgelijke kosten onder aftrek van kortingen en retributies op pro rato basis van de betaalde premies.

  • 4. Indien de oogstverzekering, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend dekking biedt tegen ongunstige weersomstandigheden vindt artikel 34, derde lid, van verordening 1308/2013 geen toepassing.

  • 5. Bij de indiening van de steunaanvraag wordt door de producentenorganisatie aan de minister, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, in geval van de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, informatie overlegd over de verzekering en de daaraan deelnemende leden.

D

Artikel 312a wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid wordt toegevoegd: , met dien verstande dat in artikel 144 van dat hoofdstuk zoals dat gold voor 1 januari 2017 'minimaal 30% van' vervalt.

2. Onder vernummering van het tweede tot en met negende lid tot vijfde tot en met twaalfde lid, worden drie leden ingevoegd, luidende:

  • 2. In afwijking van het eerste lid, zijn de artikelen 47, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel 5, alsmede vijfde, zesde en zevende lid, 67, 73, tweede lid, onderdeel c, 106, eerste lid, 107, eerste lid, 116, onderdelen f en i, 182 en 195 van deze regeling van toepassing op uitgaven gedaan en activiteiten gestart na 1 januari 2018 in het kader van een operationeel programma dat is goedgekeurd onder de regeling zoals deze gold voor 1 januari 2017.

  • 3. In afwijking van het eerste lid, toont de producentenorganisatie, ter uitvoering van artikel 31, vierde lid, van verordening 2017/891, voor investeringen gedaan vanaf 1 januari 2018 het gebruik van duurzame productiemiddelen aan met behulp van een gebruiksadministratie per productiemiddel, tenzij de producentenorganisatie het gebruik van het productiemiddel op andere wijze aantoont ten genoegen van de minister.

  • 4. De producentenorganisatie meldt de minister bij het indienen van het verzoek tot wijziging als bedoeld in artikel 65 van verordening 543/2011 voor het komende uitvoeringsjaar op welke wijze op welke wijze de gebruiksadministratie, bedoeld in het derde lid, gevoerd wordt.

DEEL 10. SLOTBEPALINGEN

Artikel 228

  • 1. Een verzoek tot wijziging van een operationeel programma om te voldoen aan verordening 2017/891 en verordening 2017/892 als bedoeld in artikel 80, eerste lid, onderdeel b, van verordening 2017/891, wordt ingediend voor 1 oktober 2017.

  • 2. Voor de toepassing van artikel 80, eerste lid, onderdeel a, van verordening 2017/891 wordt als het einde van een operationeel programma beschouwd het einde van de geldende looptijd, inclusief reeds goedgekeurde verlenging daarvan.

Artikel 229

  • 1. Met betrekking tot het uitvoeringsjaar 2017 blijven deel 3 tot en met 6 van de Regeling uitvoering GMO groenten en fruit van toepassing, zoals deze luidden op 14 juli 2017.

  • 2. Onverminderd het eerste lid wordt een voor de inwerkingtreding van deze regeling goedgekeurd operationeel programma beheerst door de bepalingen van deel 4 en artikel 312a van de Regeling uitvoering GMO groenten en fruit zoals die golden op 14 juli 2017.

  • 3. In afwijking van het tweede lid wordt een operationeel programma beheerst door de bepalingen van deze regeling indien de producentenorganisatie verzoekt om een wijziging van een operationeel programma die strekt tot een aanpassing van de looptijd van het operationeel programma.

  • 4. In afwijking van het tweede lid wordt een operationeel programma beheerst door de bepalingen van deze regeling indien de producentenorganisatie verzoekt om een wijziging van een operationeel programma als bedoeld in artikel 228.

  • 5. Het toevoegen van een activiteit aan een operationeel programma als bedoeld in het tweede lid door middel van een wijzigingsverzoek per 1 januari 2018 is toegestaan:

    • a. indien de activiteit subsidiabel is op grond van deze regeling, en

    • b. onder de voorwaarden die hoofdstuk 4 van deel 4 van deze regeling aan deze activiteit stelt.

  • 6. Het toevoegen van een maatregel als bedoeld in artikel 2, onderdeel f, van verordening 2017/891 of een doel als bedoeld in artikel 33, eerste lid, of 152, eerste lid, onder c, van verordening 1308/2013 aan een operationeel programma als bedoeld in het tweede lid door middel van een wijzigingsverzoek per 1 januari 2018 is toegestaan:

    • a. indien de activiteiten ter uitvoering van de maatregel of het doel subsidiabel zijn op grond van deze regeling, en

    • b. onder de voorwaarden die hoofdstuk 4 van deel 4 van deze regeling aan deze activiteiten stelt.

  • 7. Uitgaven voor investeringen in duurzame productiemiddelen die niet of onder andere voorwaarden dan op 14 juli 2017 subsidiabel zijn op grond van deze regeling kunnen worden opgenomen in een nieuw operationeel programma onder de voorwaarden voor subsidiabele activiteiten zoals deze golden op 14 juli 2017 indien:

    • a. zij onderdeel uitmaken van een voor de inwerkingtreding van deze regeling goedgekeurd operationeel programma;

    • b. de producentenorganisatie voor deze investering voor 1 januari 2018 aan de minister heeft gemeld dat deze uitgaven gedurende meerdere jaren in de steunaanvraag worden opgenomen, en

    • c. de eerste termijn van deze uitgaven voor 1 januari 2018 in de steunaanvraag is opgenomen.

  • 8. Het toevoegen van een investering in een duurzaam productiemiddel aan een operationeel programma als bedoeld in het tweede lid door middel van een wijzigingsverzoek per 1 januari 2018 is toegestaan onder de voorwaarden die hoofdstuk 4 van deel 4 van deze regeling aan die investering stelt.

  • 9. Een verzoek tot wijziging van een operationeel programma als bedoeld in het tweede lid wordt niet goedgekeurd indien dit strekt tot het in eenmaal in de steunaanvraag opnemen van de resterende termijn van uitgaven voor investeringen in duurzame productiemiddelen waarvan eerder is aangegeven dat zij in meerdere termijnen ten laste van het actiefonds worden gebracht.

  • 10. Wijzigingen van statuten van producentenorganisaties als gevolg van aanpassing van deze regeling treden uiterlijk op 1 januari 2019 in werking.

  • 11. Op gedragingen die hebben plaatsgevonden voor 15 juli 2017 en waarvoor na die datum een sanctie wordt opgelegd, is deel 7 van de Regeling uitvoering GMO groenten en fruit van toepassing zoals dat gold op 14 juli 2017, tenzij de toepassing van deel 7 van deze regeling voor de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties gunstiger is.

Artikel 230

De Regeling uitvoering GMO groenten en fruit wordt ingetrokken.

Artikel 231

Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 juli 2017, met uitzondering van artikel 227, dat in werking treedt met ingang van 14 juli 2017.

Artikel 232

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling uitvoering GMO groenten en fruit 2017.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 5 juli 2017

De Staatssecretaris van Economische Zaken, M.H.P. van Dam

BIJLAGE I. NIET LIMITATIEVE LIJST VAN NIET SUBSIDIAIRE UITGAVEN EN INVESTERINGEN

  • 1. investeringen in kassen en tunnels;

  • 2. investeringen in substraat;

  • 3. investeringen in teeltgoten, teeltbakken en teeltstellingen;

  • 4. investeringen in dekwassers;

  • 5. investeringen in diamantglas;

  • 6. investeringen in verduisteringsschermen en zonwerende materialen;

  • 7. investeringen in vervroegingsdoek inclusief vliesdoek ter wering van insecten;

  • 8. investeringen in waterbassins;

  • 9. investeringen in uv-ontsmetting en drainwaterontsmetting ten behoeve van de recirculatie van water in de pré-oogstfase;

  • 10. investeringen in oogstmachines;

  • 11. investeringen in klimaatcomputers, meet- en regelapparatuur, tenzij deze op grond van andere punten specifiek subsidiabel zijn verklaard;

  • 12. investeringen in vernevelingsinstallaties; tenzij deze op grond van andere punten specifiek subsidiabel zijn verklaard; beregeningsinstallaties

  • 13. investeringen in watergoten;

  • 14. investeringen in verwarmingsbuizen, warmwaterslangen en leidingwerk (tenzij deze op grond van andere punten specifiek subsidiabel zijn verklaard);

  • 15. investeringen in bladzuigers;

  • 16. uitgaven voor water- en bodem- en bladanalyses voor bepaling hoeveelheid N en P;

  • 17. uitgaven voor verpakkingsmateriaal en werkzaamheden ten behoeve van het verpakken en marktklaarmaken van producten;

  • 18. investeringen in (magazijn) stellingen;

  • 19. investeringen in spuitleidingen;

  • 20. investeringen in biobranders;

  • 21. investeringen in elektrische hef- en pallettrucks;

  • 22. investeringen in palletkantelaars;

  • 23. uitgaven voor afdichtingsmateriaal ten behoeve van champignoncellen;

  • 24. uitgaven voor looftrekdoeken;

  • 25. uitgaven voor stomen van materialen in de kas;

  • 26. uitgaven voor messen ter voorkoming van verspreiding van virussen.

BIJLAGE II. SUBSIDIABELE EN NIET-SUBSIDIABELE RUIMTE

Deel 1. Subsidiabele ruimte

  • 1. inpandige deel van een dock, waarbij

    • a. de oppervlakte van het dock wordt niet meegerekend in de berekening van de subsidiabele oppervlakte, en

    • b. bij berekening van de oppervlakte voor de aankoop van de grond voor een dock wordt uitgegaan van een oppervlakte van 200 m2;

  • 2. dozenopzetruimte;

  • 3. fustopslag of fustloods;

  • 4. goederenlift van en naar ruimtes waar subsidiabele activiteiten plaatsvinden;

  • 5. jassenstraat;

  • 6. kantine en lunchruimte, indien

    • a. het personeel geen alternatief op de locatie kan worden geboden;

    • b. dergelijke ruimten in het kader van maatregelen voor hygiëne en voedselveiligheid noodzakelijk zijn, en

    • c. de producentenorganisatie voor deze ruimte beschikt over:

      • 1°. een HACCP certificaat;

      • 2°. een BRC certificaat;

      • 3°. een IFS certifcaat, of

      • 4°. een certificaat van een gelijkwaardig kwaliteitszorgsysteem;

  • 7. keuken, indien

    • a. deze ruimte in het kader van maatregelen voor hygiëne en voedselveiligheid noodzakelijk is, en

    • b. de producentenorganisatie voor deze ruimte beschikt over:

      • 1°. een HACCP certificaat;

      • 2°. een BRC certificaat;

      • 3°. een IFS certifcaat, of

      • 4°. een certificaat van een gelijkwaardig kwaliteitszorgsysteem;

  • 8. keurruimte en keurmeesterskantoor voor product waarvoor de producentenorganisatie erkend is;

  • 9. koelcellen en ruimte voor de koelinstallatie;

  • 10. kratten- of fustwasserij;

  • 11. laad- of loodskantoor;

  • 12. label- en stickerruimte;

  • 13. luchtbrug, entresol, galerij of balustrade;

  • 14. machinekamer of CV-ruimte, indien daar subsidiabele machines worden geplaatst;

  • 15. noodstroomaggregaat;

  • 16. noodtrap of vluchttrappenhuis van en naar ruimtes waar subsidiabele activiteiten plaatsvinden;

  • 17. opslagruimte voor verpakkingsmateriaal;

  • 18. ruimte voor bewaarproeven of shelve life room;

  • 19. sanitair, wasgelegenheden, kleedruimten, toiletten, indien

    • a. deze ruimten in het kader van maatregelen voor hygiëne en voedselveiligheid noodzakelijk zijn;

    • b. deze ruimten bestemd zijn voor personeel dat werkzaam is in het sorteer- en verpakproces en zo gelegen zijn dat aannemelijk is dit personeel hier gebruik van maakt, en

    • c. de producentenorganisatie voor deze ruimte beschikt over:

      • 1°. een HACCP certificaat;

      • 2°. een BRC certificaat;

      • 3°. een IFS certifcaat, of

      • 4°. een certificaat van een gelijkwaardig kwaliteitszorgsysteem;

  • 20. traforuimte;

  • 21. verladings- of expeditieruimte, of

  • 22. verpak- en sorteerruimte.

Deel 2. Niet subsidiabele ruimte

2.1 Inpandig

  • 1. archiefruimte;

  • 2. berging, werkkasten en schoonmaakkasten;

  • 3. ruimten voor bedrijfshulpverlening of eerste hulp verlening;

  • 4. chauffeursruimte;

  • 5. dealingroom of afmijnzaal;

  • 6. excursiebordes;

  • 7. gang of hal;

  • 8. kantoor;

  • 9. kledingwasserij;

  • 10. ontspanningsruimte;

  • 11. ontvangsthal, entree of receptie;

  • 12. ruimte voor P&O-faciliteiten;

  • 13. ruimte voor paspoortcontrole;

  • 14. presentatieruimte, projectieruimte of exclusieve ruimte;

  • 15. rookruimte en afgescheiden kantine voor rokers;

  • 16. serverruimte;

  • 17. spreekkamer;

  • 18. ruimte voor technische dienst of technische ruimte;

  • 19. terras of patio, of

  • 20. vergaderruimte of overlegruimte.

2.2 Buiten

  • 1. terreinverharding;

  • 2. groenvoorziening, inclusief groen- en grindstroken rondom gebouwen;

  • 3. ontsluiting op de openbare weg;

  • 4. parkeerterrein of Parkeergarage, of

  • 5. fietsenstalling.

2.3 Overig

  • 1. verhuurde ruimtes;

  • 2. ruimtes die niet in eigendom zijn van de producentenorganisatie, of

  • 3. overige opslagruimten.

BIJLAGE III. SUBSIDIABELE EN NIET-SUBSIDIABELE ELEMENTEN BIJ NIEUWBOUW EN VOLLEDIGE VERBOUWING (INCLUSIEF KOELHUIZEN)

Subsidiabele kosten

Niet-subsidiabele kosten

 

Alle elementen voor niet-subsidiabele ruimten en verder

1.0

1.1

1.2

1.3

1.4

 

1.5

1.6

1.7

Voorbereidingen en overdracht

grondonderzoek

bodemonderzoek

sondering

architect / teken- en constructiewerk (staal- en fundering)

bouwkundig advies/deskundigenkosten

projectmanagement/bouwbegeleiding/ toezicht

notariële kosten

1.0

1.1

1.2

1.3

1.4

1.5

1.6

Voorbereidingen en overdracht

bouwaanvragen (bij gemeente)

milieuaanvragen (bij gemeente)

Construction all risk verzekering

rentekosten

bankgaranties

leges, kadastrale tarieven

       

2.0

2.1

2.2

2.3

2.4

2.5

2.6

2.7

2.8

2.9

Bouwplaatsvoorzieningen

loodsen en keten

beschikbaarstelling personeel

schoonmaak en preventief onderhoud

inrichting werkterrein

tijdelijke terreinverharding

(peil) uitzetten of maatvoering

bouwstroom en -water

tijdelijke elektriciteitsvoorzieningen

overige tijdelijke voorzieningen bij de bouw

2.0

2.1

2.2

2.3.

Bouwplaatsvoorzieningen

afsluitingen

reclame voor de aannemer

vuilafvoer

       

3.0

3.1

3.2

 

3.3

3.4

Grondwerk – bouwrijp maken

ontgraven van de grond

verwerken van grond en grondvervangende materialen

verdichten van grond

aanvulwerkzaamheden

3.0

3.1

 

 

3.2

3.3.

Grondwerk – bouwrijp maken

sloopwerkzaamheden (onder meer hak, breek en graafwerk van betonresten / asfalt / bestaande bebouwing)

rooiwerkzaamheden

demontagekosten, tenzij de onderdelen voor de betreffende investering worden hergebruikt

       

4.0

Buitenriolering en drainage

   
       

5.0

5.1

 

5.2

5.3

Terreinverharding (inpandig)

beton- of asfaltverharding

verhardingslagen van steenmengsel

geleidingscontructies

vloercoatingº

5.0

5.0

5.1

5.2

5.3

5.4

Terreinverharding (in- en uitpandig)

niet subsidiabele voorzieningen zoals

parkeerplaatsen en (openbare) weg

bewegwijzering

stoplichten

belijning

       

6.0

Funderingspalen

   
       

7.0

Betonwerk

   
       

8.0

Metselwerk

   
       

9.0

Vooraf vervaardigde steenachtige elementen

   
       

10.0

Metaalconstructiewerk

   
       

11.0

Kozijnen, ramen en deuren

   
       

12.0

Systeembekleding

   
       

13.0

13.1

13.2

Trappen en balustrade

vaste trappen naar subsidiabele ruimtes

balustraden

13.0

13.1

Trappen en balustrade

naar niet subsidiabele ruimtes, bijvoorbeeld kantoren

       

14.0

Beglazing

   
       

15.0

Stukadoorswerk

   
       

16.0

Tegelwerk

   
       

17.0

Dekvloeren en vloersystemen

   
       

18.0

Metaal- en kunststofwerk

   
       

19.0

Plafond- en wandsystemen

   
       

20.0

Afbouwtimmerwerk

   
       

21.0

Schilderwerk

   
       

22.0

Dakgoten en hemelwaterafvoeren

   
       

23.0

Binnenriolering

   
       

24.0

Waterinstallaties

   
       

25.0

25.1

25.2

Binneninrichting

keukenblok met blad, spoelbak en mengkraan

banken, kapstokken, lockers voor kleedkamer

25.0

25.1

25.2

25.3

25.4

25.5

Binneninrichting

kasten

werk- en buffetbladen

stelposten

geluidsinstallatie/telefoon e.d.

entree, receptie, ontvangstruimte (incl. sanitair)

       

26.0

Behangwerk, vloerdekking en stoffering

26.0

26.1

26.2

26.3

Behangwerk, vloerdekking en stoffering

behang

vloerbedekking

stoffering

       

27.0

27.1

27.2

27.3

27.4

27.5

Sanitair

douchecombinaties

closet- en urinoircombinaties

wastafel- en wastrogcombinaties

kranen en kraanafvoercombinaties

wateraanvoer

27.0

27.1

Sanitair

toebehoren sanitair

       

28.0

28.1

28.2

28.3

Brandbestrijdingsinstallaties

Brandblustoestellen/bluswatervoorziening

sprinklerinstallatie

brandwand of gordijn

   

29.0

29.1

29.2

29.3

29.4

Brand, toegang- en inbraakbeveiliging

brand- toegangs- en inbraaksysteem

toegangcontrole-installatie

camera observatiesysteem

codesloten

29.0

29.1

Brand, toegang- en inbraakbeveiliging

aansluiting meldkamer/bewakingsdienst

30.0

Verwarmingsinstallaties

   
       

31.0

Ventilatie- en luchtbehandelingsinstallaties

   
       

32.0

Koeling

   
       

TOELICHTING

I. Algemeen

1. Aanleiding en doel

Deze regeling strekt tot uitvoering van de Europese regelgeving inzake de gemeenschappelijke marktordening voor groenten en fruit (GMO). De Europese regelgeving is onlangs gewijzigd met de vaststelling van twee nieuwe Europese verordeningen op grond van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013 L 347) (hierna: verordening 1308/2013). Naar aanleiding van deze nieuwe Europese verordeningen is ervoor gekozen een nieuwe nationale regeling vast te stellen en daarin eveneens een aantal overige aanpassingen te doen ten opzichte van de Regeling uitvoering GMO groenten en fruit. Onderhavige regeling strekt tevens tot wijziging en vervolgens intrekking van de oude Regeling uitvoering GMO groenten en fruit en tot wijziging van de Regeling producenten- en brancheorganisaties in verband met het voorgaande.

1.1. Nieuwe Regeling uitvoering GMO groenten en fruit 2017

Doelstelling van de gemeenschappelijke marktordening voor de groenten- en fruitsector is om het concurrentievermogen en de marktgerichtheid van de sector te verbeteren om zo ook bij te kunnen dragen aan een duurzame productie, verhoging van de consumptie van groenten en fruit, betere handhaving en bescherming van het milieu en stabielere inkomens van telers. Daartoe zijn regels gesteld over de erkenning van producentenorganisaties in deze sector. Erkende producentenorganisaties kunnen vervolgens binnen de kaders van de Nationale Strategie van de lidstaat operationele programma’s vaststellen waarmee zij met steun van de Europese Unie maatregelen uitvoeren die ten dienste staan van de bovengenoemde doelstellingen. In de nationale regelgeving die uitvoering geeft aan de gemeenschappelijke marktordening voor groenten en fruit zijn voorschriften opgenomen met betrekking tot de erkenning en het lidmaatschap van producentenorganisaties, het actiefonds en het operationeel programma, de aanvraag en het verlenen van steun, administratieve verplichtingen en sancties.

Als gevolg van de vervanging van Verordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (PB L 157) (hierna: verordening 543/2011) door Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891 van de Commissie van 13 maart 2017 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit en tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de in deze sectoren toe te passen sancties en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie (PBEU 2017, L 138) (hierna: verordening 2017/891) en Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 van de Commissie van 13 maart 2017 tot vaststelling van voorschriften voor de toepassing van verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit (PBEU 2017, L 138) (hierna: verordening 2017/892) moet de nationale regelgeving inzake de gemeenschappelijke marktordening voor groenten en fruit worden aangepast. Daartoe wordt de onderhavige nieuwe regeling vastgesteld. In de nieuwe regeling is voorts een aantal verduidelijkingen en vereenvoudigingen aangebracht ten opzichte van de Regeling uitvoering GMO groenten en fruit.

Wijziging Europese regelgeving

De noodzaak om alle secundaire Europese regelgeving aan te passen aan de nieuwe bevoegdheden en procedures van de Europese instellingen in het kader van het Verdrag van Lissabon vormt de aanleiding voor vervanging van verordening 543/2011 door een nieuwe gedelegeerde verordening en een nieuwe uitvoeringsverordening. Voortaan zijn de Europese regels inzake de erkenningscriteria van producentenorganisaties in de sector groenten en fruit, de unies van producentenorganisaties, actiefondsen en operationele programma's, crisispreventie- en crisisbeheersmaatregelen, nationale financiële bijstand, verslagen en meldingen, sancties, de uitbreiding van voorschriften, het invoerprijssysteem en invoerrechten onderwerp van een gedelegeerde handeling, waarbij de Europese Commissie de lidstaten wel raadpleegt maar waarover niet gestemd wordt en de Europese Commissie de handeling uiteindelijk vaststelt. Na vaststelling door de Europese Commissie wordt een gedelegeerde handeling voorgelegd aan de Raad en het Europese Parlement voor een toetsingsperiode van 2 of 4 maanden. Zij kunnen in die periode bezwaar maken of zelfs de bevoegdheid van de Europese Commissie om de gedelegeerde handeling vast te stellen geheel intrekken. Europese regels die tot doel hebben de uitvoeringspraktijk van de lidstaten te harmoniseren zijn onderwerp van een uitvoeringshandeling die wel voor stemming aan de lidstaten wordt voorgelegd. De lidstaten zijn daarbij vertegenwoordigd in een comité dat advies geeft aan de Europese Commissie. Sinds 30 juni 2016 moeten alle ontwerpen voor gedelegeerde en uitvoeringshandelingen alvorens door de Commissie te worden vastgesteld eerst een maand voor publieke consultatie worden aangeboden.

De ontwerp verordeningen zijn van 13 januari tot en met 10 februari 2017 aangeboden op het portaal van de Europese Commissie voor openbare raadpleging. Vervolgens heeft de Europese Commissie de uitkomsten van de raadpleging geanalyseerd en waar nodig de verordeningen aangepast. Op 13 februari 2017 heeft de Europese Commissie de verordeningen vastgesteld en de gedelegeerde verordening voor toetsing naar het Europees Parlement en de Raad verstuurd. Uiteindelijk zijn de nieuwe verordeningen op 25 mei 2017 in het Publicatieblad van de Europese Unie gepubliceerd.

Naast de aanpassing in het kader van het Verdrag van Lissabon heeft de Europese Commissie van de gelegenheid gebruik gemaakt om een aantal wijzigingen door te voeren, waarbij het accent op vereenvoudiging en verduidelijking van de regelgeving ligt. Daarbij is ook rekening gehouden met de opmerkingen van de Europese auditors. De belangrijkste inhoudelijke wijzigingen van de Europese regelgeving betreffen:

  • aanscherping en verduidelijking van het percentage van de productie van een aangesloten producent dat buiten de producentenorganisatie om mag worden afgezet;

  • de bepaling dat er geen sprake is van uitbesteding als een activiteit van de producentenorganisatie wordt verricht door een unie van producentenorganisaties of een coöperatie waarvan de leden zelf coöperaties zijn waarbij de producentenorganisatie is aangesloten, of door een dochteronderneming;

  • de bepaling dat een producentenorganisatie voor een bepaald product of een bepaalde groep producten slechts lid kan zijn van één unie van producentenorganisaties die een operationeel programma uitvoert;

  • verduidelijking van de verantwoordelijkheid van de betrokken lidstaten voor de erkenning en goedkeuring van operationele programma’s van (transnationale) unies van producentenorganisaties en van welke nationale regels van toepassing zijn op die operationele programma’s;

  • vereenvoudiging van de berekening van de waarde van de afgezette productie;

  • verduidelijking van de gevolgen van verkoop of verlies van een met GMO steun betaalde investering;

  • verduidelijking van de gevolgen van tussentijdse stopzetting van het operationeel programma of beëindiging van erkenning;

  • verduidelijking van de gevolgen indien de producentenorganisatie ervoor heeft gekozen om 10% van het budget aan milieumaatregelen te wijden en in het laatste jaar van het operationeel programma blijkt dat deze doelstelling niet is gehaald;

  • de bepaling dat een milieu-investering moet kunnen bijdragen aan een vermindering van het huidige gebruik van productiemiddelen, de uitstoot van verontreinigende stoffen of afval in het productieproces met minstens 15% om voor steun in aanmerking te komen;

  • verduidelijking dat ook producentenorganisaties zonder operationeel programma moeten worden gecontroleerd op naleving van de Europese voorschriften;

  • aanpassing (verhoging) van de Europese maximum steunbedragen voor het uit de markt nemen van bepaalde producten.

Wijziging nationale regelgeving

Waar nodig om uitvoering te geven aan de wijzigingen in de Europese regelgeving en te zorgen voor correcte verwijzingen naar de Europese verordeningen is de nationale regelgeving inzake de gemeenschappelijke marktordening voor groenten en fruit aangepast.

Daarnaast voorziet de nieuwe regeling in een aantal overige wijzigingen, onder meer met het oog op verbetering van de EU conformiteit en vereenvoudigingen. De belangrijkste wijzigingen betreffen:

  • verduidelijking en aanvulling van financieel administratieve voorschriften;

  • verduidelijking van de regels over het gebruik van investeringen en de wijze van administratie van dit gebruik;

  • verduidelijking van de regels over de ingebruikname van investeringen en de wijze van het ten laste brengen van het actiefonds;

  • verduidelijking van de regels over verzoeken tot wijziging van een operationeel programma;

  • verduidelijking in welke gevallen er ook personeelskosten kunnen worden opgevoerd, indien voor deze activiteiten overige kosten subsidiabel zijn gesteld;

  • beëindiging van de subsidiabiliteit van uitgaven voor afdekzeilen, bassins en silo’s voor wateropslag;

  • beperking van de subsidiabiliteit van investeringen in installaties voor afvalwaterzuivering met het oog op de wettelijke verplichting om 95% van het afvalwater te zuiveren die met ingang van 1 januari 2018 van kracht zal worden;

  • aanpassing van de voorwaarden waaronder uitgaven voor oogstverzekeringen subsidiabel zijn;

  • uitbreiding van de verplichting om uitgavenposten te onderbouwen naar operationele programma’s die zijn goedgekeurd onder de regeling zoals deze gold voor 1 januari 2017 voor zover het gaat om uitgaven gedaan en activiteiten gestart na 1 juli 2017;

  • aanpassing van het steunniveau voor een aantal activiteiten.

Gelet op het grote aantal wijzigingen dat volgt uit bovengenoemde Europees en nationaal ingegeven punten is ervoor gekozen om een geheel nieuwe regeling vast te stellen.

1.2. Wijziging en intrekking Regeling uitvoering GMO groenten en fruit

De oude Regeling uitvoering GMO groenten en fruit wordt met deze nieuwe regeling eerst gewijzigd om op een aantal punten een verduidelijking, een begunstigende wijziging of een aanpassing met het oog op de EU-conformiteit door te voeren, en vervolgens ingetrokken. Op operationele programma’s die voor de inwerkingtreding van de onderhavige regeling zijn goedgekeurd en die nog doorlopen na de inwerkingtreding van deze regeling, blijven de voorschriften over operationele programma’s van toepassing zoals die golden voor de intrekking van de oude regeling. In praktijk zijn dit alleen operationele programma’s die al voor 31 december 2016 zijn goedgekeurd. Op die operationele programma’s blijven de bepalingen inzake operationele programma’s van toepassing zoals die golden voor 1 januari 2017. Verlenging van lopende operationele programma’s onder het oude regime is niet mogelijk. Ook kunnen na de inwerkingtreding van de onderhavige regeling aan lopende operationele programma’s alleen nieuwe activiteiten en nieuwe investeringen worden toegevoegd indien deze onder de onderhavige nieuwe regeling subsidiabel zijn.

1.3. Wijziging Regeling producenten- en brancheorganisaties

De Regeling producenten- en brancheorganisaties geeft uitvoering aan de Europese regels voor producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en brancheorganisaties als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1308/2013. Die regeling is niet van toepassing op producentenorganisaties in de sector groenten en fruit: de voorschriften voor erkenning van producentenorganisaties in deze sector waren al neergelegd in de Regeling uitvoering GMO groenten en fruit, en thans in de onderhavige regeling, waarin nu ook de voorschriften voor het eventueel algemeen verbindend verklaren van voorschriften zijn opgenomen. Voor brancheorganisaties in de sector groenten en fruit geldt de Regeling producenten- en brancheorganisaties wel. Omdat verordening 2017/891, enkele aanvullende regels bevat voor het algemeen verbindend verklaren van voorschriften in de groenten- en fruitsector, wordt de Regeling producenten- en brancheorganisaties aangepast om daar ook voor brancheorganisaties uitvoering aan te geven.

2. Regeldruk

Deze regeling heeft regeldrukeffecten. Enerzijds is er sprake van een kleine verlichting van de regeldruk ten opzichte van de voorheen geldende regels als gevolg van een wijziging om uitvoering te geven aan een nieuwe bepaling in de Europese regelgeving. Anderzijds vindt er een beperkte verzwaring van de regeldruk plaats, met name als gevolg van wijzigingen om de EU conformiteit beter te borgen. Deze wijzigingen brengen naar verwachting in zijn totaliteit een regeldrukverzwaring met zich mee van € 349.620. In het onderstaande zal verder worden toegelicht in welke wijzigingen de regeldrukeffecten zich bevinden.

Voor de producentenorganisaties zijn er geen consequenties voor administratieve en uitvoeringslasten, voor zover de wijzigingen het herstellen van onvolkomenheden en het nader verduidelijken van de reeds geldende voorschriften betreffen.

De eisen van artikel 22 zijn niet langer meer van toepassing als producentenorganisaties de afzet door een dochteronderneming of unie laten uitvoeren. Tot deze wijziging is besloten omdat in Verordening 2017/891 is bepaald dat indien de afzet wordt verricht door een 90%-dochteronderneming dan wel unie van producentenorganisaties dit niet wordt gezien als uitbesteding maar als uitvoering door de producentenorganisatie zelf. Dit betekent dat producentenorganisaties niet langer meer verplicht zijn een uitbestedingscontract met de dochteronderming af te sluiten, een evaluatie van het verkoopbeleid uit te voeren en gedurende het verkoopseizoen wekelijks verkoopoverleg met de dochteronderneming te houden. Er van uitgaande dat de meeste producentenorganisaties de verkoop door een of meerdere dochterondernemingen laten uitvoeren en de oude administratieve verplichtingen per producentenorganisatie gemiddeld 240 uur in beslag namen tegen een uurtarief van € 60, neemt de regeldruk af met € 187.200.

In artikel 29 en 58 zijn nieuwe notificatieverplichtingen opgenomen voor wijziging danwel beëindiging van de erkenning en voor voortijdige stopzetting van het operationeel programma. Deze verplichtingen zijn opgenomen met het oog op de benodigde controles ten aanzien van de erkenningsvoorwaarden en betalingen. Met deze administratieve verplichting is verzwaring van de regeldruk met maximaal € 780 gemoeid.

In artikel 72 is de beperking dat de gebruiksadministratie van investeringen alleen gedurende piekperioden moest worden bijgehouden, geschrapt. Voortaan moet het gebruik het hele jaar door worden geregistreerd om aan te tonen dat voldaan is aan de Europese vereiste dat de betrokken investering voor meer dan 50% wordt gebruikt voor producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend. Deze wijziging geldt alleen ten aanzien van nieuwe investeringen. Er van uitgaande dat jaarlijks 254 nieuwe investeringen worden gedaan en dat per investering in totaal 2 uur nodig is om de gebruiksadministratie bij te houden tegen een uurtarief van € 60 betekent dit een verzwaring van de regeldruk met € 182.880 over de gehele looptijd van de operationele programma’s.

In artikel 113 vervalt de subsidiabiliteit van installaties voor de zuivering van afvalwater, als gevolg van een nationaal wettelijke verplichting tot afvalwaterzuivering, tenzij de bevoegde autoriteiten daarvan vrijstelling hebben verleend. Dit betekent dat producentenorganisaties om in aanmerking te komen voor steun voor dergelijke installaties moeten aantonen dat een vrijstelling is ontvangen. Er van uitgaande dat elk operationeel programma een dergelijke investering bevat en het opvragen en notificeren van de ontheffing een uur in beslag neemt tegen een uurtarief van € 60, betekent dit een lastenverzwaring van € 360.

In artikel 125 is bepaald dat de kosten voor biologische grondontsmetting subsidiabel zijn. Voorheen werden deze kosten voor 50% vergoed. Met het oog op de EU conformiteit worden voortaan de meerkosten van uitgaven voor biologische grondontsmetting vergoed die producentenorganisaties aan de hand van offertes en facturen aantonen. Er van uitgaande dat deze activiteit in elk operationeel programma is opgenomen en dat het berekenen van de meerkosten gemiddeld 10 uur kost tegen een uurtarief van € 60, betekent dit een lastenverzwaring van € 3.600.

In artikel 196 vervalt de verplichting voor producentenorganisaties om een benchmark uit te voeren. Om beter invulling te geven aan de Europese vereiste dat oogstverzekeringsacties worden beheerd door een producentenorganisatie, zijn de voorwaarden waaronder uitgaven voor oogstverzekeringen subsidiabel zijn aangepast: de oogstverzekering moet zijn afgesloten in het kader van een raamovereenkomst van de producentenorganisatie met de verzekeraar danwel op naam van de producentenorganisatie zijn gesteld en de premies moeten door de producentenorganisaties zijn betaald. Deze wijziging brengt enerzijds een kleine verlichting van de administratieve lasten met zich mee, anderzijds een verzwaring van de lasten omdat producentenorganisaties zich nu moeten inspannen om een raamwerkovereenkomst te sluiten dan wel zelf een oogstverzekering ten behoeve van de leden af te sluiten om voor subsidie in aanmerking te komen. De tijd gemoeid met het afsluiten van een raamwerkovereenkomst (inclusief het onderhandelen met verzekeraars, het administreren van deelnemers e.d.) wordt geschat op circa 100 uur. Dit betekent een lastenverzwaring van € 36.000.

Door de wijziging van de oude Regeling uitvoering GMO groenten en fruit zijn producentenorganisaties met lopende operationele programma’s voortaan verplicht de uitgaven in het kader van operationele programma’s beter te onderbouwen, onder meer aan de hand van kostenbegrotingen. In artikel 227 wordt deze verplichting met het oog op de EU conformiteit van toepassing op uitgaven gedaan en activiteiten gestart na 1 juli 2017. Deze wijzigingen vragen meer inspanningen van de betrokken producentenorganisaties. Voor iedere activiteit die is opgenomen in het operationele programma zal de onderbouwing van de redelijkheid van kosten circa vijf uur in beslag nemen. In totaal bevatten operationele programma’s 174 activiteiten. Naar schatting geeft deze nieuwe verplichting een lastenverzwaring van € 313.200.

3. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 juli 2017, met uitzondering van artikel 227. Artikel 227 treedt in werking met ingang van 14 juli 2017, omdat dit artikel de Regeling uitvoering GMO groenten en fruit wijzigt, alvorens deze op 15 juli wordt ingetrokken.

II Artikelen

Deel 1. Algemene bepalingen (artikelen 1-3)

Deze regeling geeft uitvoering aan de Europese marktordeningsregels voor de groente- en fruitsector. Deze zijn opgenomen in de volgende verordeningen:

  • Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PBEU 2013, L 347) (hierna: verordening 1308/2013);

  • Verordening (EU) 2017/891 van de Commissie van 13 maart 2017 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit en tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de in deze sectoren toe te passen sancties en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie (PBEU 2017, L 138) (hierna: verordening 2017/891);

  • Verordening (EU) 2017/892 van de Commissie van 13 maart 2017 tot vaststelling van voorschriften voor de toepassing van verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit (PBEU 2017, L 138) (hierna: verordening 2017/892).

In lijn met deze verordeningen bepaalt artikel 3 dat de voorschriften van deze regeling van toepassing zijn op de producten van de sector groenten en fruit, bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel i, van verordening 1308/2013 en op dergelijke producten die uitsluitend zijn bestemd om te worden verwerkt. Onderdelen van verordening 2017/891 en 2017/892 zijn ook van toepassing op verwerkte groenten en fruit. Dit betreft met name voorschriften over de handel met derde landen en over het doen van bepaalde meldingen. De onderhavige regeling bevat echter geen nadere regels over de uitvoering van deze onderdelen. Uitzondering is artikel 2 van de onderhavige regeling. Daarin worden ter uitvoering van de verordeningen bevoegdheden toegedeeld aan de minister van Economische Zaken. De reikwijdte van deze bepaling, en daarmee van de toegedeelde bevoegdheden, volgt uit de genoemde artikelen van de verordening en kan zich in specifieke gevallen ook uitstrekken tot verwerkte groenten en fruit.

In verordening 2017/891 en 2017/892 worden diverse taken en bevoegdheden aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, danwel aan de lidstaten toebedeeld. Voor zover het regelgevende bevoegdheden betreft is de minister bevoegd regelgeving vast te stellen op grond van de Landbouwwet. Voor zover het uitvoerende taken en bevoegdheden betreft, regelt artikel 2, eerste en tweede lid, dat de minister steeds bevoegd is de besluiten te nemen en de handelingen te verrichten die nodig zijn. Het derde lid van artikel 2 geeft de minister de bevoegdheid om in afwijking van de in deze regeling bepaalde data voor indiening van verzoeken tot wijziging van operationele programma’s een latere indieningsdatum vast te stellen, bijvoorbeeld wanneer onvoorziene omstandigheden zoals technische problemen met het elektronisch indieningssysteem, tijdige indiening in de weg staan.

Deel 2. Erkenningen

Hoofdstuk 1. Erkenning van producentenorganisaties
Titel 1. Erkenningsvereisten
Afdeling 2. Lidmaatschap (artikelen 5-8)

In de artikelen 5 tot en met 8 staan de voorschriften met betrekking tot het lidmaatschap van een producentenorganisatie. Een lid moet een producent zijn als bedoeld in artikel 2, onderdeel a van verordening 2017/891. Dit houdt in dat holdings, beheermaatschappijen en dergelijke niet als lid kunnen worden aangemerkt. Artikel 6, eerste lid, bepaalt het minimum aantal leden en de minimale waarde van de afgezette productie. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan artikel 154, eerste lid, onderdeel b, van verordening 1308/2013 en de artikelen 5 en 9 van verordening 2017/891. Op grond van artikel 5 van verordening 2017/891 zijn lidstaten verplicht een minimumaantal leden vast te stellen voor de erkenning van producentenorganisaties. Ingevolge artikel 9 van verordening 2017/891 moeten lidstaten daarnaast in elk geval voor producentenorganisaties met een operationeel programma een minimumwaarde van de afgezette productie vaststellen. Ingevolge artikel 6 van de regeling geldt deze waarde ook voor de erkenning van producentenorganisaties zonder operationeel programma, omdat bij producentenorganisaties met minder leden of omzet de voordelen van een erkenning niet opwegen tegen de administratieve lasten voor de lidstaat. Het tweede lid van artikel 6 strekt ertoe te voorkomen dat entiteiten worden opgericht uitsluitend met het oog op de voorschriften over het minimumaantal leden of over maximumpercentage stemmen. Indien de minister in redelijkheid vermoedt dat dit het geval is, kunnen meerdere entiteiten gezamenlijk worden aangemerkt als één lid. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om dat situatie waarin één natuurlijke persoon meerdere rechtspersonen opricht of doet oprichten zonder dat daarvoor andere redenen zijn dan de in deze regeling vastgestelde percentages voor aantal leden en stemmen.

In het vijfde lid van artikel 6 wordt de referentieperiode bepaald voor het vaststellen van de waarde van de afgezette productie met het oog op de erkenning. Deze is hetzelfde als in artikel 36 is bepaald met het oog op het maximum aan financiële bijstand, maar omdat bij een nieuwe erkenning nog geen sprake is van uitvoering van een operationeel programma, wordt uitgegaan van de waarde van de afgezette productie in die periode van de aangesloten producenten op 1 januari van het jaar waarin erkenning wordt gevraagd.

Afdeling 3. Verplichtingen voor producentenorganisaties(artikelen 9-22)

De artikelen 9 tot en met 22 betreffen de verplichtingen voor producentenorganisaties. Het gaat hier om de oprichtingsformaliteiten, activiteiten van leden, opstellen van controle- en sanctievoorschriften en administratieve verplichtingen voor de leden, vermogensvereisten, kantoorruimte, personeel, bepaling van verkoopvoorwaarden (waaronder verkoopprijzen) en uitbesteding van activiteiten.

In artikel 10 wordt bepaald dat, om belangenconflicten te voorkomen, leden van het bestuur of de Raad van Commissarissen van een producentenorganisatie of functionarissen van een producentenorganisatie die betrokken zijn bij het verkoopbeleid, geen afnemer mogen zijn van producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend.

In artikel 11 wordt bepaald dat producentenorganisaties hun leden in hun statuten moeten verbieden activiteiten te ontplooien die het vermoeden doen ontstaan dat producten buiten de producentenorganisatie om worden verkocht. Deze verplichting bestond al, maar voorheen was niet vereist dat dit verbod in de statuten werd opgenomen. Daarom regelt het tweede lid van artikel 11 een overgangstermijn waarin producentenorganisaties de eventuele aanpassing van hun statuten kunnen bewerkstelligen. Het verbod hoeft zich niet uit te strekken tot activiteiten betreffende verkoop buiten de producentenorganisatie om waarvoor op grond van artikel 12 van verordening 2017/891 toestemming is verleend.

Artikel 12 van verordening 2017/891 bevat een mogelijkheid voor producentenorganisaties om hun leden toestemming te verlenen om een uitzondering te maken op de plicht om hun volledige productie via de producentenorganisatie af te zetten.

Artikel 14 betreft de controle door de producentenorganisatie op de naleving van de statuten door de leden. Het vierde lid zorgt ervoor dat het door de teler verstrekte overzicht inzake hun productie en de in- en verkoop van producten beoordeeld wordt door een accountant door middel van een COS 4400 onderzoek. Het zevende lid regelt de jaarlijkse evaluatie van het controlesysteem door de producentenorganisatie. Deze evaluatie betreft onder meer het systeem voor controle op de naleving van de leveringsplicht (artikel 160 van verordening 1308/2013) en van het voorschrift dat productie die wordt meegerekend in de waarde van de afgezette productie voor eigen rekening en risico van de producentenorganisatie of een lid heeft plaatsgevonden (artikel 37, eerste en tweede lid, van deze regeling). De evaluatie betreft het geheel aan maatregelen om de voorschriften te controleren, en dient mede te gebeuren aan de hand van de uitkomsten van het in het vierde lid bedoelde accountantsonderzoek. De betrouwbaarheid en effectiviteit van het controlesysteem kan onder meer worden geëvalueerd door te bezien of door de accountant geconstateerde overtredingen door de producentenorganisatie al geconstateerd waren of geconstateerd hadden moeten worden. Van de evaluatie wordt een verslag gemaakt dat door de algemene vergadering moet worden besproken en geaccordeerd.

Met artikel 15 wordt beoogd te verzekeren dat producentenorganisaties de naleving van de verplichtingen die zij in haar statuten aan haar leden opleggen ter uitvoering van het vereiste van concentratie van aanbod en afzet, als bedoeld in artikel 160 van verordening 1308/2013 ook daadwerkelijk afdwingen door handhavend op te treden in het geval deze verplichtingen niet worden nageleefd. Daarom zijn de eisen die worden gesteld aan het sanctieregime van de producentenorganisatie in het geval van niet naleving van de statuten door een lid beperkt tot voorschriften die de producentenorganisatie op grond van artikel 160 van verordening 1308/2013, artikel 12 van verordening 2017/891 en de artikelen 10 tot en met 13 van de Regeling uitvoering GMO groenten en fruit 2017 in haar statuten moet opnemen. De voorwaarden waaronder de producentenorganisatie toestemming, bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/891, mag verlenen zijn nader uitgewerkt in artikel 25 van de regeling. Deze bepalingen zijn niet geformuleerd als verplichtingen die in de statuten aan de leden van de producentenorganisatie moeten worden opgelegd. Op grond van artikel 160 van verordening 1308/2013, waar artikel 12 van verordening 2017/891 een uitzondering op maakt, zijn de leden echter wel verplicht zich te houden aan de voorwaarden waaronder de producentenorganisatie de toestemming als bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/891 heeft verleend. Niet naleving van deze voorwaarden vormt een niet naleving van artikel 160 van verordening 1308/2013 en leidt tot toepassing van de sanctievoorschriften die de producentenorganisatie op grond van artikel 15 moet opnemen in de statuten. Deze sanctievoorschriften houden in dat bij een eerste overtreding ten minste een schriftelijke waarschuwing wordt gegeven, bij een tweede soortgelijke overtreding binnen vijf jaar ten minste een boete wordt opgelegd en bij drie of meer soortgelijke overtredingen binnen vijf jaar royement volgt.

Artikel 17 bepaalt dat producentenorganisatie over een volledige beschrijving van de interne organisatie en van de administratieve en interne beheersing van bepaalde onderdelen moet beschikken. Dit geldt ook voor unies van producentenorganisaties, voor zover zij de genoemde onderdelen behartigen.

Ingevolge artikel 11 van verordening 2017/891 betreft de hoofdactiviteit van een producentenorganisatie de concentratie van het aanbod en de afzet van producten van de leden waarvoor zij is erkend. Artikel 21 van de regeling strekt tot uitvoering hiervan. Ook indien de producentenorganisatie verkoopactiviteiten uitbesteedt als bedoeld in artikel 13 van verordening 2017/891, geldt artikel 21. Echter, indien de producentenorganisatie verkoopactiviteiten laat uitvoeren door een 90% dochtenonderneming of door een unie van producentenorganisaties, wordt dit ingevolge artikel 13, tweede lid, van verordening 2017/891 niet als uitbesteding beschouwd maar als uitvoering door de producentenorganisatie zelf. In dat geval gelden de verplichtingen van artikel 21 voor de dochteronderneming of unie van producentenorganisaties. De producentenorganisatie zal daarover afspraken moeten maken met de dochteronderneming.

Artikel 22 betreft de uitbesteding van werkzaamheden door een producentenorganisatie. Artikel 13 van verordening 2017/891 bepaalt dat de producentenorganisatie verantwoordelijk blijft voor de uitvoering van de uitbestede activiteiten en stelt regels over het beheer, de controle en het toezicht met betrekking tot de uitbesteding. Ter uitvoering daarvan bepaalt het derde lid van artikel 22 dat de producentenorganisatie aan de hand van schriftelijke bewijsstukken moet aantonen op welke wijze de met de uitbestede werkzaamheden belaste entiteit wordt aangestuurd door, en verantwoording aflegt aan, de producentenorganisatie. Wanneer een producentenorganisatie verkoopactiviteiten uitbesteedt, moet zij op grond van het vierde lid aan de hand van schriftelijke bewijsstukken aantonen dat er gedurende de periode waarin daadwerkelijk verkoop van het product plaatsvindt (de verkoopperiode), minimaal één maal per week overleg plaatsvindt over de te hanteren verkoopvoorwaarden, waaronder de verkoopprijs. Het zesde lid bepaalt welke activiteiten niet kunnen worden uitbesteed aan leden van de producentenorganisatie. Dit betreft de verkoop van producten van leden en het commercieel en budgettair beheer en de boekhouding. Van deze activiteiten is het onwenselijk dat zij worden uitgevoerd door de eigen leden. De in het zevende lid genoemde activiteiten mogen helemaal niet worden uitbesteed, omdat deze activiteiten de kern van het bestaan van de producentenorganisatie vormen. Dit betreft de controle op de naleving van de leveringsplicht (met uitzondering van het accountantsonderzoek), boekhouding, facturering en uitbetaling aan de leden en kennis van de productie van de leden. Ingevolge artikel 13, tweede lid, van verordening 2017/891, wordt het uitvoeren van een activiteit door een 90%-dochteronderneming niet als uitbesteding aangemerkt, maar beschouwd als het verrichten van een activiteit door de producentenorganisatie zelf. Het zevende lid van artikel 22 van de regeling staat dus niet in de weg aan uitvoering door minimaal 90%-dochterondernemingen als bedoeld in artikel 22, achtste lid, onderdeel a, van verordening 2017/891. Daarbij geldt als minimaal 90%-dochteronderneming een onderneming waarvan ten minste 90% van de aandelen of het kapitaal in handen is van één of meer producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties en die bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelen van die organisaties. Ondernemingen waarvan de aandelen of het kapitaal in handen zijn van aangesloten producenten worden voor de toepassing van dit artikel niet als 90%-dochteronderneming beschouwd.

Afdeling 4. Eisen aan de statuten van producentenorganisaties(artikelen 23-25)

In de artikelen 23 tot en met 25 zijn voorschriften met betrekking tot de statuten opgenomen. Deze bepalingen geven nadere invulling aan artikel 153 van verordening 1308/2013. Ingevolge artikel 23 neemt een producentenorganisatie de doelstellingen op in de statuten. De volgende doelstellingen dienen expliciet in de statuten te zijn opgenomen:

  • te verzekeren dat de productie wordt gepland en op de vraag wordt aangepast, met name wat omvang en kwaliteit betreft;

  • het aanbod en de afzet van de producten van de leden te concentreren, ook via direct marketing;

  • de productiekosten en het rendement op investering om de normen met betrekking tot milieu en dierenwelzijn te halen, te optimaliseren en de producentenprijzen te stabiliseren.

De producentenorganisatie is verplicht om de in de statuten opgenomen doelstellingen daadwerkelijk in de praktijk ten uitvoer te brengen. Dit dient de producentenorganisatie door middel van schriftelijke bewijsstukken aan te tonen.

De statuten bevatten voorts bepalingen omtrent de stemverdeling. Artikel 153, tweede lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013 bepaalt dat de statuten van een producentenorganisatie voorzien in voorschriften op grond waarvan de aangesloten producenten op democratische wijze toezicht kunnen uitoefenen. Artikel 17, tweede lid, van verordening 2017/891 bepaalt dat de lidstaten een maximumpercentage stemrechten vaststellen waarover elke natuurlijke persoon of rechtspersoon mag beschikken in een algemene vergadering van een producentenorganisatie. Ter uitvoering hiervan zijn in artikel 24 van de regeling maximumpercentages stemrechten vastgesteld. Deze percentages gelden voor alle producentenorganisaties, ongeacht hun rechtsvorm. Er zijn dus geen rechtsvormen waarvoor deze percentages niet gelden omdat overeenkomstig artikel 17, eerste lid, van verordening 2017/891 wordt aangenomen dat zij per definitie voldoen aan de democratische verantwoordingsplicht. De percentages hebben betrekking op een voltallige algemene vergadering, dat wil zeggen dat wordt uitgegaan van het maximale aantal stemmen, ongeacht de opkomst. Het vierde lid van artikel 24 bepaalt het maximumpercentage aandelen dat een natuurlijke persoon of rechtspersoon mag hebben in een producentenorganisatie. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan artikel 17, tweede lid, van verordening 2017/891. In de praktijk zijn producentenorganisaties in Nederland veelal coöperaties en is er dus geen sprake van aandeelhouders. Het vijfde lid van artikel 24 stelt de maximale percentages stemrechten en aandelen vast bij unies van producentenorganisaties. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan artikel 18 van verordening 2017/891, dat artikel 17 van die verordening ook van toepassing verklaart voor unies van producentenorganisaties.

In de statuten dient eveneens ingevolge artikel 153, eerste lid, onderdeel b, van verordening 1308/2013 te worden opgenomen dat een producent zich per geproduceerd product slechts bij één producentenorganisatie kan aansluiten. Wel kan een lid overeenkomstig artikel 12 van verordening 2017/891 toestemming verleend worden een deel van de afzet anders te regelen. Ingevolge artikel 25 kan die toestemming alleen worden verleend indien de mogelijkheid daartoe in de statuten is opgenomen en moet de toestemming met het oog op de controleerbaarheid jaarlijks schriftelijk en per individueel geval worden verleend, voordat gebruik wordt gemaakt van de uitzondering. De toestemming moet beperkt blijven tot maximaal 25% van het totale volume of de totale waarde van de verhandelbare productie van het desbetreffende lid. Dit om te voorkomen dat een lid de mogelijkheid krijgt om een aanzienlijk deel van zijn productie buiten de producentenorganisatie om te verhandelen en daarmee afbreuk doet aan het vereiste van concentratie van aanbod en afzet.

Titel 2. Aanvraag, verlening en beëindiging erkenning (artikelen 26-29)

De procedure van aanvraag en verlening van een erkenning van een producentenorganisatie staat in de artikelen 26, 27 en 28. Deze artikelen zijn een nadere invulling van artikel 154 van verordening 1308/2013 en artikel 7 van verordening 2017/891.

Artikel 29 betreft het wijzigen en beëindigen van een erkenning. Het op verzoek wijzigen en beëindigen van een erkenning kan uitsluitend per 1 januari, in verband met de administratieve complexiteit die een tussentijdse wijziging of beëindiging met zich brengt voor de berekening van de waarde van de afgezette productie. Voorafgaand aan de wijziging van een erkenning dient onderzocht te worden of nog aan de erkenningsvoorwaarden wordt voldaan. Met het oog daarop dient een aanvraag tot wijziging van de erkenning uiterlijk op 1 september te worden ingediend. Daarmee wordt voor wijzigingen aangesloten bij de termijn van maximaal 4 maanden die artikel 154, vierde lid, onderdeel a, van verordening 1308/2013 stelt voor het nemen van een besluit over een nieuw erkenningsverzoek. Artikel 36 van verordening 2017/891 regelt de financiële gevolgen van onder meer vrijwillige beëindiging van de erkenning. Met het oog op de uitvoering van dat artikelen bepaalt artikel 29 van de regeling dat een verzoek tot beëindiging uiterlijk op 1 december moet worden gedaan.

Titel 3. Informatie- en rapportageverplichtingen (artikelen 30-31)

De artikelen 30 en 31 betreffen de informatie- en rapportageverplichtingen met betrekking tot de interne organisatie van de producentenorganisatie. Met deze verplichtingen wordt de controle op de naleving ondersteund en wordt mogelijk gemaakt dat de lidstaat voldoet aan haar informatieverplichting aan de Europese Commissie. Het tweede lid beperkt zich tot producentenorganisaties die geen steunaanvraag indienen. De desbetreffende informatie wordt door producentenorganisaties die wel een steunaanvraag indienen op grond van artikel 205 overlegd bij indiening van de steunaanvraag.

Hoofdstuk 2. Erkenning van unies van producentenorganisaties(artikelen 32-34)

In de artikelen 32, 33 en 34 staat de procedure voor de erkenning van een unie van producentenorganisaties ter invulling van artikel 156 van verordening 1308/2013 en artikel 19 van verordening 2017/891.

Hoofdstuk 3. Niet naleving van erkenningscriteria (artikel 35)

Artikel 35 betreft de opschorting van een erkenning. Ingevolge artikel 59 van verordening 2017/891 zendt de minister na constatering van niet-naleving van de erkenningscriteria aan de producenteorganisatie een aanmaningsbrief met daarin de geconstateerde tekortkoming, de vereiste corrigerende maatregelen en de termijnen waarbinnen die maatregelen moeten worden genomen. Als de maatregelen niet tijdig worden genomen, wordt de erkenning opgeschort. De termijn van de opschorting gaat onmiddellijk in na het verstrijken van de termijn voor het nemen van de corrigerende maatregelen. Gelet daarop bepaalt artikel 35 dat de erkenning van rechtswege wordt opgeschort na het verstrijken van de termijn voor het nemen van corrigerende maatregelen, tenzij de minister schriftelijk meedeelt dat de niet-naleving tijdig is gecorrigeerd.

Deel 3. Actiefonds

Hoofdstuk 1. Waarde afgezette productie (artikelen 36-43)

De artikelen 36 tot en met 43 geven voorschriften voor het vaststellen van de waarde van de afgezette productie per jaar. Hierbij wordt een referentieperiode vastgesteld en wordt aangegeven hoe met afzet van nieuwe en uitgetreden leden wordt omgegaan.

De waarde van de afgezette productie is van belang voor de erkenning en voor de maximaal te ontvangen steun van de Unie. Ter uitvoering van artikel 154, eerste lid, onderdeel b, van verordening 1308/2013 is in artikel 5 van de regeling de minimale waarde van de afgezette productie bepaald die nodig is om erkend te kunnen worden. Verder is ingevolge artikel 34, tweede lid, van verordening 1308/2013 de financiële steun van de Unie beperkt tot 4,1%, of in voorkomend geval 4,6%, van de waarde van afgezette productie van een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties. Voor de waarde van de afgezette productie wordt gekeken naar de afzet tijdens de referentieperiode van de producenten die zijn aangesloten op 1 januari van het jaar waarvoor de steun wordt gevraagd (artikel 23 van verordening 2017/891). Artikel 36 van de regeling bepaalt de referentieperiode. Artikel 22 van verordening 2017/891 betreft de berekening van de waarde van de afgezette productie.

De waarde van de afgezette productie wordt berekend op basis van de door de producentenorganisatie en haar aangesloten producenten geproduceerde groenten en fruit waarvoor de producentenorganisatie is erkend. In geval van een unie van producentenorganisaties betreft het de door de unie en haar aangesloten producentenorganisaties afgezette productie. In het stadium ‘af producentenorganisatie’ worden daarbij de BTW en de kosten van intern transport bij de producentenorganisatie over een afstand van meer dan 300 km niet meegerekend (artikel 22, zesde lid, van verordening 2017/891). De waarde van de afgezette productie kan ook worden berekend in het stadium ‘af dochteronderneming’, indien ten minste 90% van de aandelen of het kapitaal van de dochteronderneming in handen is van één of meer producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties. Voor ondernemingen waarvan de aandelen of het kapitaal in handen zijn van aangesloten producenten geldt dit niet. Artikel 37 van de regeling stelt aanvullende regels over de berekening van de waarde van de afgezette productie. Zo bepaalt artikel 37, vierde lid, ter uitvoering van artikel 22, zesde lid, van verordening 2017/891 dat in het stadium ‘af producentenorganisatie’ ook de kosten van verpakkingsmateriaal worden meegerekend, voor zover deze aan de afnemer zijn gefactureerd. Om te voldoen aan de eis dat de waarde van de afgezette productie wordt bepaald in het stadium ‘af producentenorganisatie’, is in het vijfde lid bepaald dat in de waarde van de afgezette productie de transportkosten naar de afnemer worden uitgesloten. Op grond van artikel 22, tiende lid, van verordening 2017/891 mogen door een verzekering uitgekeerde vergoedingen voor afname van de productie als gevolg van een natuurramp, weersomstandigheden, dier- of plantenziekten of plagen in het kader van oogstverzekeringsacties of gelijkwaardige acties worden meegeteld in de waarde van de afgezette productie. Het zesde lid van artikel 37 bepaalt dat dit alleen uitkeringen betreft die zijn gedaan aan de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties.

Het zevende lid regelt het meerekenen van debiteuren en ’het elimineren van terugbetalingen aan afnemers in de waarde van de afgezette productie. Van debiteuren die op het moment van definitieve opgave van de waarde van de afgezette productie nog openstaan, is onwaarschijnlijk dat deze nog geïnd kunnen worden. Daarom mogen deze niet worden meegeteld in de waarde van de afgezette productie. ’Terugbetalingen aan afnemers worden uit de waarde van de afgezette productie gehaald op het moment dat deze in de boekhouding van de producentenorganisatie worden verwerkt.

De artikelen 39 tot en met 41 regelen hoe wordt omgegaan met de afzet van nieuwe leden. De waarde van de afgezette productie van een nieuw lid kan door de nieuwe producentenorganisatie in aanmerking worden genomen indien de oude producentenorganisatie een overzicht verstrekt van de waarde van de door dat lid afgezette producten. Indien deze waarde door de oude producentenorganisatie niet is meegerekend in de waarde van de afgezette productie en dus geen onderwerp is geweest van de desbetreffende accountantscontrole, dient het lid aan de nieuwe producentenorganisatie zelf een overzicht te overleggen van de waarde van de afgezette productie, geverifieerd door een externe accountant. Artikel 40 bepaalt dat nieuwe leden die nog niet eerder bij een producentenorganisatie waren aangesloten of waren aangesloten bij een producentenorganisatie waarvan de erkenning nadien is ingetrokken die waarde zelf moeten melden, voorzien van een controleverklaring of COS 4400 onderzoek.

Hoofdstuk 2. Beheer van het actiefonds (artikelen 44-46)

In de artikelen 44 en 45 zijn voorschriften met betrekking tot het financieel beheer van het actiefonds opgenomen. De producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties legt de wijze van berekening van de financiële bijdragen van de leden vast in haar statuten. Bij het vaststellen van financiële bijdrage kan tussen leden onderscheid worden gemaakt, mits dit onderscheid is gebaseerd op objectieve criteria. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een onderscheid naar rato van de waarde of hoeveelheid van de door het lid afgezette productie of een onderscheid naar de productgroep waar de producent deel van uitmaakt. De producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties is verplicht het besluit van de producentenorganisatie tot vaststelling van de bijdragen aan het actiefonds goed te laten keuren door de algemene vergadering. Voor 8 december van het jaar voorafgaand aan het uitvoeringsjaar waarop de financiële bijdragen betrekking hebben overlegt de producentenorganisatie aan de minister bewijstukken waarmee wordt aangetoond dat het besluit over de wijze van vaststelling van de bijdragen aan het actiefonds door de algemene vergadering van de producentenorganisatie is goedgekeurd. Uitgangspunt is dat de bijdragen in het actiefonds worden gestort in het lopende jaar. Indien sprake is van een tekort van het actiefonds kunnen ingevolge artikel 44, vijfde lid, door middel van een suppletieheffing verkregen bijdragen echter tot en met 14 februari van het volgende jaar worden toegevoegd aan het actiefonds.

Artikel 46 regelt dat jaarlijks na afloop van het uitvoeringsjaar de producentenorganisatie haar leden in een algemene vergadering over de realisatie van het operationeel programma informeert. Bewijsstukken waaruit blijkt dat de producentenorganisatie de algemene vergadering heeft geïnformeerd over de besteding van het actiefonds dienen jaarlijks voor 1 juli van het jaar volgend op het uitvoeringsjaar te worden ingediend.

Deel 4. Operationele programma’s

Hoofdstuk 1. Eisen aan operationele programma’s (artikelen 47-53)

Strategische doelen en gekwantificeerde streefcijfers

Operationele programma’s van producentenorganisaties in de sector groenten en fruit hebben op grond van artikel 33, eerste lid, van verordening 1308/2013 twee of meer van de doelen genoemd in artikel 33, eerste lid, van verordening 1308/2013 of artikel 152, eerste lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013. Artikel 36, tweede lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013 schrijft vervolgens voor dat de lidstaat in haar nationale strategie vaststelt welke van deze doelen producentenorganisaties in de lidstaat met hun operationele programma’s kunnen nastreven. In artikel 27, derde lid, van verordening 2017/891 wordt voorts bepaald dat de lidstaat gekwantificeerde streefcijfers formuleert.

In artikel 47, eerste en tweede lid, zijn de strategische doelen opgenomen die producentenorganisaties met hun operationeel programma kunnen opnemen. Producentenorganisaties zijn daarbij op grond van het eerste lid verplicht om de strategische doelen verduurzaming en markgericht produceren op te nemen. Daarnaast kunnen producentenorganisaties er voor kiezen om, in aanvulling hierop, tevens het strategisch doel versterking afzetstructuur op te nemen.

Met het strategisch doel verduurzaming wordt beoogd een toename van het gebruik van duurzame energiebronnen, een hogere energie-efficiency, een brede toepassing van geïntegreerde gewasbescherming en een vermindering van de emissies van nutriënten naar grond- en oppervlaktewater te realiseren. Het strategisch doel verduurzaming is in de Nationale Strategie die geldt voor de periode 2017-2020 voorlopig één op één overgenomen uit de Nationale Strategie zoals deze gold voor 1 januari 2017. Dit omdat er nog geen nieuw nationaal milieukader is vastgesteld. Wanneer dit nationaal milieukader is vastgesteld zal de regeling hierop worden aangepast.

Dit strategisch doel sluit aan bij het doel milieumaatregelen bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel e, van verordening 1308/2013, en de specifieke doelstellingen bedoeld in artikel 152, eerste lid, onderdeel c, onder iii tot en met viii van diezelfde verordening. Op grond van artikel 33, vijfde lid, van verordening 1308/2013 bevat een operationeel programma verplicht twee of meer milieuacties of betreft ten minste 10% van de uitgaven in het kader van het operationeel programma milieuacties. Om deze reden wordt in artikel 47, eerste lid, het opnemen van het strategisch doel verduurzaming verplicht gesteld.

Met het strategisch doel marktgericht produceren wordt beoogd een grotere toegevoegde waarde per eenheid product te creëren door beter aan te sluiten bij klantvragen en consumentenwensen. Met een meer gedifferentieerde benadering van de markt voor groenten en fruit kan de sector in een positie worden gebracht waarin zij beter kan inspelen op de vraag van consumenten naar gezonde voeding, duurzame en regionale productie en gemak. Het gaat hierbij om de inzet op nieuwe verdienmodellen die beter aansluiten bij klantvragen en consumentenwensen en waarin de creatie van toegevoegde waarden centraal staat. Productdifferentiatie, kwaliteitsverbetering en voedselveiligheid tot en met het winkelschap zijn eveneens belangrijke onderdelen van marktgericht produceren.

Dit strategisch doel sluit aan bij de doelen bedoeld in artikel 33, onderdelen a tot en met d, van verordening 1308/2013 en de doelstellingen bedoeld in artikel 152, eerste lid, onderdeel c, onder i, vi, iv en ix, van verordening 1308/2013.

Met het strategisch doel versterking afzetstructuur wordt beoogd een krachtiger positie van primaire producenten in zowel de keten als in de markt en een sterkere regie van producentenorganisaties op de afzet te realiseren. Dit doel kan worden gerealiseerd door een verdergaande samenwerking van primaire producenten in de bundeling van het aanbod bij producentenorganisaties en een efficiëntere logistieke organisatie van de afzet. Het gaat hierbij om verdergaande samenwerking van primaire producenten via hun producentenorganisaties in een internationale keten en markt. Daarbij moet worden op gemerkt dat in het kader van de GMO groenten en fruit ketenverkorting slechts mogelijk is, indien en voor zover daarbij de regie op de afzet door de producentenorganisatie of in voorkomend geval de unie van producentenorganisaties niet in het geding komt. Samenwerking tussen producenten is niet alleen relevant voor het verkrijgen van een sterkere positie in de onderhandelingen met de groothandel en de retail, maar ook om collectief kennis op te bouwen en te delen, gezamenlijk te investeren in een duurzaam productieproces en product- en marktontwikkeling en een beter risicobeheer. Daarbij moet zeker ook worden gedacht aan de inzet van hoog gekwalificeerd personeel op het gebied van management, verkoop (inclusief productontwikkeling en marketing) en logistiek. Internationale samenwerking met producentenorganisaties in het buitenland of het opzetten van productielocaties in het buitenland bieden extra mogelijkheden om zowel Nederlandse als buitenlandse supermarktketens jaarrond van de gewenste producten te voorzien. Ten algemene geldt voor iedere vorm van samenwerking tussen producentenorganisaties de voorwaarde dat dit moet plaatsvinden met in acht name van de geldende Europese en nationale voorschriften op het terrein van mededinging.

Dit strategisch doel sluit aan bij de doelen bedoeld in artikel 33, onderdelen a, d en f, van verordening 1308/2013 en de doelstellingen bedoeld in artikel 152, eerste lid, onderdeel c, onder i en ii, van verordening 1308/2013.

In het derde lid van artikel 47 worden de gekwantificeerde streefcijfers geformuleerd voor de in het eerste en tweede lid genoemde strategische doelen. Voor de strategische doelstelling versterking afzetstructuur is in artikel 47, derde lid, onderdeel c, onder ii, als gekwantificeerd streefcijfer geformuleerd dat de organisatiegraad per subsector moet toenemen. Onder subsector wordt in dit kader verstaan de subsectoren glasgroenten, vollegrondsgroenten en fruit.

Eisen aan operationele programma’s

Op grond van artikel 4 van verordening 2017/892 bevat een operationeel programma de volgende gegevens:

  • een beschrijving van de uitgangssituatie;

  • de doelen van het programma;

  • een toelichting over de wijze waarop het programma bijdraagt aan de realisatie van de nationale strategie;

  • de bevestiging dat het programma consistent is met de nationale strategie;

  • meetbare streefdoelen om toezicht op de voortgang van de uitvoering van het programma mogelijk te maken;

  • voor elk jaar van uitvoering van het programma een gedetailleerde beschrijving van:

    • i. de voor het verwezenlijken van de doelen te nemen maatregelen, en

    • ii. van de daarvoor aan te wenden middelen;

  • in de gedetailleerde beschrijving wordt tevens aangegeven:

    • i. in welke mate de verschillende voorgestelde maatregelen een aanvulling vormen op en consistent zijn met andere maatregelen, en

    • ii. welke maatregelen in het kader van eerdere operationele programma's zijn uitgevoerd;

  • de looptijd van het programma;

  • de financiële aspecten van het operationele programma, te weten:

    • i. de wijze van financiering van het actiefonds;

    • ii. de wijze van berekening en het niveau van de financiële bijdragen van de leden aan het actiefonds;

    • iii. de nodige gegevens om een differentiatie van de geheven bijdrage te rechtvaardigen; iv. voor elk jaar van uitvoering van het programma:

      • de begroting, en

      • het tijdschema voor de uitvoering van de acties.

In artikel 48 is bepaald dat in aanvulling op eisen aan operationele programma’s die in de verordening worden gesteld, een producentenorganisatie haar visie voor de toekomst van de producentenorganisatie dient te overleggen. Deze visie vormt, tezamen met de beschrijving van de uitgangssituatie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van verordening 2017/892, het uitgangspunt voor ieder operationeel programma. De visie van de producentenorganisatie bevat een beschrijving van het toekomstbeeld dat de producentenorganisatie heeft voor de producentenorganisatie en aan het eind van de looptijd van het operationele programma wil hebben gerealiseerd. In deze visie beschrijft de producentenorganisatie voor de gehele organisatie op een SMART geformuleerde wijze de uitgangssituatie en de doelen voor de organisatie als geheel met een duidelijk SMART geformuleerd resultaat over de situatie aan het einde van de looptijd van het operationeel programma. Ook beschrijft de producentenorganisatie in haar visie de wijze waarop dit toekomstbeeld past binnen de strategische doelen bedoeld in artikel 47.

Artikel 49 bepaalt dat de beschrijving van de uitgangssituatie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van verordening 2017/892, een SWOT analyse dient te bevatten. Deze SWOT analyse bevat in ieder geval een beschrijving en onderbouwing van de sterke en zwakke punten van de producentenorganisatie. De SWOT analyse bevat tevens een beschrijving en aantoonbare onderbouwing van de kansen en bedreigingen voor de producentenorganisatie bij het realiseren van de visie (artikel 48) en de strategische doelen (artikel 47) van de producentenorganisatie.

In artikel 50 is vastgelegd dat op basis van de visie van de producentenorganisatie en de beschrijving van de uitgangssituatie de producentenorganisatie bepaalt op welke wijze zij de GMO groenten en fruit wil inzetten. Daartoe komt de producentenorganisatie tot een beschrijving van de doelen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van verordening 2017/892, die het met het operationeel programma nastreeft. Producentenorganisaties moeten in deze beschrijving, aan de hand van de SWOT analyse, de keuze om strategische doelen wel of niet na te streven onderbouwen.

Het is wenselijk dat de informatie over de voorgestelde maatregelen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van verordening 2017/892 voor ieder strategisch doel bepaalde onderdelen bevat. Hierop ziet artikel 51.

Zo wordt in deze informatie, wederom aan de hand van de hiervoor genoemde SWOT analyse, aangegeven welke meetbare streefdoelen de producentenorganisatie in het kader van het strategisch doel beoogt te realiseren. De producentenorganisatie moet aan de hand van de SWOT analyse, tevens gemotiveerd aangeven waarom welke streefdoelen door de producentenorganisatie wel of niet zijn gekozen.

Daarnaast moeten producentenorganisaties per meetbaar streefdoel concreet aangeven welke percentages of cijfers de producentenorganisatie zichzelf voor de gekozen streefdoelen oplegt. Deze meetbare streefdoelen moeten geheel of gedeeltelijk aansluiten bij de gekwantificeerde streefcijfers en moeten bijdragen aan de realisatie daarvan. Ten behoeve van de onderlinge vergelijkbaarheid van meetbare streefdoelen van producentenorganisaties en de evaluatie van de uitvoering van de nationale strategie via de operationele programma’s dient daarbij voor zover mogelijk gebruik te worden gemaakt van de gemeenschappelijke uitgangsindicatoren, bedoeld in bijlage II van verordening 2017/892.

Per meetbaar streefdoel moet de producentenorganisatie voorts aangeven met welke projecten de realisatie van het streefdoel wordt nagestreefd. Per project bevat de informatie vervolgens een omschrijving van het project, een omschrijving van de wijze waarop het project naar verwachting zal bijdragen aan de realisatie van het meetbare streefdoel en de subsidiabele activiteiten die in het kader van het project worden ingezet om het meetbaar streefdoel te realiseren. De producentenorganisatie kan daarbij kiezen uit de activiteiten die voor het betreffende strategisch doel in deel 4, hoofdstuk 4, van deze regeling subsidiabel zijn gesteld.

Per activiteit bevat de informatie vervolgens een omschrijving van de activiteit, een omschrijving van de wijze waarop de activiteit naar verwachting zal bijdragen aan de realisatie van het meetbare streefdoel en per uitvoeringsjaar van het operationeel programma een planning van de werkzaamheden voor de activiteiten en een begroting. Ook bevat de informatie een onderbouwing van de subsidiariteit van de activiteiten en uitgavenposten. Dit houdt in dat de producentenorganisatie moet onderbouwen dat de wijze waarop de activiteit wordt uitgevoerd niet verder gaat dan noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken. Een investering mag dus bijvoorbeeld niet luxer zijn dan nodig is om het doel te bereiken (goldplating). De begroting moet voorts worden onderbouwd aan de hand van minimaal één kostenbegroting (bijvoorbeeld een offerte) per uitgavenpost. Voor het eerste jaar van het operationeel programma geldt dat deze kosten aan de hand van drie kostenbegrotingen moeten worden onderbouwd. Voor de vervolgjaren van het programma moeten deze kosten jaarlijks via een verzoek tot wijziging voor de volgende jaren, zoals bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening 2017/891, worden onderbouwd door middel van minimaal drie kostenbegrotingen per uitgavenpost. Indien een begroting voor een activiteit op grond van het voorgaande wordt onderbouwd aan de hand van meerdere kostenbegrotingen, moet de keuze voor de kostenbegroting waarmee in de begroting is gerekend, voldoende worden gemotiveerd.

De producentenorganisatie moet ook per project het vernieuwende karakter van het project onderbouwen. Deze voorwaarde wordt gesteld omdat met de Nationale Strategie voor de periode 2017 tot en met 2020 wordt beoogd de concurrentiekracht voor de voedingstuinbouw te verbeteren. Gezien het relatief hoge kostenniveau van arbeid en materiële activa in Nederland in vergelijking met het buitenland moet de focus daarbij niet liggen op concurrentie op kostprijs. Het sterke punt van de Nederlandse voedingstuinbouw is haar hoge kennisniveau en innovatievermogen. Om concurrerend te blijven zal de Nederlandse tuinbouw steeds verder moeten vernieuwen. Om deze reden is er bij de invulling van de strategische doelen marktgericht produceren en versterking afzetstructuur dan ook voor gekozen om de nadruk te leggen op vernieuwing. Een project heeft een vernieuwend karakter wanneer de producentenorganisatie kan aantonen dat zij gedurende de looptijd van het voorafgaande operationele programma geen planmatige of bewuste activiteiten heeft ondernomen op het gebied van de betreffende activiteiten. De bewijslast hieromtrent ligt bij de producentenorganisatie.

Voor het strategisch doel marktgericht produceren moet onderscheid worden gemaakt tussen projecten ten behoeve van het ontwikkelen van nieuwe producten of concepten en projecten ten behoeve van het ontwikkelen van nieuwe markten. Voor projecten ten behoeve van het ontwikkelen van nieuwe producten of concepten geldt dat de producentenorganisatie in de periode die gelijk loopt aan de looptijd van het voorgaande operationele programma nog niets planmatig en bewust heeft gedaan (dit ongeacht of de daarmee gepaard gaande uitgaven in een operationeel programma waren opgenomen) en nog geen projecten ten behoeve van dit product of concept heeft uitgevoerd. Het product of het concept moet nieuw zijn. Als definitie voor nieuw geldt in dit geval dat het product of concept nog geen artikelcode heeft of dat gedurende de hiervoor beschreven periode geen omzet is gegenereerd uit dit product of concept.

Bij projecten ten behoeve van het ontwikkelen van nieuwe markten bestaat een onderscheid voor nieuwe geografische markten en nieuwe doelgroepen op bestaande markten (product/markt combinaties). Een nieuwe distributieketen wordt ook gezien als een nieuwe markt. Voor allen geldt dat het niet noodzakelijk is dat wordt aangetoond dat de producentenorganisatie gedurende de looptijd van het voorgaande operationele programma (ongeacht of de daarmee gepaard gaande uitgaven in het operationeel programma waren opgenomen) geen omzet heeft gerealiseerd op die markt of die product/marktcombinatie. Wel geldt de eis dat de markt gedurende de hiervoor genoemde periode (nog) niet actief en gericht bewerkt is door de producentenorganisatie. Handvat hierbij, maar niet het enige criterium, is dat de producentenorganisatie op de betreffende markt tot op dat moment een omzet van minder dan 5% heeft gerealiseerd. Onder het actief bewerken van een markt wordt verstaan het planmatig organiseren van inspanningen gericht op de betreffende markt. Het project moet dus nieuw zijn, in de zin dat het een ander, onderscheidend, project moet zijn ten opzichte van projecten die in het verleden al zijn uitgevoerd voor die markt.

Bij het strategisch doel versterking afzetstructuur wordt een uitzondering gemaakt voor de opengestelde crisismaatregelen. De eis omtrent vernieuwing wordt hier niet gesteld. Voor het strategisch doel verduurzaming wordt, eveneens in het vierde lid, de eis dat een actie vernieuwend moet zijn ten algemene niet gesteld. Veel van de projecten die producenten met behulp van de in deze regeling subsidiabel gestelde activiteiten kunnen uitvoeren worden reeds door producentenorganisaties uitgevoerd. Met het breder uitrollen van deze projecten kunnen echter belangrijke milieuvoordelen behaald worden. Het stellen van de eis dat deze projecten vernieuwend moeten zijn kan tot gevolg hebben dat projecten die bijdragen aan verduurzaming niet worden uitgevoerd. Wanneer de eis dat investeringen vernieuwend moeten zijn wordt gesteld voor projecten die moeten bijdragen aan verduurzaming bestaat bovendien het risico dat niet wordt voldaan aan de voorwaarde, die in artikel 33, vijfde lid, van verordening 1308/2013 is gesteld, dat iedere producentenorganisatie 10% van het actiefonds moet besteden aan milieuacties of minimaal twee milieuacties moeten worden geïmplementeerd.

Artikel 27, vijfde lid, van verordening 2017/891 bepaalt dat lidstaten met het oog op een passend evenwicht tussen de verschillende maatregelen maximumpercentages vaststellen voor financiering uit het fonds per soort maatregel, actie of uitgaven. Ter uitvoering van deze bepalingen bepaalt artikel 52 dat de totale uitgaven per project als bedoeld in artikel 51, eerste lid, onderdeel d, maximaal 50% van het totale operationele programma bedragen.

Artikel 25, tweede lid, van verordening 2017/891 bepaalt dat alle producenten de gelegenheid hebben om gebruik te maken van het actiefonds en op democratische wijze deel te nemen aan de besluitvorming over het gebruik van het actiefonds van de producentenorganisatie. Ter uitvoering van dit voorschrift en om het collectieve karakter van het operationele programma te borgen is in artikel 53 bepaald dat een operationeel programma of een verzoek tot wijziging van een operationeel programma door de algemene vergadering van de producentenorganisatie moet worden goedgekeurd.

Tevens geldt dat de producentenorganisatie voor 8 december van het jaar waarin een operationeel programma of een wijziging daarvan voor goedkeuring is ingediend aan de minister bewijstukken overlegt waarmee wordt aangetoond dat het besluit tot goedkeuring van het operationeel programma of een wijziging van een operationeel programma door de algemene vergadering van de producentenorganisatie is goedgekeurd.

Hoofdstuk 2. Indienen en wijzigingen van operationele programma’s (artikelen 54 tot en met 59)

In hoofdstuk 2 zijn de bepalingen over indiening en wijziging van operationele programma’s opgenomen.

Op grond van artikel 6 van verordening 2017/892 worden nieuwe operationele programma’s ingediend op uiterlijk 15 september. De lidstaat mag evenwel een latere uiterste datum dan 15 september vaststellen. Gelet op de datum van publicatie van deze regeling is besloten dat voor operationele programma’s die aanvangen per 1 januari 2018 uiterlijk 1 oktober 2017 kunnen worden ingediend.

Artikel 55 betreft wijzigingen in operationele programma’s voor volgende jaren. Indien bij een dergelijke wijziging streefdoelen, projecten of activiteiten worden toegevoegd, zijn de voorschriften die artikel 51 daarover stelt voor nieuwe operationele programma’s, ingevolge het vierde lid van artikel 55, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

In artikel 56, eerste lid, is bepaald welke wijzigingen er tussentijds (gedurende het uitvoeringsjaar) mogen worden gedaan in een operationeel programma op grond van artikel 34, tweede lid, van verordening 2017/891. Verzoeken tot tussentijdse wijziging kunnen alleen toekomstige wijzigingen betreffen. In artikel 56, tweede lid staan de eisen die worden gesteld aan de onderbouwing van een wijziging. De producentenorganisatie moet onder meer gemotiveerd aangeven wat de gevolgen van de wijziging zijn voor de uitvoering van het operationeel programma, om te voorkomen dat de wijziging afbreuk doet aan de strategische doelen van het operationeel programma. In het derde lid wordt ten aanzien van wijzigingen met als doel een uitgavenpost of activiteit toe te voegen aan een operationeel programma bepaald dat de producentenorganisatie gemotiveerd moet aantonen waarom de wijziging niet voorzienbaar was en waarom de activiteit subsidiabel is. In geval van het toevoegen van een activiteit moet bovendien gemotiveerd worden aangegeven welk strategisch doel met de activiteit wordt ondersteund. Indien een uitgavenpost of activiteit wordt toegevoegd, zijn ingevolge het vierde lid de bepalingen van artikel 51 over de onderbouwing met kostenbegrotingen van overeenkomstige toepassing. Nadat een wijziging in het programma is verwerkt geldt ingevolge artikel 51, zesde lid, dat de uitgavenposten na het eerste jaar jaarlijks moeten worden onderbouwd.

In artikel 57, eerste lid, is ter uitvoering van artikel 34, tweede lid, van verordening 2017/891 bepaald dat voor het wijzigen van de begroting voor een activiteit die reeds is opgenomen in het operationele programma met minder dan 20% en het laten vervallen van een activiteit volstaan kan worden met een melding. Deze melding moet plaatsvinden op het zelfde moment als het moment waarop verzoeken om tussentijdse wijzigingen kunnen worden gedaan. Dit is alleen anders voor wijzigingen die ontstaan na 31 oktober. Die wijzigingen kunnen op grond van het tweede lid tegelijk met de steunaanvraag worden gemeld. De wijzigingen die op grond van dit artikel worden gemeld moeten op grond van het derde lid onderbouwd worden met kostenbegrotingen.

Artikel 36 van verordening 2017/891 regelt onder meer de financiële gevolgen van voortijdige stopzetting van de uitvoering van een operationeel programma. Zo worden na voortijdige stopzetting bijvoorbeeld geen verdere betalingen gedaan voor acties die na de datum van stopzetting worden uitgevoerd. Ten behoeve van de uitvoering van dat artikel, bepaalt artikel 58 van de regeling dat voortijdige stopzetting onverwijld wordt gemeld aan de minister.

Artikel 15 van verordening 2017/891 biedt producentenorganisaties de mogelijkheid om na een fusie de operationele programma’s parallel en afzonderlijk uit te voeren tot 1 januari van het jaar na de fusie, of de operationele programma’s samen te voegen. Voor het samenvoegen van de programma’s is een wijzigingsverzoek nodig. Uitgangspunt is dat de operationele programma’s vanaf 1 januari van het jaar na de fusie in elk geval worden samengevoegd. Dat betekent dat uiterlijk op 15 september van het jaar van de fusie een wijzigingsverzoek ingediend moet worden. Op basis van een voldoende onderbouwd verzoek kan worden toegestaan de operationele programma’s parallel te blijven uitvoeren tot het einde van de normale looptijd. Op grond van artikel 59 moet een verzoek daartoe eveneens worden ingediend voor 15 juli van het jaar van de fusie. Daarmee is nog tijdig een wijziging mogelijk om de programma’s samen te voegen, mocht het verzoek tot parallelle uitvoering worden afgewezen. Hiermee wordt gezorgd dat met ingang van het jaar na de fusie duidelijk is of lopende programma’s worden samengevoegd of afzonderlijk uitgevoerd blijven worden.

Hoofdstuk 3. Algemene voorschriften voor subsidiabele uitgaven (artikelen 60-95)

In artikel 60, vierde lid, is bepaald dat activiteiten waarvoor subsidie is verleend in het kader van verordening (EU) nr. 1144/2014 (de Europese horizontale promotieverordening) niet ook in aanmerking komen voor steun in het kader van de GMO. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan artikel 30, zesde lid, van verordening 2017/891.

Op grond van artikel 26, tweede lid, van verordening 2017/892 verrichten de lidstaten administratieve controles van steunaanvragen. Ter uitvoering hiervan is in artikel 61 bepaald dat uit facturen moet blijken welke werkzaamheden zijn uitgevoerd of diensten zijn aangekocht en waar dit is geschied, zodat de subsidiabiliteit van de uitgavenpost kan worden beoordeeld. Met het oog op de naleving van de voorschriften inzake subsidiabiliteit is voorts voorgeschreven dat de factuur door de projectleider moet zijn geaccordeerd.

In diverse artikelen van de regeling geldt de factuurdatum van de laatste factuur voor een investering als aangrijpingspunt. Artikel 62 bepaalt dat het daarbij gaat om de facturen zoals vooraf afgesproken, dus niet om facturen voor eventueel onvoorzien meerwerk.

In artikel 68, derde lid, is voorgeschreven dat het jaarsalaris moet worden gedeeld door het aantal uur dat de overeengekomen werkweek bedraagt, vermenigvuldigd met 43 werkweken. In het geval van een werkweek van 40 uur is dit 1.720 uur. In geval van een niet volledig gewerkt jaar, moet het jaarsalaris naar rato van het gewerkt gedeelte van het jaar worden vastgesteld. Daartoe bepaalt artikel 68, derde lid, onderdeel b, dat het jaarsalaris wordt gedeeld door het aantal uur dat de overeengekomen werkweek bedraagt, vermenigvuldigd met het aantal werkweken in het desbetreffende jaar, vermenigvuldigd met 0,827. Dit laatste getal representeert het in het derde lid, onderdeel a, gehanteerde uitgangspunt van 43 werkweken per jaar (43 gedeeld door 52).

Ingevolge artikel 31, vierde lid, van verordening 2017/891 is een actie slechts subsidiabel indien de producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend, meer dan 50% van de waarde uitmaken van de producten die onder die actie vallen. Artikel 72 bepaalt hoe dit moet worden aangetoond. De producentenorganisatie toont het gebruik van het duurzame productiemiddel aan met behulp van gebruiksadministraties per investering, tenzij de producentenorganisatie het gebruik op andere wijze aantoont ten genoegen van de Minister. Anders dan voorheen de praktijk was, is niet voldoende dat duurzame productiemiddelen alleen tijdens een piekperiode voor meer dan 50% wordt gebruikt voor producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend.

Artikel 76 betreft de subsidiabiliteit van investeringen in duurzame productiemiddelen. Artikel 31, vijfde lid, van verordening 2017/891 stelt regels over het gebruik, eigendom en bezit van duurzame productiemiddelen. In aanvulling daarop bepaalt artikel 76 dat duurzame productiemiddelen eigendom moeten zijn van de producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of een dochteronderneming die voor minimaal 90% eigendom is van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties. Voor bomen en meerjarige planten geldt dit niet, maar moet ingevolge artikel 77 wel de opbrengst worden geleverd aan de producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of een dochteronderneming die voor minimaal 90% eigendom is van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties. Ingevolge artikel 76 zijn duurzame productiemiddelen die mede worden gefinancierd door rechtspersonen die een dochteronderneming zijn van meerdere erkende producentenorganisaties subsidiabel naar rato van de aandelenverhoudingen tussen de betreffende producentenorganisaties. Indien duurzame productiemiddelen worden gekocht en daarbij een recht van opstal wordt gevestigd, zijn slecht de kosten van de duurzame productiemiddelen subsidiabel. Retributies voor het recht van opstal zijn ingevolge artikel 76, derde lid, niet subsidiabel.

In artikel 77 zijn voorschriften omtrent het eigendom van duurzame productiemiddelen opgenomen. In artikel 31, vijfde lid, van verordening 2017/891 wordt onder meer bepaald dat in het kader van de operationele programma’s verworven duurzame productiemiddelen in eigendom en bezit van de begunstigde blijven tot het eind van de fiscale afschrijvingsperiode, of als dat korter is, gedurende 10 jaar. De lidstaten mogen een andere periode bepalen dan de fiscale afschrijvingsperiode, mits die andere periode ten minste 5 jaar na de datum van de laatste steunbetaling voor het desbetreffende productiemiddel bestrijkt. In artikel 77 van de regeling zijn de termijnen bepaald voor roerende (artikel 77, eerste lid) en onroerende (artikel 77, tweede lid) duurzame productiemiddelen. De begrippen roerend en onroerend zijn gedefinieerd in artikel 3 van boek 3 van het Burgerlijke Wetboek. Met deze termijnen wordt aangesloten bij de bedrijfseconomische praktijk in de tuinbouwsector waarin, vanwege snelle technologische ontwikkelingen, vaak een kortere afschrijvingsperiode wordt gehanteerd dan de gebruikelijke fiscale termijn.

Een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties is op grond van artikel 31, vijfde lid, van verordening 2017/891 zoals dit ten uitvoer gelegd is in artikel 76 en 77, tweede lid, verplicht te verzekeren dat duurzame roerende productiemiddelen in eigendom en bezit blijven tot ten minste vijf jaar na ontvangst van de laatste steunbetaling voor de desbetreffende investering. Duurzame onroerende productiemiddelen moeten tot 10 jaar na de factuurdatum voor de laatste factuur en tot 5 jaar na de laatste steunbetaling voor dat productiemiddel in eigendom en bezit blijven van de producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of dochteronderneming die voor minimaal 90% eigendom is van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties. Voor onroerende duurzame productiemiddelen moeten dus deze beide termijnen zijn verstreken.

Onroerende duurzame productiemiddelen zijn volgens artikel 4 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek in beginsel eigendom van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die eigenaar is van de grond waarmee het productiemiddel onlosmakelijk is verbonden (natrekking). Op grond van artikel 101 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is het evenwel mogelijk om op een dergelijk onroerend productiemiddel een recht van opstal te vestigen waarmee kan worden voorzien in het eigendom van onroerende duurzame productiemiddelen door een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon dan de eigenaar van de grond. Een recht van opstal wordt door middel van een notariële akte ingeschreven in het kadaster.

In het derde lid van artikel 77 is voorzien in een uitzondering op de instandhoudingstermijn voor onroerende duurzame productiemiddelen, indien de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties kan aantonen dat de fiscale afschrijvingsperiode korter is dan 10 jaar. In dat geval blijven de onroerende duurzame productiemiddelen tot het einde van de fiscale afschrijvingsperiode in eigendom en bezit van de producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of dochteronderneming die voor minimaal 90% eigendom is van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties.

In het vierde lid van artikel 77 is voorts een tweede uitzondering opgenomen op de instandhoudingstermijn voor onroerende duurzame productiemiddelen, namelijk voor bomen en meerjarig plantmateriaal. De instandhoudingstermijn hiervoor wijkt af, omdat de economische levensduur van bomen en meerjarige planten doorgaans korter is dan die van andere duurzame productiemiddelen. De instandhoudingstermijn voor bomen en meerjarig plantmateriaal bedraagt vijf jaar na de laatste steunbetaling voor het desbetreffende productiemiddel of de fiscale afschrijvingsperiode.

Artikel 31, vijfde lid, onderdeel c van verordening 2017/891 ziet op de situatie dat de producentenorganisatie eigenaar is en een lid van de producentenorganisatie houder is van een duurzaam productiemiddel. Omdat in geval van houderschap door een lid geen sprake kan zijn van bezit van hetzelfde duurzame productiemiddel door de producentenorganisatie, bepaalt artikel 78, vijfde lid, dat in die situatie de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties slechts eigenaar hoeft te zijn gedurende de instandhoudingstermijn.

Indien een producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of dochteronderneming die voor minimaal 90% eigendom is van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties duurzame productiemiddelen verkoopt zonder deze te vervangen, wordt de Uniesteun die is betaald om de investering in duurzame productiemiddelen te financieren teruggevorderd ingevolge artikel 31, zesde lid, van verordening 2017/891. Artikel 78 geeft hieraan uitvoering door te bepalen dat deze steun door de minister teruggevorderd wordt naar evenredigheid van het aantal volledige jaren dat resteert tot het einde van de op grond van artikel 77 geldende instandhoudingstermijn. Het teruggevorderde bedrag wordt teruggestort in de ELGF.

Investeringen of acties die bijdragen aan de doelstellingen van het operationele programma, mogen worden uitgevoerd in individuele ondernemingen of bedrijfsruimten van bij een producentenorganisatie of een unie van producentenorganisaties aangesloten producenten, ook wanneer de acties worden uitbesteed aan leden van een producentenorganisatie. Artikel 31, zevende lid, van verordening 2017/891, bepaalt dat indien een duurzaam productiemiddel is geplaatst bij een lid van de producentenorganisatie en dat lid uittreedt, het productiemiddel of de restwaarde ervan worden teruggevorderd door de producentenorganisatie. Ter uitvoering hiervan bepaalt artikel 80 dat duurzame productiemiddelen in geval van een producentenorganisatie moeten worden herplaatst bij de producentenorganisatie of een 90%-dochteronderneming of een lid van de producentenorganisatie. In geval van een unie van producentenorganisaties moeten de duurzame productiemiddelen worden herplaatst op een locatie van de unie van producentenorganisaties, een aangesloten producentenorganisatie, een 90%-dochteronderneming van een van beiden of een lid van een aangesloten producentenorganisatie. In geval van terugvordering wordt de restwaarde door de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties teruggevorderd en toegevoegd aan het actiefonds. De restwaarde wordt bepaald naar rato van het aantal resterende volledige maanden van de instandhoudingstermijn. Door terugvordering van de restwaarde kan dit bedrag alsnog worden besteed ten gunste van de doelen van het operationeel programma. Indien een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties geen operationeel programma uitvoert op het moment dat de restwaarde wordt toegevoegd aan het actiefonds, kan het teruggevorderde bedrag niet worden besteed. Indien dit ook in de volgende twee jaren het geval is, wordt het gedeelte van de restwaarde dat is gefinancierd met uniesteun, gerecupereerd zodat dit bedrag kan worden teruggestort in het ELGF en daarmee alsnog te goede kan komen aan de GMO-doelen.

Artikel 31, zesde lid, van verordening 2017/891 bepaalt dat investeringen in duurzame productiemiddelen via het actiefonds gefinancierd mogen worden in één bedrag of in identieke tranches. In het operationeel programma wordt aangegeven welke wijze van financiering wordt gekozen en, in geval van identieke tranches, wat de verdeling van de tranches is. Artikel 81 bepaalt dat indien een investering in identieke tranches via het actiefonds wordt gefinancierd, de steunaanvraag voor de eerste tranche pas kan worden gedaan nadat de laatste factuur is ontvangen. Ingevolge artikel 62 worden facturen voor onvoorzien meerwerk niet meegerekend bij het bepalen van de factuurdatum van de laatste factuur. In geval de investering in één bedrag via het actiefonds wordt gefinancierd, kan de steunaanvraag vanzelfsprekend niet eerder worden gedaan dan na ontvangst van de laatste factuur valt.

Artikel 87 regelt de subsidiabiliteit van huur van duurzame productiemiddelen als alternatief voor koop. Omdat het gaat om huur in plaats van koop, is dit alleen subsidiabel indien koop subsidiabel zou zijn. Ingevolge punt 10 van bijlage III van verordening 2017/891 is huur als alternatief voor koop bovendien alleen subsidiabel indien dit economisch verantwoord is en met goedkeuring van de lidstaat. In artikel 87, derde en vierde lid is bepaald dat de producentenorganisatie jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister voor de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, een huurcontract overlegt en een overzicht van de hoeveelheden product waarvan de productstroom gebundeld is met behulp van huur. Op grond van deze gegevens wordt getoetst of de huur economisch verantwoord is.

Op grond van artikel 3, vijfde lid, van verordening 2017/892 kunnen investeringen in de vorm van energieopwekkingssystemen worden gesubsidieerd indien de hoeveelheid opgewekte energie niet hoger is dan de hoeveelheid die vooraf op jaarbasis kan worden gebruikt voor acties op het gebied van groenten en fruit door de producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties, dochteronderneming of de leden van de producentenorganisatie die van de investering profiteren. Wanneer achteraf toch minder energie blijkt te zijn gebruikt dan is opgewekt en er daardoor inkomsten zijn gegenereerd uit teruglevering aan het net, moeten deze inkomsten, op grond van artikel 89, eerste lid, afgetrokken worden van de subsidie. Indien de subsidie reeds is vastgesteld wordt de subsidie ten nadele van de producentenorganisatie gewijzigd.

Artikel 90 bepaalt dat indien investeringen in een energiebesparende installatie worden uitgevoerd door middel van een participatie in een samenwerkingsverband van agrarische bedrijven met energieclustering, dat deel van de investering dat betrekking heeft op een producentenorganisatie of lid van een producentenorganisatie subsidiabel is. Elementen die betrekking hebben op andere bedrijven zijn dat niet. Indien de opbrengsten uit de investering voor een producentenorganisatie en diens leden tezamen of een unie van producentenorganisaties en diens leden tezamen groter zijn dan de kosten van de door hen afgenomen energie, moet de netto-opbrengst worden verrekend met de subsidie voor de desbetreffende investering.

In artikel 93 zijn voorschriften opgenomen omtrent uitgaven voor kilometers gereden met de eigen auto door leden en medewerkers van de producentenorganisatie. Op grond van artikel 9, van verordening 2017/892 moet de producentenorganisatie bonnetjes of bewijsstukken met een vergelijkbare bewijskracht kunnen overleggen ter onderbouwing van deze uitgaven. De reiskostencomponent van het uurloon van medewerkers in dienst van de producentenorganisatie of diens dochterondernemingen zijn in dit kader niet subsidiabel, dit volgt uit de limitatieve opsomming in artikel 68, tweede lid, van de elementen die in het subsidiabele uurtarief kunnen worden opgenomen. In het eerste lid, onderdeel e, is de kilometervergoeding vastgesteld op € 0,19 per kilometer. Voor reizen in andere lidstaten geldt in het geval van kilometervergoeding hetzelfde tarief als in het binnenland. Voor verblijfkosten voor dienstreizen en excursies in binnenland en EU-lidstaten door medewerkers en aangesloten leden kunnen producentenorganisatie een vergoeding verstrekken voor de daadwerkelijk gemaakte kosten, binnen de maxima van artikel 5 van de Reisregeling Binnenland respectievelijk artikel 3 van de Reisregeling Buitenland.

Artikel 94, eerste lid, bepaalt dat overige kosten op het gebied van ICT subsidiabel zijn voor zover deze ICT voorzieningen ondersteunend zijn voor subsidiabele activiteiten en op grond van offertes kunnen worden toegerekend aan deze activiteiten. Uitgaven voor licenties en voor abonnementen voor software applicaties zijn subsidiabel voor zover ze bij aanschaf van de ICT voorziening worden gedaan, maar daarna niet meer. Daarom bepaalt het tweede lid dat deze uitgaven eenmalig subsidiabel zijn indien ze zijn gedaan voor het einde van het kwartaal dat de factuurdatum van de laatste factuur voor de ICT voorziening omvat. Onderhoudsabonnementen zijn ingevolge het derde lid niet subsidiabel.

Hoofdstuk 4. Subsidiabele activiteiten (artikelen 96-198)

In hoofdstuk 4 wordt bepaald welke uitgaven van de producentenorganisaties voor activiteiten ter uitvoering van de acht maatregelen, bedoeld in artikel 2, onderdeel f, van verordening 2017/891, die in de operationele programma’s van de producentenorganisaties kunnen worden opgenomen, subsidiabel zijn.

Een activiteit is een specifieke activiteit of een specifiek instrument ter verwezenlijking van een bepaald operationeel doel als bijdrage tot één of meer van de in artikel 33 van verordening 1308/2013 vermelde doelen.

De uitvoering van het operationeel programma van een producentenorganisatie wordt op grond van artikel 32 van verordening 1308/2013 gefinancierd door een door de producentenorganisatie voor dat doel opgericht actiefonds. Dit fonds wordt gefinancierd met bijdragen van de producentenorganisatie en haar leden en met communautaire financiële steun. De communautaire steun is op grond van artikel 34 van verordening 1308/2013 gelijk aan het bedrag van de bijdrage van de producentenorganisatie en haar leden, maar bedraagt niet meer dan 50%, of in uitzonderingsgevallen als bedoeld in artikel 34, derde lid, van verordening 1308/2013 60%, van de daadwerkelijke uitgaven.

Uitgaven die op grond van hoofdstuk 4 subsidiabel zijn gesteld mogen voor 100% van de subsidiabele uitgaven worden gefinancierd uit het actiefonds, tenzij in hoofdstuk 4 een forfaitair tarief is bepaald als bedoeld in artikel 31, tweede lid 2, van verordening 2017/891.

Cumulatie van steun op grond van deze regeling met steun uit andere subsidieregelingen is niet toegestaan.

Titel 1. Verduurzaming

In titel 1 van hoofdstuk 4 zijn de subsidiabele activiteiten opgenomen voor de maatregel verduurzaming.

Ingevolge artikel 33, vijfde lid, van verordening 1308/2013 en artikel 28, zesde lid, van verordening 1305/2013 zijn bij de uitgaven van producentenorganisaties voor milieuacties alleen de extra kosten van de uitvoering van de milieuactie ten opzichte van hetgeen wettelijk verplicht is subsidiabel. De extra kosten moeten worden berekend als het verschil tussen de kosten van hetgeen wettelijk verplicht is en de kosten (extra uitgaven en gederfde inkomsten) die de uitvoering van de milieuacties met zich brengt, onder aftrek van meeropbrengsten en kostenbesparingen als gevolg van de uitvoering van de milieuactie.

Afdeling 2. Uitgaven ten behoeve van aankoop van vaste activa en andere vormen van verwerving van vaste activa (artikel 100-113)

Artikel 100 betreft subsidiabele uitgaven voor investeringen in innovatieve en emissiebeperkende gewasbeschermingsapparatuur die tot doel hebben om het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen te verminderen of te voorkomen. Bij het tweede lid, onderdeel e, geldt dat ook apparatuur ten behoeve van het ontsmetten van recirculatiewater in aanmerking wordt genomen. Van de in het vierde lid bedoelde landbouwspuitmachines zijn drager, motorblok en cabine inclusief accessoires niet subsidiabel.

Anders dan voorheen zijn uitgaven voor GPS systemen voor precisielandbouwtechnieken voor 100% subsidiabel. Ingevolge artikel 51, eerste lid, onderdeel d, onder 3° zijn deze uitgaven alleen subsidiabel indien deze passen binnen een project en voor dat project noodzakelijk zijn. Op deze GPS systemen is ook artikel 31, vierde lid, van verordening 2017/891 van toepassing.

In artikel 102 wordt onder hygiënesluizen en hygiënestations ook verstaan automatische zeep/desinfectie units met geïntegreerde tourniquet voor de controle op toegang.

In artikel 104, tweede lid, wordt reductie van energieverbruik tussen de 10% en 25% vereist bij bijvoorbeeld vermindering van bodemerosie of vermindering van het gebruik van chemicaliën in combinatie met waterbesparing, vermindering van de luchtvervuiling of het gebruik van herbruikbare energiebronnen in combinatie met energiebesparing.

Ingevolge artikel 108 zijn uitgaven voor investeringen in aansluitingen op een CO2-netwerk en aansluitingen voor CO2-opslag, alsmede bijbehorende meetapparatuur voor de afvang van CO2 voor stookinstallaties anders dan voorheen voor 100% subsidiabel indien de afgevangen CO2 wordt aangewend voor dosering aan het gewas in de kassen van het betreffende teeltbedrijf of cluster van teeltbedrijven. Dit geldt ook in geval van participatie in een samenwerkingsverband van agrarische bedrijven met CO2-clustering.

In artikel 109 wordt bij warmte- en koudebuffering bedoeld aquifer, WOK/warmtebuffertank.

Artikel 110 betreft subsidiabele uitgaven voor investeringen in het kader van het programma ‘Kas als Energiebron’ of ‘Het nieuwe telen’. Voorwaarde hierbij is o.a. dat het om semi-gesloten kassen gaat. In een semi-gesloten kassysteem worden zonne-energie en andere natuurlijke ‘buitenomstandigheden’ in combinatie met de voorzieningen in de kas optimaal benut voor verwarming, koeling, beperking van het warmteverlies, ontvochtiging en CO2-gebruik.

Een andere voorwaarde is dat de uitgaven gecombineerd worden met bepaalde, genoemde, systemen of installaties. In punt 7 gaat het om aquifers. In de punten 9, 10 en 11 gaat het om bepaalde schermen waarbij de energiebesparing een doekeigenschap is. Het gaat hier niet om schermen die lichtdoorlatend of lichtafschermend zijn, want die zijn wettelijk of teeltkundig verplicht. In punt 10 gaat het om bedrijven met een verbruik van minder dan 25 Nm3, de zgn. energie extensieve bedrijven.

Artikel 113 betreft uitgaven voor investeringen in installaties ten behoeve van het zuiveren van water voorafgaand aan lozing. Vanaf 1 januari 2018 wordt het verplicht voor individuele glastuinbouwbedrijven om 95% van het afvalwater te zuiveren. Daarom wordt dit niet langer gesubsidieerd. Naar verwachting wordt in artikel 3.64b van het Activiteitenbesluit milieubeheer de mogelijkheid opgenomen om aan zuiveringscollectieven een maatwerkvoorschrift te verlenen waarmee zij uitstel krijgen tot uiterlijk 1 januari 2021. Daarom blijven uitgaven voor investeringen in installaties ten behoeve van het zuiveren van water voorafgaand aan lozing nog wel subsidiabel indien het bevoegd gezag de desbetreffende inrichting van deze verplichting heeft vrijgesteld en de specificatie van de investering een reductie van de emissie van afvalstoffen in het geloosde afvalwater van minimaal 25% geeft.

Afdeling 3. Uitgaven voor overige activiteiten ten behoeve van biologische productie (artikel 114-117)

Ten aanzien van biologische mest en compost in artikel 115 geldt dat door Skal op biologische bedrijven toegelaten groencompost, niet afkomstig van biologische landbouwbedrijven, niet in aanmerking wordt genomen, omdat de specifieke kosten daarvan verwaarloosbaar zijn.

Artikel 116 betreft toediening van micro-organismen. Hierbij geldt dat het middel voldoende in de bodem werkzame micro-organismen dient te bevatten.

Afdeling 4. Uitgaven voor overige activiteiten ten behoeve van geïntegreerde productie (artikel 118-125)

Artikel 119 en 120 betreffen subsidie voor extra resistent zaad. De extra resistentie dient te zijn vermeld in de rasbeschrijving van de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen (NAK) (of van een andere in de EU bevoegde instantie). In geval er nog geen (NAK) rasbeschrijving beschikbaar is, kan de resistentie ook worden vastgesteld op basis van een technisch beschrijvingsblad (TQ) voor de aanvraag bij NAK of een volgens protocol uitgevoerde resistentietoets. Het document dient voorzien te zijn van een verwijzing naar het protocol. Indien extra resistentie of meerkosten hiervan niet voldoende wordt aangetoond, zijn de uitgaven niet subsidiabel.

Artikel 121 betreft het enten van plantmateriaal. Hieronder vallen ook de zaadkosten van de onderstam.

Artikel 122 gaat over biologische of geïntegreerde gewasbeschermingsmiddelen en het voorkomen van ziekten en plagen. Indien een middel op grond van de onderdelen a tot en met i subsidiabel is, mag de plantenkweker in plaats van de oorspronkelijke leverancier de aanschafkosten van het middel factureren aan de producentenorganisatie. Een opslag voor de (tray) behandelingskosten (voornamelijk arbeid) wordt niet in aanmerking genomen. In onderdeel a worden voornamelijk insecten en mijten bedoeld. Onderdeel c betreft schimmels, bacteriën en virussen. Met betrekking tot de onderdelen b en c geldt dat hieronder ook vallen de biologische middelen waarvoor het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden een tijdelijke ‘dringend vereiste’ toelating heeft afgegeven. Hiervoor moet een kopie van de toelating met de daaraan verbonden voorwaarden worden verstrekt.

Titel 2. Marktgericht produceren

In titel 2 van hoofdstuk 4 zijn de subsidiabele activiteiten opgenomen voor de maatregel marktgericht produceren.

Afdeling 1. Activiteiten gericht op productieplanning (artikelen 129-131)

In artikel 130 zijn investeringen in belichtingsinstallaties ten behoeve van het jaarrond produceren subsidiabel gesteld op voorwaarde dat gedurende de instandhoudingstermijn de energie die wordt gebruikt voor deze installatie een duurzaam karakter heeft of wordt opgewekt met behulp van een warmtekrachtkoppelingsinstallatie. Onder duurzaam wordt bijvoorbeeld verstaan energie opgewekt door middel van zon, water, wind, geothermie of biomassa.

Afdeling 2. Activiteiten gericht op verbetering of handhaving van productkwaliteit (artikelen 132-136)

In artikel 133 en 134 worden uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ten behoeve van het optimaliseren van de productkwaliteit in de keten voor investeringen (artikel 133) en overige kosten (artikel 134) subsidiabel gesteld. Investeringen in kwaliteitszorgsystemen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, van beide artikelen zijn bijvoorbeeld investeringen voor het innovatief sorteren door middel van camera’s. De investeringen in lange bewaring in koelhuizen, koelcellen, koelinstallaties, vriescellen (artikel 133, eerste lid, onderdeel e) omvatten mede controlled atmosphere bewaring en trafovoorzieningen. In het tweede lid van artikel 133 worden de niet subsidiabele uitgaven opgesomd. De reinigingsinstallaties, bedoeld in onderdeel a van het tweede lid, omvatten mede veeg-, schrob- en zuigmachines, stoomcleaners en hogedrukreinigers.

Uitgaven voor overige kosten voor activiteiten gericht op verbetering of handhaving van productkwaliteit (artikel 135) waren in de oude regeling tijdelijk vrijgesteld van de vernieuwingseis. Deze eis gaat voortaan wel gelden.

In artikel 136 zijn uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van de borging van een nieuw product of concept in de keten voor investeringen ten behoeve van keurmerken subsidiabel gesteld. De subsidiabiliteit van deze uitgaven is beperkt tot de uitgaven die nodig zijn voor het voor de eerste keer laten certificeren van keurmerken voor nieuwe producten, nieuwe concepten of keurmerken op het gebied van duurzaamheid (MVO), kwaliteit en voedselveiligheid in de keten.

Afdeling 3. Activiteiten gericht op afzetverbetering (artikelen 137-153)

In artikel 139, eerste lid, zijn uitgaven voor investeringen in sorteer- en verpakcentra, distributiecentra, verwerkingscentra, fustopslag, dockboards, en sorteer- en verpakkingslijnen subsidiabel gesteld. Deze investeringen zijn evenwel slechts subsidiabel indien zij worden gedaan ten behoeve van het ontsluiten van nieuwe markten en op afzetverbetering gericht zijn. In het tweede lid worden de niet subsidiabele activiteiten opgesomd. Onderdeel c noemt daarbij met de sorteerlijn geïntegreerde aanvoerprognosesystemen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan interne transportsystemen en kettingbaansystemen.

In artikel 142 zijn uitgaven van de producentenorganisatie voor investeringen ten behoeve van het vergroten van de afzetwaarde van producten door middel van het vergroten van de duurzaamheid van het product en van het productieproces subsidiabel gesteld. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan: investeringen in omgekeerde osmose voor ontzouting van water bij de bron ten behoeve van recirculatie in de substraatteelt of het actief beluchten van water door middel van een beluchtings- en ontgassingstoren ter voorkoming van zuurstofloos water en ontstaan van slijmvormende biomassa. Uitgaven voor afdekzeilen van bassins en silo’s voor wateropslag zijn niet subsidiabel.

In artikel 144 zijn uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van marktonderzoek en marktontwikkeling subsidiabel gesteld. Deze uitgaven omvatten onderzoeken en paneldata.

In artikel 146 zijn uitgaven ten behoeve van ontwikkeling en verbetering van intrinsieke producteigenschappen of nieuwe producten subsidiabel gesteld wanneer het gaat om rassenproeven op intrinsieke producteigenschappen. Bij intrinsieke producteigenschappen moet worden gedacht aan smaak, kleur, geur, textuur, vorm en inhoudstoffen. In het tweede lid wordt bepaald dat rassenproeven slechts subsidiabel zijn indien de producten van de geteste rassen bedoeld zijn voor menselijke consumptie. Rassenproeven voor rassen waarvan de producten bestemd zijn om te worden verwerkt in producten die niet bedoeld zijn voor menselijke consumptie zijn dus niet subsidiabel. Na verloop van een tijdvak van vier jaren kunnen dezelfde uitgaven, bijvoorbeeld voor een andere locatie, niet opnieuw worden opgevoerd, omdat de uitgaven dan niet meer bijdragen aan vernieuwing.

In artikel 147, eerste lid, worden uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van ontwikkeling en verbetering van concepten rondom verse producten subsidiabel gesteld. In het tweede lid is bepaald dat ontwikkeling van nieuwe verpakkingen voor het verse product slechts subsidiabel indien deze nieuwe verpakkingen rechtstreeks bijdragen aan het kwaliteitsbehoud.

In artikel 148, eerste lid, worden uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van ontwikkeling en verbetering van concepten rondom bewerkte en verwerkte producten subsidiabel gesteld. Voor zover het gaat om de ontwikkeling van nieuwe verwerkte producten ten behoeve van de foodmarkt en de ontwikkeling van ondersteunende voedingsproducten en niet voedingsproducten zijn deze uitgaven, op grond van het tweede lid, slechts subsidiabel als het verwerkte product direct, zonder verdere verwerking, door consumenten kan worden geconsumeerd en niet wordt verwerkt in ingrediënten ten behoeve van de voedselindustrie. Voor zover het gaat om de ontwikkeling van nieuwe verwerkte producten ten behoeve van de foodmarkt is in het derde lid voorts bepaald dat ontwikkeling van nieuwe verpakkingen voor het verse product slechts subsidiabel is indien deze nieuwe verpakkingen rechtstreeks bijdragen aan het kwaliteitsbehoud.

In artikel 149, eerste lid, zijn uitgaven voor generieke afzetbevordering subsidiabel gesteld. Bij publieksevenementen als bedoeld in onderdeel b, kan bijvoorbeeld worden gedacht aan evenementen als de Floriade. Bij doelgroepen als bedoeld in onderdeel d, kan bijvoorbeeld worden gedacht aan schoolgaande kinderen. Bij websites en social media als bedoeld in onderdeel g, kan bijvoorbeeld worden gedacht aan apps en facebook. Bijlage III, punt 4, van verordening 2017/891 stelt aan generieke afzetbevordering de voorwaarde dat promotiemateriaal wordt voorzien van het logo van de Europese Unie en de vermelding ‘Campagne die is medegefinancierd door de Europese Unie’. In het tweede lid zijn de niet subsidiabele uitgaven opgesomd. In onderdeel a worden activiteiten op het gebied van verkoop van producten genoemd. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het opnemen van bestellingen, het leveren en de allocatie van het product, het maken van prijsafspraken ten aanzien van producten van niet-leden of waarvoor de producentenorganisatie niet is erkend. In onderdeel c worden de kosten van het gratis verstrekken van producten niet subsidiabel gesteld. Dit omvat tevens de kosten van ‘twee voor de prijs van één acties’. In onderdeel e worden uitgaven voor sponsoring aangemerkt als niet subsidiabel. Dit betreft bijvoorbeeld de sponsoring van sportverenigingen.

In artikel 150 zijn uitgaven voor marketing en verkoopbevordering van merken en handelsnamen subsidiabel gesteld. Het opstellen en uitvoeren van plannen voor accountmanagement of categorymanagement, bedoeld in onderdeel g omvat tevens het voorafgaande onderzoek. Op grond van punt 4 van bijlage III van verordening 2017/891 mag promotiemateriaal ten behoeve van marketing en verkoopbevordering van merken en handelsnamen niet worden voorzien van het logo van de Europese Unie en de vermelding ‘Campagne die is medegefinancierd door de Europese Unie’. In het tweede lid zijn de niet subsidiabele uitgaven opgesomd. Zie met betrekking tot de in artikel 150 genoemde uitgaven ook de toelichting op specifieke uitgaven bij artikel 149.

In artikel 153 zijn uitgaven voor personeel en externe diensten voor nieuwbouw van sorteercentra en verpakcentra, distributiecentra, verwerkingscentra, fustopslag, dockboards en op afzetverbetering gerichte sorteer- en verpakkingslijnen subsidiabel gesteld. Deze uitgaven zijn slechts subsidiabel ten aanzien van nieuwbouw van gebouwen die eigendom zijn van de producentenorganisatie of een dochteronderneming die voor minimaal 90% eigendom is van de producentenorganisatie en voor zover het gaat om ruimtes die zijn aangemerkt als subsidiabel in bijlage II, of elementen die zijn aangemerkt als subsidiabel in bijlage III. In het derde lid zijn de reis- en verblijfskosten van eigen personeel van de producentenorganisatie en haar leden uitgesloten.

Titel 3. Versterking afzetstructuur

In titel 2 van hoofdstuk 4 zijn de subsidiabele activiteiten opgenomen voor de maatregel versterking afzetstructuur.

Afdeling 1. Activiteiten gericht op productplanning (artikelen 154-162)

In artikel 156 zijn uitgaven voor het ontwerpen, bouwen en implementeren van ICT systemen voor logistieke planning subsidiabel gesteld. Deze activiteit omvat tevens systemen voor warehousemanagement.

In artikel 157 zijn uitgaven voor koeling van producten ten behoeve van lange bewaring subsidiabel gesteld. Deze activiteit omvat tevens systemen voor trafovoorzieningen.

De subsidiabiliteit van uitgaven voor huur als alternatief voor koop van duurzame productiemiddelen is algemeen geregeld in artikel 87. In aanvulling hierop regelt artikel 159 dat in geval van uitgaven voor het huren van koelsystemen als bedoeld in artikel 157, eerste lid, of conditioneringssystemen als bedoeld in artikel 158, eerste lid een registratie van de in- en uitslag moet worden overlegd. Deze gegevens zijn nodig in verband met de voorwaarden van punt 10 van bijlage III van verordening 2017/891.

Afdeling 2. Activiteiten gericht op afzetverbetering (artikelen 163-170)

In artikel 164 zijn uitgaven voor investeringen in ICT systemen voor markt en afzet subsidiabel gesteld. Na verloop van een tijdvak van vier jaren kunnen dezelfde investeringen, bijvoorbeeld voor een andere locatie, niet opnieuw worden opgevoerd, omdat de investering dan niet meer vernieuwend is.

In artikel 165 zijn uitgaven voor investeringen in ICT customer relationship management subsidiabel gesteld. Indien de investering wordt geplaatst op het terrein van een lid, zijn de uitgaven slechts subsidiabel indien de producentenorganisaties kan aantonen dat het bij het lid geplaatste systeem integraal onderdeel uitmaakt van het ICT systeem voor customer relationship management van de producentenorganisatie. Na verloop van een tijdvak van vier jaren kunnen dezelfde investeringen, bijvoorbeeld voor een andere locatie, niet opnieuw worden opgevoerd, omdat de investering dan niet meer vernieuwend is.

Afdeling 3. Onderzoeksactiviteiten en activiteiten gericht op experimentele productie (artikel 171 en 172)

In artikel 172 worden uitgaven voor activiteiten ten behoeve van versterking van de interne structuur van de producentenorganisatie door professionalisering van de producentenorganisatie richting de markt subsidiabel gesteld.

Afdeling 4. Opleidingsactiviteiten en activiteiten ter bevordering van toegang tot adviesdiensten (artikel 173-181)

In artikel 175 zijn uitgaven voor het opleiden van personeel ten behoeve van versterking van de interne structuur van de producentenorganisatie door professionalisering van de producentenorganisatie richting de markt subsidiabel gesteld. Deze activiteiten zijn evenwel slechts subsidiabel indien het gaat om de kosten van opleidingen voor personeel voor activiteiten op het gebied van de kerntaken van de producentenorganisatie. De kerntaken van de producentenorganisatie zijn afzet, logistiek, kwaliteit, milieubescherming, en teelttechniek.

In artikel 176 zijn uitgaven voor inhuur van externen ten behoeve van versterking van de interne structuur van de producentenorganisatie door professionalisering van de producentenorganisatie richting de markt subsidiabel gesteld. Deze activiteiten zijn evenwel slechts subsidiabel indien het gaat om de kosten van inhuur van externen voor activiteiten op het gebied van de kerntaken van de producentenorganisatie. De kerntaken van de producentenorganisatie zijn afzet, logistiek, kwaliteit, milieubescherming, en teelttechniek. Daarbij geldt, ingevolge artikel 51, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3°, dat inhuur van externen alleen in het kader van projecten met een vernieuwend karakter subsidiabel is.

Afdeling 5. Activiteiten gericht op crisispreventie en crisisbeheer (artikelen 182-196)

In de artikelen 185, tweede lid, en 191, tweede lid, zijn de producten opgenomen waarvoor de activiteiten van het uit de markt nemen, groen oogsten en niet oogsten van producten zijn opengesteld. Dit betreft tomaten, wortels, witte kool en rode kool, niet-scherpsmakende pepers (paprika’s), bloemkool en broccoli, komkommers, augurken, champignons agaricus, appelen, peren, pruimen en rood fruit, met de in het artikel genoemde GN codes. Uitgaven voor het groen oogsten en niet oogsten van percelen beplant met appel- of perenbomen zijn niet subsidiabel als het gaat om aanplant jonger dan 2 jaar, omdat bij jonge aanplant de productie, en daarmee het verlies, gering is.

Artikel 47 van verordening 2017/891 stelt eisen aan de ontvangers van uit de markt genomen producten. Teneinde de naleving van onder meer deze eisen te verzekeren, bepaalt artikel 190 dat producentenorganisaties verplicht zijn een schriftelijke overeenkomst te sluiten met afnemers en transporteurs van uit de markt genomen producten. Daarbij geldt de eis van het voeren van een aparte voorraadboekhouding ten aanzien van zowel ontvangers ten behoeve van gratis uitreiking, als voor andere in artikel 185, derde lid, bedoelde ontvangers.

Artikel 195 bepaalt de toegestane bestemmingen voor een groen geoogst of vernietigd gewas. In het vierde lid is bepaald dat met afnemers en transporteurs schriftelijke overeenkomsten gesloten moeten worden. Ten behoeve van het toezicht is toepassing van de eisen die artikel 47, tweede lid, van verordening 2017/891 stelt aan ontvangers van uit de markt genomen producten ook voor ontvangers van groen geoogste of vernietigde gewassen wenselijk. Daarom dienen de overeenkomsten onder meer de verplichting te bevatten tot naleving van die eisen.

Artikel 196 betreft de subsidiabiliteit van oogstverzekeringen. Ingevolge artikel 50 van verordening 2017/891 moeten oogstverzekeringsacties worden beheerd door een producentenorganisatie. Teneinde daaraan uitvoering te geven bepaalt artikel 196 dat ofwel door de producentenorganisatie een raamovereenkomst moet zijn gesloten met de verzekeraar, ofwel de oogstverzekering op naam van de producentenorganisatie moet zijn gesteld en de premies door de producentenorganisaties betaal moeten worden. De uitgaven voor oogstverzekeringen zijn alleen subsidiabel indien zij betrekking hebben op het deel van de polis dat betrekking heeft op gewasschade als gevolg van weersomstandigheden of klimatologische omstandigheden en daadwerkelijk betaald zijn.

Afdeling 6. Overige kosten (artikelen 197-199)

In artikel 199 zijn uitgaven voor de versterking van de verticale samenwerking in de keten door beleggingen in aandelen subsidiabel gesteld voor zover het gaat om de waarde van de materiële vaste activa van de onderneming. Deze activiteit is evenwel slechts subsidiabel onder de voorwaarden genoemd in punt 11 van Bijlage III van verordening 2017/891. Dat wil zeggen dat investeringen in aandelen van ondernemingen rechtstreeks moeten bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het operationele programma.

Deel 5. Steunaanvraag, voorschotten en gedeeltelijke betalingen (artikelen 200-210)

In artikel 47, eerste lid, onderdeel e, is voorgeschreven dat het operationeel programma per subsidiabele activiteit een begroting moet bevatten. Aan de hand hiervan wordt de redelijkheid van kosten getoetst. In verband daarmee bepaalt artikel 200 dat een afwijking van de begroting, bijvoorbeeld doordat een andere leverancier is gekozen, moet worden gemotiveerd in de steunaanvraag.

De artikelen 201 tot en met 205 hebben betrekking op indiening van financiële bewijsstukken.

Artikel 7 van verordening 2017/892 bepaalt dat operationele programma’s worden uitgevoerd in jaarperioden die lopen van 1 januari tot en met 31 december. Uitgangspunt is dan ook dat uitgaven worden betaald en in de steunaanvraag worden opgenomen in het jaar waarin de activiteit wordt uitgevoerd. Om rekening te houden met activiteiten die in de laatste periode van het jaar worden afgerond, bepaalt artikel 202, tweede lid, dat uitgaven nog kunnen worden betaald tot en met 14 februari van het jaar volgend op het jaar van uitvoering. Dit laat onverlet dat de uitgaven worden opgenomen in de steunaanvraag die betrekking heeft op het jaar van uitvoering van de activiteit.

Artikel 206 en 207 zien op een verzoek om voorschot en het vrijgeven van gestelde zekerheden.

Artikel 208 en 209 betreffen een gedeeltelijke betaling en samenloop met een verzoek om voorschot. Op grond van artikel 208 kan worden verzocht om gedeeltelijke betaling. In artikel 47, eerste lid, onderdeel e, is voorgeschreven dat het operationeel programma per subsidiabele activiteit een begroting moet bevatten. Aan de hand hiervan wordt de redelijkheid van kosten getoetst. In verband daarmee bepaalt artikel 208, zesde lid, dat een afwijking van de begroting, bijvoorbeeld doordat een andere leverancier is gekozen, wordt gemotiveerd bij de aanvraag om gedeeltelijke betaling. Een verzoek om gedeeltelijke betaling betreft slechts een gedeelte van het jaar. Het zevende lid van artikel 208 regelt dat de gedeeltelijke betaling die overheadkosten betreft, slechts een gedeelte van het daarvoor geldende forfait kan betreffen. Dit naar rato van het gedeelte van het jaar waarop de betaling betrekking heeft. Als dus een kwartaaldeclaratie wordt gedaan, kan deze slechts een kwart van het forfait betreffen.

Deel 6. Rapportageverplichtingen (artikelen 211-213)

De artikelen 211 tot en met 213 betreffen de verplichtingen met betrekking tot de diverse rapportages over de operationele programma’s die de producentenorganisaties jaarlijks moeten indienen. Ingevolge artikel 211 dient elke producentenorganisatie en unie van producentenorganisaties jaarlijks uiterlijk op 25 oktober de informatie te overleggen die de minister nodig heeft om een jaarverslag in te dienen overeenkomstig artikel 54, onderdeel b, van verordening 2017/891. Deze informatie is beschreven in bijlage V van die verordening en moet worden overgelegd ongeacht of de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties een operationeel programma uitvoert.

Daarnaast moeten producentenorganisaties en unie van producentenorganisaties met een operationeel programma, jaarverslagen indienen over de uitvoering van hun operationele programma’s. Ingevolge art. 21, tweede lid, van verordening 2017/892, worden deze jaarverslagen ingediend samen met de steunaanvragen. In de jaarverslagen wordt informatie opgenomen over de resultaten van de monitoringsactiviteiten die producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties verrichten op grond van art. 57, eerste en tweede lid, van verordening 2017/891, over de bereikte resultaten en over ondervonden problemen. Artikel 212 stelt nadere eisen over de inhoud van de jaarverslagen, ter uitvoering van artikel 21, tweede en derde lid, van verordening 2017/892.

Artikel 213 betreft de evaluatie van het operationele programma die is voorgeschreven in artikel 57, eerste en derde lid, van verordening 2017/891. Het verslag van de evaluatie wordt bij het jaarverslag over het voorlaatste jaar van de uitvoering van het operationele programma gevoegd. Artikel 21, vierde lid, van verordening 2017/892 en, ter uitvoering daarvan, artikel 213 van deze regeling bevatten nadere regels over de inhoud van dit verslag.

Deel 7. Uitbreiding van voorschriften en verplichte financiële bijdragen (artikelen 214-217)

Artikel 164 van verordening 1308/2013 bepaalt dat een lidstaat op verzoek van een representatieve producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen verbindend kan verklaren voor andere marktdeelnemers die niet bij deze organisatie zijn aangesloten. Voorts kan de lidstaat besluiten dat niet-aangesloten marktdeelnemers die voordeel hebben bij de activiteiten waarop die voorschriften van toepassing zijn, een financiële bijdrage moeten betalen.

In Nederland is hieraan invulling gegeven met de Regeling producenten- en brancheorganisaties. In paragraaf 5 van die regeling worden regels gesteld over verzoeken tot het verbindend verklaren van voorschriften en het verplichten van bijdragen en de besluitvorming daarover. De Regeling producenten- en brancheorganisaties is niet van toepassing op producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties in de sector groenten en fruit, omdat voor die specifieke sector de onderhavige Regeling van toepassing is. Voor die sector gelden ook de specifieke bepalingen uit artikel 68 van verordening 2017/891.

In artikel 214 tot en met 217 wordt voor de sector groenten en fruit, als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel i, van verordening 1308/2013 aangesloten bij de in de regeling producenten-en brancheorganisaties voor andere sectoren gestelde regels over het verbindend verklaren van voorschriften en het verplichten van bijdragen.

Deel 8. Sancties (artikelen 218-226)

In de artikelen 59 en 60 van verordening 2017/891 zijn de sancties opgenomen voor producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties. Deze sancties zijn intrekking of schorsing van de erkenning of een waarschuwing.

In dit hoofdstuk zijn de nationale sancties voor producentenorganisaties opgenomen die uitvoering geven aan artikel 76 van verordening 2017/891. De op nationaal niveau vastgestelde sancties moeten voldoende doeltreffend, evenredig en ontradend zijn. Deze sancties bestaan uit verlaging van de subsidie, waarbij het percentage van de verlaging afhankelijk is van het overtreden voorschrift, en het vergoeden van de onderzoekskosten bij fraude. Het betreft hier de artikelen 218 tot en met 226.

De subsidie wordt verlaagd bij onjuiste opgave, uitvoering van het operationeel programma in strijd met de voorschriften, het niet voldoen aan het minimum omzetvereiste, overlappende financiering, het niet opvolgen van ministeriële aanwijzingen of bij een onvolledige aanvraag.

Artikel 223 regelt de sanctie op het niet naleven van voorschriften inzake het verstrekken van informatie. Voorbeelden van situaties die het betreft zijn de erkende producentenorganisatie die zijn ledenlijsten ontijdig aanlevert of (incomplete) administratieve informatie aanlevert zonder daartoe het door de minister vastgestelde middel te gebruiken. Teneinde producentenorganisaties op evenredige wijze te weerhouden van het niet naleven van voorschriften inzake het verstrekken van informatie, wordt in deze regeling de steunverlaging vastgesteld op 2% per niet-naleving.

Deel 9. Wijziging van andere regelingen (artikel 226-227)

Artikel 226 wijzigt de Regeling producenten- en brancheorganisatie. Zie hierover paragraaf 1.3 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel 227 wijzigt de Regeling GMO groenten en fruit. Deze regeling blijft via het overgangsrecht relevant voor lopende operationele programma’s. Gelet op bestaande verwachtingen omtrent het voortduren van situaties, wordt terughoudend omgegaan met het wijzigen van de oude regeling. Waar sprake is van een begunstigende wijziging, een verduidelijking, of een aanpassing met het oog op de EU-conformiteit, is ervoor gekozen wel wijzigingen door te voeren in de oude regeling.

Voor operationele programma’s waarop ingevolge artikel 229, tweede lid, deel 4 van de Regeling uitvoering GMO groenten en fruit van toepassing is zoals dat gold op 30 juni 2017 gaat het om wijzigingen in de artikelen betreffende afvalwaterzuivering, oogstverzekeringen en de gebruiksadministratie. Zie voor nadere toelichting het vierde, zevende en achtste gedachtestreepje hieronder.

Voor operationele programma’s waarop ingevolge artikel 229, tweede lid, hoofdstuk 4 van de Regeling uitvoering GMO groenten en fruit van toepassing is zoals dat gold voor 1 januari 2017, betreft het de volgende wijzigingen:

  • Met het van toepassing verklaren van artikel 47, eerste lid, onderdeel e subonderdeel 5, alsmede, vijfde, zesde en zevende lid, van de Regeling uitvoering GMO groenten en fruit, wordt geregeld dat uitgavenposten moeten worden onderbouwd met kostenbegrotingen. Dit is nodig om te voldoen aan de Europese regels omtrent de redelijkheid van kosten. Met deze wijziging wordt het niveau van uitgavenpost ook geïntroduceerd voor lopende operationele programma’s.

  • De toepassing van artikel 73, tweede lid, onderdeel c, van de Regeling uitvoering GMO groenten en fruit leidt ertoe dat voor het bepalen van de restwaarde van bomen en planten bij vervreemding de afschrijvingsperiode afhankelijk is van het aantal jaar dat de boom of plant volgens de producteigenschappen vruchten levert, met een maximum van 5 jaar. Dit is een begunstigende wijziging die aansluit bij de afschrijvingsperiode die voor operationele programma’s goedgekeurd in 2017 geldt.

  • Door artikel 106, eerste lid, van de Regeling uitvoering GMO groenten en fruit toe te passen, wordt een ommissie hersteld in artikel 251 van de Regeling uitvoering GMO groenten en fruit zoals dat gold voor 1 januari 2017. Bij investeringen in innovatieve installaties ten behoeve van waterbesparing hoeft het niet te gaan om irrigatiesystemen.

  • Met ingang van 2018 wordt het verplicht voor individuele glastuinbouwbedrijven om 95% van het afvalwater te zuiveren. Met de toepassing van artikel 107, eerste lid, van de Regeling uitvoering GMO groenten en fruit, zoals dat luidt op 30 juni 2017, zijn uitgaven hiervoor alleen nog subsidiabel indien het gaat om zuiveringscollectieven die uitstel hebben gekregen voor de verplichting tot afvalwaterzuivering en de specificatie van de investering een reductie van de emissie van afvalstoffen in het geloosde afvalwater van minimaal 25% geeft. Dit is nodig omdat uitgaven voor de naleving van wettelijke verplichtingen niet gesubsidieerd kunnen worden.

  • Met de toepassing van artikel 116, onderdelen f en i, van de Regeling uitvoering GMO groenten en fruit worden ook voor operationele programma’s van voor 2017 uitgaven voor vangplaten en rollertraps en voor bakken om eitjes, poppen of larven van fruitvliegen te doden subsidiabel in het kader van biologische of geïntegreerde gewasbescherming en het voorkomen van ziekten en plagen. Dit is een begunstigende wijziging.

  • Met de toepassing van artikel 182 van de Regeling uitvoering GMO groenten en fruit wordt een verwijzing naar verordening 1308/2013 gecorrigeerd. In artikel 229 van de Regeling uitvoering GMO groenten en fruit zoals die gold voor 2017, werd abusievelijk verwezen naar artikel 34, derde lid, onderdeel c, van die verordening, in plaats van naar artikel 33, derde lid, onderdeel c. Dit is geen inhoudelijke wijziging.

  • De toepassing van artikel 195 van de Regeling uitvoering GMO groenten en fruit, zoals dat luidt op 30 juni 2017, betekent een aanpassing van de voorwaarden waaronder uitgaven voor oogstverzekeringen subsidiabel zijn. Dit is nodig met het oog op de EU-conformiteit. Zie ook de artikelsgewijze toelichting op artikel 196 van de onderhavige regeling.

  • Een aanpassing van de eisen aan investeringen die onderdeel uitmaken van een operationeel programma dat is goedgekeurd voor 1 januari 2018 en die zijn gedaan vanaf 1 januari 2018. Op deze investeringen is de eis van het voeren van een gebruiksadministratie per duurzaam productiemiddel van toepassing. Dit is nodig met het oog op de EU-conformiteit. Zie ook de artikelsgewijze toelichting op artikel 72 van de onderhavige regeling.

Deel 10. Slotbepalingen (artikelen 228-232)

Verordening 2017/891 biedt producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties de mogelijkheid om een operationeel programma voort te zetten onder de in het kader van verordening 543/2011 geldende voorwaarden of te kiezen voor aanpassing van het programma aan de nieuwe verordeningen (verordening 2017/891 en verordening 2017/892). Artikel 228 bepaalt dat, indien wordt gekozen voor wijziging van het operationeel programma, een verzoekt daartoe moet worden ingediend voor 15 september 2017. Daarmee wordt gezorgd dat met ingang van 2018 duidelijk is of lopende programma’s worden afgerond onder het oude of onder het nieuwe regime. Een programma kan alleen worden afgerond binnen het oude regime voor de geldende looptijd. Bij nieuwe verlengingen van lopende operationele programma’s wordt het nieuwe regime van toepassing.

Artikel 229 regelt het overgangsrecht voor bestaande gevallen. Deze regeling treedt voor het grootste deel in werking op 15 juli 2017. Als hoofdregel geldt dat een nieuwe regeling onmiddellijke werking heeft. Dit betekent dat een nieuwe regeling niet slechts van toepassing is op hetgeen na haar inwerkingtreding voorvalt, doch ook op hetgeen bij haar inwerkingtreding bestaat, zoals bestaande rechtsposities en verhoudingen. Artikel 229 maakt hierop een aantal uitzonderingen.

Voor nieuwe operationele programma’s vanaf het uitvoeringsjaar 2018, gaat de nieuwe regeling in zijn geheel gelden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding. Aanvragen voor goedkeuring van deze programma’s worden behandeld overeenkomstig de nieuwe regels.

De regels over erkenningen en sancties worden algemeen van toepassing vanaf het moment van inwerkingtreding van de regeling, dus ook voor lopende erkenningen en operationele programma’s. Daarbij is voor sancties het moment waarop de overtreding is begaan leidend.

De regels die verband houden met de uitvoering van operationele programma’s (deel 3 tot en met 6 van de regeling), blijven voor lopende operationele programma’s voor zaken betreffende het uitvoeringsjaar 2017 van toepassing zoals ze golden op 14 juli 2017.

Dit is geregeld in artikel 229, eerste lid.

Lopende operationele programma’s kunnen doorlopen na 31 december 2017. Voor deze programma’s beoogt de regeling ook voor de uitvoeringsjaren vanaf 2018 in beginsel geen wijziging aan te brengen in de voorschriften die van toepassing zijn, omdat dit afbreuk zou doen aan verwachtingen omtrent het voortduren van situaties. Om deze reden wordt aan de bepalingen ten aanzien van operationele programma’s (deel 4 van de regeling) eerbiedigende werking toegekend in het tweede lid van artikel 229. Ook het overgangsrecht uit artikel 312a van de Regeling uitvoering GMO groenten en fruit voor operationele programma’s van voor 2017 blijft van toepassing.

Op de eerbiedigende werking voor het uitvoeringsjaar 2018 ten aanzien van al lopende operationele programma’s worden in het derde en vierde lid enkele uitzonderingen gemaakt. In het derde lid is bepaald dat een wijziging in de looptijd van het operationele programma tot gevolg heeft dat het al lopende operationele programma alsnog onder de bepalingen van deze regeling komt te vallen. Dit heeft tot gevolg dat het gehele operationele programma moet worden aangepast aan de bepalingen van deze regeling. Hiervoor is gekozen om producentenorganisaties, overeenkomstig het door de producentenorganisaties uitgesproken commitment aan de nieuwe Nationale Strategie voor de periode 2017 tot en met 2020, te stimuleren om af te zien van het verlengen van de looptijd van operationele programma’s onder de oude Nationale strategie.

Verordening 2017/891 biedt producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties de mogelijkheid om een operationeel programma voort te zetten onder de in het kader van verordening 543/2011 geldende voorwaarden of te kiezen voor aanpassing van het programma aan de nieuwe verordeningen (verordening 2017/891 en verordening 2017/892). In het vierde lid is bepaald dat, indien wordt gekozen voor aanpassing van het operationeel programma aan de nieuwe verordeningen, een operationeel programma wordt beheerst door de bepalingen van deze regeling. Daarmee wordt voorkomen dat de situatie ontstaat waarin (oude) nationale uitvoeringsregels moeten worden toegepast die niet aansluiten op de (nieuwe) toepasselijke Europese voorschriften.

In het vijfde en zesde lid is bepaald dat aan lopende operationele programma’s wel maatregelen, doelen en activiteiten mogen worden toegevoegd, maar slechts indien de activiteiten (waarmee deze maatregelen en doelen worden uitgevoerd) subsidiabel zijn onder deze regeling. Hoewel activiteiten die zijn opgenomen in eerder goedgekeurde operationele programma’s tot het eind van de looptijd moeten kunnen worden uitgevoerd om de door de goedkeuring van meerjarige operationele programma’s gewekte verwachting te respecteren, is het niet wenselijk dat er nieuwe activiteiten die niet subsidiabel zijn onder deze regeling worden toegevoegd aan lopende programma’s.

In het zevende lid is bepaald dat investeringen die zijn opgenomen in lopende operationele programma’s, kunnen worden opgenomen in nieuwe operationele programma’s onder de voorwaarden zoals die golden op 14 juli 2017. Dit omdat het is toegestaan om investeringen waarvan de afschrijvingstermijn langer loopt dan de duur van het operationele programma, ook in een volgend operationeel programma op te nemen. Aan deze mogelijkheid wordt wel een aantal voorwaarden verbonden om te voorkomen dat met deze overgangsmaatregel een mogelijkheid wordt gecreëerd om nog gedurende een aantal jaren activiteiten die niet langer subsidiabel zijn te financieren uit het actiefonds. Zo moet een investering onderdeel uitmaken van een voor de inwerkingtreding van deze regeling goedgekeurd operationeel programma, moet de producentenorganisatie voor 31 december 2017 aan de minister gemeld hebben dat het de uitgaven voor een investering gedurende meerdere jaren in de steunaanvraag wil opnemen en moet de eerste termijn voor deze uitgaven zijn opgenomen in de steunaanvraag die op 15 februari 2018 wordt ingediend.

In het achtste lid is voorts bepaald dat het toevoegen van een investering aan een lopend operationeel programma alleen wordt goedgekeurd, zowel tussentijds als voor het komende uitvoeringsjaar, indien de investering onder deze regeling subsidiabel is. Ook met deze bepaling wordt beoogd te voorkomen dat in operationele programma’s die doorlopen na 1 januari 2018 nog investeringen in duurzame productiemiddelen worden opgenomen die na die datum niet meer subsidiabel zijn. Investeringen in duurzame productiemiddelen die op grond van deze regeling wel subsidiabel zijn mogen wel door middel van een wijzigingsverzoek worden opgenomen in lopende operationele programma’s.

In het negende lid is bepaald dat wijzigingsverzoeken met als doel het in een keer opnemen in de steunaanvraag van resterende termijnen van uitgaven voor investeringen, waarvan eerder is aangegeven dat zij in meerdere termijnen ten laste van het actiefonds worden gebracht, niet zijn toegestaan. Met deze bepaling wordt beoogd te voorkomen dat de resterende uitgaven voor investeringen in één keer ten laste van het actiefonds gebracht worden, omdat dit afbreuk doet aan de coherentie van operationele programma’s.

In het tiende lid is bepaald dat producentenorganisaties tot 1 januari 2019 de tijd hebben om aanpassingen in hun statuten als gevolg van deze wijziging van de regeling door te voeren. Dit omdat het doorvoeren van wijzigingen in statuten doorgaans enkele maanden in beslag neemt.

Het elfde lid regelt tot slot dat op gedragingen die hebben plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van deze regeling het meest gunstige sanctieregime van toepassing is indien een sanctie zou worden opgelegd na de inwerkingtreding van deze regeling. Wanneer bijvoorbeeld sprake is van een niet-naleving die heeft plaatsgevonden voor 15 juli 2017, waarop na 15 juli 2017 niet langer een sanctie is gesteld, wordt na 15 juli 2017 voor die niet-naleving geen sanctie opgelegd.

Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 juli 2017. Voor zaken die de uitvoering van operationele programma’s in 2017 en het continueren van al lopende operationele programma’s na 2017 betreffen, bevat artikel 229 overgangsrecht. Artikel 227 treedt in werking met ingang van

14 juli 2017, omdat dit artikel de Regeling uitvoering GMO groenten en fruit wijzigt, alvorens deze op 15 juli wordt ingetrokken. Daarmee wordt gezorgd dat bij de voortgezette toepassing van die regeling onder het overgangsrecht, die voortzetting betrekking heeft op de regeling zoals gewijzigd met artikel 227.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, M.H.P. van Dam