Gemeenschappelijke Regeling Schoolverzuim en Voortijdig Schoolverlaten regio West-Kennemerland

Logo Haarlem

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Haarlem, Haarlemmerliede en Spaarnwoude, Heemskerk, Heemstede, Velsen en Zandvoort;

 

overwegende:

 

  • dat het samenwerken op het gebied van de uitvoering van de Leerplichtwet 1969, gelet op het grensoverschrijdende karakter ervan, wenselijk, zo niet noodzakelijk, is geworden en door samenwerking kwaliteit en dienstverlening op een hoger plan kunnen worden gebracht;

  • dat samenwerking in de huidige situatie is geregeld in de vorm van de volgende regelingen voor leerplicht en RMC:

    • de Gemeenschappelijk Regeling CAReL,

    • de Overeenkomst Uitvoering RMC 2013,

    • de samenwerkingsovereenkomst leerplicht tussen Haarlem en Heemstede,

    • de dienstverleningsovereenkomst leerplicht tussen Haarlem en Zandvoort,

    • de dienstverleningsovereenkomst leerplicht tussen Haarlem en Haarlemmerliede en Spaarnwoude;

  •  

    en dat door deze regelingen te stroomlijnen in één overeenkomst de regionale en lokale verantwoordelijkheden beter kunnen worden geborgd, waardoor de samenwerking overzichtelijk en efficiënt kan verlopen;

  • dat door samenwerking een eenduidige en consistente handhaving strategie kan worden gevolgd;

  • dat schoolverzuim- en voortijdig schoolverlaten (VSV) problematiek een lokaal én regionaal karakter kent dat voor gemeente-grens-overstijgende problematiek vraagt om regionale afstemming, aansturing en uitvoering;

  • dat de regionaal georiënteerde onderwijs- en zorgpartners om meer regionale afstemming vragen;

  • dat het de wens van de gemeenten is om een voor alle samenwerkende partijen helder kader te ontwikkelen en te implementeren, zodat regionaal besluitvorming kan plaatsvinden en de invloed van ieder geborgd is;

  • dat de gemeenten de taakuitvoering wensen op te splitsen in 3 percelen waarbij gemeenten kunnen kiezen aan welk samenwerkingsniveau (perceel) zij wensen deel te nemen;

  • dat de 4 gemeenten in Midden Kennemerland hebben aangegeven niet te willen meedoen aan perceel 2 en deze taak lokaal te willen blijven uitvoeren en dat de overige gemeenten hebben aangegeven aan alle samenwerkingsniveau’ s (percelen) mee te willen doen;

  • dat deze gemeenschappelijke regeling daartoe een goed middel is;

  • dat de colleges van burgemeester en wethouders van hun gemeenteraden daartoe de vereiste toestemmingen overeenkomstig het bepaalde in artikel 1, tweede lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen hebben verkregen;

  • dat door de ambtelijke fusie van de gemeente Uitgeest met drie gemeenten in de RMC regio Noord-Kennemerland deze gemeente gaat toetreden tot genoemde RMC regio met als contactgemeente Alkmaar;

  • dat door wijziging van de Wet Gemeenschappelijke Regelingen de GR schoolverzuim en VSV 2014 dient te worden geactualiseerd;

gelet op:

 

besluiten:

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

     

    a. absoluut verzuim:

    verzuim door een jongere die niet is ingeschreven bij een onderwijsinstelling, terwijl deze niet is vrijgesteld van deze verplichting;

     

    b. ambtelijke regiegroep leerplicht/RMC:

    het overlegplatform ten behoeve van de beleidsvoorbereiding en afstemming op het gebied van RMC en leerplichtaangelegenheden, bestaande uit ambtelijke vertegenwoordigers uit de deelnemende gemeenten;

     

    c. colleges:

    de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten;

     

    d. BRP:

    Basis Registratie Personen

     

    e. gemeenschappelijk orgaan:

    het gemeenschappelijk orgaan samengesteld uit leden van de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten;

     

    f. gemeenten:

    de aan deze regeling deelnemende gemeenten;

     

    g. Ministerie van OCW:

    het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

     

    h. regeling:

    de gemeenschappelijke regeling schoolverzuim en voortijdig schoolverlaten regio West-Kennemerland;

     

    i. regio:

    de RMC-regio West-Kennemerland bestaande uit de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Haarlem, Haarlemmerliede en Spaarnwoude, Heemskerk, Heemstede, Uitgeest, Velsen en Zandvoort;

     

    j. RBL:

    het Regionaal Bureau Leerplicht en RMC West-Kennemerland;

     

    k. relatief verzuim:

    verzuim waarbij de leerling en/of zijn ouders niet aan de verplichting hebben voldaan om te zorgen voor geregeld schoolbezoek, terwijl geen vrijstelling van deze verplichting bestaat.

     

    l. RMC:

    de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie betreffende de registratie en begeleiding van alle leerlingen zonder startkwalificatie van 12 tot 23 jaar;

     

    m. RMC contactgemeente:

    de gemeente Haarlem, als zodanig aangewezen door het Ministerie van OCW als aanspreekpunt voor uitvoering en beleid van de RMC taken en de gemeente die voor de regio de beschikbaar gestelde Rijksmiddelen ontvangt en de besteding daarvan verantwoord;

     

    n. RMC/VSV-coördinator:

    functionaris, in dienst van de contactgemeente Haarlem, belast met de coördinerende werkzaamheden op het gebied van RMC voor de RMC regio West-Kennemerland;

     

    o. uitvoerende gemeente:

    de gemeente Haarlem;

     

    p. VSV:

    Voortijdig school verlaten;

     

    q. Wbp:

    Wet bescherming persoonsgegevens.

Artikel 2 Gemeenschappelijk orgaan

  • 1.

    Er is een gemeenschappelijk orgaan genaamd ‘Gemeenschappelijk Orgaan schoolverzuim en voortijdig schoolverlaten West-Kennemerland’.

  • 2.

    Het gemeenschappelijk orgaan is gevestigd te Haarlem.

  • 3.

    Het gemeenschappelijk orgaan is ingesteld om de belangen te behartigen waartoe deze regeling is aangegaan.

Artikel 3 Te behartigen belangen

Deze regeling is aangegaan met als doel het behartigen van de belangen van gemeenten op het gebied van de uitvoering van de Leerplichtwet 1969 en de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie ten behoeve van het efficiënt en doelmatig samenwerken van de deelnemende gemeenten, een en ander voor zover het betreft de deelname van die gemeenten aan een of meerdere percelen.

Hoofdstuk 2 Taken en bevoegdheden

Artikel 4 Taken gemeenschappelijk orgaan

Ter behartiging van de in artikel 3 te behartigen belangen voert het gemeenschappelijk orgaan taken uit, welke zijn onder te verdelen in drie percelen, zoals hierna omschreven in de artikelen 5, 6 en 7.

Artikel 5 Taken perceel 1

  • 1.

    Perceel 1 omvat taken op het gebied van de administratie en registratie, in het kader van toezicht op de naleving van de Leerplichtwet en de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie, welke aan de deelnemende gemeenten zijn toegekend in het kader van het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet 1969 en de registratie van voortijdig schoolverlaters in het kader van de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie.

  • 2.

    Onder de in het eerste lid genoemde gemeentelijke leerplicht- en RMC-taken wordt verstaan:

    • a.

      De registratie van alle leerplichtige leerlingen uit de deelnemende gemeenten.

    • b.

      De registratie van alle schoolverlaters uit de deelnemende gemeenten die zonder startkwalificatie een school of opleiding verlaten tot de leeftijd van 23 jaar.

    • c.

      het verwijderen van leerlingen ouder dan 23 jaar uit het bestand.

    • d.

      het vastleggen van de school / onderwijsinstelling waar de leerling is ingeschreven.

    • e.

      het zorgdragen voor een actueel, juist en volledig bestand.

    • f.

      het registreren van de meldingen relatief verzuim.

    • g.

      De administratieve controle en registratie van absoluut verzuim.

    • h.

      Het opstellen en leveren van cijfermatige gegevens/ overzichten over de registratie van alle leerplichtigen uit de deelnemende gemeenten ten behoeve van de door de gemeenten zelf te maken jaarverslagen leerplicht en ten behoeve van het opstellen van de RMC-effectrapportage.

    • i.

      Het opstellen en aanleveren van de jaarlijkse verantwoording aan het ministerie van OCW (DUO cijfers) t.b.v. alle deelnemende gemeenten.

    • j.

      het periodiek leveren van management rapportages.

    • k.

      het op verzoek van een of meer deelnemende gemeenten, tegen kostprijs, uitvoeren van aanvullende monitors ten behoeve van het gemeentelijk jeugd- en onderwijsbeleid, voor zover passend binnen de werkzaamheden.

    • l.

      Beleidsvoorbereiding ten behoeve van het gemeenschappelijk orgaan.

Artikel 6 Taken perceel 2

  • 1.

    Perceel 2 omvat overige taken in het kader van toezicht op de naleving van de Leerplichtwet

  • 2.

    Onder de in het eerste lid genoemde overige gemeentelijke leerplichttaken wordt verstaan:

    • 1.

      Alle in het tweede lid van artikel 5 genoemde taken uit perceel 1.

    • 2.

      De controle op en de registratie van het niet nakomen van de leerplicht (verzuim) door alle leerplichtige leerlingen uit de deelnemende gemeenten.

    • 3.

      De begeleiding van alle leerplichtige leerlingen uit de deelnemende gemeenten, die niet voldoen aan de leerplicht of de kwalificatieplicht, t.b.v. de herplaatsing op een (nieuwe) school of opleiding, in overleg met de desbetreffende school of opleidingsinstituut en, indien noodzakelijk, in samenwerking met de bestaande reguliere hulp- en dienstverlenende instellingen in het werkgebied.

    • 4.

      Het behandelen van verzoeken tot extra verlof en vrijstelling in het kader van de Leerplichtwet 1969.

    • 5.

      Controle en handhaving op de verplichtingen van onderwijsinstellingen in het kader van de Leerplichtwet 1969.

    • 6.

      Het conform artikel 25 van de Leerplichtwet 1969 opstellen van een inhoudelijk jaarverslag over de uitvoering en het gevoerde beleid inzake handhaving van de leerplicht en kwalificatieplicht en de resultaten daarvan t.b.v. alle aan perceel 2 deelnemende gemeenten.

    • 7.

      Beleidsvoorbereiding ten behoeve van het gemeenschappelijk orgaan.

Artikel 7 Taken perceel 3

  • 1.

    Perceel 3 omvat overige taken in het kader van de uitvoering van de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie.

  • 2.

    Onder de in het eerste lid genoemde overige gemeentelijke RMC-taken wordt verstaan:

    • a.

      Alle in het tweede lid van artikel 5 genoemde taken uit perceel 1.

    • b.

      De begeleiding van alle leerlingen van 18 tot 23 jaar uit de deelnemende gemeenten, die een school of opleiding zonder startkwalificatie verlaten, t.b.v. de herplaatsing op een (nieuwe) school of opleiding, dan wel doorgeleiding naar de arbeidsmarkt, in overleg met de desbetreffende school of opleidingsinstituut en, indien noodzakelijk, in samenwerking met de bestaande, reguliere hulp- en dienstverlenende instellingen in het werkgebied.

    • c.

      RMC beleidsvoorbereiding en beleidsadvisering ten behoeve van het gemeenschappelijk orgaan en uitvoering van de RMC-coördinatie voor de RMC contactgemeente.

    • d.

      Het onderhouden van contacten in de uitvoering met scholen voor voortgezet onderwijs en ROC’s in het RMC-gebied met als doel het voorkomen van voortijdig schooluitval.

    • e.

      Het ten behoeve van de RMC-taakuitvoering samenwerken met de afdelingen SoZaWe en het UWV werkbedrijf, de GR IJmond Werkt en hulp- en zorg verlenende instellingen voor wat betreft de voortijdig schoolverlaters.

    • f.

      Controle op de verplichtingen van onderwijsinstellingen in het kader van de RMC-wetgeving.

    • g.

      Het opstellen van een inhoudelijk jaarverslag over de uitvoering en het gevoerde beleid inzake de resultaten van het regionale Meerjarenbeleidsplan ten behoeve van alle deelnemende gemeenten en het opstellen van de VSV rapportages voor de rijksoverheid.

    • h.

      Beleidsvoorbereiding RMC en VSV ten behoeve van het gemeenschappelijk orgaan.

Artikel 8 Deelname van de gemeenten aan de percelen

  • 1.

    Aan de percelen 1 en 3 nemen de colleges van alle gemeenten deel.

  • 2.

    Aan perceel 2 nemen de colleges van de gemeenten Bloemendaal, Haarlem, Haarlemmerliede en Spaarnwoude, Heemstede en Zandvoort deel.

Artikel 9 Wijziging in taken

  • 1.

    Zowel het gemeenschappelijk orgaan als elk van de deelnemende colleges zijn bevoegd tot het doen van voorstellen tot een wijziging van (de aanduiding van) taken binnen een perceel, zonder dat sprake is van een wijziging als bedoeld in artikel 30 van deze regeling.

  • 2.

    Voor een dergelijke wijziging zijn unanieme besluiten van alle deelnemende colleges vereist.

Artikel 10 Mandatering van taken en bevoegdheden

  • 1.

    Teneinde het gemeenschappelijk orgaan in staat te stellen de taken uit te voeren welke vallen binnen de percelen zoals beschreven in de artikelen 5, 6 en 7, en met inachtneming van eventuele wijzigingen van (de aanduiding van) taken binnen een perceel als bedoeld in artikel 9, mandateren de colleges voor de percelen waaraan zij deelnemen hun taken en bijbehorende bevoegdheden aan het gemeenschappelijk orgaan. Onverminderd het bepaalde in artikel 10:4 van de Algemene wet bestuursrecht moet het gemeenschappelijk orgaan instemmen met de mandaatverlening door de betreffende deelnemer.

  • 2.

    De colleges staan toe dat het gemeenschappelijk orgaan voor de gemandateerde taken bevoegdheden ondermandaat verleent aan de uitvoerende gemeente.

  • 3.

    De colleges en het gemeenschappelijk orgaan staan toe dat het college van de uitvoerende gemeente voor de aan haar gemandateerde bevoegdheden, voor zover het betreft deelname aan perceel 2, ondermandaat verleent aan de met de uitvoering belaste medewerkers van het RBL, met uitzondering van de bevoegdheid tot het aanwijzen van ambtenaren welke toezien op de naleving van de Leerplichtwet 1969 en het wijzigen van de instructie leerplichtambtenaar en RMC-functionaris.

  • 4.

    De taken en bijbehorende bevoegdheden die niet bij of krachtens deze regeling aan het gemeenschappelijk orgaan zijn opgedragen, worden door de gemeenten zelf uitgevoerd.

Artikel 11 Overige bevoegdheden gemeenschappelijk orgaan

  • 1.

    Het gemeenschappelijk orgaan is voorts, voor zover het betreft de deelname aan de artikel 5, 6 en 7 genoemde percelen, bevoegd om beslissingen te nemen omtrent:

    • a.

      de vaststelling van het beleid en jaarplan/bedrijfsplan voor de uitvoering van de op grond van artikel 10 gemandateerde taken en bevoegdheden, jaarlijks vast te stellen voor 1 december voorafgaand aan het jaar waarop het plan betrekking heeft;

    • b.

      de vaststelling van het leerplichtjaarverslag en de effectrapportage, het aanbieden aan de Colleges en de verzending aan het Ministerie van OCW;

    • c.

      de vaststelling van de instructie leerplichtambtenaar en RMC-functionaris, voor zover het betreft de in het derde lid van dit artikel genoemde gemeenten die deelnemen aan perceel 2;

  • 2.

    De colleges verlenen, ten behoeve van de uitvoering van de gemandateerde taken en binnen de kaders van de begroting, volmacht aan het gemeenschappelijk orgaan voor het aangaan van overeenkomsten met derden binnen de vastgestelde begroting van het gemeenschappelijk orgaan.

  • 3.

    Alle correspondentie van het gemeenschappelijk orgaan alsmede besluiten wordt/worden ondertekend door of namens de voorzitter en de secretaris van het gemeenschappelijk orgaan.

Artikel 12 Toepasselijke wet- en regelgeving

  • 1.

    Wat betreft de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de leerplichtambtenaar uit de gemeenten die deelnemen aan perceel 2 is de regionale instructie leerplichtambtenaar en RMC functionaris van toepassing.

  • 2.

    Wat betreft de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de leerplichtambtenaar uit de gemeenten die niet deelnemen aan perceel 2 is de instructie leerplichtambtenaar van die betreffende gemeente van toepassing.

  • 3.

    Voor de omschrijvingen van de begrippen in het kader van leerplicht is de Leerplichtwet 1969 van toepassing.

  • 4.

    Voor de omschrijvingen van de begrippen in het kader van de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie is de Wet van 6 december 2001 betreffende de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie van toepassing.

Hoofdstuk 3 Het gemeenschappelijk orgaan

Artikel 13 Samenstelling gemeenschappelijk orgaan

  • 1.

    Elk van de colleges van de deelnemende gemeenten wijst uit zijn midden één lid aan, die hem in het gemeenschappelijk orgaan vertegenwoordigt, alsmede voor elk lid een plaatsvervangend lid, dat het lid bij verhindering vervangt.

  • 2.

    Het lidmaatschap van het gemeenschappelijk orgaan eindigt van rechtswege zodra men ophoudt burgemeester of wethouder van de desbetreffende deelnemende gemeente te zijn.

  • 3.

    Indien tussentijds een plaats van een lid van het gemeenschappelijk orgaan vacant wordt, wijst het college van de deelnemende gemeente die het aangaat, in zijn eerstvolgende vergadering, of zo dit niet mogelijk is ten spoedigste daarna, een nieuw lid aan.

  • 4.

    Hij die ter vervulling van een tussentijdse vacature als lid van het gemeenschappelijk orgaan wordt benoemd, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou hebben moeten aftreden.

  • 5.

    Een lid van het gemeenschappelijk orgaan kan te allen tijde ontslag nemen. Hij deelt zijn ontslag mede aan de deelnemende gemeente die het aangaat. De betreffende deelnemende gemeente doet mededeling van het ontslag aan het gemeenschappelijk orgaan. Het lid houdt zitting in het gemeenschappelijk orgaan totdat in de opvolging is voorzien.

  • 6.

    Een lid van het gemeenschappelijk orgaan dat niet langer het vertrouwen geniet van het college dat hem heeft aangewezen, kan door het college worden ontslagen. In dat geval draagt het college er zorg voor dat zo spoedig mogelijk een nieuw lid wordt aangewezen.

Artikel 14 Werkwijze van het gemeenschappelijk orgaan

  • 1.

    Het gemeenschappelijk orgaan vergadert jaarlijks ten minste 4 maal en voorts zo vaak als de voorzitter dat nodig oordeelt of ten minste twee leden daarom schriftelijk en met opgaaf van redenen verzoeken. Het gemeenschappelijk orgaan vergadert in ieder geval elk jaar één keer in de periode voorafgaand aan 1 juli, in verband met het vaststellen van de jaarrekening van voorgaand kalenderjaar, de begroting voor komend kalenderjaar en het jaarplan voor komend schooljaar. Daarnaast vergadert zij in ieder geval elk jaar één keer in de periode tussen 1 juli en 31 december in verband met het vaststellen van het leerplichtjaarverslag.

  • 2.

    De vergaderingen van het gemeenschappelijk orgaan zijn niet openbaar.

  • 3.

    De voorzitter van het gemeenschappelijk orgaan wordt in de eerste vergadering van elke zittingsperiode door de leden van het gemeenschappelijk orgaan aangewezen.

  • 4.

    Bij afwezigheid wordt de voorzitter vervangen door een hiertoe door de leden van het gemeenschappelijk orgaan aan te wijzen lid van dit orgaan.

  • 5.

    De voorzitter roept de leden schriftelijk op tot de vergadering en is belast met de leiding van de vergaderingen van het gemeenschappelijk orgaan. Hij tekent de stukken die van het gemeenschappelijk orgaan uitgaan.

  • 6.

    Besluiten worden genomen bij gewone meerderheid van stemmen, waarbij elk lid één stem heeft.

  • 7.

    Als de stemmen staken wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.

  • 8.

    Er worden geen besluiten genomen, indien minder dan twee derde van de deelnemende gemeenten vertegenwoordigd is.

Artikel 15 Inlichtingen, verantwoording en ontslag

  • 1.

    Een lid van het gemeenschappelijk orgaan verstrekt het college van de deelnemende gemeente dat hem heeft aangewezen alle inlichtingen die door een of meer leden van dat college worden gevraagd.

  • 2.

    Een lid van het gemeenschappelijk orgaan kan door het college van burgemeester en wethouders dat hem heeft aangewezen te allen tijde ter verantwoording worden geroepen voor het door hem in het gemeenschappelijk orgaan gevoerde beleid.

  • 3.

    Een verzoek om inlichtingen te verschaffen en/of verantwoording af te leggen kan uitsluitend worden geweigerd indien dit in strijd zal zijn met de belangen, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur.

  • 4.

    Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de raden van de deelnemende gemeenten.

  • 5.

    Het bepaalde in de voorgaande leden is op plaatsvervangende leden van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 4 De advisering en ondersteuning van het gemeenschappelijk orgaan

Artikel 16 Ambtelijke regiegroep leerplicht/RMC

  • 1.

    De vergadering van het gemeenschappelijk orgaan wordt voorbereid door de ambtelijke regiegroep leerplicht/RMC.

  • 2.

    De ambtelijke regiegroep leerplicht/RMC is samengesteld uit ambtelijke vertegenwoordigers van de deelnemende gemeenten. De teammanager van het Regionaal Bureau Leerplicht (RBL) bij de uitvoerende gemeente en de RMC/VSV-coördinator nemen deel aan het overleg. De RMC/VSV-coördinator zit de ambtelijke regiegroep voor en bereidt de in dit lid onder a t/m f genoemde voorstellen voor het gemeenschappelijk orgaan voor, al dan niet gezamenlijk met de teammanager van het RBL. De ambtelijke regiegroep vergadert ten minste 4 maal per jaar, of zoveel vaker als noodzakelijk of gewenst is. De ambtelijke regiegroep adviseert aan het gemeenschappelijk orgaan en heeft de volgende taken:

    • a.

      richting geven aan het te voeren beleid met betrekking tot het RBL;

    • b.

      periodiek beoordelen van de door het RBL op te stellen verslagen inzake de verrichte werkzaamheden;

    • c.

      adviseren over financiële zaken met betrekking tot de uitvoering van het RBL;

    • d.

      opstellen van de ontwerpbegroting;

    • e.

      klankbord voor RBL;

    • f.

      opstellen van management rapportages.

Hoofdstuk 5 De uitvoerende organisatie

Artikel 17 Uitvoerende gemeente

  • 1.

    De uitvoerende gemeente is namens het gemeenschappelijk orgaan belast met de volgende taken en bevoegdheden:

    • a.

      de uitvoering van de door de deelnemende gemeenten bij afzonderlijke besluiten gemandateerde leerplicht- en RMC-taken;

    • b.

      het werkgeverschap/opdrachtgeverschap voor de aan het RBL verbonden gedetacheerde en/of in dienst tredende functionarissen, met alle bevoegdheden en verplichtingen die daaraan verbonden zijn;

    • c.

      het voorbereiden van de jaarlijkse begroting en jaarrekening van het gemeenschappelijke orgaan;

    • d.

      alle uit deze regeling voortvloeiende werkzaamheden die nodig zijn in het belang van de uitvoering van deze taken, een en ander in overeenstemming met hetgeen is besloten in het gemeenschappelijk orgaan;

    • e.

      het toezenden van de gemeenschappelijke regeling aan Gedeputeerde Staten, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, publicatie van de gemeenschappelijk regeling in de Staatscourant, alsmede de toezending aan de Minister en de hoofden als bedoeld in artikel 17 van de Leerplichtwet 1969;

    • f.

      op grond van wetswijzigingen of regionale ontwikkelingen het voorbereiden van wijzigingen en/of actualisering van de instructie leerplichtambtenaar voor de gemeenten die aan het gemeenschappelijk orgaan taken en bevoegdheden hebben gemandateerd in het kader van perceel 2;

    • g.

      het opstellen en actueel houden van een overzicht van de aan deze gemeenschappelijk regeling deelnemende gemeenten, waarin is onderscheiden aan welke percelen deze gemeenten deelnemen;

    • h.

      offertes uitbrengen over extra dienstverlening aan de deelnemende gemeenten en accepteren van de opdracht;

    • i.

      het, binnen de kaders van de in artikel 11, tweede lid van deze regeling gegeven volmacht, aangaan van overeenkomsten met derden binnen de vastgestelde begroting van het gemeenschappelijk orgaan.

  • 2.

    De uitvoerende gemeente waarborgt een goede uitvoering van de werkzaamheden in het kader van deze Regeling door de inzet van vakbekwaam personeel, de zorg voor het personeel, het beschikbaar stellen van apparatuur, hulpmiddelen en huisvesting, alsmede ondersteuning in de bestuurs- en financiële planning & control-cyclus.

  • 3.

    De met de taken van de uitvoerende gemeente gepaard gaande kosten zullen jaarlijks in de begroting worden opgenomen. De kosten worden verrekend op basis van het bepaalde in artikelen 23 tot en met 28 van deze regeling.

Hoofdstuk 6 Uitvoering leerplicht en Regionale Meld- en Coördinatiefunctie

Artikel 18 Uitvoering bij uitvoerende gemeente

  • 1.

    Voor de uitvoering van alle gemeentelijke taken die voortvloeien uit de Leerplichtwet 1969 en de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie maken de deelnemende gemeenten gebruik van de uitvoeringsorganisatie van de uitvoerende gemeente, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 17 van deze regeling.

  • 2.

    Voor de uitvoering van met name genoemde taken uit het eerste lid van dit artikel kunnen gemeenten die niet aan deze regeling deelnemen gebruik maken van de uitvoeringsorganisatie van de uitvoerende gemeente. Indien niet deelnemende gemeenten op deze wijze dienstverlening van de uitvoerende gemeente af willen nemen, dan wordt dit beschouwd als inkoop van diensten. In deze situatie dient tussen de betreffende gemeenten en de uitvoerende gemeente een afzonderlijke samenwerkingsovereenkomst te worden opgesteld, waarin tevens afspraken worden opgenomen over de wijze van verrekening. Deze overeenkomst wordt ter besluitvorming voorgelegd aan het gemeenschappelijk orgaan.

Artikel 19 Levering, verwerking en gebruik van gegevens

  • 1.

    Iedere aan perceel 1 deelnemende gemeente is verplicht om, na daartoe gedaan verzoek van of namens de teammanager van het RBL of diens plaatsvervanger, onverwijld actuele gegevens uit de BRP van alle in de gemeente woonachtige jongeren in de leeftijd van 4 tot 23 jaar te verstrekken aan de uitvoerende gemeente. BRP mutaties worden zoveel mogelijk dagelijks aangeleverd. De aan perceel 1 deelnemende gemeente treedt met de uitvoerende gemeente in overleg als dagelijkse levering niet mogelijk is.

  • 2.

    De gemeenten die deelnemen aan perceel 1 zorgen voor de benodigde juridische besluiten en technische inrichting om de gegevenslevering uit de BRP aan de uitvoerende gemeente mogelijk te maken.

  • 3.

    De aan deze regeling deelnemende gemeenten gaan voor het wettelijk kader van privacy uit van de toepasselijkheid van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), artikel 20 van het Vrijstellingsbesluit Wbp en de daaruit voortvloeiende regelgeving. De gemeente die de gegevens van de BRP verstrekt is verantwoordelijk en de uitvoerende gemeente is binnengemeentelijk afnemer van de BRP en bewerker in de zin van de Wbp.

  • 4.

    De uitvoerende gemeente zal persoonsgegevens, die in het kader van deze regeling aan haar worden verstrekt, uitsluitend verwerken ter uitvoering van de op grond van deze regeling gemandateerde taken en geheimhouding in acht nemen.

  • 5.

    In verband met de in het vierde lid van dit artikel genoemde geheimhouding en de in het derde lid van dit artikel aangehaalde wettelijke bepaling is de informatie die in het voor de taakuitvoering te gebruiken registratiesysteem wordt vastgelegd uitsluitend toegankelijk voor medewerkers die met de taakuitvoering in het kader van de Leerplichtwet 1969 en de RMC-wetgeving zijn belast. De uitvoerende gemeente waarborgt dat alleen deze medewerkers worden geautoriseerd.

  • 6.

    De uitvoerende gemeente draagt zorg voor technische en organisatorische maatregelen om een passend beveiligingsniveau te realiseren.

Artikel 20 Taakuitvoering / Uitvoeringskaders

  • 1.

    Binnen het kader van het mandaat is, betreffende de in artikel 8, tweede lid genoemde gemeenten die deelnemen aan perceel 2, is, de leerplichtambtenaar van de uitvoerende gemeente namens het college bevoegd om op grond van de Leerplichtwet 1969, ter zake van het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet 1969, zelfstandig beslissingen te nemen.

  • 2.

    De medewerkers die taken uitvoeren in het kader van deze regeling zijn voor de dagelijkse werkzaamheden verantwoording schuldig aan de teammanager van het RBL, waaronder zij bij de Uitvoerende gemeente aangesteld zijn. De begeleiding van leerlingen in het kader van de leerplicht en RMC-taken geschiedt in overleg met de scholen en de dienstverlenende instellingen.

  • 3.

    De medewerkers die in het kader van deze Regeling taken uitvoeren voor de in artikel 8, tweede lid genoemde gemeenten die deelnemen aan perceel 2, vervullen hun taak conform de ‘Instructie leerplichtambtenaar en RMC-functionaris’.

Artikel 21 Jaarverslag

  • 1.

    Jaarlijks maakt de uitvoerende gemeente ter uitvoering van artikel 25 van de Leerplichtwet 1969 voor 1 augustus voor de gemeenten die deelnemen aan perceel 1, maar niet deelnemen aan perceel 2, een statistisch leerplichtjaarverslag over de uitvoering en het gevoerde beleid inzake handhaving van de leerplicht en kwalificatieplicht en de resultaten daarvan over het afgelopen schooljaar. Het statistisch leerplichtjaarverslag betreft cijfermatige gegevens/overzichten over de registratie van alle leerplichtigen uit de deelnemende gemeenten ten behoeve van de door die gemeenten zelf te maken jaarverslagen leerplicht.

  • 2.

    Jaarlijks maakt de uitvoerende gemeente ter uitvoering van artikel 25 van de Leerplichtwet 1969 voor 1 september voor de gemeenten die deelnemen aan perceel 2, een inhoudelijk leerplichtjaarverslag over de uitvoering en het gevoerde beleid inzake handhaving van de leerplicht en kwalificatieplicht en de resultaten daarvan over het afgelopen schooljaar.

  • 3.

    De uitvoerende gemeente draagt zorg voor het opstellen van een leerplichtjaarverslag voor gemeenten die deelnemen aan perceel 2. Dit verslag wordt gecombineerd met het jaarverslag over het regionale Meerjarenbeleidsplan (inzet en resultaten van RMC en VSV) in het afgelopen schooljaar. Dit geïntegreerde jaarverslag geeft inhoudelijke en cijfermatige informatie over de 5- tot 23-jarigen in de regio.

  • 4.

    Jaarlijks stelt de RMC contactgemeente de VSV rapportages op voor het Ministerie van OCW over het afgelopen schooljaar. Het RBL verzorgt de informatievoorziening voor de RMC contactgemeente.

Artikel 22 Bezwaar en klachten

  • 1.

    Directies van scholen, ouders of leerlingen die zich niet kunnen verenigen met de beslissing in eerste aanleg van de leerplichtambtenaar, diens leidinggevende of het college van burgemeester en wethouders kunnen conform de bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht een bezwaarschrift indienen bij het voor de beslissing verantwoordelijke bestuursorgaan.

  • 2.

    Op grond van art. 10:3, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht besluit het college van burgemeester en wethouders van de woongemeente over het ingediende bezwaarschrift.

  • 3.

    De klachtenregeling van de uitvoerende gemeente is van toepassing. Voor gemeenten die niet deelnemen aan één of meer van de in artikel 5, 6 en 7 genoemde percelen is, voor wat betreft de taakuitvoering in het kader van dat betreffende perceel, de eigen klachtenregeling van die gemeente van toepassing.

Hoofdstuk 7 Financiële en andere bepalingen

Artikel 23 Algemene financiële bepalingen en begroting

  • 1.

    Het gemeenschappelijk orgaan stelt de begroting vast uiterlijk 1 juli voorafgaande aan het jaar waarvoor deze geldt.

  • 2.

    Het gemeenschappelijk orgaan zendt jaarlijks een ontwerpbegroting met toelichting uiterlijk op 15 april toe aan de deelnemende gemeenten samen met een meerjarenraming met toelichting voor tenminste drie op het begrotingsjaar volgende jaren.

  • 3.

    In de begroting wordt aangegeven de naar raming door elke gemeente verschuldigde bijdrage voor het jaar waarop de begroting betrekking heeft.

  • 4.

    In de begroting is het onderscheid van de drie verschillende percelen aangebracht.

  • 5.

    In de begroting zijn, per perceel, de salariskosten plus werkgeverslasten, uitvoeringskosten en overige kosten vermeld, met daarbij, per perceel aangegeven, de wijze waarop de in het derde lid van dit artikel genoemde bijdrage is berekend en vastgesteld.

  • 6.

    De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de besturen van de deelnemende gemeenten voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. Artikel 190, tweede en derde lid, van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

  • 7.

    De raden van de deelnemende gemeenten kunnen bij het gemeenschappelijk orgaan hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het gemeenschappelijk orgaan voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting,

  • 8.

    Indien het gemeenschappelijk orgaan afwijkt van de zienswijzen van de deelnemende gemeenten, zendt het de vastgestelde begroting aan de raden van de deelnemende gemeenten. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen Gedeputeerde Staten van hun zienswijze op de hoogte brengen.

  • 9.

    Het gemeenschappelijk orgaan zendt jaarlijks de vastgestelde begroting met toelichting uiterlijk 1 augustus toe aan Gedeputeerde Staten.

  • 10.

    De deelnemende gemeenten betalen jaarlijks de bijdrage als bedoeld in het derde lid van dit artikel.

  • 11.

    Indien er sprake is van een afwijking van het dan geldende begrotingskader inclusief indexering, waaraan de deelnemende gemeenten eerder hun goedkeuring hebben gegeven, dan wordt de conceptbegroting bij iedere gemeente afzonderlijk voorgelegd ter besluitvorming. Zodra iedere gemeente afzonderlijk een besluit heeft genomen zijn de bepalingen van dit artikel mede van toepassing op wijziging van de begroting.

Artikel 24 Berekeningswijze perceel 1

  • 1.

    Zowel de personeelskosten als de uitvoeringskosten/overhead die verbonden zijn aan de uitvoering van de administratie van leerplicht- en RMC taken van het RBL worden, naast de gedekte kosten vanuit het RMC-rijksbudget, zoals opgenomen in de begroting, omgeslagen over de aan perceel 1 deelnemende, gemeenten.

  • 2.

    Tot de personeelskosten behoren:

    • a.

      de salariskosten van de medewerkers van de uitvoerende gemeente tot het maximale bedrag behorende bij de functionele salarisschalen volgens het functiewaarderingssysteem van de uitvoerende gemeente;

    • b.

      de kosten van bijzondere beloningen die de uitvoerende gemeente toekent op basis van het functioneren van de medewerker in de uitvoeringsorganisatie.

  • 3.

    Tot de uitvoeringskosten behoren:

    • a.

      de overheadkosten verbonden aan de uitvoering door de uitvoeringsorganisatie, bij aanvang van de regeling vastgesteld op 20% van de personeelskosten.

    • b.

      de directe kosten van het door de uitvoerende gemeente gebruikte registratiesysteem leerplicht / RMC, te weten de jaarlijkse exploitatiekosten (licentiekosten, technische kosten, backup beheer e.d.) en de kosten voortvloeiend uit de noodzakelijke GBA-koppelingen.

    • c.

      kosten van de jaarlijkse accountantscontrole.

  • 4.

    Van het totaal van de in het tweede en derde lid van dit artikel berekende kosten komt 75 % ten laste van de aan perceel 1 deelnemende gemeenten.

  • 5.

    De overige 25 % van de totale kosten wordt ten laste gebracht van het jaarlijkse RMC-rijksbudget.

  • 6.

    Verdeling van de in het vierde lid van dit artikel genoemde kosten vindt plaats naar rato van het aantal inwoners van 5 tot 23 jaar per gemeente op 1 januari van het voorafgaande jaar.

Artikel 25 Berekeningswijze perceel 2

  • 1.

    Zowel de personeelskosten als de uitvoeringskosten/overhead die verbonden zijn aan de uitvoering van de leerplichttaken van het RBL worden, naast de gedekte kosten vanuit het geoormerkte kwalificatieplicht-budget, zoals opgenomen in de begroting, omgeslagen over de aan perceel 2 deelnemende, gemeenten.

  • 2.

    Tot de personeelskosten behoren:

    • a.

      de salariskosten van de medewerkers van de uitvoerende gemeente tot het maximale bedrag behorende bij de functionele salarisschalen volgens het functiewaarderingssysteem van de uitvoerende gemeente;

    • b.

      de kosten van bijzondere beloningen die de uitvoerende gemeente toekent op basis van het functioneren van de medewerker in de uitvoeringsorganisatie.

  • 3.

    Tot de uitvoeringskosten behoren:

    • a.

      de overheadkosten verbonden aan de uitvoering door de uitvoeringsorganisatie, bij aanvang van de regeling vastgesteld op 20% van de personeelskosten.

    • b.

      kosten van de jaarlijkse accountantscontrole.

  • 4.

    De bijdrage van de gemeenten die deelnemen aan perceel 2 vindt plaats naar rato van het aantal inwoners per gemeente van 5 tot 18 jaar op 1 januari van het voorafgaande jaar.

Artikel 26 Berekeningswijze perceel 3

  • 1.

    Zowel de personeelskosten als de uitvoeringskosten/overheadkosten die verbonden zijn aan de uitvoering van de RMC-taken van het RBL worden gedekt door de jaarlijkse middelen die door het ministerie van OCW voor uitvoering van de RMC-functie aan de RMC contactgemeente Haarlem ter beschikking worden gesteld, de Programmagelden die jaarlijks ten behoeve van de bestrijding van voortijdig schoolverlaten worden vastgesteld en de jaarlijkse Doeluitkering Jeugd/VSV.

  • 2.

    Tot de personeelskosten behoren:

    • a.

      de salariskosten van de medewerkers van de uitvoerende gemeente tot het maximale bedrag behorende bij de functionele salarisschalen volgens het functiewaarderingssysteem van de uitvoerende gemeente;

    • b.

      de kosten van bijzondere beloningen die de uitvoerende gemeente toekent op basis van het functioneren van de medewerker in de uitvoeringsorganisatie;

  • 3.

    Tot de uitvoeringskosten behoren:

    • a.

      de overheadkosten verbonden aan de uitvoering door de uitvoeringsorganisatie, bij aanvang van de regeling vastgesteld op 20% van de personeelskosten.

    • b.

      kosten van de jaarlijkse accountantscontrole.

  • 4.

    De financiële risico’s van onrechtmatige besteding van middelen voor uitvoering van de RMC-functie zijn voor rekening van de in artikel 8 eerste lid genoemde gemeenten die deelnemen aan perceel 3 (RMC), naar rato van het percentage dat bij de berekening van het subsidiebedrag van de RMC-middelen door het ministerie van OCW voor de betreffende gemeente is gehanteerd.

Artikel 27 Jaarrekening

  • 1.

    Na afloop van elk jaar legt de uitvoerende gemeente voor 1 april aan het gemeenschappelijk orgaan financiële verantwoording af, voorzien van een accountantsverklaring.

  • 2.

    Het gemeenschappelijk orgaan stelt de jaarrekening vast uiterlijk 1 juli in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft.

  • 3.

    Het gemeenschappelijk orgaan zendt jaarlijks een ontwerpjaarrekening met toelichting, uiterlijk op 15 april, toe aan de deelnemende gemeenten.

  • 4.

    Het gemeenschappelijk orgaan zendt jaarlijks de vastgestelde jaarrekening met alle daarbij behorende toelichtende stukken uiterlijk 15 juli aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 28 Overige financiële bepalingen

  • 1.

    De salariskosten genoemd in het vijfde lid van artikel 23 worden jaarlijks aangepast aan de actuele van toepassing zijnde CAR-UWO CAO voor gemeenteambtenaren en aangepast met het in Haarlem toegepaste indexcijfer voor lonen. Dit indexcijfer is in de begroting opgenomen.

  • 2.

    De in het vijfde lid van artikel 23 genoemde uitvoeringskosten (overhead en automatisering) worden jaarlijks verhoogd met in Haarlem gehanteerde indexcijfer voor uitvoeringskosten. Dit indexcijfer is in de begroting opgenomen.

  • 3.

    Betaling van de gemeentelijke bijdrage aan de uitvoerende gemeente geschiedt bij wijze van voorschot per kalenderkwartaal op basis van de begrote bijdragen zoals in de goedgekeurde begroting door de deelnemende gemeente schriftelijk aan de uitvoerende gemeente is medegedeeld.

  • 4.

    Indien zich onvoorziene omstandigheden voordoen welke van dien aard zijn dat deze, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, niet voor rekening en risico van de uitvoerende gemeente kunnen komen, treden de deelnemende gemeenten in overleg om vanuit de gezamenlijke verantwoordelijkheid tot een oplossing te komen.

  • 5.

    Gemeenten treden ook in overleg als de van toepassing zijnde wetgeving voor de uitvoering van de tot de percelen 1 t/m 3 behorende taakuitvoering niet langer onder de gemeentelijke verantwoordelijkheid valt en dit leidt tot een zodanige vermindering van taken dat dit gevolgen heeft voor de omvang van de uitvoeringsorganisatie. De deelnemende gemeenten zijn in dat geval ieder naar rato van de bijdrage verantwoordelijk voor deze gevolgen, inclusief de financiële gevolgen waaronder eventuele wachtgeldverplichtingen.

  • 6.

    Onder de in het vorige lid bedoelde kosten worden begrepen de personeelskosten, overheadkosten en overige uitvoeringskosten die zijn verbonden aan de uitvoering van de taken.

  • 7.

    Extra dienstverlening kan worden ingekocht op verzoek van een deelnemende gemeente, voorover dit past binnen de werkingssfeer van de in artikel 3 genoemde te behartigen belangen. Het gemeenschappelijk orgaan beslist of akkoord wordt gegaan met het uitvoeren van de extra dienstverlening die de gemeente wil inkopen bij de uitvoerende gemeente. Hiertoe stelt de uitvoerende gemeente een offerte op voor de inkopende gemeente.

  • 8.

    Bij inkoop van extra dienstverlening door deelnemende gemeenten wordt per product een eenheidsprijs vastgesteld. De hoeveelheid afgenomen producten wordt per gemeente vooraf per begrotingsjaar ingeschat en vooraf in rekening gebracht. Indien uit de realisatie blijkt dat de gemeente meer of minder producten binnen de extra dienstverlening heeft afgenomen dan wordt dit achteraf verrekend. De eenheidsprijs voor extra dienstverlening wordt door het Gemeenschappelijk orgaan vastgesteld en mede bepaald aan de hand van:

    • a.

      Kosten van aanschaf en onderhoud benodigde hard- en software;

    • b.

      Personeelskosten benodigde medewerkers;

    • c.

      Overheadkosten (huisvesting, organisatiekosten).

Hoofdstuk 8 Personeel

Artikel 29 Dienstverband

  • 1.

    Met de medewerkers die taken uitvoeren wordt, voor zover het betreft de deelname aan perceel 1 t/m 3, door de uitvoerende gemeente een dienstverband aangegaan voor onbepaalde tijd, tenzij anders overeengekomen.

  • 2.

    Op de in het eerste lid van dit artikel omschreven medewerkers van het RBL zijn de rechtspositieregelingen van de uitvoerende gemeente van toepassing, tenzij anders overeengekomen.

  • 3.

    Voor medewerkers die voor de inwerkingtreding van deze regeling in dienst zijn bij een andere gemeente dan de uitvoerende gemeente gelden vanaf het moment van indiensttreding bij de uitvoerende gemeente de arbeidsvoorwaarden van de uitvoerende gemeente. De gemeente van herkomst is verantwoordelijk voor de in het kader van sociaal plan of sociaal statuut te maken overgangsafspraken en zij draagt hiervoor de eventuele kosten.

  • 4.

    Voor medewerkers die niet bij de uitvoerende gemeente in dienst treden en in dienst zijn bij een andere gemeente dan de uitvoerende gemeente vóór en vanaf het moment van inwerkingtreding van deze regeling geldt dat zij worden gedetacheerd bij de uitvoerende gemeente en in dienst blijven bij de gemeente van herkomst. Op hen zijn de rechtspositieregelingen van de gemeente waar zij in dienst zijn van toepassing, tenzij anders overeengekomen.

  • 5.

    Het derde en vierde lid van dit artikel zijn niet van toepassing voor gemeenten die niet deelnemen aan perceel 2.

  • 6.

    Vacatures die vallen binnen de taakuitvoering van de percelen 1 t/m 3 worden ingevuld door de uitvoerende gemeente. Werving vindt in eerste instantie plaats via een interne procedure, waarbij alle aan het perceel deelnemende gemeenten zijn betrokken.

  • 7.

    Bij beëindiging van deze gemeenschappelijk regeling, zoals bedoeld in artikel 33, of bij uittreding door een gemeente, zoals bedoeld in artikel 32, treden de gemeenten in overleg over het teveel aan formatie waarvoor de uitvoerende gemeente na opheffing of uittreding geen werkzaamheden meer heeft. Hierbij geldt het uitgangspunt dat de medewerker die bij de start van deze regeling in dienst is getreden bij de uitvoerende gemeente teruggaat naar de oorspronkelijk gemeente en bij die gemeente weer in dienst treedt.

Hoofdstuk 9 Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing

Artikel 30 Wijziging

  • 1.

    Voor wijziging van de regeling is de unanieme instemming van de colleges van de deelnemende gemeenten vereist.

  • 2.

    Een verandering van deelname aan een van de in artikel 5, 6 en 7 genoemde percelen wordt beschouwd als een in het eerste lid van dit artikel genoemde wijziging

  • 3.

    Zowel het gemeenschappelijk orgaan als elk der deelnemende gemeenten is bevoegd tot het doen van voorstellen tot wijziging van de regeling.

Artikel 31 Toetreding

  • 1.

    Andere gemeenten kunnen toetreden tot de regeling.

  • 2.

    Bij toetreding tot deze regeling is sprake van in een artikel genoemde wijziging waarvoor unanieme instemming van de colleges van de deelnemende gemeenten vereist is.

  • 3.

    Aan de toetreding kunnen de colleges van de deelnemende gemeenten voorwaarden verbinden.

Artikel 32 Uittreding

  • 1.

    Een gemeente kan uittreden door toezending aan het gemeenschappelijk orgaan van een daartoe strekkend besluit van het college.

  • 2.

    Gedurende drie jaren na de datum van toetreding tot de regeling is uittreding niet mogelijk, tenzij gemeenten daar in onderling overleg van afwijken en gemeenten unaniem hiermee instemmen.

  • 3.

    Een deelnemende gemeente dient het voornemen tot uittreding uiterlijk twaalf maanden voor de datum van uittreding, schriftelijk gemotiveerd mede te delen aan het algemeen bestuur.

  • 4.

    De uittreding vindt, behoudens door de colleges en gemeenteraden van de deelnemende gemeenten geaccepteerde afwijking, plaats op 1 januari van het tweede jaar, volgend op dat waarin het besluit tot uittreding in de registers is ingeschreven.

  • 5.

    Indien een gemeente uittreedt, besluiten de colleges van de overige gemeenten over de voortzetting van de gemeenschappelijke regeling en de wijze waarop.

  • 6.

    Het gemeenschappelijk orgaan regelt de financiële en overige gevolgen van de uittreding. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de uittredende gemeente de kosten draagt die het rechtstreekse gevolg zijn van de uittreding en dat de overige gemeenten geen financieel nadeel van de uittreding ondervinden.

  • 7.

    Alle rechten en verplichtingen van het gemeenschappelijk orgaan gaan bij uittreding over naar de uittredende gemeente naar evenredigheid van de grootte van de bijdrage aan de gemeenschappelijke regeling in het jaar voorafgaande aan de uittreding.

Artikel 33 Opheffing

  • 1.

    De regeling kan worden opgeheven bij de daartoe strekkende besluiten van de colleges van alle deelnemende gemeenten.

  • 2.

    De opheffing gaat in op de in het opheffingsbesluit genoemde datum.

  • 3.

    Ingeval van opheffing van de regeling besluiten de colleges van de deelnemende gemeenten tot liquidatie en stellen daarvoor de nodige regels vast. Hierbij kan van de bepalingen van deze gemeenschappelijke regeling worden afgeweken.

  • 4.

    Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing. Hieronder wordt tevens verstaan eventuele gevolgschade voor de uitvoerende gemeente.

  • 5.

    Het liquidatieplan bevat tevens een personeelsplan dat voor zoveel mogelijk voorziet in herplaatsing van het personeel en voorts in de financiële gevolgen voor het personeel.

  • 6.

    De deelnemende gemeenten zijn belast met de liquidatie. Het gemeenschappelijk orgaan blijft na het tijdstip van de opheffing in functie, totdat de liquidatie is voltooid.

  • 7.

    Alle rechten en verplichtingen van de regeling die resteren na uitvoering van het liquidatieplan gaan bij vereffening over naar de deelnemende gemeenten, naar evenredigheid van de grootte van hun bijdrage aan de regeling in het jaar voorafgaande aan de opheffing.

Artikel 34 Archief

Het gemeenschappelijk orgaan draagt zorg voor de archiefbescheiden van de regeling overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de wettelijke voorschriften daaromtrent. De bewaring en het beheer van de archiefbescheiden berust bij de uitvoerende gemeente.

Hoofdstuk 10 Geschillenbeslechting

Artikel 35 Geschillenbeslechting

  • 1.

    Over meningsverschillen tussen de directie van scholen, ouders en leerlingen met de leerplichtambtenaar beslist de teammanager van het RBL of diens plaatsvervanger.

  • 2.

    Geschillen omtrent de toepassing, in de ruimste zin, van de regeling tussen de (colleges van de) deelnemende gemeenten zullen nadat zij via een aangetekend schrijven kenbaar zijn gemaakt, worden besproken tussen een vertegenwoordiging van de colleges en Gedeputeerde Staten. Conform artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen beslissen Gedeputeerde Staten.

  • 3.

    Indien men onderling niet komt tot een voor iedere partij aanvaardbare oplossing van het geschil, zijn alle partijen bevoegd het geschil aan de daartoe bevoegde rechter voor te leggen.

  • 4.

    Op de overeenkomst is het Nederlands recht van toepassing.

Hoofdstuk 11 Slotbepalingen

Artikel 36 Ingangsdatum en duur van de Regeling

  • 1.

    Deze gemeenschappelijke regeling gaat in op 1 januari 2014.

  • 2.

    Deze gemeenschappelijke regeling is aangegaan voor onbepaalde tijd.

  • 3.

    Na 1 jaar wordt de regeling geëvalueerd en indien nodig aangepast.

  • 4.

    De aan deze regeling deelnemende gemeenten dragen zorg voor publicatie in de Staatscourant.

Artikel 37 Beëindiging huidige samenwerkingsovereenkomsten

  • 1.

    Met de inwerkingtreding van deze regeling eindigt de op 1 september 2010 in werking getreden Dienstverleningsovereenkomst leerplicht tussen de gemeenten Haarlem en Haarlemmerliede en Spaarnwoude betreffende de uitvoering van de taken in het kader van de Leerplichtwet 1969.

  • 2.

    Met de inwerkingtreding van deze regeling eindigt de op 1 november 2011 in werking getreden Samenwerkingsovereenkomst leerplicht tussen de gemeenten Haarlem en Heemstede betreffende de uitvoering van de taken in het kader van de Leerplichtwet 1969.

  • 3.

    Met de inwerkingtreding van deze regeling eindigt de op 1 augustus 2010 in werking getreden herziene Dienstverleningsovereenkomst leerplicht tussen de gemeenten Haarlem en Zandvoort betreffende de uitvoering van de taken in het kader van de Leerplichtwet 1969.

  • 4.

    Op de datum van inwerkingtreding van deze regeling eindigt de Overeenkomst uitvoering RMC 2012 tussen de gemeente Haarlem en de stichting RMC inzake de aan de stichting RMC verleende opdracht tot uitvoering van RMC taken.

Artikel 38 Citeertitel

Deze gemeenschappelijke regeling kan worden aangehaald als: ‘Gemeenschappelijke Regeling Schoolverzuim en Voortijdig Schoolverlaten Regio West-Kennemerland’.

Naar boven