Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
GroningenStaatscourant 2017, 32149Instelling gemeenschappelijke regelingen



Gemeenschappelijke regeling Noordelijk Belastingkantoor

Logo Groningen

HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE GRONINGEN, HET DAGELIJKS BESTUUR VAN WATERSCHAP NOORDERZIJLVEST, HET DAGELIJKS BESTUUR VAN WATERSCHAP HUNZE EN AA’S EN HET DAGELIJKS BESTUUR VAN WETTERSKIP FRYSLÂN;

 

Overwegende dat

de dagelijks besturen van de waterschappen Noorderzijlvest, Hunze en Aa’s en Wetterskip Fryslân en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen uit overwegingen van kwaliteit, continuïteit en efficiency hebben besloten tot samenwerking bij de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken en de heffing en invordering van waterschapsbelastingen en gemeentelijke belastingen;

 

de belastingsamenwerking wordt ondergebracht in het ‘Noordelijk Belastingkantoor’;

 

het Noordelijk Belastingkantoor:

  • hét kantoor in het noorden van Nederland wil zijn voor de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken en de heffing en invordering van waterschapsbelastingen en gemeentelijke belastingen;

  • dankzij de bundeling van kennis lokale overheden vernieuwend en efficiënt kan ondersteunen bij de uitvoering van hun belastingtaken, nu en in de toekomst;

  • klantgericht en wendbaar is, respectvol omgaat met zijn klanten en staat voor kwaliteit;

  • de werkzaamheden uitvoert tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten;

  • een groeiende groep overheden wil ondersteunen bij de uitvoering van hun belastingtaken;

het gewenst is de samenwerking vorm te geven op basis van een gemeenschappelijke regeling;

 

Gelet op

artikel 8, lid 3 en hoofdstuk V van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

artikel 232, vierde lid, van de Gemeentewet;

artikel 124, vijfde lid, van de Waterschapswet;

artikel 30, achtste lid, van de Wet waardering onroerende zaken;

titel 10.1 van de Algemene wet bestuursrecht;

Hebben besloten

 

de navolgende gemeenschappelijke regeling te treffen:

 

Gemeenschappelijke Regeling Noordelijk Belastingkantoor

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    belastingambtenaar: door het bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 232, vierde lid, onder c, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 124, vijfde lid, onder c, van de Waterschapswet;

  • b.

    belastingdeurwaarder: door het bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 232, vierde lid, onder d, van de Gemeentewet, respectievelijk artikel 124, vijfde lid, onder d, van de Waterschapswet;

  • c.

    belastingen: gemeentelijke belastingen en waterschapsbelastingen;

  • d.

    belastingverordening: verordeningen van de deelnemers tot heffing en invordering van belasting als bedoeld in artikel 216 van de Gemeentewet en artikel 110 van de Waterschapswet;

  • e.

    besturen van de deelnemers: colleges van burgemeester en wethouders en dagelijkse besturen van de deelnemers;

  • f.

    bestuur: bestuur van het samenwerkingsverband;

  • g.

    deelnemende gemeenten: gemeente Groningen en gemeenten die na de inwerkingtreding van de regeling toetreden tot de regeling;

  • h.

    deelnemende waterschappen: waterschappen Noorderzijlvest en Hunze en Aa’s, Wetterskip Fryslân en waterschappen die na de inwerkingtreding van de regeling toetreden tot de regeling;

  • i.

    deelnemers: gemeente Groningen, waterschappen Noorderzijlvest en Hunze en Aa’s, Wetterskip Fryslân en gemeenten en waterschappen die na de inwerkingtreding van de regeling toetreden tot de regeling;

  • j.

    directeur: door het bestuur van het samenwerkingsverband benoemde directeur die tevens de bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden is;

  • k.

    gemeentelijke belastingen: belastingen die de gemeente heft en waarvan de heffing en invordering op grond van artikel 4 is overgedragen aan het samenwerkingsverband;

  • l.

    heffingsambtenaar: door het bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 232, vierde lid, onder a, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 124, vijfde lid, onder a, van de Waterschapswet, bevoegd tot heffing van belastingen en tot uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken;

  • m.

    invorderingsambtenaar: door het bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 232, vierde lid, onder b, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 124, vijfde lid, onder b, van de Waterschapswet, bevoegd tot invordering van belastingen;

  • n.

    kwijtscheldingsregels: door de vertegenwoordigende organen van de deelnemers vastgestelde regels als bedoeld in artikel 255, derde en vierde lid, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 144, derde en vierde lid, van de Waterschapswet;

  • o.

    nadere regels: nadere regels ter uitvoering van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, van de Invorderingswet 1990 en van de belastingverordening;

  • p.

    regeling: gemeenschappelijke regeling Noordelijk Belastingkantoor;

  • q.

    samenwerkingsverband: bedrijfsvoeringsorganisatie Noordelijk Belastingkantoor;

  • r.

    vertegenwoordigende organen: algemene besturen van de deelnemende waterschappen en gemeenteraden van de deelnemende gemeenten;

  • s.

    voorzitter: voorzitter van het bestuur van het samenwerkingsverband;

  • t.

    waterschapsbelastingen: belastingen die de deelnemende waterschappen heffen als bedoeld in artikel 113 van de Waterschapswet.

Artikel 2 Belang

In het kader van deze regeling worden de belangen van de deelnemers behartigd, elk voor zover het hun grond- of beheersgebied betreft, op het gebied van de heffing en invordering van belastingen, de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken en de uitvoering van de Basisregistraties Adressen en Gebouwen.

Artikel 3 De bedrijfsvoeringsorganisatie

  • 1.

    Er is een bedrijfsvoeringsorganisatie, als bedoeld in artikel 8, derde lid, in samenhang met artikel 62 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, genaamd Noordelijk Belastingkantoor.

  • 2.

    Het samenwerkingsverband is gevestigd te Groningen.

Artikel 4 Taken

  • 1.

    Het bestuur heeft tot taak het uitvoeren van:

    • a.

      heffing en invordering van alle belastingen op grond van artikel 113 Waterschapswet die door de dagelijkse besturen van de deelnemende waterschappen aan het samenwerkingsverband zijn overgedragen;

    • b.

      heffing en invordering van alle belastingen op grond van artikel 219 Gemeentewet die door de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten aan het samenwerkingsverband zijn overgedragen;

    • c.

      de Wet waardering onroerende zaken.

  • 2.

    Onder de taken bedoeld in het eerste lid worden mede begrepen de daartoe behorende ondersteunende processen.

  • 3.

    Het bestuur dient bij de uitoefening van de taken als bedoeld in het eerste lid uitvoering te geven aan de door ieder van de deelnemers vastgestelde van toepassing zijnde verordeningen en eventuele andere ter zake van de uitoefening van bevoegdheid gegeven beleidsregels.

  • 4.

    Het bestuur maakt met de besturen van de deelnemers afspraken over de kwaliteit van de te leveren diensten en legt deze vast in een dienstverleningsovereenkomst dien aangaande.

  • 5.

    Het bestuur is bevoegd dienstverleningsovereenkomsten aan te gaan met andere overheden.

Artikel 5 Overdracht wettelijke bevoegdheden

  • 1.

    De besturen van de deelnemers dragen aan het bestuur de bevoegdheden over die nodig zijn voor de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de belangen genoemd in artikel 2.

  • 2.

    De werkzaamheden worden nader omschreven in dienstverleningsovereenkomsten.

Artikel 6 Overgedragen overige bevoegdheden

  • 1.

    Het bestuur is bevoegd tot regeling en bestuur ter behartiging van de belangen van de deelnemers voor zover betrekking hebbend op de opgedragen taken genoemd in artikel 4.

  • 2.

    Het bestuur is bevoegd de regelingen vast te stellen, die krachtens de wet voor de organisatie van het samenwerkingsverband moeten worden vastgesteld.

  • 3.

    Het bestuur neemt, ook alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit.

  • 4.

    Het bestuur beheert de inkomsten, uitgaven en het vermogen van het samenwerkingsverband.

  • 5.

    Het bestuur houdt een register bij van de belastingverordeningen van de deelnemers. In het register worden tevens de bij die belastingverordeningen behorende kwijtscheldingsregels opgenomen.

  • 6.

    Het bestuur kan mandaat verlenen aan een of meer leden van het bestuur en aan de directeur. Het bestuur kan de directeur toestaan ondermandaat te verlenen.

  • 7.

    Het bestuur is bevoegd tot het geheel of gedeeltelijk oninbaar verklaren van de belasting.

  • 8.

    De besturen van de deelnemers kunnen taken en bevoegdheden in het kader van de Basisregistraties Adressen en Gebouwen overdragen of opdragen aan het bestuur.

  • 9.

    Het bestuur kan slechts dan besluiten tot het deelnemen in een gemeenschappelijke regeling dan wel toetreden tot een andere rechtspersoon wanneer elk van de besturen van de deelnemers met een daartoe strekkend voorstel heeft ingestemd.

Hoofdstuk 2 Bestuur

Artikel 7 Samenstelling

  • 1.

    Elk van de besturen van de deelnemers wijst uit zijn midden een lid aan dat hem in het bestuur vertegenwoordigt.

  • 2.

    De leden van het bestuur worden aangewezen voor de duur van de zittingsperiode van de besturen van de deelnemers.

  • 3.

    Indien tussentijds binnen het bestuur een plaats vacant of beschikbaar komt, wijst het bestuur van de deelnemer die het aangaat in zijn eerstvolgende vergadering, of als dit niet mogelijk is, ten spoedigste daarna, een nieuw lid aan.

  • 4.

    Hij die ter vervulling van een tussentijdse vacature als lid van het bestuur wordt benoemd, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou hebben moeten aftreden.

  • 5.

    Een lid van het bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij deelt zijn ontslag mee aan het bestuur van de deelnemer die het aangaat. Het betreffende bestuur doet mededeling van het ontslag aan het bestuur. Het lid houdt zitting in het bestuur totdat in de opvolging is voorzien.

  • 6.

    Voor ieder lid van het bestuur wordt tevens een plaatsvervangend lid aangewezen door het bestuur van de deelnemer die het lid heeft aangewezen. Op het plaatsvervangend lid zijn het tweede tot en met vijfde lid alsmede artikel 11 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8 Besluitvorming

  • 1.

    De vergadering van het bestuur wordt niet geopend voordat uit de presentielijst blijkt dat meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.

  • 2.

    Indien ingevolge het eerste lid de vergadering niet kan worden geopend, belegt de voorzitter onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de oproeping is gelegen.

  • 3.

    Ieder lid van het bestuur heeft één stem.

  • 4.

    Voor het tot stand komen van een besluit bij stemming is de meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht.

  • 5.

    Indien de stemmen staken wordt het nemen van een besluit uitgesteld tot een volgende vergadering.

  • 6.

    Indien de stemmen staken in een opnieuw belegde vergadering is het voorstel verworpen.

  • 7.

    In afwijking van het vierde lid is voor het tot stand komen van de navolgende besluiten unanimiteit vereist:

    • a.

      een besluit omtrent de voorwaarden voor toetreding van een nieuwe deelnemer, in aanvulling op het bepaalde in artikel 24;

    • b.

      een besluit omtrent de voorwaarden voor uittreding van een deelnemer, in aanvulling op het bepaalde in artikel 25;

    • c.

      een besluit tot het doen van een voorstel aan de besturen van de deelnemers om de gemeenschappelijke regeling te wijzigen;

    • d.

      een besluit van financiële aard dat niet het belang van alle deelnemers dient;

    • e.

      een besluit inzake de kostenverhoudingen en kostentoedeling;

    • f.

      een besluit tot benoeming, schorsing of ontslag van de directeur.

Artikel 9 Openbaarheid vergaderingen

Het bestuur bepaalt of een vergadering openbaar of besloten is.

Artikel 10 Voorzitter

  • 1.

    Het bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter aan.

  • 2.

    Het bestuur kan de voorzitter of de plaatsvervangend voorzitter schorsen of ontslaan.

  • 3.

    De voorzitter leidt de vergaderingen van het bestuur.

  • 4.

    De voorzitter ondertekent de van het bestuur uitgaande stukken.

  • 5.

    De voorzitter vertegenwoordigt het samenwerkingsverband in en buiten rechte.

Artikel 11 Ontslag

De besturen van de deelnemers kunnen het door hen in het bestuur aangewezen lid te allen tijde ontslaan wanneer dit lid het vertrouwen van het desbetreffende bestuur van de deelnemer niet langer bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 7:1 Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 12 Reglement van orde

Het bestuur stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast. Daarin zijn in ieder geval opgenomen regels over oproeping, openbaarheid van de vergaderingen bedoeld in artikel 9, wijze van stemmen en vergaderorde.

Artikel 13 Inlichtingen en verantwoording

  • 1.

    Het bestuur verstrekt de vertegenwoordigende organen schriftelijk alle inlichtingen die door een of meer leden van die organen worden gevraagd.

  • 2.

    Een lid van het bestuur geeft aan het bestuur van de deelnemer dat hem heeft aangewezen schriftelijk dan wel mondeling alle inlichtingen die door een of meer leden van dit bestuur worden gevraagd.

  • 3.

    Ieder van de besturen van de deelnemers regelt afzonderlijk hoe het lid van het bestuur dat het heeft aangewezen ter verantwoording kan worden geroepen voor het door hem in het bestuur gevoerde beleid.

Hoofdstuk 3 Overige bestuursorganen

Artikel 14 Aanwijzingsbesluiten

Het samenwerkingsverband heeft één of meer door het bestuur aan te wijzen heffingsambtenaren, invorderingsambtenaren, belastingambtenaren en belastingdeurwaarders.

Artikel 15 Heffingsambtenaar

  • 1.

    De heffingsambtenaar heeft ter zake van de belastingen en de Wet waardering onroerende zaken de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de geldende wet- en regelgeving zijn toegekend aan de inspecteur, respectievelijk de ambtenaar belast met de heffing van de deelnemers.

  • 2.

    Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid past de heffingsambtenaar de nadere regels en beleidsregels toe die het bestuur heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.

Artikel 16 Invorderingsambtenaar

  • 1.

    De invorderingsambtenaar heeft ter zake van de belastingen de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de geldende wet- en regelgeving zijn toegekend aan de ontvanger, respectievelijk de ambtenaar belast met de invordering van de deelnemers.

  • 2.

    Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid past de invorderingsambtenaar de nadere regels en beleidsregels toe die het bestuur heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.

Artikel 17 Belastingambtenaar

  • 1.

    De belastingambtenaar heeft ter zake van de belastingen en de Wet waardering onroerende zaken de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de geldende wet- en regelgeving zijn toegekend aan de ambtenaren van de Rijksbelastingdienst, respectievelijk de ambtenaar belast met de heffing of invordering van de deelnemers als bedoeld in artikel 231, tweede lid onder d, van de Gemeentewet en artikel 123, derde lid onder d, van de Waterschapswet.

  • 2.

    Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid past de belastingambtenaar de nadere regels en beleidsregels toe die het bestuur heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.

Artikel 18 Belastingdeurwaarder

  • 1.

    De belastingdeurwaarder heeft ter zake van de belastingen de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de geldende wet- en regelgeving zijn toegekend aan de belastingdeurwaarder.

  • 2.

    Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid past de belastingdeurwaarder de nadere regels en beleidsregels toe die het bestuur heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.

Hoofdstuk 4 Organisatie

Artikel 19 Directeur

  • 1.

    De directeur wordt door het bestuur benoemd, geschorst en ontslagen.

  • 2.

    De directeur heeft de dagelijkse leiding van het samenwerkingsverband.

  • 3.

    Het bestuur regelt de vervanging van de directeur.

  • 4.

    De directeur staat het bestuur en de voorzitter terzijde bij de uitoefening van hun taken.

  • 5.

    De directeur fungeert als ambtelijk secretaris van de vergaderingen van het bestuur.

  • 6.

    De directeur woont de vergaderingen van het bestuur bij en heeft in de vergadering een adviserende stem.

  • 7.

    De directeur medeondertekent de stukken die van het bestuur uitgaan.

Artikel 20 Ambtelijke organisatie

  • 1.

    Het samenwerkingsverband heeft een ambtelijke organisatie, die onder leiding staat van de directeur.

  • 2.

    Het bestuur stelt ten behoeve van het personeel de rechtspositionele regeling vast.

  • 3.

    De bindende regelingen van de Sectorale Arbeidsvoorwaardenregelingen Waterschapspersoneel (SAW) worden gevolgd, tenzij het bestuur andere rechtspositionele regels vaststelt.

  • 4.

    Het bestuur stelt een directiestatuut vast waarin de taken en bevoegdheden van de directeur zijn opgenomen.

  • 5.

    De ambtenaren worden aangesteld, geschorst en ontslagen door het bestuur.

Artikel 21 Archief

  • 1.

    Het bestuur draagt de zorg voor de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het samenwerkingsverband.

  • 2.

    Het bestuur stelt, met inachtneming van de Archiefwet 1995, regels vast omtrent de zorg voor de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, alsmede omtrent het toezicht daarop.

  • 3.

    In geval van toetreding, uittreding of opheffing van de regeling draagt het bestuur zorg voor het treffen van voorzieningen voor de archiefbescheiden.

  • 4.

    Het bestuur wijst een archiefbewaarplaats aan ten behoeve van de op grond van de Archiefwet over te brengen archiefbescheiden.

Hoofdstuk 5 Regeling

Artikel 22 Duur

De regeling wordt voor onbepaalde tijd getroffen.

Artikel 23 Wijziging

  • 1.

    De regeling kan worden gewijzigd bij daartoe strekkende eensluidende besluiten van de besturen van de deelnemers, onverminderd het bepaalde in artikel 61, tweede lid en derde lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

  • 2.

    Het bestuur kan een voorstel tot wijziging voorleggen aan de besturen van de deelnemers. Een voorstel tot wijziging kan ook worden ingediend bij het bestuur door ten minste twee besturen van deelnemers. Het bestuur zendt het voorstel, bedoeld in de vorige volzin, onverwijld door aan de besturen van de deelnemers.

Artikel 24 Toetreding

  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente of een dagelijks bestuur van een waterschap dat wenst toe te treden, dient hiertoe een verzoek in bij het bestuur. Het college van de desbetreffende gemeente of het dagelijks bestuur van het desbetreffende waterschap voegt hierbij het besluit tot toestemming van de gemeenteraad respectievelijk het algemeen bestuur van het waterschap als bedoeld in artikel 61, tweede en derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

  • 2.

    Toetreding kan geschieden nadat de besturen van de deelnemers en het toetredende bestuursorgaan hiertoe eensluidend hebben besloten.

  • 3.

    Het bestuur kan algemene of specifieke regels stellen omtrent de toetreding van een college van burgemeester en wethouders van een gemeente of een dagelijks bestuur van een waterschap.

Artikel 25 Uittreding

  • 1.

    Gedurende vijf jaar na de datum van toetreding tot de regeling is uittreding niet mogelijk. De uittreding geschiedt per 1 januari van enig kalenderjaar.

  • 2.

    Het voornemen tot uittreding wordt door het bestuur van de betreffende deelnemer schriftelijk aan het bestuur meegedeeld.

  • 3.

    Na de ontvangst van de in het tweede lid vermelde kennisgeving wordt aan een door het bestuur aan te wijzen onafhankelijke derde opdracht verleend binnen een termijn van zes maanden een liquidatieplan op te stellen, als ware tot opheffing van de regeling besloten.

  • 4.

    Op grond van het in het derde lid opgestelde liquidatieplan besluit het bestuur van de betreffende deelnemer of daadwerkelijk tot uittreding wordt overgegaan. Het bestuur van de betreffende deelnemer besluit hiertoe niet dan nadat het toestemming van zijn vertegenwoordigend orgaan heeft gekregen als bedoeld in artikel 61, tweede en derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Het bestuur van de betreffende deelnemer maakt binnen zes maanden na ontvangst van het liquidatieplan aan het bestuur kenbaar of het daadwerkelijk uittreedt.

  • 5.

    Indien kenbaar is gemaakt dat het bestuur van de deelnemer daadwerkelijk uittreedt, stelt het bestuur het liquidatieplan vast. De in het liquidatieplan omschreven financiële verplichtingen zijn voor de uittredende deelnemer bindend.

  • 6.

    Nadat het liquidatieplan is vastgesteld is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden de daarin voor hem omschreven financiële verplichtingen aan het samenwerkingsverband te voldoen.

  • 7.

    De kosten van het opstellen van het liquidatieplan komen voor rekening van de deelnemer die het voornemen heeft om uit te treden.

Artikel 26 Opheffing

  • 1.

    Opheffing kan geschieden nadat de besturen van de deelnemers daartoe unaniem hebben besloten.

  • 2.

    Bij opheffing van de regeling wordt een liquidatieplan opgesteld. Artikel 25, derde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 6 Financiën

Artikel 27 Kostentoerekening

  • 1.

    Het bestuur stelt jaarlijks, als onderdeel van de begroting, de toerekening van de kosten vast voor de uitvoering van de taken als bedoeld in artikel 4.

  • 2.

    Het bestuur stelt de methode en richtlijnen voor de kostentoerekening vast.

Artikel 28 Begroting

  • 1.

    De begroting wordt vastgesteld, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 67, 67a en 68 Wet gemeenschappelijke regelingen.

  • 2.

    Besluiten tot wijziging van de begroting kunnen tot uiterlijk het eind van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen.

Artikel 29 Jaarrekening

Het bestuur legt over elk begrotingsjaar verantwoording af aan de besturen van de deelnemers over het door hem gevoerde bestuur, onder overlegging van de jaarrekening en het jaarverslag, onverminderd het bepaalde in de artikelen 67, 67a en 68 Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 30 Garantstelling

De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat het samenwerkingsverband te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te voldoen.

Hoofdstuk 7 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 31 Overgangsrecht

Alle lopende belastingzaken en/of bezwaar- en beroepsprocedures in de ruimste zins des woords betreffende de heffing en invordering van belastingen op basis van artikel 113 Waterschapswet en artikel 219 Gemeentewet gaan per datum van de inwerkingtreding van de in artikel 14 bedoelde aanwijzingsbesluiten over op de heffingsambtena(a)r(en), invorderingsambtena(a)r(en), belastingambtena(a)r(en) en belastingdeurwaarder(s) van het Noordelijk Belastingkantoor.

Artikel 32 Inzending

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen zendt deze regeling aan gedeputeerde staten van de provincies Groningen, Friesland en Drenthe.

Artikel 33 Citeerwijze

Deze regeling wordt aangehaald als ‘Gemeenschappelijke Regeling Noordelijk Belastingkantoor’.

Artikel 34 Bekendmaking en inwerkingtreding

  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen maakt deze regeling bekend door kennisgeving van de inhoud hiervan in de Staatscourant.

  • 2.

    Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking, met dien verstande dat de artikelen 4 tot en met 6 met ingang van 1 januari 2018 in werking treden.

Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Groningen op 16 mei 2017

 

Vastgesteld door het dagelijks bestuur van waterschap Hunze en Aa’s op 15 mei 2017

 

Vastgesteld door het dagelijks bestuur van waterschap Noorderzijlvest op 16 mei 2017

 

Vastgesteld door het dagelijks bestuur van Wetterskip Fryslân op 18 april 2017