Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatscourant 2017, 35015Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 21 juni 2017, nr. IENM/BSK-2017/135081, tot wijziging van de Subsidieregeling waterveiligheid en waterzekerheid stedelijke delta’s in verband met de aanvraagperioden 2017, 2018 en 2019

De Minister van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op de artikelen 4, 8, eerste lid en derde lid, onderdeel d, 10, tweede lid, en 13 van het Kaderbesluit subsidies I en M;

BESLUIT:

ARTIKEL I

De Subsidieregeling waterveiligheid en waterzekerheid stedelijke delta's wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 komen de begrippen en de bijbehorende omschrijvingen van haalbaarheidsproject, pilotproject en stedelijke delta’s en toeleverende systemen te luiden:

haalbaarheidsproject:

project als bedoeld in artikel 2, onderdeel 87, van de algemene groepsvrijstellingsverordening waarbij wordt onderzocht of en onder welke technische, financiële en juridische condities een voorgenomen pilotproject kan worden geïmplementeerd;

pilotproject:

project betreffende experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, waarbij sprake is van het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden, gericht op het demonstreren van een nieuw of verbeterd product of een nieuwe of verbeterde technologie, dienst of aanpak;

stedelijke delta’s en toeleverende systemen:

sterk verstedelijkte gebieden met een omliggend gebied waarin zich allerlei waterrelevante processen afspelen, zoals voedsel-, energie en waterproductie, die van invloed zijn op dan wel een connectie hebben met de stad;

B

In artikel 2 wordt ‘vernieuwende Nederlandse kennis en kunde’ vervangen door: vernieuwende en innovatieve Nederlandse kennis en kunde.

C

Artikel 3 komt te luiden:

Artikel 3. Verstrekken van subsidie

  • 1. Onze Minister kan op aanvraag subsidie verstrekken voor de uitvoering van haalbaarheids- of pilotprojecten die

    • a. het bereiken van het in artikel 2 genoemde doel beogen,

    • b. in een land uit de categorie A of B, als bedoeld in bijlage 1 bij deze regeling worden uitgevoerd, en

    • c. betrekking hebben op één of meer van de volgende thema's:

      • drinkwater en sanitatie;

      • duurzame ontwikkeling van vaarwegen en havens niet zijnde activiteiten aan de wal;

      • klimaat;

      • veiligheid;

      • voedsel en ecosystemen;

      • water en energie;

  • 2. Onze Minister kan op aanvraag subsidie verstrekken voor de uitvoering van pilotprojecten die het bereiken van het in artikel 2 genoemde doel beogen, die in een land uit de categorie A of B, bedoeld in bijlage 1 bij deze regeling, worden uitgevoerd en die naast een in het eerste lid genoemde thema ook governance elementen omvat.

D

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het derde, vierde en vijfde lid tot vierde, vijfde en zesde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Het subsidieplafond voor zowel 2018 als 2019 bedraagt € 4.000.000, waarvan € 2.000.000 beschikbaar is voor de eerste aanvraagperiode en € 2.000.000 voor de tweede aanvraagperiode.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

7. In afwijking van het vijfde lid vindt, indien een gevraagde subsidie niet geheel doch voor ten minste 70% kan worden verstrekt omdat het subsidieplafond bijna is bereikt, overleg plaats met de desbetreffende aanvrager over het al dan niet geven van een beschikking houdende een afwijking van het subsidiebedrag dat is gevraagd.

E

Artikel 5 komt te luiden:

Artikel 5. Aanvraagperioden en reservering per projectsoort

  • 1. In 2017 kan een aanvraag tot subsidieverlening bij de Minister worden ingediend van 3 juli 2017 12.00 uur tot en met 15 september 2017 12.00 uur.

  • 2. In 2018 kan een aanvraag tot subsidieverlening bij de Minister worden ingediend van 8 januari 2018 tot 9 februari 2018 12:00 uur en van 2 juli 2018 tot 7 september 2018 12:00 uur.

  • 3. In 2019 kan een aanvraag tot subsidieverlening bij de Minister worden ingediend met ingang van 7 januari 2019 tot en met uiterlijk 8 februari 2019 12:00 en van 1 juli 2019 tot en met uiterlijk 6 september 2019 12:00.

  • 4. In elke aanvraagperiode in 2017, 2018 en 2019 is telkens € 300.000 gereserveerd voor haalbaarheidsprojecten en € 1.700.000 voor pilotprojecten.

  • 5. De Minister kan voor jaren 2020 en 2021 per kalenderjaar een of meer aanvraagperioden vaststellen en maakt dit bekend in de Staatscourant voor de aanvang van het tijdvak waarvoor de aanvraagperioden worden vastgesteld.

F

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het tweede lid wordt een zin toegevoegd, luidende:

Een waterschap handelend als ondernemer kan niet als penvoerder van het samenwerkingsverband een aanvraag indienen.

2. Er wordt een lid toegevoegd luidende:

  • 4. Een aanvraag kan alleen worden ingediend nadat de aanvrager een intakegesprek met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft gehad.

G

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel c, wordt ‘unieke kwaliteiten’ vervangen door: vernieuwende en innovatieve Nederlandse kennis en kunde.

2. In het vierde lid wordt ‘bijlage 1’ vervangen door: bijlage 2 bij deze regeling.

4. Onder vernummering van het vijfde lid tot zesde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 5. In aanvulling op het vierde lid worden aan aanvragen voor projecten die worden uitgevoerd in een land uit de categorie A, bedoeld in bijlage 1 bij deze regeling, 4 extra punten toegekend, indien op basis van de beoordeling van de aanvraag minimaal 65% punten zijn toegekend.

H

Artikel 13, onderdelen a en b, komen te luiden:

  • a. het project wordt uitgevoerd in een land uit de categorie C, als bedoeld in bijlage 1 bij deze regeling;

  • b. al een subsidie is verstrekt op grond van deze of een andere regeling voor eenzelfde of vergelijkbaar project;

I

Bijlage 1 komt te luiden:

BIJLAGE 1. BEHOREND BIJ DE ARTIKELEN 3, 12, VIJFDE LID EN 13, ONDERDEEL A, VAN DE SUBSIDIEREGELING WATERVEILIGHEID EN WATERZEKERHEID STEDELIJKE DELTA'S

Categorie A

Categorie B

Categorie C

Argentinië

Bangladesh

Chili

Colombia

Egypte

Filipijnen

India

Indonesië

Mexico

Mozambique

Myanmar

Polen

Roemenië

Singapore

Turkije

Verenigde Staten

Vietnam

Zuid-Afrika

Alle landen die niet vallen in categorie A of C.

Afghanistan

Bosnië & Herzegovina

Burundi

Centraal Afrikaanse Republiek

Tsjaad

Comoren

Democratische Republiek Congo

Eritrea

Guinee-Bissau

Irak

Haïti

Ivoorkust

Kiribati

Kosovo

Libië

Liberia

Madagaskar

Micronesia

Oost-Timor

Sierra Leone

Solomon Eilanden

Somalië

Zuid Soedan

Sudan

Syrië

Togo

Tuvalu

Jemen

West Bank & Gaza

Zimbabwe

J

Bijlage 2 komt te luiden:

BIJLAGE 2. BEHOREND BIJ ARTIKEL 12, VIERDE LID, VAN DE SUBSIDIEREGELING WATERVEILIGHEID EN WATERZEKERHEID STEDELIJKE DELTA'S

Rangschikkingscriteria

Puntenaantal beoordeling

Wegingsfactor

Uitkomst (maximaal)

Opschaling:

     

A: Haalbaarheidsproject:

maximaal 5

6

 

de mate waarin de haalbaarheidsstudie past in een ketenbenadering en bijdraagt aan mogelijkheden tot opschaling

B: Pilotproject:

de mate waarin na opschaling de potentie bestaat een grote of grotere groep lokale begunstigden te bereiken

minimaal 2

 

30

 

Duurzaamheid:

     

A: Institutioneel

maximaal 5

minimaal 2

2

10

B: Technisch

maximaal 5

minimaal 2

2

10

C: Milieutechnisch

maximaal 5

minimaal 2

2

10

D: Krachtenbundeling

maximaal 5

minimaal 2

2

10

De mate waarin het project vernieuwende en innovatieve Nederlandse kennis en kunde op het gebied van waterveiligheid en waterzekerheid in Nederland of ook in het buitenland gevestigde partijen ontsluit

maximaal 5

minimaal 2

4

20

Kwaliteit van de aanvraag:

maximaal 5

minimaal 2

2

10

Totaal: (100)

(Minimum score)

   

100

(65)

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

TOELICHTING

Algemeen

Het programma Partners voor Water 2016–2021 is het centrale instrument om de doelstellingen die in de Internationale Waterambitie zijn verwoord te realiseren. Hiervoor is een Plan van Aanpak opgesteld door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) en het Netherlands Water Partnership (NWP) in nauwe afstemming met het Interdepartementaal Watercluster. De Subsidieregeling waterveiligheid en waterzekerheid stedelijke delta’s (hierna: subsidieregeling) vormt een belangrijk onderdeel van het programma waarbij ruimte aan de markt wordt gelaten om economische samenwerking te stimuleren, concrete projecten te realiseren evenals innovatie te ontwikkelen en te vermarkten.

Resultaten en evaluatie eerste tenders

De uitgevoerde tenders van de regeling in 2016 en 2017 zijn geëvalueerd. Uit deze evaluatie blijkt dat het wenselijk is de regeling te wijzigen. Op een aantal punten is verduidelijking nodig en de regeling moet beter aansluiten op het behalen van de gewenste beleidsdoelstellingen.

De belangrijkste conclusies uit de evaluatie zijn:

  • 1. Veel aanvragen voldeden niet aan de kwalificatie van een haalbaarheidsproject. Het moet gaan om een voorportaal om te komen tot een pilot. Algemeen verkennende studies zijn nog niet rijp als haalbaarheidsproject.

  • 2. Veel aanvragen hadden betrekking op een grote variëteit aan landen die geen prioriteit hebben binnen de Internationale Waterambitie (IWA). Beleidsmatig is een grotere complementariteit en synergie gewenst tussen marktinitiatieven en de initiatieven onder de bilaterale samenwerkingen tussen de Nederlandse overheid en de overheden van diverse focuslanden (deltalanden, delta-lightlanden en overige focuslanden).

  • 3. Kennisversterkende elementen (governance) kunnen in pilotprojecten helpen bij het (institutioneel) borgen van het project en kunnen daarmee de continuïteit en opschaling op langere termijn versterken, maar moeten niet als thema op zichzelf gelden.

  • 4. Marktpartijen in brede zin zouden leidend moeten zijn en niet overheidspartijen.

  • 5. Aanvragers die een intake hebben gedaan bij RVO.nl dienen over het algemeen een betere aanvraag in dan de aanvragers die dat niet hebben gedaan.

Hoofdlijnen wijziging

Op basis van de evaluatie en de resultaten van de twee tenders (eind 2016 en begin 2017) worden een aantal wijzigingen doorgevoerd.

  • Deze subsidieregeling is met name bedoeld om de marktpartijen ruimte te geven eigen initiatieven te ontplooien die goed aansluiten op de beleidsdoelstellingen. Het gaat om het realiseren van projecten en het stimuleren van de opschaling ervan. De regeling richt zich daarom vooral op pilots en in mindere mate op haalbaarheidsprojecten.

    De haalbaarheidsprojecten worden gezien als voorportaal voor daaropvolgende pilotprojecten. In de tender in 2016 zijn aanvragen voor relatief veel haalbaarheidsprojecten ingediend die zich eigenlijk kenmerken als probleem verdiepende studies. Dit zijn studies waarbij een probleem in een land eerst nog nader bestudeerd moet worden alvorens daar een helder product of een heldere technologie, dienst of aanpak aan te kunnen koppelen. Dergelijke studies sluiten niet aan bij hetgeen beoogd is met haalbaarheidsprojecten. Hiertoe is de begripsomschrijving van de haalbaarheidsprojecten aangepast.

    Bij pilotprojecten gaat het om de demonstratie van een technologie, product, dienst of aanpak. Een pilotproject kan kennisversterkende elementen bevatten om ter ondersteuning de demonstratie beter te doen slagen of het project institutioneel te verankeren. In de tender in 2016 zijn aanvragen voor projecten ingediend waarbij de focus primair lag op kennisversterking. Dit soort projecten wordt beleidsmatig niet wenselijk geacht in het kader van de doelstelling van de regeling waarbij de inzet van kennis en kunde voorop staat en dus de demonstratie en niet de kennisoverdracht daaromheen.

  • Om synergie te kunnen creëren tussen initiatieven vanuit de watersector en de programmatische aanpak op een select aantal focuslanden, is ervoor gekozen deze landen bij de beoordeling extra te waarderen. (artikel I, onderdeel G, van deze regeling)

  • Om in een vroeg stadium potentiële aanvragers te kunnen adviseren of hun projectidee past binnen de regeling wordt een intakegesprek voorafgaand aan het indienen van een subsidieaanvraag verplicht. Een aanvrager kan hierdoor enerzijds beter beslissen of het indienen van de aanvraag kansrijk is en anderzijds wordt het voor een aanvrager gemakkelijker een aanvraag indienen. Voorzien wordt dat het extra werk voor de intake resulteert in een betere aanvraag, wat per saldo tijd en geld zal besparen. Via het elektronisch indienen (e-loket) van de aanvraag zal worden gevraagd aan te vinken dat er een intakegesprek heeft plaatsgevonden, met wie en wanneer.

  • Zoals eerder vermeld ligt het accent van de subsidieregeling bij de markt in brede zin om met goede initiatieven te komen die vooral gericht zijn op realisatie. Ruimte voor overheidspartijen ten behoeve van overheid tot overheid samenwerking wordt geaccommodeerd in andere componenten van het programma Partners voor Water, bijvoorbeeld door middel van samenwerking met deltalanden en delta-light-landen. De onderhavige wijzigingen hebben met name betrekking op het stimuleren van deze beleidsaccenten. Daarom is opgenomen dat waterschappen niet als penvoerder maar alleen als partner in een samenwerkingsverband de mogelijkheid hebben hun kennis te ontsluiten.

Uitvoering en handhaving

De regeling wordt uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl), onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken. RVO.nl is ook betrokken geweest bij de wijziging van de regeling en de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid van de wijziging is door hem getoetst.

Administratieve lasten

De totale lasten voor aanvragers onder de gewijzigde regeling worden per tenderronde geschat op € 83.900. Dat is 4,2 procent van het voor elk jaar beschikbare subsidieplafond van € 4.000.000.

De wijziging van de regeling is zodanig vormgegeven dat deze niet tot extra administratieve lasten voor aanvragers zal leiden. De intake die is opgenomen biedt de aanvrager de gelegenheid om de aanvraag op juiste wijze in te vullen en zal daarom in de meeste gevallen niet tot extra lasten leiden.

Advisering en consultatie

Er heeft geen internetconsultatie plaatsgevonden, omdat hier sprake is van een wijziging van een subsidieregeling die geen significante verandering brengt in de rechten en plichten van burgers, bedrijven en instellingen of die grote gevolgen heeft voor de uitvoeringspraktijk. Op grond van deze in het kabinetsstandpunt inzake internetconsultatie1 geformuleerde uitzonderingsgrond kon internetconsultatie achterwege blijven.

Vaste verandermomenten

Het is wenselijk dat de inwerkingtreding van deze wijziging op korte termijn geschiedt, zodat al tijdens de periode dat de aanvragen kunnen worden ingediend (vanaf 3 juli 2017) de wijzigingen kunnen worden toegepast. Hiermee wordt aanmerkelijk nadeel voor de doelgroep voorkomen. Gebruik wordt daarom gemaakt van de uitzondering van de vaste verandermomenten op grond van aanwijzing 174, vierde lid, aanhef en onderdeel a, van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Deze uitzonderingsgrond voorkomt gelet op de doelgroep of de jaarindeling, aanmerkelijke ongewenste private of publieke voor- of nadelen.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A

De omschrijving van de haalbaarheidsprojecten en pilotprojecten worden gewijzigd zodat duidelijk is waaraan de projecten moeten voldoen om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie.

Haalbaarheidsprojecten hebben tot doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en de zwakke punten van een project, de kansen en risico’s in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat uiteindelijk de slaagkansen zijn. Dit betekent concreet dat bij aanvang van een haalbaarheidsproject de aanvrager al een concreet beeld moet kunnen geven van het beoogde pilotproject. Dit beoogde pilotproject wordt in een haalbaarheidsproject getoetst op haalbaarheid.

In een haalbaarheidsproject onderzoekt de aanvrager of, en onder welke condities, een voorgenomen pilotproject kan worden geïmplementeerd. Het gaat dan bijvoorbeeld om het vaststellen van de juridische haalbaarheid, de financiële haalbaarheid en de technische haalbaarheid.

Een haalbaarheidsproject is geen generiek onderzoek naar het onderzoeken en vaststellen van een probleem, noch het inventariseren van mogelijke oplossingsrichtingen hiervoor. Dergelijke projecten zijn nog niet rijp voor een haalbaarheidsproject.

Met de omschrijving ‘technologie, product, dienst of aanpak’ in de begripsomschrijving pilotproject wordt duidelijker omschreven wat innovatieve of vernieuwende kennis en kunde kan omvatten.

Tevens wordt door de nieuwe omschrijving van het begrip ‘stedelijke delta’s en toeleverende systemen’ beter aangesloten bij de voorkeur voor in delta’s gelegen stedelijke gebieden in het buitenland. In het kader van de regeling gaat de voorkeur uit naar grote steden in het buitenland die ook werkelijk in delta’s gelegen zijn omdat deze net als in Nederland geconfronteerd worden met vergelijkbare uitdagingen in termen van waterveiligheid en waterzekerheid en vragen om specifieke innovatieve oplossingen. De (nieuwe) omschrijving van het begrip stedelijke delta’s en toeleverende systemen is ingegeven vanwege het feit dat de urgentie evenals risico’s ten aanzien van waterveiligheid en waterzekerheid in de stedelijke delta’s het grootst zijn. Die urgentie maakt het aannemelijk dat daar ook eerder financiering en daarmee impact te realiseren is. Indien een aanvrager een project wenst uit te voeren dat niet in een stedelijke delta of een toeleverend systeem plaatsvindt, dient de aanvrager aan te tonen dat hier expliciet kansen liggen vanuit het oogpunt van Nederlandse toegevoegde waarde, opschalingskansen en of positionering. Projecten dienen echter wel altijd in een stedelijk gebied of in een – met het stedelijk gebied verbonden – toeleverend systeem plaats te vinden. Projecten die sterk ruraal en lokaal georiënteerd zijn (geen doorwerking in de keten), komen niet voor subsidiering in aanmerking. Uiteraard is het toegestaan om bovenstroomse aspecten mee te nemen in projecten waar dit relevant is en waar duidelijke verbinding bestaat met de stedelijke delta en het toeleverend systeem.

Onderdeel B

Omdat het niet alleen gaat om technologie, producten, diensten en aanpakken die vernieuwend zijn voor het doelland, maar ook baanbrekend of grensverleggend zijn bezien vanuit de Nederlandse context, wordt in dit artikel het woord ‘innovatieve’ toegevoegd. Deze keuze is ook gerelateerd aan de Internationale Water Ambitie doelstelling om Nederland te positioneren als een Centre of Excellence op het gebied van water. Vernieuwende en baanbrekende innovaties zijn nodig om die positie te versterken, dan wel te bestendigen. Met innovatie wordt niet alleen technische innovatie bedoeld, maar innovatie in brede zin.

Onderdeel C

Het thema governance is niet langer mogelijk als zelfstandig thema, maar uitsluitend als ondersteunend thema bij pilotprojecten.

Met het thema governance wordt in den brede geduid op kennisversterkende elementen zoals capaciteitsopbouw, training, kennisoverdracht, inzet op gedragsverandering en versterken van het organiserend vermogen. Deze kennisversterkende elementen kunnen helpen of versterkend werken bij het (institutioneel) borgen van het project. Hiermee wordt de duurzaamheid van het project op langere termijn bestendigd.

Governance kan uitsluitend bij pilotprojecten van toegevoegde waarde zijn. In die projecten wordt een bepaald product of een bepaalde technologie, dienst of aanpak gedemonstreerd. In haalbaarheidsprojecten worden de condities onderzocht waaronder een voorgenomen pilot kans van slagen heeft onderzocht.

Governance is altijd ter ondersteuning en geen hoofddoel van een pilotproject. Governance (kennisversterkingselementen) dient dus in verhouding te staan tot het hoofddoel van een pilotproject zijnde het vergroten van de waterveiligheid en waterzekerheid in stedelijke delta’s en toeleverende systemen in het buitenland.

Onderdeel D

Dit artikel bevat het subsidieplafond voor de jaren 2018 en 2019. Tevens biedt het nieuwe zevende lid de mogelijkheid om volop gebruik te maken van de beschikbare middelen. Wanneer na de laatst gerangschikte aanvraag binnen het subsidieplafond nog budget resteert dat niet voldoende is om het eerstvolgende gerangschikte project geheel te subsidiëren, wordt die aanvrager benaderd met de vraag of deze in staat is het aangevraagde project voor minder subsidie uit te voeren zonder afbreuk te doen aan inhoud, activiteiten of doelstellingen van het project. Deze vraag wordt uitsluitend gesteld indien minimaal 70% van het aangevraagde subsidiebudget resteert. Indien dit niet het geval is, wordt de volgende aanvraag in de rangschikking benaderd, mits die aanvraag beoordeeld is met ten minste 65 punten op grond van artikel 12, vierde lid en de nieuwe bijlage 2 van de regeling.

Onderdeel E

In dit artikel zijn de aanvraagperioden en de reserveringen voor de jaren 2017–2019 opgenomen.

Onderdeel F

In dit artikel wordt aangegeven dat een waterschap wel als onderneming aan een samenwerkingsverband kan meewerken, maar niet als penvoerder mag optreden. Een waterschap dat in een project publieke taken uitvoert, kan niet voor subsidie op grond van de regeling in aanmerking komen. Wel kan zij in die hoedanigheid eventueel als derde worden ingehuurd door de deelnemers van het samenwerkingsverband. Daar waar een waterschap in het buitenland activiteiten uit gaat voeren die niet tot de Nederlandse publieke taak behoren kunnen deze activiteiten worden aangemerkt als economische activiteiten. Het waterschap wordt dan als onderneming aangemerkt voor die activiteiten (doelgroep van de regeling). Het waterschap fungeert in dat geval in het buitenland als ondersteunend en versterkend om het project (institutioneel) te borgen en daarom is het wenselijk om ze alleen als partner in een samenwerkingsverband te laten meedoen en niet als penvoerder.

In het vierde lid is opgenomen de verplichting tot het voeren van een intakegesprek met Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO.nl). De RvO.nl voert de regeling in het kader van mandaat namens de minister uit. Dat is ingegeven om een aanvrager voorafgaand aan de indiening te kunnen adviseren over de mate waarin een projectidee van de aanvrager past binnen de regeling. Aanvragers krijgen zo een realistischer beeld of het daadwerkelijk indienen van hun aanvraag perspectief heeft. Ervaring leert dat een dergelijke intake resulteert in betere projectaanvragen. Indien geen intakegesprek heeft plaatsgevonden wordt de aanvraag worden afgewezen op grond van artikel 11 van het Kaderbesluit subsidies IenM omdat niet voldaan is aan het bepaalde in de regeling.

Het intake gesprek houdt in dat een potentiële aanvrager vanaf de website van rvo (http://www.rvo.nl/subsidies-regelingen/partners-voor-water-pvw) een projectidee formulier kan downloaden. Die wordt dan gemaild of opgestuurd naar RVO.nl. Op basis daarvan wordt er een (facetime) gesprek gevoerd met de aanvrager(s). Er wordt geen schriftelijk advies gegeven. Daarbij wordt gecheckt of de aanvraag zou kunnen passen in de regeling. Er is voor gekozen om de aanvrager niet te belasten met -onnodige- administratieve lasten. De aanvrager hoeft zelf niet iets te uploaden van een bewijs bij de aanvraag. Immers in het digitaal beschikbaar gesteld aanvraagformulier wordt de vraag opgenomen of en wanneer er een intake heeft plaatsgevonden. Als er ‘nee’ wordt ingevuld dan komt er een melding in het scherm dat de aanvraag alleen kan worden ingediend nadat er een intake heeft plaatsgevonden; het is immers een formeel vereiste. Alle intakeverzoeken en de daaruit voortvloeiende afspraken komen bij RvO.nl binnen. Deze dienst kan daarom controleren of het intakegesprek inderdaad heeft plaatsgevonden

Onderdeel G

Artikel 12 bepaalt op welke wijze de rangschikking van de subsidieaanvragen plaatsvindt.

In de rangschikkingscriteria in het tweede lid speelt de vernieuwende en innovatieve Nederlandse kennis en kunde een rol.

Ondernemingen, onderzoeksorganisaties en non-gouvernementele organisaties die bij kunnen dragen aan het realiseren van de doelstelling van de regeling kunnen een subsidieaanvraag indienen. Het initiatief ligt daarbij in de sector en niet bij de overheid. Gelijktijdig ontwikkelt de Nederlandse overheid in het kader van de Internationale Waterambitie een meerjarige bilaterale relatie op het gebied van water met een select aantal landen. Dit zijn de zogenaamde deltalanden (Bangladesh, Colombia, Egypte, Indonesië, Mozambique, Myanmar en Vietnam) en delta-light landen (Argentinië, Chili, Filipijnen, Mexico, Polen, Turkije en Zuid- Afrika). De overwegingen om juist met deze landen een speciale relatie aan te gaan, komt voort uit een of meerdere doelstellingen van de IWA (het vergroten van de waterveiligheid en waterzekerheid in minstens acht stedelijke delta’s, het versterken van Nederland als Internationaal Centre of Excellence op het gebied van water en het wereldwijd vergroten van de toegevoegde waarde van Nederlandse watersector).

Deze delta- en delta-light landen kenmerken zich door een programmatische aanpak conform het Operationeel Kader van de IWA waarbij in de gouden driehoek wordt samengewerkt aan het behalen van de bilaterale waterdoelstelling voor elk land. Om synergie te creëren tussen initiatieven vanuit de sector en de programmatische aanpak op deze landen en deze verder te versterken, is ervoor gekozen deze landen bij de beoordeling extra te waarderen. Daarnaast zijn er een aantal landen waar de watersector interessante zakelijke dan wel kennisperspectieven ziet die de Nederlandse overheid ook wil ondersteunen zoals in India, Roemenië, Singapore en de Verenigde Staten.

Onderdeel H

De wijziging is erop gericht om duidelijk aan te geven wanneer een aanvraag wordt afgewezen indien een vergelijkbaar project wordt gesubsidieerd op grond van andere regelingen (geen cumulatie)

Met andere regelingen wordt gedoeld op bijvoorbeeld Fonds Duurzaam Water (FDW), Faciliteit Duurzaam Ondernemen en Voedselzekerheid (FDOV), DHI, DRIVE, Mia Water.

Van eenzelfde of vergelijkbaar project kan sprake zijn wanneer er sprake is van:

  • een project met een iets andere focus (inhoudelijk dan wel geografisch in hetzelfde land),

  • een project met een iets andere partner samenstelling,

  • een project met een iets aangepast product of een iets aangepaste technologie, dienst, aanpak,

  • een project met iets andere partnersamenstelling in een land in dezelfde regio.

Het gaat erom dat projecten die teveel lijken op projecten waarvoor eerder subsidie is verleend niet nogmaals gesubsidieerd worden. Ratio hierachter is dat overheidsgelden doelmatig ingezet moeten worden en dat subsidie is bedoeld als een initiële ondersteuning op basis waarvan aanvragers zelfstandig na afronding van het project kunnen opschalen. Subsidie is niet bedoeld om structureel de kosten te verlagen.

Onderdeel I en J

De volgorde van de bijlagen is gewijzigd. In bijlage 1 is nu de lijst van landen opgenomen waar de desbetreffende projecten al dan niet kunnen worden uitgevoerd om voor subsidie in aanmerking te komen (artikel 3). Categorie A betreft de landen waarvan de aanvraag na beoordeling 65 of meer punten heeft, 4 extra punten toegekend krijgt. Categorie C betreft een landenlijst waar geen projecten mogen worden uitgevoerd. Ten opzichte van de eerder gepubliceerde lijst is Mali daarvan afgehaald. Categorie B zijn alle landen die niet in categorie A of C voorkomen waar eveneens een aanvraag op ingediend kan worden.

In bijlage 2 is opgenomen welke punten maximaal en minimaal toegewezen kunnen worden aan ingediende projecten op grond van de criteria zoals gesteld in artikel 12.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus


X Noot
1

Kamerstukken II 2009/10, 29 279, nr. 114 en Kamerstukken II 2012/13, 29 362, nr. 224.