Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatscourant 2017, 35004Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 20 juni 2017, nr. IENM/BSK-2017/124450 houdende regels over gebruiksinformatie en technische eisen aan oplaad- en tankpunten voor alternatieve brandstoffen in verband met de implementatie van richtlijn 2014/94/EU betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (Regeling technische eisen en gebruikersinformatie over de infrastructuur van alternatieve brandstoffen)

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Gelet op artikel 5, onderdelen a, c, d, e, f en i, en artikel 6 van het Besluit infrastructuur alternatieve brandstoffen;

BESLUIT:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

bijlage II:

bijlage II bij richtlijn 2014/94/EU;

NEN:

Nederlands Normalisatie-instituut;

NEN-EN:

Europese norm die door NEN is aanvaard en wordt uitgegeven;

oplaadpunt voor hoog vermogen:

oplaadpunt met een vermogen van meer dan 22 kW waarmee elektriciteit kan worden overgebracht op een elektrisch voertuig;

oplaadpunt voor normaal vermogen:

oplaadpunt met een vermogen van hoogstens 22 kW waarmee elektriciteit kan worden overgebracht op een elektrisch voertuig, met uitzondering van voorzieningen met een vermogen van hoogstens 3,7 kW die in particuliere huishoudens zijn geïnstalleerd of waarvan de voornaamste doelstelling er niet in bestaat elektrische voertuigen op te laden en die niet publiek toegankelijk zijn.

Artikel 2

Een publiek toegankelijk oplaadpunt voor normaal vermogen voor elektrische voertuigen, met uitzondering van een draadloos of inductief apparaat, voldoet aan de technische specificaties, bedoeld in bijlage II, onder 1.1.

Artikel 3

Een publiek toegankelijk oplaadpunt voor hoog vermogen voor elektrische voertuigen, met uitzondering van een draadloos of inductief apparaat, voldoet aan de technische specificaties, bedoeld in bijlage II, onder 1.2.

Artikel 4

Een walstroomvoorziening voor zeeschepen, waaronder begrepen het ontwerp, de installatie en het testen van het systeem, voldoet aan de technische specificaties, bedoeld in bijlage II, onder 1.7.

Artikel 5

  • 1. Een waterstoftankpunt voor motorvoertuigen voldoet aan de technische specificaties, bedoeld in bijlage II, onder 2.1 en 2.3.

  • 2. De zuiverheid van de waterstof die bij waterstoftankpunten kan worden getankt, voldoet aan de technische specificaties, bedoeld in bijlage II, onder 2.2.

  • 3. Een connector voor motorvoertuigen voor het tanken van gasvormige waterstof voldoet aan de technische specificaties, bedoeld in bijlage II, onder 2.4.

Artikel 6

Een connector of aansluitpunt voor gecomprimeerd aardgas voldoet aan de technische specificaties, bedoeld in bijlage II, onder 3.3.

Artikel 7

  • 1. Ten aanzien van na 18 november 2016 op de markt gebrachte motorvoertuigen die regelmatig kunnen worden voorzien van op de markt gebrachte brandstoffen of kunnen worden opgeladen aan oplaadpunten wordt door fabrikanten, importeurs of dealers van motorvoertuigen en door houders van tank- of oplaadpunten relevante, consistente en duidelijke informatie verstrekt, die wordt meegedeeld:

    • a. in motorvoertuighandleidingen;

    • b. bij tank- of oplaadpunten;

    • c. op de motorvoertuigen; en

    • d. bij dealers van motorvoertuigen.

  • 2. De grafische weergave van de informatie, bedoeld in het eerste lid, is eenvoudig en gemakkelijk te begrijpen en op een duidelijk zichtbare manier aangebracht:

    • a. op de betreffende pompen en hun vulpistolen bij alle tankpunten, vanaf de datum waarop de brandstoffen op de markt worden gebracht;

    • b. op of in de onmiddellijke nabijheid van de brandstofkleppen van de motorvoertuigen die aanbevolen zijn voor en compatibel zijn met de desbetreffende brandstof, en in handleidingen van motorvoertuigen, wanneer deze motorvoertuigen op de markt worden gebracht na 18 november 2016.

  • 3. De informatie, bedoeld in het eerste lid, en de grafische weergave daarvan, bedoeld in het tweede lid, voldoen aan NEN-EN 16942.

Artikel 8

  • 1. Indien bij een tankstation ook alternatieve brandstoffen te koop worden aangeboden, wordt door de houder van de tank- of oplaadpunten in het overzicht van de brandstofprijzen een vergelijking tussen de prijzen per eenheid gemaakt.

  • 2. De weergave van de informatie, bedoeld in het eerste lid, is niet misleidend of verwarrend voor de gebruiker.

Artikel 9

Een wijziging van de technische specificaties in bijlage II gaat voor de toepassing van deze regeling gelden met ingang van de dag waarop aan die wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

Artikel 10

  • 1. Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit infrastructuur alternatieve brandstoffen in werking treedt.

  • 2. In afwijking van het eerste lid treden de artikelen 2 tot en met 6 in werking met ingang van 18 november 2017 en treedt artikel 7, derde lid, in werking met ingang van 12 oktober 2018.

Artikel 11

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling technische eisen en gebruikersinformatie over de infrastructuur van alternatieve brandstoffen.

Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, S.A.M. Dijksma

TOELICHTING

I. Algemeen deel

1. Inleiding

Deze regeling stelt nadere eisen ter uitvoering van het Besluit infrastructuur alternatieve brandstoffen. Het gaat daarbij om het voldoen aan technische specificaties met betrekking tot oplaadpunten voor elektrische motorvoertuigen, walstroomvoorzieningen, waterstoftankpunten, connectoren voor het tanken van gasvormige waterstof en connectoren of aansluitpunten voor gecomprimeerd aardgas. Daarnaast stelt de regeling eisen aan informatievoorziening door houders van tank- en oplaadpunten en door fabrikanten, importeurs en dealers van motorvoertuigen aan de consument over het gebruik van de juiste brandstof voor deze motorvoertuigen.

Het Besluit infrastructuur alternatieve brandstoffen strekt tot implementatie van Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (PbEU 2014, L 307) (hierna: richtlijn 2014/94/EU).

Het ontbreken van een infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en van gemeenschappelijke technische specificaties voor de hieraan gekoppelde voertuiginfrastructuur wordt beschouwd als de grootste belemmering voor de marktintroductie van alternatieve brandstoffen en de acceptatie door de consumenten. Het doel van richtlijn 2014/94/EU is niet alleen te zorgen voor de ontwikkeling van een infrastructuur voor alternatieve brandstoffen, maar ook gemeenschappelijke technische specificaties voor deze infrastructuur in de Unie ten uitvoer te leggen. Doel is de marktwerking te bevorderen en een bijdrage te leveren aan de economische groei in Europa.

Richtlijn 2014/94/EU beoogt elektrisch vervoer te bevorderen door te zorgen voor een goede Europese laadinfrastructuur. Die ontstaat als elektrische auto’s bij zoveel mogelijk oplaadpunten kunnen laden. Hiervoor is interoperabiliteit nodig. Concreet betekent dit dat elektrische auto’s gebruikmaken van eenzelfde stekker, zodat elektrische auto’s bij dezelfde laadpalen kunnen laden zonder verloopstukken en dergelijke. Hierdoor is er geen verschillende laadinfrastructuur nodig voor verschillende types elektrische auto’s. De technische eisen die worden gesteld in het kader van interoperabiliteit zijn enkel van toepassing op publiek toegankelijke oplaadpunten. Deze eisen gelden niet voor oplaadpunten die niet beschikbaar zijn voor het algemene publiek, omdat het van toepassing verklaren van de technische eisen op deze punten zal leiden tot onnodige kosten. De technische eisen vereisen in sommige gevallen aanpassingen die geen toegevoegde waarde hebben voor het algemene publiek, aangezien zij geen toegang hebben tot deze laadpalen. Te denken valt aan oplaadpunten die vanuit bedrijfsoogpunt voor een specifieke doelgroep zijn neergezet, bijvoorbeeld voor elektrische taxi’s of bedrijfswagens en die gebruikmaken van een andere soort stekker dan de Europese standaard. Met de verduidelijking dat de in richtlijn 2014/94/EU gestelde technische eisen alleen van toepassing zijn op publiek toegankelijke oplaadpalen, wordt aangesloten bij de doelstelling om te zorgen voor een kosteneffectieve uitrol van laadinfrastructuur.

2. Uitvoering en handhaving

Conform het Besluit infrastructuur alternatieve brandstoffen ziet de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (hierna: NVWA) toe op de naleving van de artikelen 2 tot en met 4 en de artikelen 7 en 8.

De Regionale Uitvoeringsdiensten (hierna: RUD’s) zien toe op de naleving van de artikelen 5, eerste en derde lid, en artikel 6.

De Inspectie voor de Leefomgeving en het Transport (hierna: ILT) ziet toe op de naleving van artikel 5, tweede lid.

De regeling is met de NVWA, de RUD’s en de ILT afgestemd. Zij achten de regeling uitvoerbaar.

3. Gevolgen

De implementatie van richtlijn 2014/94/EU brengt geen administratieve lasten met zich mee. De nalevingskosten ervan zijn aan de orde gekomen bij de voorbereiding van het Besluit infrastructuur alternatieve brandstoffen en verantwoord in de nota van toelichting bij dat besluit. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen.

4. Inspraak

Deze regeling is voor inspraak voorgelegd aan de transport- en mobiliteitsector. Door de RAI Vereniging (Rijwiel en Automobiel Industrie) is gevraagd wat het verlenen van terugwerkende kracht aan de regeling voor de sector betekent. Daarnaast heeft de RAI gevraagd in hoeverre er voorafgaand aan toepassing van NEN-EN 16942 zal worden gehandhaafd op uit de regeling voortvloeiende informatieverplichtingen.

Met betrekking tot de inwerkingtreding van de regeling geldt dat hieraan geen terugwerkende kracht is verleend. Er hoeft derhalve niet met terugwerkende kracht aan de regeling te worden voldaan.

Voor motorvoertuigen die na 18 november 2016 op de markt worden gebracht, gelden na inwerkingtreding van deze regeling de informatieverplichtingen van artikel 7, eerste en tweede lid. In de meeste gevallen zal reeds aan deze meer algemeen geformuleerde verplichtingen zijn voldaan. Ingevolge deze leden van artikel 7 zijn houders van oplaad- en tankpunten, fabrikanten, importeurs en dealers gehouden om de consument te informeren over het gebruik van alternatieve brandstoffen in de daarvoor bestemde voertuigen. Handhaving zal, waar nodig, zeker kort na de inwerkingtreding van de regeling, eerst informerend van aard zijn. In de praktijk zal er vanaf de inwerkingtreding van deze regeling een overgangsperiode zijn naar de normen in NEN-EN 16942 die met ingang van 12 oktober 2018 verplicht zijn. Hierop ziet het derde lid van artikel 7. Zie nader de toelichting bij artikel 7.

II. Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

De begripsbepalingen in artikel 1 zijn (met uitzondering van ‘NEN’ en ‘NEN-EN’) direct ontleend aan richtlijn 2014/94/EU.

Artikel 2

Publiek toegankelijke oplaadpunten voor normaal vermogen voor elektrische motorvoertuigen dienen vanwege de interoperabiliteit ten minste te zijn uitgerust met contactdozen en connectoren van het ‘type 2’. Wat onder ‘type 2’ dient te worden verstaan, is nader omschreven in NEN-EN-IEC 62196-2. In deze norm worden de afmetingen voor de aansluitbaarheid en uitwisselbaarheid beschreven, alsook de elektrotechnische voorwaarden hiervoor.

Artikel 3

Technisch gezien kan onderscheid gemaakt worden tussen wisselstroom (AC) en gelijkstroom (DC) hoogvermogen laden (snelladen). Het verschil is dat bij AC-laden de omvormer zich in het voertuig bevindt en bij DC-laden bij het oplaadpunt. De staande praktijk is dat hoogvermogen laden bijna altijd met gelijkstroom (DC) gebeurt. Publiek toegankelijke oplaadpunten voor hoog vermogen met wisselstroom (AC) voor elektrische motorvoertuigen dienen vanwege de interoperabiliteit ten minste te zijn uitgerust met contactdozen en connectoren van het ‘type 2’. Uit bijlage II onder 1.2 volgt dat de technische specificaties hiervan nader omschreven zijn in EN 62196-2 (voor Nederland: NEN-EN-IEC 62196-2). In deze norm worden de afmetingen voor de aansluitbaarheid en uitwisselbaarheid beschreven, alsmede de elektrotechnische voorwaarden hiervoor.

Publiek toegankelijke oplaadpunten voor hoog vermogen met gelijkstroom (DC) voor elektrische motorvoertuigen dienen vanwege de interoperabiliteit ten minste te zijn uitgerust met contactdozen en connectoren van het type ‘Combo 2’. Wat onder type ‘Combo 2’ dient te worden verstaan, is nader omschreven in NEN-EN-IEC 62196-3. In deze norm worden, evenals in voornoemde norm, de afmetingen voor de aansluitbaarheid en uitwisselbaarheid en de elektrotechnische voorwaarden hiervoor beschreven.

Artikel 4

Walstroomvoorzieningen voor zeeschepen – inclusief het ontwerp, de installatie en het testen van de systemen – dienen te voldoen aan de technische specificaties van NEN-ISO/IEC/IEEE 80005-1. Deze norm is door vier instanties, het Nederlands Normalisatie-instituut, de International Electrotechnical Commission (IEC), de International Standard Organisation (ISO) en het Institute of Electrical and Electronics Engineers (IEEE) geadopteerd en beschrijft de normen voor walstroominstallaties met hoog vermogen, zowel op de landzijde als aan boord van schepen. Het gaat om de wijze van installeren, het ontwerp en het testen van deze installaties.

Artikel 5

Waterstoftankpunten in de open lucht waar gasvormige waterstof kan worden getankt voor gebruik in motorvoertuigen dienen volgens punt 2.1 van bijlage II te voldoen aan de technische voorschriften die zijn opgenomen in de technische specificatie ISO/TS 20100.

Waterstoftankpunten dienen volgens punt 2.3 van bijlage II gebruik te maken van algoritmen en apparatuur die eveneens dienen te voldoen aan de technische voorschriften die zijn opgenomen in de technische specificatie ISO/TS 20100.

De door de ISO goedgekeurde norm ISO/TS 20100 zag in zijn algemeenheid op de kenmerken van openbare en niet-openbare waterstoftankpunten in de openlucht voor het tanken van waterstof voor alle soorten landvoertuigen. ISO/TS 20100 is inmiddels ingetrokken. Er is op dit moment een nieuwe Europese norm in ontwikkeling. Omdat in artikel 5 dynamisch wordt verwezen naar de bijlage II, behoeft dit artikel naar aanleiding hiervan geen aanpassing. Daarom zal over deze nieuwe norm langs andere weg met de transport- en mobiliteitsector worden gecommuniceerd.

De zuiverheid van de waterstof die bij waterstoftankpunten voor motorvoertuigen kan worden getankt, dient volgens punt 2.2 van bijlage II te voldoen aan de technische specificaties van de ISO 14687-2-norm. Deze door ISO goedgekeurde norm ziet op de kwaliteitskenmerken van waterstof om de uniformiteit daarvan te verzekeren ten behoeve van het gebruik van waterstof door middel van Proton Exchange Membrane (PEM)-technologie voor brandstofcellen in wegvoertuigen. Inmiddels wordt gewerkt aan een nieuwe norm die op dit moment bekend staat als ISO CD14687. Deze norm zal zien op de kwaliteit van waterstof in zijn algemeenheid, zonder specifiek te zijn over de toepassing daarvan.

Connectoren voor motorvoertuigen voor het tanken van gasvormige waterstof dienen volgens punt 2.4 van bijlage II te voldoen aan de ISO 17268-norm (voor Nederland: NEN-EN-ISO 17268) voor connectieapparatuur voor de brandstofvoorziening van motorvoertuigen op gasvormige waterstof. Deze door de ISO goedgekeurde norm ziet op het ontwerp, de veiligheid en de werking van connectoren (meer specifiek vulkoppelingen).

Artikel 6

Connectoren of aansluitpunten voor motorvoertuigen voor het tanken van gecomprimeerd aardgas dienen te voldoen aan het door de Europese economische commissie van de Verenigde Naties opgestelde UNECE-Reglement nr. 110 (dat verwijst naar ISO 14469, delen I en II). Dit reglement bevat veiligheidsvoorschriften voor onderdelen en systemen die zijn geïnstalleerd in motorvoertuigen die op aardgas rijden.

Artikel 7

Dit artikel implementeert artikel 7, eerste en tweede lid, van richtlijn 2014/94/EU en schrijft voor op welke wijzen met betrekking tot na 18 november 2016 op de markt gebrachte motorvoertuigen informatie beschikbaar dient te zijn betreffende het gebruik van brandstoffen en het opladen aan oplaadpunten. Die informatie dient door fabrikanten, importeurs en dealers van motorvoertuigen te worden meegedeeld in motorvoertuighandleidingen, op de motorvoertuigen en bij dealers van motorvoertuigen. De houders van tank- en oplaadpunten zijn verantwoordelijk voor de informatie op de tank- en oplaadpunten (voor tankpunten op de pompen en de vulpistolen).

In de Nederlandse vertaling van artikel 7, eerste lid, van richtlijn 2014/94/EU wordt gesproken over motorvoertuigen die na 18 november 2016 ‘op de markt worden gebracht’. Met dit laatste wordt gedoeld op in de handel gebrachte motorvoertuigen. In Europeesrechtelijke context is hiervan sprake wanneer het motorvoertuig voor het eerst op de markt van de Europese Unie wordt aangeboden. Deze handeling is voorbehouden aan fabrikanten of importeurs. Als een fabrikant of een importeur een motorvoertuig voor het eerst aan een distributeur of een eindgebruiker levert, wordt deze handeling in juridische termen ‘in de handel brengen’ genoemd. Elke handeling daarna, zoals van distributeur naar distributeur of van distributeur naar eindgebruiker, wordt aanbieden genoemd1.

Op grond van artikel 7, eerste lid, van richtlijn 2014/94/EU gelden de verplichtingen van artikel 7 van deze regeling ook voor dealers van motorvoertuigen. Daarbij valt te denken aan de (overgangs)situatie dat motorvoertuigen al wel in de handel zijn gebracht, maar nog niet aan de in dit artikel genoemde verplichtingen voldoen.

De in artikel 7 bedoelde informatie moet ervoor zorgen dat een motorvoertuig met de juiste brandstof wordt getankt of opgeladen. Om die informatie op Europees niveau eenduidig te krijgen, is een Europese norm opgesteld: NEN-EN 16942. Hierin wordt bepaald hoe de grafische weergave er uit moet zien die op motorvoertuigen, in de handleidingen ervan, bij dealers van motorvoertuigen en op pompen en vulpistolen bij tankstations moet worden aangebracht. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen drie verschillende soorten brandstof: benzine, diesel en gas. De grafische weergave met betrekking tot benzine is rond, die voor diesel is vierkant en die voor gasvormige brandstoffen is ruitvorming. Daarin bevindt zich een letter-cijfercombinatie die het type brandstof weergeeft. De symbolen van de grafische weergave zijn zwart, tegen een witte of zilverkleurige achtergrond.

Artikel 8

Dit artikel implementeert artikel 7, derde lid, van richtlijn 2014/94/EU.

Het betreft de situatie dat er bij een tankstation naast conventionele brandstoffen ook alternatieve brandstoffen te koop worden aangeboden. Door de prijzen van conventionele en alternatieve brandstoffen onderling te kunnen vergelijken, kan de consument beter de relatieve kosten van deze brandstoffen beoordelen. De prijs van een eenheid van een alternatieve brandstof kan bijvoorbeeld worden vergeleken met de prijs van een eenheid van een conventionele brandstof: ‘equivalent van 1 liter benzine’.

Artikel 9

Conform Aanwijzing 336 van de Aanwijzingen voor de regelgeving wordt bij een dynamische verwijzing naar bepalingen van een EU-richtlijn afzonderlijk aangegeven vanaf welk tijdstip wijzigingen van de desbetreffende bepalingen doorwerken in het Nederlandse recht. Het verwijzen naar een bepaling van bindende EU-rechtshandelingen zoals deze met inbegrip van toekomstige wijzigingen zal luiden (dynamische verwijzing), geschiedt door de enkele verwijzing in de tekst van de implementatieregeling naar de tekst van de Europese bepaling. Artikel 9 geeft hieraan invulling.

Artikel 10

De Regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit infrastructuur alternatieve brandstoffen in werking treedt: 24 juni 2017.

De artikelen 2 tot en met 6 treden echter in werking met ingang van 18 november 2017. Het betreft hier oplaad- tankpunten en -voorzieningen welke voor het eerst in gebruik zijn genomen vanaf 18 november 2017 of welke met ingang van 18 november 2017 worden vernieuwd.

Voor de inwerkingtreding van artikel 7, derde lid, wordt aangesloten bij de datum van aanvaarding van NEN-EN 16942 (12 oktober 2016). Conform artikel 7, vijfde lid, van richtlijn 2014/94/EU zijn de daarin opgenomen informatievereisten van toepassing 24 maanden na aanvaarding: 12 oktober 2018.

Gelet op het belang van een tijdige implementatie van richtlijn 2014/94/EU is afgeweken van de vaste verandermomenten en een minimuminvoeringstermijn van twee maanden tussen publicatie en inwerkingtreding van de regeling, op grond van de afwijkingsmogelijkheid die is vermeld in aanwijzing 174, vierde lid, onder d, van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, S.A.M. Dijksma


X Noot
1

Richtlijnen voor de uitvoering van de productvoorschriften van de EU (de ‘Blauwe Gids’) 2016 (PbEU 2016, C272/01, p. 18 e.v.)