Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatscourant 2017, 16588Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 29 maart 2017, nr. 2017-0000057050, tot wijziging van enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen alsmede van de Wet uitwerking Autobrief II

29 maart 2017

Nr. 2017-0000057050

Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken Directie Directe Belastingen

De Staatssecretaris van Financiën,

Handelende wat artikel 3.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001 betreft in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu:

Gelet op de artikelen 3.13, 3.27, 3.104 en 3.126a van de Wet inkomstenbelasting 2001, artikel 38p van de Wet op de loonbelasting 1964, de artikelen 26, 70ca en 70cb van de Invorderingswet 1990 en artikel XV van het Belastingplan 2017;

Besluit:

ARTIKEL I

De Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt ‘3.20, 3.27’ vervangen door: 3.20.

B

Artikel 2b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt ‘lijfrentespaarrekeningtermijnen’ vervangen door: lijfrenterekeningtermijnen.

2. In het derde lid, onderdeel a, wordt ‘de bank of beheerder’ vervangen door: de bank, beleggingsonderneming of beheerder.

C

Artikel 6a wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel am door een puntkomma wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

D

Artikel 10 vervalt.

E

Aan artikel 17, vierde lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • f. voorzieningen als bedoeld in artikel 30a, vierde tot en met negende lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, artikel 26, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en artikel 2:18 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

ARTIKEL II

De Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1.1 wordt ‘35l en 35m’ vervangen door: 35l, 35m en 38p.

B

Na artikel 12.3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 12.3a Marktrente oprenting aanspraken ingevolge een oudedagsverplichting

De marktrente, bedoeld in artikel 38p, eerste lid, van de wet, die vanaf 1 januari van een kalenderjaar gedurende dat kalenderjaar van toepassing is, is het rekenkundig gemiddelde van de U-rendementen over de maanden van het voorafgaande kalenderjaar zoals deze maandelijks zijn gepubliceerd door het Centrum voor Verzekeringstatistiek van het Verbond van Verzekeraars. In 2017 is deze marktrente 0,059%.

ARTIKEL III

De Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, wordt ‘70b en 70ba’ vervangen door: 70b, 70ba, 70ca en 70cb.

B

Artikel 16, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt ‘€ 21,24’ vervangen door: € 21,40.

2. In onderdeel b wordt ‘€ 10,62’ vervangen door: € 10,70.

C

Na artikel 40h wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 40i

De ontvanger kan een op grond van de artikelen 70ca of 70cb van de wet gegeven kwijtscheldingsbeschikking intrekken indien de gegevens die op grond van artikel 12c van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 aan de Belastingdienst zijn verstrekt, onjuist of onvolledig blijken te zijn.

ARTIKEL IV

De Wet uitwerking Autobrief II wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel III wordt als volgt gewijzigd:

1. In het in onderdeel A opgenomen artikel 3.20, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt ‘indien de CO2-uitstoot’ vervangen door: indien uit het kentekenregister blijkt dat de CO2-uitstoot.

2. In onderdeel B wordt ‘onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot derde en vierde lid’ vervangen door: onder vernummering van het vierde tot en met zesde lid tot derde tot en met vijfde lid.

B

Artikel VI wordt als volgt gewijzigd:

1. In het in onderdeel A opgenomen artikel 13bis, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt ‘indien de CO2-uitstoot’ vervangen door: indien uit het kentekenregister blijkt dat de CO2-uitstoot.

2. In onderdeel B wordt ‘onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot derde en vierde lid’ vervangen door: onder vernummering van het vierde tot en met zesde lid tot derde tot en met vijfde lid.

ARTIKEL V

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2017, met dien verstande dat:

  • a. artikel I, onderdeel E, terugwerkt tot en met 1 januari 2016;

  • b. artikel I, onderdeel B, en artikel III, onderdeel B, terugwerken tot en met 1 januari 2017.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Financiën, E.D. Wiebes

TOELICHTING

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

In deze regeling is een aantal wijzigingen opgenomen van enkele uitvoeringsregelingen op het terrein van de directe belastingen en de invordering en een wijziging van de Wet uitwerking Autobrief II. De wijzigingen van de uitvoeringsregelingen vloeien hoofdzakelijk voort uit de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen. De wijziging van de Wet uitwerking Autobrief II ziet op de samenloop van die wet met Overige fiscale maatregelen 2017.

Ingevolge deze regeling worden wijzigingen aangebracht in:

  • de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (URIB 2001);

  • de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (URLB 2011);

  • de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (URIW 1990);

  • de Wet uitwerking Autobrief II.

2. Toelichting op enkele wijzigingen

2.1. Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001

In deze regeling is een wijziging opgenomen van de als vrijgestelde uitkeringen en verstrekkingen aangewezen publiekrechtelijke uitkeringen en verstrekkingen die zijn gericht op het verbeteren of behouden van de positie van de belastingplichtige op de arbeidsmarkt.

2.2. Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011

In de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen is geregeld dat het pensioen in eigen beheer wordt uitgefaseerd. Hierbij heeft de directeur-grootaandeelhouder de mogelijkheid om in 2017, 2018 en 2019 zijn pensioen in eigen beheer te beëindigen door dit fiscaal gefaciliteerd af te kopen dan wel om te zetten in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting. Wanneer voor de omzetting in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting wordt gekozen, voorziet de wet in een oprenting van deze aanspraak. De marktrente die hiervoor moet worden gebruikt wordt nader geregeld en bekendgemaakt in de URLB 2011.

2.3. Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990

In de URIW 1990 wordt een nieuwe bepaling opgenomen waarin nadere regels zijn opgenomen met betrekking tot het geheel of gedeeltelijk kwijtschelden van een conserverende belastingaanslag bij omzetting van een pensioen in eigen beheer in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting of bij afkoop van een pensioen in eigen beheer of van een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting.

2.4. Wet uitwerking Autobrief II

Van de gelegenheid wordt gebruikgemaakt om op grond van de in het Belastingplan 2017 opgenomen samenloopbepaling enkele redactionele wijzigingen aan te brengen in de Wet uitwerking Autobrief II in verband met enkele in Overige fiscale maatregelen 2017 opgenomen aanpassingen.

3. Budgettaire aspecten en uitvoeringskosten

Aan de wijzigingen in de onderhavige regeling zijn geen additionele budgettaire gevolgen of uitvoeringskosten verbonden.

4. Gevolgen voor bedrijfsleven en burger

De gevolgen van de wijzigingen voor bedrijfsleven en burger zijn voor zover van toepassing al meegenomen bij de wetsvoorstellen die hebben geleid tot deze wijzigingen. Aan deze regeling zijn verder geen additionele gevolgen voor bedrijfsleven en burger verbonden.

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I

Artikel I, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

De aanpassing van de in artikel 1 van de URIB 2001 opgenomen verwijzing houdt verband met de beëindiging van de mogelijkheid om pensioen in eigen beheer op te bouwen, waarbij artikel 10 van de URIB 2001 vervalt. De verwijzing naar de delegatiegrondslag van genoemd artikel in artikel 1 van de URIB 2001, namelijk artikel 3.27 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001), kan daarom vervallen.

Artikel I, onderdeel B (artikel 2b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

De aanpassingen in artikel 2b van de URIB 2001 zijn van redactionele aard en vloeien voort uit de introductie van beleggingsondernemingen in de zin van de Wet op het financieel toezicht als toegelaten aanbieders voor lijfrenteproducten en het in dat kader in artikel 3.126a van de Wet IB 2001 op te nemen begrip “lijfrenterekening”. De wijziging van artikel 3.126a van de Wet IB 2001 maakt deel uit van de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen. Die wet treedt per 1 april 2017 in werking, met dien verstande dat aan de wijziging van artikel 3.126a van de Wet IB 2001 terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2017 wordt verleend. Daarmee in overeenstemming treedt ook de wijziging van artikel 2b van de URIB 2001 met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2017 in werking.

Artikel I, onderdeel C (artikel 6a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

In artikel 6a van de URIB 2001 zijn de mobiliteitsprojecten opgenomen die in aanmerking komen voor de vrijstelling van artikel 3.13, eerste lid, onderdeel i, van de Wet IB 2001. Met de wijziging van genoemd artikel 6a wordt geregeld dat ook een vrijstelling geldt voor het nieuwe mobiliteitsproject Maastunnel Rotterdam dat in verband met grootscheepse renovatiewerkzaamheden aan de Maastunnel in 2017 zal starten.

Artikel I, onderdeel D (artikel 10 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

In het kader van het uitfaseren van het pensioen in eigen beheer door de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen zijn lichamen als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen d en e, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964), zoals dat artikel luidde op 31 december 2016, met ingang van 1 april 2017 geen toegelaten verzekeraars meer voor een pensioen in eigen beheer. Het betreft de zogenoemde eigenbeheerlichamen. Artikel 10 van de URIB 2001 is alleen van toepassing op deze lichamen en dient daarmee te vervallen.

Voor bestaande aanspraken die niet worden afgekocht of omgezet in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting blijft artikel 10 van de URIB 2001 van toepassing op grond van artikel 38n, eerste lid, van de Wet LB 1964.

Artikel I, onderdeel E (artikel 17 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

In artikel 3.104, onderdeel p, van de Wet IB 2001 is een vrijstelling opgenomen voor bij ministeriële regeling aan te wijzen publiekrechtelijke uitkeringen en verstrekkingen die zijn gericht op het verbeteren of behouden van de positie van de belastingplichtige op de arbeidsmarkt. Aan die bepaling is uitvoering gegeven in artikel 17, vierde lid, van de URIB 2001. Abusievelijk zijn bij de inwerkingtreding van deze maatregel (1 januari 2016) voorzieningen als bedoeld in artikel 30a, vierde tot en met negende lid, van de Wet structuur en uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, artikel 26, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en artikel 2:18 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten niet aangewezen als vrijgestelde verstrekking. Met de aanpassing van artikel 17, vierde lid, van de URIB 2001 wordt met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2016 gecodificeerd dat ook de hiervoor genoemde voorzieningen zijn vrijgesteld.

Artikel II

Artikel II, onderdeel A (artikel 1.1 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011)

In het per 1 april 2017 in werking tredende artikel 38p van de Wet LB 1964 is een delegatiegrondslag opgenomen waaraan per 1 april 2017 in de URLB 2011 uitvoering wordt gegeven. Genoemd artikel 38p moet derhalve worden toegevoegd aan de opsomming in genoemd artikel 1.1.

Artikel II, onderdeel B (artikel 12.3a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011)

In het in de URLB 2011 in te voegen artikel 12.3a wordt de marktrente bepaald waarmee de aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting, bedoeld in artikel 38p, eerste lid, van de Wet LB 1964, jaarlijks moet worden verhoogd. Voor deze marktrente wordt aangesloten bij het U-rendement zoals dat maandelijks bekend wordt gemaakt door het Verbond van Verzekeraars. Om pieken en dalen in de ontwikkeling van het U-rendement niet volledig te laten doorwerken naar de marktrente voor een bepaald kalenderjaar, wordt voor de verhoging van de aanspraak in enig jaar gebruikgemaakt van het rekenkundig gemiddelde van de U-rendementen over de maanden van het daaraan voorafgaande kalenderjaar. Dat percentage vindt toepassing tijdens het hele kalenderjaar waarvoor het wordt bepaald en wijzigt in de loop van het betreffende kalenderjaar derhalve niet. Hiermee is het voor de belastingplichtigen aan het begin van het kalenderjaar meteen duidelijk met welk percentage de aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting in het betreffende kalenderjaar moet worden verhoogd. Het gemiddelde percentage dat vanaf 1 januari van een kalenderjaar moet worden toegepast, kan medio december van het daaraan voorafgaande jaar voor het daaropvolgende jaar worden berekend en wordt vervolgens per 1 januari van laatstgenoemd jaar opgenomen in genoemd artikel 12.3a.

Artikel III

Artikel III, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

In de per 1 april 2017 in werking tredende artikelen 70ca en 70cb van de Invorderingswet 1990 (IW 1990) zijn delegatiegrondslagen opgenomen waaraan in de URIW 1990 uitvoering wordt gegeven. Genoemde artikelen 70ca en 70cb moeten derhalve worden toegevoegd aan de opsomming in artikel 1 van de URIW 1990.

Artikel III, onderdeel B (artikel 16 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

Met de wijziging van artikel 16 van de URIW 1990 worden enkele in dat artikel opgenomen bedragen geactualiseerd. Op grond van artikel 26 van de IW 1990 kan kwijtschelding worden verleend aan de belastingschuldige die niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar de belastingaanslag te betalen. Hiervan kan sprake zijn als de belastingschuldige over onvoldoende betalingscapaciteit beschikt. Ingevolge artikel 13 van de URIW 1990 wordt de betalingscapaciteit berekend door de gemiddeld per maand te verwachten kosten van bestaan van de belastingschuldige in mindering te brengen op het gemiddeld per maand te verwachten netto-besteedbare inkomen. Artikel 16 van de URIW 1990 specificeert welke bedragen in aanmerking worden genomen als kosten van bestaan als bedoeld in artikel 13 van de URIW 1990. Artikel 16, derde lid, onderdelen a en b, van de URIW 1990 bepaalt dat de in aanmerking te nemen kosten van bestaan worden verhoogd wanneer de belastingschuldige of zijn echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet (AOW), heeft bereikt. De verhoging is gebaseerd op het bedrag dat is opgenomen in artikel 2 eerste lid, van het Besluit inkomensondersteuning AOW-ers. Dat besluit voorziet in een tegemoetkoming in de koopkracht van AOW-gerechtigden. Om te voorkomen dat deze tegemoetkoming feitelijk ongedaan wordt gemaakt doordat deze tot het netto-besteedbare inkomen van de belastingschuldige wordt gerekend, worden de in aanmerking te nemen kosten van bestaan verhoogd met het bedrag van de voor de belastingschuldige geldende tegemoetkoming. De bedragen waarmee de in aanmerking te nemen kosten van bestaan worden verhoogd worden jaarlijks met ingang van 1 januari geactualiseerd. De onderhavige actualisering werkt daarom terug tot en met 1 januari 2017.

Artikel III, onderdeel C (artikel 40i van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

In artikel 12c van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBLB 1965) wordt de verplichting opgenomen voor een (gewezen) werknemer om bij de afkoop van een pensioen in eigen beheer of de omzetting ervan in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting, bedoeld in artikel 38n, tweede lid, van de Wet LB 1964, binnen een maand na de afkoop dan wel omzetting bepaalde informatie te verstrekken aan de Belastingdienst via een daartoe door de Belastingdienst beschikbaar gesteld formulier. Onder een pensioen in eigen beheer wordt verstaan een aanspraak ingevolge een pensioenregeling waarvan een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen d of e, van de Wet LB 1964, zoals dat artikel luidde op 31 december 2016, als verzekeraar optreedt. Indien niet aan deze informatieverplichting wordt voldaan, is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 38n, tweede lid, van de Wet LB 1964 voor een fiscaal gefaciliteerde afkoop van een pensioen in eigen beheer of omzetting ervan in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting. In dat geval dient ook geen kwijtschelding van een conserverende belastingaanslag te worden verleend op grond van de artikelen 70ca of 70cb van de IW 1990. Mocht deze kwijtschelding reeds zijn verleend en achteraf blijken dat de op grond van artikel 12c van het UBLB 1965 te verstrekken informatie onjuist of onvolledig is verstrekt, dan wordt de ontvanger op grond van artikel 40i van de URIW 1990 bevoegd om de betreffende kwijtscheldingsbeschikking weer in te trekken.

Artikel IV

Artikel IV (artikelen III en VI van de Wet uitwerking Autobrief II) (artikelen 3.20 en 10a.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikelen 13bis en 36c van de Wet op de loonbelasting 1964)

Op grond van Overige fiscale maatregelen 2017 zijn per 1 januari 2017 onder meer enkele wijzigingen aangebracht in de artikelen 3.20 en 10a.4 van de Wet IB 2001 en de artikelen 13bis en 36c van de Wet LB 1964. Om te voorkomen dat deze wijzigingen per 1 januari 2019 teniet worden gedaan door enkele in de Wet uitwerking Autobrief II opgenomen wijzigingsopdrachten, is een aanpassing van de laatstgenoemde wijzigingsopdrachten nodig. Op grond van artikel XV van het Belastingplan 2017 kunnen dergelijke wijzigingen bij ministeriële regeling worden aangebracht. Met de onderhavige wijzigingen wordt van deze bevoegdheid gebruikgemaakt.

Artikel V

Artikel V (inwerkingtreding)

Dit artikel regelt de inwerkingtreding. Voor een aantal wijzigingen is in een inwerkingtreding met terugwerkende kracht voorzien. Waar dat het geval is, is dat toegelicht bij de toelichting op de betreffende onderdelen.

De Staatssecretaris van Financiën, E.D. Wiebes