Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
DordrechtStaatscourant 2016, 72542Instelling gemeenschappelijke regelingen



Dienst Gezondheid & Jeugd Zuid-Holland Zuid

Logo Dordrecht

 

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Alblasserdam, Binnenmaas, Cromstrijen, Dordrecht, Giessenlanden, Gorinchem,

Hardinxveld-Giessendam, Hendrik-Ido-Ambacht, Korendijk, Leerdam, Molenwaard,

Oud-Beijerland, Papendrecht, Sliedrecht, Strijen, Zederik en Zwijndrecht;

 

overwegende:

 

dat zij hun samenwerking op tal van beleidsterreinen sinds 1993 hebben vastgelegd in een gemeenschappelijke regeling voor het grondgebied van Zuid-Holland Zuid, sinds 1998 genaamd Gemeenschappelijke regeling Regio Zuid-Holland Zuid;

 

dat in de periode 2007 tot 2010 belangrijke taken van de Regio Zuid-Holland Zuid zijn verzelfstandigd in eigen gemeenschappelijke regelingen;

 

dat in 2011 door het algemeen bestuur een bestuurlijke werkgroep is ingesteld met de opdracht te rapporteren over de toekomstige taken en inrichting van de gemeenschappelijke regeling Regio Zuid-Holland Zuid, waarop de besturen van de deelnemende gemeenten hun zienswijze en uiteindelijk hun instemming hebben gegeven;

 

dat dit heeft geleid tot een volledig herziene gemeenschappelijke regeling, met gewijzigde taken en organisatiestructuur;

 

dat in de Wet publieke gezondheid de verplichting is opgenomen dat de colleges van burgemeester en wethouders die behoren tot een regio als bedoeld in de Wet veiligheidsregio’s, via het treffen van een gemeenschappelijke regeling zorg moeten dragen voor de instelling en instandhouding van een regionale gezondheidsdienst in die regio;

 

gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet;

 

b e s l u i t e n :

 

de hierna volgende gemeenschappelijke regeling aan te gaan,

 

genaamd:

 

Dienst Gezondheid & Jeugd Zuid-Holland Zuid.

HOOFDSTUK 1 BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 1  

  • 1.

    In deze regeling wordt verstaan onder:

    • a.

      de regeling: deze gemeenschappelijke regeling;

    • b.

      het samenwerkingsverband: het rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2 van de regeling;

    • c.

      een deelnemende gemeente: een aan de regeling deelnemende gemeente;

    • d.

      de wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen;

    • e.

      het gebied: het grondgebied van de deelnemende gemeenten;

    • f.

      subregio: een cluster van gemeenten binnen het onder e. bedoelde gebied, waarbinnen initiatieven worden ontwikkeld ter behartiging van een lokaal gemeenschappelijke belang; de subregio’s zijn:

      • de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden, bestaande uit de gemeenten: Giessenlanden, Gorinchem, Hardinxveld-Giessendam, Leerdam, Molenwaard en Zederik;

      • de Drechtsteden, bestaande uit de gemeenten: Alblasserdam, Dordrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Papendrecht, Sliedrecht en Zwijndrecht;

      • de Hoeksche Waard, bestaande uit de gemeenten: Binnenmaas, Cromstrijen, Korendijk, Oud-Beijerland en Strijen;

    • g.

      organisatieonderdeel: een door het dagelijks bestuur ingesteld organisatieonderdeel van het samenwerkingsverband dat onder leiding staat van een directeur;

    • h.

      AMHK: een advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling zoals bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • i.

      jeugdhulp: jeugdhulp, preventie, jeugdreclassering en het voorzien in kinderbeschermingsmaatregelen zoals bedoeld in de Jeugdwet;

  • 2.

    Waar in de regeling artikelen van de Gemeentewet of van enige andere wet of wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing worden verklaard, komen in die artikelen in de plaats van de gemeente, de raad, burgemeester en wethouders en de burgemeester, onderscheidenlijk het samenwerkingsverband, het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.

HOOFDSTUK 2 HET OPENBAAR LICHAAM

Artikel 2  

  • 1.

    Er is een openbaar lichaam genaamd: Dienst Gezondheid & Jeugd Zuid-Holland Zuid.

  • 2.

    Het openbaar lichaam is rechtspersoon als bedoeld in artikel 8, lid 1 van de wet en is gevestigd in Dordrecht.

  • 3.

    Het gebied waarvoor deze regeling geldt omvat het grondgebied van de deelnemende gemeenten.

  • 4.

    Het openbaar lichaam kent per 1 januari 2015 in ieder geval de volgende organisatieonderdelen:

    • a.

      organisatieonderdeel Dienst Gezondheid & Jeugd, dat zich in ieder geval richt op de taken als bedoeld in artikel 5 onderdelen I, II, III en V;

    • b.

      organisatieonderdeel Serviceorganisatie Jeugd Zuid-Holland Zuid, dat zich in ieder geval richt op de taken als bedoeld in artikel 5 onderdelen IV.

HOOFDSTUK 3 TE BEHARTIGEN BELANGEN

Artikel 3  

  • 1.

    Het samenwerkingsverband heeft tot taak, vanuit het beginsel van verlengd lokaal bestuur, en met inachtneming van hetgeen in deze regeling is bepaald, een bijdrage te leveren aan het behartigen van gemeenschappelijke belangen van de deelnemende gemeenten, teneinde een evenwichtige en voorspoedige ontwikkeling in het gebied te bevorderen.

  • 2.

    De behartiging van belangen geschiedt door het bepalen van de hoofdlijnen van gewenste ontwikkelingen door middel van sturing, ordening, integratie en in voorkomende gevallen uitvoering ter zake van de taakvelden:

    • publieke gezondheid;

    • onderwijs;

    • jeugdzorg;

    • maatschappelijke ondersteuning, meer in het bijzonder huiselijk geweld en kindermishandeling, zoals bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • ambulancezorg;

    • meldkamer ambulancevervoer;

    • geneeskundige hulpverlening.

Artikel 4  

De behartiging van de in artikel 3 genoemde belangen omvat in elk geval:

  • a.

    de bevordering van overleg met en tussen de deelnemende gemeenten ter afstemming en coördinatie van gemeentelijke beleidsvoornemens en beleidsmaatregelen;

  • b.

    de bevordering van gemeenschappelijke standpuntbepaling en het waar nodig uitdragen daarvan, en het nemen van overige initiatieven in het gemeenschappelijk belang;

  • c.

    het voeren van overleg met andere overheden en andere betrokken instellingen, inzake het gemeenschappelijk belang van de deelnemende gemeenten;

  • d.

    het vertegenwoordigen van afzonderlijke gemeenten of subregio’s indien en voor zover deze daarom verzoeken.

HOOFDSTUK 4 TAKEN EN BEVOEGDHEDEN

AFDELING 1 SPECIFIEKE TAKEN

 

Artikel 5  

Ter verwezenlijking van het bepaalde in de artikelen 3 en 4 voert het samenwerkingsverband op de navolgende terreinen de volgende specifieke taken en bevoegdheden uit welke uitvoering door het algemeen bestuur kan worden toegedeeld aan een organisatieonderdeel:

Publieke gezondheid:

Het samenwerkingsverband is belast met:

  • 1.

    Wettelijke taken en bevoegdheden als regionale gezondheidsdienst [GGD]:

    • a.

      het instellen en in stand houden van een gezondheidsdienst als bedoeld in de artikelen 14 en 15 van de Wet publieke gezondheid;

    • b.

      de taken en bevoegdheden die de Wet publieke gezondheid aangeeft voor het bestuur van de gezondheidsdienst;

    • c.

      het houden van toezicht als bedoeld in hoofdstuk afdeling 4 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;

  • 2.

    Taken in vrijwillige samenwerking van de deelnemende gemeenten, waarvoor het samenwerkingsverband al dan niet het verlengd opdrachtgeverschap en een regiefunctie heeft bij de uitvoering door derden, voor zover het algemeen bestuur deze taken heeft aanvaard, en waarbij artikel 7, derde vierde lid van deze regeling van overeenkomstige toepassing is.

  • 3.

    Het overigens uitvoeren van taken op het terrein van de publieke gezondheid, die van een gezondheidsdienst verwacht mogen worden ten behoeve van gemeenten, personen, instellingen en organisaties.

Onderwijs:

Het samenwerkingsverband is belast met:

  • a.

    het als bevoegd gezag uitvoeren van de Leerplichtwet;

  • b.

    de uitvoering van de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie, als bedoeld in de Regels inzake regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten [Stb. 2001, 636],

  • c.

    de uitvoering als bedoeld in het vorige lid vindt plaats namens het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht, welke gemeente ingevolge de in het vorige lid genoemde Regels is aangewezen als contactgemeente.

Jeugd Preventie Team:

Het samenwerkingsverband is belast de uitoefening van gemeenschappelijke taken – met inbegrip van het financieel beheer en coördinatie - met betrekking tot de instandhouding van het Jeugd Preventie Team in de samenwerking van de deelnemende gemeenten, Bureau Jeugdzorg en de politie.

Jeugdwet:

  • 1.

    Het samenwerkingsverband is belast met de ondersteuning van de deelnemende gemeenten bij de uitvoering van hun taken in het kader van de Jeugdwet alsmede de organisatie en uitvoering van een AMHK.

  • 2.

    Het samenwerkingsverband heeft in elk geval tot taak te zorgen voor een kwalitatief goede en efficiënte uitvoering van gemeentelijke taken in het kader van de Jeugdwet alsmede de organisatie en uitvoering van het AMHK waarvan de colleges van de deelnemende gemeenten hebben vastgesteld dat deze in gezamenlijkheid worden uitgevoerd.

  • 3.

    Het samenwerkingsverband voert in elk geval de volgende door de deelnemende gemeenten overgedragen taken en bevoegdheden uit, met inachtneming van de daarvoor door alle deelnemende gemeenten eensluidend vastgestelde regelingen:

    • a.

      het contracteren of subsidiëren van aanbieders van jeugdhulp en uitvoerders van jeugdreclassering en jeugdbeschermingsmaatregelen in het kader van de Jeugdwet alsmede uitvoerders van taken in het kader van het AMHK; de jeugdhulp omvat de uitvoering van gesloten jeugdhulp, crisiszorg, pleegzorg, residentiële, intramurale zorg of specialistische zorg voor jeugdigen; de taken worden uitgevoerd met inachtneming van de afspraken die hierover op bovenregionaal of landelijk niveau zijn of worden gemaakt;

    • b.

      het bevorderen van gezamenlijk overleg van de deelnemende gemeenten inzake de uitvoering van de jeugdhulptaken, welke ingevolge de Jeugdwet aan de gemeenten zijn opgedragen alsmede inzake de organisatie en uitvoering van het AMHK,waaronder in ieder geval wordt begrepen de volgende aan het samenwerkingsverband door middel van delegatie overgedragen bevoegdheden ten behoeve van het gebied:

      • het inkopen en contracteren van zorgaanbieders jeugdhulp, waaronder het doen inrichten en in standhouden van een Diagnostiek Advies Netwerk;

      • het inrichten en in stand houden van een AMHK, waaronder het contracteren met en/of subsidiëren van zorgaanbieders of (jeugd)hulpverleners ten behoeve van het AMHK en voor zover nodig daarmee verband houdende privaatrechtelijke rechtshandelingen verrichten;

      • het (doen) organiseren en in stand houden van een regionale crisisdienst;

      • het contracteren met en/of subsidiëren van de gecertificeerde instelling(en), die jeugdbescherming en jeugdreclassering (JB/JR) taken uitvoeren;

      • het organiseren en in standhouden van een voorziening waarmee tegemoet gekomen wordt aan de in de artikelen 2.4., 2.5, 2.6, 2.13 en 3.1, van de Jeugdwet bedoelde verantwoordelijkheden, zorgplichten en toezichthoudende taken;

      • het organiseren en in stand houden van een voorziening waarmee tegemoetgekomen wordt aan de in de artikelen 10.1, 10.2, 10.3 en 10.4 van de Jeugdwet bedoelde verantwoordelijkheden ter zake van de continuïteit van de rechten en verplichtingen in verband met de inwerkingtreding van de Jeugdwet;

      • de inrichting en instandhouding van een bezwaaradviescommissie die de colleges van de deelnemende gemeenten adviseert over de heroverweging van besluiten naar aanleiding van daartegen gemaakte bezwaren.

  • 4.

    Het samenwerkingsverband voert namens de colleges van de deelnemende gemeenten ook andere taken en bevoegdheden in het kader van de uitvoering van de Jeugdwet en de taken ter zake het AMHK uit, voor zover die taken door de colleges van de deelnemende gemeenten aan het samenwerkingsverband zijn opgedragen en de daarvoor benodigde bevoegdheden door middel van een daartoe strekkend mandaat- en/of machtigingsbesluit zijn toegekend aan de directeur van de Serviceorganisatie Jeugd Zuid-Holland Zuid, en voor zover het algemeen bestuur met dit mandaat heeft ingestemd.

Regionale Ambulancevoorziening:

  • 1.

    Het samenwerkingsverband heeft tot taak, het instellen en in stand houden van een Regionale Ambulancevoorziening en het verrichten van taken voortvloeiend uit de Tijdelijke wet ambulancezorg en de Regeling Tijdelijke wet ambulancezorg.

  • 2.

    de Regionale Ambulancevoorziening is:

    • a.

      door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor de regio aangewezen in de zin van de Tijdelijke wet ambulancezorg;

    • b.

      verantwoordelijk voor het leveren van verantwoorde ambulancezorg; zowel in de dagelijkse, routinematige situatie als bij rampen en zware ongevallen;

    • c.

      verantwoordelijk voor het in stand houden van een meldkamer ambulancezorg, als onderdeel van de meldkamer bedoeld in artikel 35 van de Wet veiligheidsregio’s.

Artikel 6  

  • 1.

    De in artikel 5 genoemde taken en bevoegdheden worden nader omschreven en uitgewerkt in een jaarlijks op te stellen meerjarig beleidsplan.

  • 2.

    Elk jaar wordt door het algemeen bestuur tezamen met de begroting een meerjarig beleidsplan vastgesteld. Het plan omvat een gedetailleerd overzicht van de in het op de vaststelling volgende jaar te ondernemen activiteiten en een meer globale aanduiding van de daarop volgende drie jaren te ondernemen activiteiten, alsmede een overzicht van de financiële gevolgen van deze activiteiten zoals die in de begroting zullen worden opgenomen.

AFDELING 2 DIENSTVERLENING

Artikel 7  

  • 1.

    Het samenwerkingsverband is bevoegd tot het verrichten van diensten voor een of meer deelnemende gemeenten en andere publiekrechtelijke organisaties, indien deze daarom verzoeken en het algemeen bestuur dat verzoek inwilligt.

  • 2.

    Het samenwerkingsverband is bevoegd tot het verrichten van diensten ten behoeve van instellingen en organen waarin het namens de deelnemende gemeenten zitting heeft, indien de desbetreffende instelling of het orgaan hierom verzoekt en het algemeen bestuur dat verzoek inwilligt.

  • 3.

    Vanuit het organisatieonderdeel Serviceorganisatie Jeugd kan het samenwerkingsverband diensten verlenen aan organisaties die binnen het gebied betrokken zijn bij het uitvoeren van diensten in het kader van de Jeugdwet.

  • 4.

    Een besluit tot dienstverlening vermeldt de wijze van kostenverrekening en de overige voorwaarden, waaronder tot de gevraagde dienstverlening wordt overgegaan.

AFDELING 3 HET AANGAAN VAN REGELINGEN MET DERDEN

Artikel 8  

De bestuursorganen van het samenwerkingsverband hebben ter verwezenlijking van de taken die zijn opgenomen in deze regeling, de bevoegdheid om een gemeenschappelijke regeling aan te gaan als bedoeld in hoofdstuk IX van de wet, of toe te treden tot een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in hoofdstuk VIII van de wet.

AFDELING 4 PRIVAATRECHTELIJKE RECHTSHANDELINGEN EN DE VOORBEREIDING DAARVAN

Artikel 8a  

  • 1.

    Het samenwerkingsverband heeft de beschikking over alle haar hem van rechtswege toekomende bevoegdheden om aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen als bedoeld in artikel 31 van de Wet.

  • 2.

    Het samenwerkingsverband is bevoegd tot de oprichting van en de deelneming in privaatrechtelijke rechtspersonen, met inachtneming van het daarover bepaalde in artikel 31a van de Wet.

  • 3.

    Het samenwerkingsverband is bevoegd tot verlening van een uitsluitend recht in de zin van artikel 18 van de Richtlijn 2004/18/EG en artikel 2.24, onder a, van de Aanbestedingswet, ter zake van dienstverlening op het gebied van personeelsaangelegenheden, informatisering en automatisering en telefonie, alsmede op het gebied van financiële- en juridische dienstverlening.

HOOFDSTUK 5 BESTUURSORGANEN

Artikel 9  

Het bestuur van het samenwerkingsverband bestaat uit:

  • a.

    het algemeen bestuur;

  • b.

    het dagelijks bestuur;

  • c.

    de voorzitter.

AFDELING 1 HET ALGEMEEN BESTUUR

Artikel 10 De samenstelling

  • 1.

    Het algemeen bestuur bestaat uit leden die door de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten uit hun midden worden aangewezen.

  • 2.

    Het algemeen bestuur bestaat uit evenveel leden als het aantal gemeenten dat aan de regeling deelneemt. Iedere gemeente wordt door één lid vertegenwoordigd. Ieder lid heeft een plaatsvervanger.

  • 3.

    Naast het bepaalde in de vorige leden maakt de voorzitter, als bedoeld in artikel 25 van de regeling, deel uit van het algemeen bestuur.

Artikel 11  

  • 1.

    De colleges van de deelnemende gemeenten beslissen zo spoedig mogelijk na de eerste vergadering van elke nieuwe zittingsperiode over de aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur.

  • 2.

    Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt op de dag waarop de zittingsperiode van de gemeenteraad afloopt.

  • 3.

    Aftredende leden kunnen opnieuw als lid worden aangewezen.

  • 4.

    Wanneer een college in gebreke blijft overeenkomstig het eerste lid van dit artikel leden voor het algemeen bestuur aan te wijzen, blijven de door haar hem aangewezen leden hun lidmaatschap vervullen totdat dat college nieuwe leden heeft aangewezen, met inachtneming van het gestelde in artikel 12, vierde lid.

  • 5.

    Indien tussentijds een plaats van een lid van het algemeen bestuur vacant of beschikbaar komt, wijst het college dat het aangaat, in haar eerstvolgende vergadering - of indien dit niet mogelijk is ten spoedigste daarna - een nieuw lid aan.

  • 6.

    Het lidmaatschap van het algemeen bestuur is onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar aangesteld door of vanwege het openbaar lichaam of daaraan ondergeschikt.

Artikel 12  

  • 1.

    Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde ontslag nemen.

  • 2.

    Een lid van het algemeen bestuur dat ontslag heeft genomen behoudt het lidmaatschap totdat een opvolger is aangewezen en deze de benoeming heeft aanvaard.

  • 3.

    Van elke aanwijzing en ontslag van een lid van het algemeen bestuur geven burgemeester en wethouders van de gemeente die het aangaat, binnen acht dagen kennis aan de voorzitter van het samenwerkingsverband.

  • 4.

    Degene die ophoudt burgemeester of wethouder te zijn van de gemeente waarvan het college hem als lid van het algemeen bestuur heeft aangewezen, houdt daarmede tevens op lid van het algemeen bestuur te zijn.

Artikel 13 De werkwijze

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast.

  • 2.

    Het algemeen bestuur vergadert zo dikwijls de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig oordeelt, of wanneer één vijfde deel van de leden van het algemeen bestuur dit onder opgave van redenen schriftelijk verzoekt. Het algemeen bestuur vergadert tenminste tweemaal per jaar.

  • 3.

    Het algemeen bestuur vergadert in het openbaar. Er kan met gesloten deuren worden vergaderd wanneer dit door één vijfde gedeelte der aanwezige leden wordt verlangd of de voorzitter het nodig acht.

  • 4.

    Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd.

  • 5.

    De voorzitter draagt zorg voor een openbare kennisgeving van het tijdstip, plaats en agenda van de vergadering in een of meer dag- en nieuwsbladen die in de deelnemende gemeenten verspreid worden.

Artikel 14  

  • 1.

    In een besloten vergadering van het algemeen bestuur kan noch worden beraadslaagd noch een besluit worden genomen ter zake van:

    • a.

      de vaststelling en wijziging van de begroting;

    • b.

      de vaststelling van de rekening;

    • c.

      het invoeren, wijzigen of afschaffen van retributies of andere heffingen;

    • d.

      het vaststellen, wijzigen of intrekken van verordeningen;

    • e.

      het vaststellen, wijzigen of intrekken van rechtspositieregelingen voor het personeel van het openbaar lichaam;

    • f.

      het toetreden tot, het uittreden uit of het wijzigen of opheffen van de regeling;

    • g.

      het treffen, wijzigen, verlengen of opheffen van een gemeenschappelijke regeling tussen het openbaar lichaam en andere openbare lichamen, alsmede het toetreden tot en het uittreden uit een dergelijke regeling;

    • h.

      het oprichten van of deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen en coöperatieve en andere vereniging dan wel het ontbinden daarvan of het beëindigen van deelneming daaraan.

  • 2.

    In een besloten vergadering van het algemeen bestuur kan geen besluit worden genomen ter zake van:

    • a.

      het aangaan van geldleningen, het aangaan van rekening-courant overeenkomsten, het uitlenen van gelden en het waarborgen van geldelijke verplichtingen door anderen aan te gaan;

    • b.

      het geheel of gedeeltelijk vervreemden en het bezwaren van onroerend goed;

    • c.

      het doen van een uitgaaf voordat de begroting waarbij deze uitgaaf is geraamd, is goedgekeurd.

Artikel 15 Besluitvorming

  • 1.

    Elk lid van het algemeen bestuur heeft een gewogen stemrecht. De stemverhouding is gebaseerd op het aantal inwoners van de deelnemende gemeente gedeeld door 8.500, met dien verstande dat breuken naar boven worden afgerond.

  • 2.

    Bij de bepaling van het aantal inwoners, als bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van de cijfers zoals deze door het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn vastgesteld per 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar van aanvang van iedere zittingsperiode van de raden.

  • 3.

    De voorzitter onthoudt zich van stemmen.

  • 4.

    Besluiten worden genomen met meerderheid van stemmen, tenzij anders in deze regeling is bepaald. Als de stemmen staken wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.

Artikel 16 Bevoegdheden

Alle bevoegdheden in het kader van deze regeling, die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen, behoren aan het algemeen bestuur.

Artikel 17 Informatie en verantwoordingsplicht

  • 1.

    Het algemeen bestuur verstrekt zo spoedig mogelijk aan de colleges of de raden van de deelnemende gemeenten schriftelijk alle inlichtingen die door een of meer leden van die colleges of raden worden gevraagd.

  • 2.

    Een lid van het algemeen bestuur verstrekt het college dat hem als lid heeft aangewezen schriftelijk dan wel op een andere door dat college te bepalen wijze, alle inlichtingen die door een of meer leden worden gevraagd.

  • 3.

    Een lid van het algemeen bestuur is aan het college dat hem als lid heeft aangewezen, verantwoording verschuldigd voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid.

  • 4.

    Het afleggen van verantwoording geschiedt volgens door het betrokken college geregelde wijze.

Artikel 18 Vergoedingen

De leden van het algemeen bestuur ontvangen voor hun werkzaamheden geen vergoeding.

AFDELING 2 HET DAGELIJKS BESTUUR

Artikel 19 Samenstelling

  • 1.

    Het dagelijks bestuur bestaat naast de voorzitter van het algemeen bestuur uit vier leden die door het algemeen bestuur uit zijn midden worden aangewezen, met dien verstande dat twee leden afkomstig moeten zijn uit de subregio Drechtsteden, terwijl de subregio’s Alblasserwaard en Vijfheerenlanden en Hoeksche Waard elk met één lid in het dagelijks bestuur zijn vertegenwoordigd.

  • 2.

    De aanwijzing van de leden van het dagelijks bestuur vindt plaats in de eerste vergadering van het algemeen bestuur in nieuwe samenstelling.

  • 3.

    Met betrekking tot deze leden van het dagelijks bestuur zijn de artikelen 40 en 41 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    Deze leden van het dagelijks bestuur treden als lid van dat bestuur af op de dag van de eerste vergadering van het algemeen bestuur in nieuwe samenstelling. Zij zijn terstond herkiesbaar.

  • 5.

    Degene die, met inachtneming van het derde lid, ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt tevens op lid van het dagelijks bestuur te zijn.

  • 6.

    Indien tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur vacant of beschikbaar komt, wijst het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan. Gaat het openvallen van een plaats in het dagelijks bestuur gepaard met het openvallen van een plaats in het algemeen bestuur, dan wordt het aanwijzen van een nieuw lid van het dagelijks bestuur uitgesteld totdat de opengevallen plaats in het algemeen bestuur is bezet.

  • 7.

    Hij die als lid van het dagelijks bestuur ontslag neemt blijft zijn functie waarnemen, totdat de opvolger zijn functie heeft aanvaard.

  • 8.

    Een lid van het dagelijks bestuur kan, in geval van langdurige afwezigheid, worden vervangen door een ander lid van het dagelijks bestuur of door een door het algemeen bestuur uit zijn midden aan te wijzen lid. Deze tijdelijke vervanging kan ook plaats hebben, indien een lid van het dagelijks bestuur het voorzitterschap waarneemt.

Artikel 20 De werkwijze

  • 1.

    Het dagelijks bestuur vergadert minimaal zesmaal per jaar of zo dikwijls de voorzitter het nodig oordeelt of tenminste twee leden die dit de voorzitter schriftelijk en met redenen omkleed verzoeken. In het laatste geval wordt de vergadering binnen veertien dagen na een zodanig verzoek gehouden.

  • 2.

    In de eerste vergadering van elke zittingsperiode regelen de leden van het dagelijks bestuur onderling de werkzaamheden alsmede de onderlinge plaatsvervanging. De taakverdeling wordt medegedeeld aan het algemeen bestuur en aan de deelnemende gemeenten.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast. Dit reglement wordt medegedeeld aan het algemeen bestuur.

Artikel 21 Besluitvorming

Elk lid van het dagelijks bestuur heeft in de vergadering een stem.

De artikelen 56, 58 en 59 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22 Bevoegdheden

  • 1.

    Het dagelijks bestuur oefent, voor zover het algemeen bestuur daartoe besluit en dan naar door dat bestuur te stellen regelen, de aan het algemeen bestuur wettelijk toegekende of krachtens de regeling hem toevallende bevoegdheden uit, met uitzondering van:

    • a.

      het vaststellen en wijzigen van de begroting;

    • b.

      het vaststellen van de jaarrekening;

    • c.

      het vaststellen, wijzigen of intrekken van verordeningen;

    • d.

      Het toetreden tot, uittreden uit of wijzigen van de gemeenschappelijke regeling overeenkomstig het gestelde in hoofdstuk 12 van de regeling;

    • e.

      het vaststellen van het algemeen beleid;

  • 2.

    Van besluiten van het algemeen bestuur als bedoeld in het eerste lid, doet het dagelijks bestuur binnen vijf werkdagen mededeling aan de aan de regeling deelnemende gemeenten.

Artikel 23 Informatie en verantwoordingsplicht

  • 1.

    Het dagelijks bestuur geeft aan de colleges of de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen die door één of meer leden van die colleges worden gevraagd.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden zijn voor het in dat bestuur gevoerde beleid tezamen en ieder afzonderlijk verantwoording verschuldigd aan het algemeen bestuur.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden verstrekken aan het algemeen bestuur alle inlichtingen die door één of meer leden daarvan worden gevraagd.

  • 4.

    Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit.

Artikel 24 Vergoedingen

De leden van het dagelijks bestuur ontvangen voor hun werkzaamheden geen vergoeding.

AFDELING 3 DE VOORZITTER

Artikel 25 Algemene bepalingen

  • 1.

    De voorzitter van het algemeen- en dagelijks bestuur wordt door het college van Dordrecht aangewezen.

  • 2.

    Het algemeen bestuur beslist omtrent schorsing of ontslag van de voorzitter.

  • 3.

    Door en uit het algemeen bestuur wordt een plaatsvervangend voorzitter aangewezen.

  • 4.

    Bij afwezigheid of ontstentenis van de voorzitter wordt deze vervangen door de plaatsvervangend voorzitter.

Artikel 26 De taken en bevoegdheden

  • 1.

    De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.

  • 2.

    De voorzitter vertegenwoordigt het samenwerkingsverband in en buiten rechte. De voorzitter kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen gemachtigde.

  • 3.

    Indien de gemeente, tot het bestuur waarvan hij behoort, partij is in een geding waarbij het openbaar lichaam betrokken is, oefent diens plaatsvervanger deze bevoegdheid uit.

HOOFDSTUK 6 COMMISSIES VAN ADVIES EN BIJSTAND

Artikel 27  

  • 1.

    Het algemeen bestuur kan vaste commissies van advies instellen.

  • 2.

    Het algemeen bestuur regelt de bevoegdheden, werkwijze en samenstelling.

  • 3.

    De leden van de commissie als bedoeld in het eerste lid genieten, indien het algemeen bestuur zulks bepaalt, een op jaarbasis door het algemeen bestuur te bepalen tegemoetkoming in de kosten.

Artikel 28  

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt in elk geval een adviescommissie, genaamd Auditcommissie, in die het algemeen- en dagelijks bestuur gevraagd en ongevraagd adviseert met betrekking tot financiële aangelegenheden.

  • 2.

    Het algemeen bestuur stelt een verordening vast waarin de samenstelling, taken en bevoegdheden en de werkwijze van de Auditcommissie verder wordt uitgewerkt.

Artikel 29  

Andere commissies van advies aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter worden door het algemeen bestuur, onderscheidenlijk het dagelijks bestuur of de voorzitter ingesteld.

HOOFDSTUK 7 PERSONEEL EN ORGANISATIE

AFDELING 1 DIRECTIE

Artikel 30  

  • 1.

    Het organisatieonderdeel Dienst Gezondheid & Jeugd staat onder dagelijkse leiding van de directeur publieke gezondheid, als bedoeld in de Wet publieke gezondheid en in de Wet veiligheidsregio's.

  • 2.

    Het organisatieonderdeel Serviceorganisatie Jeugd Zuid-Holland Zuid staat onder dagelijkse leiding van de directeur Serviceorganisatie Jeugd Zuid-Holland Zuid.

  • 3.

    De directeur publieke gezondheid en de directeur Serviceorganisatie Jeugd bewaken gezamenlijk een zo groot mogelijke eenheid van beleid, voorkomen tegenstrijdigheden in het beleid van beide organisatieonderdelen, dragen er zorg voor dat het beleid van de beide organisatieonderdelen zoveel mogelijk op elkaar aansluit en bewaken gezamenlijk de naleving van relevante wetten, kaders en richtlijnen en coördineren gezamenlijk besluitvormingsprocessen binnen het samenwerkingsverband die op de organisatieonderdelen Dienst Gezondheid & Jeugd en Serviceorganisatie Jeugd Zuid-Holland Zuid zien.

  • 4.

    Elke directeur van een organisatieonderdeel kan worden bijgestaan door een controller, die de naleving van kaders en richtlijnen binnen het desbetreffende organisatieonderdeel bewaakt, alsmede de financiële processen ter zake dat organisatieonderdeel coördineert.

  • 5.

    Het algemeen bestuur stelt voor iedere directeur een instructie vast omtrent de wijze waarop die directeur zijn taken verricht.

AFDELING 2 DE SECRETARIS

Artikel 31  

  • 1.

    Eén van de directeuren is secretaris van het samenwerkingsverband.

  • 2.

    De secretaris staat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter bij de uitoefening van hun taak terzijde.

  • 3.

    Het algemeen bestuur kan voor de secretaris een instructie vaststellen.

  • 4.

    Het algemeen bestuur beslist omtrent benoeming, schorsing en ontslag van de secretaris. De benoeming geschiedt uit een door het dagelijks bestuur op te maken aanbeveling.

  • 5.

    Het algemeen bestuur regelt de vervanging van een de secretaris bij zijn afwezigheid.

  • 6.

    De secretaris woont de vergaderingen bij van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur. De directeur die geen secretaris is, woont de vergaderingen bij van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur. De directeur die geen secretaris is, zal een (gedeelte van een) vergadering van het algemeen bestuur dan wel het dagelijks bestuur niet bijwonen als dat naar het oordeel van het algemeen bestuur dan wel het dagelijks bestuur niet gewenst is vanwege de te behandelen vergaderonderwerpen in de desbetreffende vergadering.

  • 7.

    Alle stukken uitgaande van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur worden door de secretaris mede ondertekend.

  • 8.

    Titel II, Hoofdstuk VII van de Gemeentewet is op de secretaris van overeenkomstige toepassing.

AFDELING 3 RECHTSPOSITIE PERSONEEL

Artikel 32  

  • 1.

    Het dagelijks bestuur is, binnen het raam van de door het algemeen bestuur vastgestelde kaders, belast met het aanstellen van personeel als ambtenaar, het tewerkstellen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijke recht en met het schorsen en ontslaan van het personeel van het openbaar lichaam.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur kan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden ter zake personeel ten behoeve van een organisatieonderdeel opdragen aan de directeur van dat organisatieonderdeel.

  • 3.

    De rechtspositie en bezoldiging van de ambtenaren en van het personeel, werkzaam op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, wordt bepaald door de regels welke zijn of zullen worden vastgesteld voor het personeel in dienst van de gemeente Dordrecht, tenzij, overeenkomstig het bepaalde in de Ambtenarenwet, het algemeen bestuur op enig moment zelf voorziet in de rechtspositie en bezoldiging.

AFDELING 4 ORGANISATIE

Artikel 33  

Het dagelijks bestuur regelt de inrichting van de organisatie van het samenwerkingsverband, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 2 tot en met 5.

HOOFDSTUK 8 ALGEMENE FINANCIËLE BEPALINGEN

AFDELING 1 FINANCIËLE ADMINISTRATIE

Artikel 34  

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt bij verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede de regels voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie vast.

  • 2.

    Het algemeen bestuur stelt bij verordening regels vast voor de controle op het financiële beheer en op de inrichting van de financiële organisatie.

  • 3.

    De artikelen 212 en 213 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.

AFDELING 2 DE BEGROTING

Artikel 35  

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt uiterlijk 15 juli de begroting voor het volgend jaar en een meerjarenbegroting van het samenwerkingsverband vast.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting uiterlijk acht weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden toe aan de raden van de deelnemende gemeenten.

    • a.

      De gemeentebesturen leggen de ontwerp-begroting veertien dagen ter inzage en stellen haar tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar.

    • b.

      Van de ter inzage legging en verkrijgbaarstelling geschiedt van gemeentewege openbare kennisgeving.

    • c.

      Behandeling in de gemeenteraad kan niet eerder plaatsvinden dan twee weken na de openbare kennisgeving.

  • 3.

    Indien de raden van de deelnemende gemeenten omtrent de ontwerpbegroting aan het dagelijks bestuur tijdig hun gevoelen hebben doen blijken, voegt dit bestuur de ontvangen commentaren waarin dit gevoelen is vervat bij de ontwerpbegroting.

  • 4.

    Na vaststelling van de begroting zendt het algemeen bestuur de begroting aan de raden van de deelnemende gemeenten, die ter zake gedeputeerde staten van hun gevoelen kunnen doen blijken.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur zendt de begroting terstond na vaststelling aan gedeputeerde staten.

Artikel 36  

  • 1.

    In de begroting wordt aangegeven welke bijdrage elke deelnemende gemeente verschuldigd is aan het samenwerkingsverband. De begroting geeft per organisatieonderdeel inzicht in de baten en lasten van dat organisatieonderdeel.

  • 2.

    Voor taken die door het organisatieonderdeel Dienst Gezondheid & Jeugd worden uitgevoerd, rekent het samenwerkingsverband aan de deelnemende gemeenten algemene kosten en overige kosten toe. Het in dit lid bepaalde geldt gelijk voor elk ander organisatieonderdeel van het samenwerkingsverband met uitzondering van het organisatieonderdeel Serviceorganisatie Jeugd Zuid-Holland, waarvoor het bepaalde in lid 6 geldt.

  • 3.

    De in lid 2 bedoelde algemene kosten worden toegerekend aan alle deelnemende gemeenten op basis van het aantal inwoners. Voor het vaststellen van het aantal inwoners worden de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers per 1 juli van het voorvorig begrotingsjaar gebruikt.

  • 4.

    De in lid 2 bedoelde overige kosten worden toegerekend aan de gemeenten die deelnemen aan de taken, waarop die kosten betrekking hebben, tenzij anders geregeld in de verordening als bedoeld in lid 6 of lid 8.

  • 5.

    De deelnemende gemeenten betalen bij wijze van voorschot jaarlijks vóór 16 januari en vóór 16 juli telkens de helft van de in het eerste lid bedoelde bijdrage, met uitzondering van die gedeelten die op basis van lid 6 reeds bij wijze van voorschot zijn betaald.

  • 6.

    Voor taken die door het organisatieonderdeel Serviceorganisatie Jeugd Zuid-Holland Zuid worden uitgevoerd stelt het algemeen bestuur bij verordening nadere regels vast over de financiële verhouding tussen de deelnemende gemeenten en het samenwerkingsverband, waaronder begrepen vaststelling van de hoogte van de bijdrage en vergoedingen en de wijze van bevoorschotting voor zover het gaat over de gedelegeerde taken en krachtens mandaat opgedragen taken en bevoegdheden.

  • 7.

    Bijdragen die een deelnemende gemeente verschuldigd is aan het samenwerkingsverband ten behoeve van een organisatieonderdeel, mogen niet aangewend worden ter dekking van de kosten van een ander organisatieonderdeel.

  • 8.

    Het algemeen bestuur kan, met inachtneming van lid 6, voor de verdeling van de in dit artikel bedoelde bijdragen een verordening vaststellen over de wijze waarop de door de deelnemende gemeenten verschuldigde algemene en specifieke bijdrage wordt berekend. Bij het opstellen van de verordening geldt als uitgangspunt dat de financiële gevolgen uitsluitend worden gedragen door de gemeenten die de betreffende taken hebben overgedragen.

Artikel 37  

  • 1.

    De deelnemende gemeenten dragen er zorg voor dat het samenwerkingsverband te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.

  • 2.

    Onverminderd het gestelde in het eerste lid garanderen de deelnemende gemeenten jegens iedere geldgever de nakoming van de huidige en toekomstige verplichtingen die de publieke rechtspersoon te eniger tijd jegens die geldgever heeft.

  • 3.

    Indien een der deelnemende gemeenten op grond van een in het eerste of tweede lid bedoelde borgstelling of garantie wordt aangesproken door een geldgever zijn de deelnemende gemeenten jegens elkaar verplicht bij te dragen in de schuld waarvoor de eerstbedoelde deelnemende gemeente wordt aangesproken, in de verhouding tot het inwoneraantal op 1 januari van het dienstjaar waarin de geldlening wordt aangegaan.

  • 4.

    De interne verhaalsafspraken hierop betrekking hebbend, regarderen de geldgever niet.

Artikel 38  

Het dagelijks bestuur zendt vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten.

Artikel 39  

De bepalingen van artikel 35 betreffende de ontwerpbegroting zijn mede van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, voor zover die wijzigingen invloed hebben op de bijdragen van de deelnemende gemeenten.

Artikel 40  

Wanneer het algemeen bestuur blijkt, dat de raad van een deelnemende gemeente weigert de in artikel 36, lid 1 bedoelde bijdrage in de gemeentebegroting op te nemen, doet het algemeen bestuur aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 juncto 195 van de Gemeentewet.

AFDELING 3 DE REKENING

Artikel 41  

  • 1.

    Van de inkomsten en uitgaven van het samenwerkingsverband wordt door het dagelijks bestuur over elk dienstjaar verantwoording afgelegd aan het algemeen bestuur onder overlegging van de rekening met de daarbij behorende bescheiden.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur biedt deze rekening, met toevoeging van een verslag van een onderzoek naar de deugdelijkheid van de rekening, ingesteld door de overeenkomstig artikelen 212 en 213 van de Gemeentewet aangewezen accountant(s), alsmede hetgeen het dagelijks bestuur voor zijn verantwoording dienstig acht, ter vaststelling aan het algemeen bestuur aan.

  • 3.

    De rekening en de toelichting daarop, alsmede het advies dat ter zake door de Auditcommissie, als bedoeld in artikel 28 van deze regeling, werd uitgebracht, wordt gelijktijdig met de aanbieding aan het algemeen bestuur aan de raden van de deelnemende gemeenten gezonden.

  • 4.

    Het algemeen bestuur onderzoekt de rekening zonder uitstel en stelt haar vast voor 1 juli volgend op het jaar waarop deze betrekking heeft.

  • 5.

    De rekening wordt binnen twee weken na vaststelling met alle bijbehorende stukken aan gedeputeerde staten aangeboden. Van de vaststelling doet het dagelijks bestuur mededeling aan de raden der deelnemende gemeenten.

  • 6.

    De vaststelling van de rekening strekt het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden.

Artikel 42  

  • 1.

    In de rekening wordt het door elk der deelnemende gemeenten over het betreffende jaar werkelijk verschuldigde bedrag opgenomen, waarbij per organisatieonderdeel een uitsplitsing wordt gemaakt van de gerealiseerde inkomsten en uitgaven.

  • 2.

    de kosten worden, rekening houdende met andere inkomsten, per organisatieonderdeel over de deelnemende gemeenten verdeeld naar rato van de verdeelmaatstaven die in de begroting van datzelfde jaar worden gehanteerd voor die organisatieonderdelen.

  • 3.

    Verrekening van het verschil tussen het op grond van artikel 36, lid 5 en lid 6 betaalde voorschotten en de werkelijk verschuldigde bedragen vindt plaats onmiddellijk na de kennisgeving aan de gemeenten van de vaststelling van de rekening.

HOOFDSTUK 9 GESCHILLEN

Artikel 43  

Ten aanzien van geschillen omtrent de toepassing van de regeling in de ruimste zin, geldt het gestelde in artikel 28 van de wet.

HOOFDSTUK 10 KLACHTEN- EN OMBUDSVOORZIENING

Artikel 44  

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt, met inachtneming van hoofdstuk 9, titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht, een interne klachtenregeling vast.

  • 2.

    Het openbaar lichaam sluit, teneinde te voldoen aan de bepalingen in hoofdstuk 9, titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht, een overeenkomst met de Nationale ombudsman.

HOOFDSTUK 11 HET ARCHIEF

Artikel 45  

  • 1.

    Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van het samenwerkingsverband en haar organen overeenkomstig een door het algemeen bestuur met inachtneming van de Archiefwet vast te stellen regeling, welke aan gedeputeerde staten moet worden medegedeeld.

  • 2.

    De secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats van de gemeente Dordrecht, doch kan deze taak aan een andere ambtenaar delegeren.

  • 3.

    De archivaris van de gemeente Dordrecht oefent toezicht uit op het in het derde lid genoemde beheer.

  • 4.

    Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de in deze regeling genoemde organen is aangewezen de archiefbewaarplaats van de gemeente Dordrecht.

  • 5.

    De in het vierde lid bedoelde archiefbescheiden worden beheerd door de archivaris van de gemeente Dordrecht.

HOOFDSTUK 12 TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING

Artikel 46 Toetreding

  • 1.

    Het dagelijks bestuur zendt een verzoek tot toetreding van een andere gemeente tot deze regeling aan de colleges der deelnemende gemeenten.

  • 2.

    Toetreding tot de regeling door andere gemeenten kan plaatsvinden indien de colleges van tenminste twee derde van de deelnemende gemeenten daarmee instemmen.

  • 3.

    Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de toetreding en kan aan de toetreding bepaalde voorwaarden verbinden.

  • 4.

    Terstond na de toetreding worden door het college van de toetredende gemeente de leden van het algemeen bestuur aangewezen.

Artikel 47 Uittreding

  • 1.

    Een deelnemende gemeente kan uittreden door toezending aan het algemeen bestuur van het daartoe strekkende besluit van haar college.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur zendt een besluit tot uittreding van een gemeente aan de colleges van de overige deelnemende gemeenten.

  • 3.

    Tenzij het algemeen bestuur een kortere termijn bepaalt, kan de uittreding niet eerder plaatsvinden dan tegen 31 december van het tweede kalenderjaar volgende op dat waarin het besluit tot uittreding door het algemeen bestuur is vastgesteld.

  • 4.

    Het algemeen bestuur besluit over de voorwaarden waaronder de uittreding kan worden geëffectueerd en regelt de financiële en overige gevolgen van de uittreding.

Artikel 48 Wijziging

  • 1.

    Zowel het algemeen bestuur, op voorstel van het dagelijks bestuur, als de colleges van de deelnemende gemeenten kunnen voorstellen doen tot wijziging van de regeling.

  • 2.

    De regeling wordt gewijzigd zodra de colleges van tenminste drie vierde van het aantal deelnemende gemeenten tot deze wijziging hebben besloten.

Artikel 49 Opheffing

  • 1.

    De regeling kan worden opgeheven, wanneer de colleges van tenminste drie vierde van het aantal deelnemende gemeenten daartoe besluiten.

  • 2.

    Een besluit, als bedoeld in het eerste lid, kan niet eerder worden genomen dan nadat het algemeen bestuur daarover zijn mening heeft kenbaar gemaakt.

  • 3.

    In geval van opheffing van de regeling regelt het algemeen bestuur de financiële gevolgen van de opheffing in een liquidatieplan. Hierbij kan van bepalingen van deze regeling worden afgeweken.

  • 4.

    Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, de raden der colleges van de deelnemende gemeenten gehoord, vastgesteld. en behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten.

  • 5.

    Het liquidatieplan voorziet in ieder geval ook in de financiële en overige gevolgen die de opheffing voor het personeel heeft.

  • 6.

    De organen van het samenwerkingsverband blijven, zo nodig, na het tijdstip van de opheffing van de regeling in functie, totdat de liquidatie is voltooid.

Artikel 50 Bekendmaking

  • 1.

    Het gemeentebestuur van Dordrecht draagt zorg voor de toezending van de regeling aan gedeputeerde staten, als bedoeld in artikel 26 van de wet, en maakt de regeling tijdig in alle deelnemende gemeenten bekend door kennisgeving van de inhoud daarvan in de Staatscourant. Artikel 140 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    De colleges van de deelnemende gemeenten nemen de regeling op in het register dat zij bijhouden op grond van artikel 27 van de wet.

HOOFDSTUK 13 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 51  

  • 1.

    Deze regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd.

  • 2.

    De regeling treedt in werking op de dag na publicatie.

  • 3.

    De regeling kan worden aangehaald als “Gemeenschappelijke regeling Dienst Gezondheid & Jeugd Zuid-Holland Zuid”.

  • 4.

    De regeling is in formele zin een wijziging van de Gemeenschappelijke regeling Regio Zuid-Holland Zuid, zodat het samenwerkingsverband de rechtspersoonlijkheid en alle daarmee samenhangende rechten en verplichtingen van de Regio Zuid-Holland Zuid voortzet, tenzij de regeling daarin uitdrukkelijk anders heeft voorzien.

  • 5.

    De tekst van de Gemeenschappelijke regeling Regio Zuid-Holland Zuid, vastgesteld 1 juli 2009, inwerking getreden 22 juli 2009, wordt ingetrokken.

Aldus besloten op:

16 februari 2016 door burgemeester en wethouders van Alblasserdam, gelet op de daartoe op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen op 29 maart 2016 verkregen toestemming van de gemeenteraad;

26 februari 2016 door burgemeester en wethouders van Binnenmaas, gelet op de daartoe op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen op 14 april 2016 verkregen toestemming van de gemeenteraad;

12 april 2016 door burgemeester en wethouders van Cromstrijen gelet op de daartoe op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen op 5 juli 2016 verkregen toestemming van de gemeenteraad;

31 mei 2016 door burgemeester en wethouders van Dordrecht, gelet op de daartoe op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen op 10 mei 2016 verkregen toestemming van de gemeenteraad;

15 maart 2016 door burgemeester en wethouders van Giessenlanden, gelet op de daartoe op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen op 21 april 2016 verkregen toestemming van de gemeenteraad;

14 juni 2016 door burgemeester en wethouders van Gorinchem, gelet op de daartoe op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen op 1 september 2016 verkregen toestemming van de gemeenteraad;

9 februari 2016 door burgemeester en wethouders van Hardinxveld-Giessendam, gelet op de daartoe op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen op 31 maart 2016 verkregen toestemming van de gemeenteraad;

5 januari 2016 door burgemeester en wethouders van Hendrik-Ido-Ambacht, gelet op de daartoe op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen op 1 februari 2016 verkregen toestemming van de gemeenteraad;

9 februari 2016 door burgemeester en wethouders van Korendijk, gelet op de daartoe op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen op 15 maart 2016 verkregen toestemming van de gemeenteraad;

30 augustus 2016 door burgemeester en wethouders van Leerdam, gelet op de daartoe op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen op 22 september 2016 verkregen toestemming van de gemeenteraad;

20 september 2016 door burgemeester en wethouders van Molenwaard, gelet op de daartoe op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen op 20 september 2016 verkregen toestemming van de gemeenteraad;

20 september 2016 door burgemeester en wethouders van Oud-Beijerland, gelet op de daartoe op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen op 20 september 2016 verkregen toestemming van de gemeenteraad;

16 februari 2016 door burgemeester en wethouders van Papendrecht, gelet op de daartoe op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen op 7 april 2016 verkregen toestemming van de gemeenteraad;

1 maart 2016 door burgemeester en wethouders van Sliedrecht, gelet op de daartoe op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen op 29 maart 2016 verkregen toestemming van de gemeenteraad;

30 augustus 2016 door burgemeester en wethouders van Strijen, gelet op de daartoe op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen op 30 augustus 2016 verkregen toestemming van de gemeenteraad;

8 maart 2016 door burgemeester en wethouders van Zederik, gelet op de daartoe op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen op 25 april 2016 verkregen toestemming van de gemeenteraad;

8 maart 2016 door burgemeester en wethouders van Zwijndrecht, gelet op de daartoe op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen op 12 april 2016 verkregen toestemming van de gemeenteraad.