Vereiste ten aanzien van het besluit
Op grond van artikel 15 van de Wegenverkeerswet 1994 dient er in de volgende gevallen een verkeersbesluit te worden genomen:
1. De plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit.
2. Maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer geschieden krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.
Overwegingen ten aanzien van het besluit
Overwegende:
- dat Ekkersrijt 7000 en Ekkersrijt 7100 in de bebouwde kom gelegen zijn;
- dat bij het ontwikkelen van het bedrijventerrein Ekkersrijt één van de uitgangspunten is dat het parkeren op eigen terrein wordt vormgegeven;
- dat in de praktijk geparkeerde (vracht)auto's op de rijbaan in de Ekkersrijt 7100 worden geconstateerd;
- dat met het parkeren in de openbare ruimte, ook in de nachtelijke uren, de sociale veiligheid en de sociale omstandigheden verminderen;
- dat met het parkeren in de openbare ruimte, mede als gevolg van het vorige punt, het fysieke aanzien van het bedrijventerrein wordt geschaad;
- dat uit observaties blijkt dat de meeste parkeeroverlast in de Ekkersrijt 7100 aanwezig is;
- dat dit parkeren ongewenst is en dat men zo nu en dan ook foutief parkeert;
- dat het instellen van een parkeerverbodzone op Ekkersrijt 7000 en 7100 noodzakelijk is om de doorstroming van verkeer op Ekkersrijt 7100 duurzaam te waarborgen;
- dat vanwege de beschikbaarheid van vrije parkeerplaatsen aan Ekkersrijt 7000 niet voor aanleg van extra openbare parkeervoorzieningen is besloten;
- dat deze verkeersmaatregelen passen in de vigerende bestuurlijke vastgestelde beleidsstukken waaronder het Masterplan Ekkersrijt;
- dat een vrije doorgangsbreedte van 3,5 meter benodigd is om alle vervoerwijzen ter plaatse redelijkerwijs doorgang te bieden;
- dat deze verkeersmaatregel de verkeersveiligheid niet negatief beïnvloedt en mogelijkerwijs verbetert en de vrijheid (doorstroming) van het verkeer bevordert (art. 2, lid 1a Wegenverkeerswet);
- dat deze verkeersmaatregel niet tot resultaat heeft dat buiten de parkeerverbodzone een toename van de parkeerdruk ontstaat, doordat binnen de parkerverbodzone voldoende vrije parkeergelegenheid aanwezig is;
- dat overleg met de politie als bedoeld in artikel 24 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer heeft plaatsgevonden.